Domesticatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Vroege domesticatie: Een koe wordt gemolken in het Antieke Egypte.

Domesticatie (van het Latijn domus, huis) is het proces waarmee de mens dieren en planten (door selectie en fokken) zodanig van eigenschappen verandert dat deze dieren en planten steeds meer aangepast raken aan het leven dicht bij en in dienst van de mens.

Algemeen[bewerken]

Het doel van domesticatie van planten is ze beter te kunnen gebruiken (voedsel, medicijn, weefsel, bouwmateriaal, brandstof, etc) of voor hun sierwaarde. Domesticatie van dieren heeft tot doel ze als voedsel te kweken, om werk te verrichten en/of als gezelschapsdier.

Na domesticatie staan de gedomesticeerde exemplaren van een soort aan een geheel andere vorm van selectiedruk bloot dan hun wilde verwanten. De mens kweekt of fokt immers alleen verder met exemplaren die voor de mens gunstige eigenschappen hebben, zodat er in zeer korte tijd (tenminste op evolutionaire schaal bezien) grote veranderingen kunnen optreden, bijvoorbeeld van een wolf naar een schoothondje.

Het eerste gedomesticeerde dier was de hond. Er zijn genetische aanwijzingen dat honden reeds meer dan 100.000 jaar geleden werden gedomesticeerd.[1] Dit kan betwist worden, maar er zijn alleszins grafresten gevonden van honden die dateren van zo'n 14.000 jaar geleden.[2] De hond werd gevolgd door de geit, het schaap en het varken, rond 8000 v.Chr. Dit vond allemaal plaats in het westen van Azië, in de zogenaamde vruchtbare halve maan. De koe volgde rond 6000 v.Chr. Het paard werd rond 4000 v.Chr. in het zuiden van Europees Rusland gedomesticeerd. De domesticatie van cavia's wordt ongeveer 1000 v.Chr. gesitueerd. Door genetische analyse is tegenwoordig vaak redelijk goed vast te stellen:

  • welke soort de wilde voorouder is
  • hoelang geleden de domesticatie ongeveer heeft plaatsgevonden en
  • of dit een eenmalige gebeurtenis is geweest of dat het proces zich in verschillende streken of tijden herhaaldelijk heeft voltrokken.

Soms is de wilde voorouder inmiddels vermoedelijk uitgestorven of bestaat er twijfel of in het wild levende dieren van een gedomesticeerde soort niet gewoon verwilderde exemplaren zijn, in plaats van nog oorspronkelijk wilde exemplaren van die soort.

Bij veel gedomesticeerde planten is sprake van polyploïdie, dat wil zeggen dat iedere cel van zo'n plant in plaats van 2n chromosomen er 4n of zelfs 6n of 8n bezit. Dit gaat bij veel planten gepaard met grotere bladeren, bloemen en/of vruchten. Op deze wijze is bijvoorbeeld tarwe waarschijnlijk uit emmertarwe ontstaan.

Gedomesticeerde dieren[bewerken]

Landbouwhuishouddieren voldoen aan zes criteria.[3]

  1. plant zich voort in gevangenschap
  2. handelbaar gedrag
  3. volgzaamheid
  4. een voedingspatroon waarin de mens kan voorzien
  5. groeit snel op
  6. relatief korte intervallen tussen drachtigheid

Gezelschapsdieren hebben bijkomende criteria:

  1. aaibaarheid
  2. gewenst gedrag moet getraind kunnen worden
  3. afhankelijkheid ten opzichte van de mens
  4. menselijke emoties kunnen aanvoelen en op reageren. Dit vermindert de kans op afstoting aanzienlijk.

Domesticatie moet hier worden onderscheiden van temmen. Getemde dieren worden in het wild gevangen en getemd maar niet gedomesticeerd omdat ze niet aan alle criteria voldoen. Olifanten zijn bijvoorbeeld geen gedomesticeerde dieren omdat de meesten nog in het wild worden gevangen en getemd, door hun trage groei is fokken een (te) langdurig proces hoewel er wel jongen in gevangenschap worden geboren.

Gedomesticeerde dieren zijn onder andere:

Soort Datum Locatie
Hond 15000 v.Chr. Meerdere locaties
Geit 10000 v.Chr.[4] Azië en Midden-Oosten
Schaap 8000 v.Chr.[5] Azië en Midden-Oosten
Varken 8000 v.Chr.[6] China
Koe 8000 v.Chr.[7][8] India, Midden-Oosten, en Sub-Saharisch Afrika
Kat 7000 v.Chr.[9] Middellandse Zee
Kip 6000 v.Chr.[10] Zuidoost-Azië
Cavia 5000 v.Chr.[11] Peru
Ezel 5000 v.Chr.[12][13] Egypte
Waterbuffel 4000 v.Chr. China
Paard 4000 v.Chr. Oekraïne
Lama 3500 v.Chr. Peru
Grauwe gans 3000 v.Chr. Europa
Zijdevlinder 3000 v.Chr. China
Rotsduif 3000 v.Chr. Egypte, Middellandse Zee
Kameel 2500 v.Chr. Centraal-Azië
Dromedaris 2500 v.Chr. Arabië
Banteng ??? Zuidoost-Azië, Java
Gaur ??? Zuidoost-Azië
Jak 2500 v.Chr. Tibet
Zwaangans 1500 v.Chr. Oost-Azië
Alpaca 1500 v.Chr. Peru
Wilde eend 1000 v.Chr. China
Muskuseend ??? Zuid-Amerika
Rendier 1000 v.Chr. Siberië
Helmparelhoen ??? Afrika
Karper ??? Oost-Azië
Fret 1500 - 500 v.Chr. Europa
Kalkoen 500 v.Chr. Mexico
Goudvis 300 China
Konijn 1600 Europa
Zeboe 8000 v.Chr. India
Bij 4000 v.Chr. Meerdere locaties
Aziatische olifant 2000 v.Chr. Indusbeschaving
Damhert 1000 v.Chr. Middellandse Zee
Pauw 500 v.Chr. India
Lachduif 500 v.Chr. Noord-Afrika
Japanse kwartel 1100-1900 Japan
Kanarie 1600 Canarische Eilanden, Europa
Mandarijneend ??? China
Knobbelzwaan 1000-1500 Europa
Goudhamster
Muis
Rat

Gedomesticeerde planten[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Domesticatie van planten en Cultuurgewas voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Zoals bij dieren geldt ook voor planten dat niet iedere plant even geschikt is voor domesticatie. Bij de domesticatie van planten gelden ook hier een aantal criteria.

  • Ze dienen nuttig voor de mens te zijn (kleding, voedsel, sierwaarde)
  • Groeisnelheid en de tijdsspanne voordat een plant nuttig wordt. Eenjarige planten zijn voor de mens het nuttigst.
  • Voortplanting. Voor de mens zijn planten het nuttigst wanneer ze zich aseksueel vermeerderen via zelfbevruchting zodat de mens de plant kan zaaien. Bovendien is selectie (buiten een laboratorium) bezwaarlijk wanneer de plant afhankelijk is van de wind of andere diersoorten. Verder schieten veel planten hun zaden weg waardoor de mens ze niet kan verzamelen.
  • Handelbaarheid bij het oogsten (afwezigheid van stekels of netelharen) enhiermee samenhangend grootte en verzamelbaarheid van de nuttige bestanddelen (grote laaghangende vruchten zijn makkelijker te oogsten dan kleine hooghangende vruchten.
  • Snelle gelijktijdige ontkieming van de zaden.
  • Bij vruchten de smaak, kleur, grootte, voedzaamheid en afwezigheid van toxinen.

Veel plantensoorten in het wild zijn niet nuttig voor de mens omdat ze niet aan deze criteria voldoen. Selectie vond echter plaats doordat de mens mutanten oppikte die wel nuttig waren, aanvankelijk door vruchten te eten waarna de uitgepoepte zaden bij latrines of gevallen of weggegooide vruchten met zaden wortel schoten. Wilde amandelen zijn bijvoorbeeld bitter en zelfs giftig, maar toch kon de amandelboom gedomesticeerd worden doordat er mutanten bestaan met zoete vruchten, waarna de mens uiteraard slechts de zoete amandelen ging eten en later planten. Doordat de grootste en kleurrijkste vruchten werden verzameld en gemorste exemplaren wortel schoten vond selectie plaats voor grote kleurrijke vruchten. Ook op andere eigenschappen werd aanvankelijk onbewust en later bewust geselecteerd door de mens.

Gedomesticeerde planten zijn onder andere:

Gedomesticeerde schimmels[bewerken]

Gedomesticeerde schimmels zijn:

Experimenten[bewerken]

Om het proces van de domesticatie van wilde dieren na te bootsen zijn wetenschappers onder leiding van Dmitri Beljajev in Rusland in 1958 begonnen met het kweken van vossen. Hierbij werden vossen geselecteerd op de goede "tamme" eigenschappen. Na negen generaties van selectie waren er al aanmerkelijke gedragsveranderingen en konden vele van deze vossen als huisdieren gebruikt worden.[14][15] Door de genetische aanpassingen te vergelijken met andere gedomesticeerde dieren hoopt men precies te achterhalen welke genen bij het proces betrokken zijn.

Zie ook[bewerken]