Naar inhoud springen

Doodstraf in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Terechtstelling van Adrianus Blom in Leiden (1856)

De doodstraf was in Nederland eeuwenlang de zwaarst mogelijke straf maar werd in 1870 afgeschaft (met uitzondering van oorlogsrecht). In 1983 werd in de Grondwet bepaald dat de doodstraf niet kan worden opgelegd (artikel 114). Sindsdien kent Nederland de doodstraf niet meer, noch voor misdrijven in vredestijd noch voor misdrijven in oorlogstijd.

Gewoon strafrecht

[bewerken | brontekst bewerken]

In de Middeleeuwen en ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stond de doodstraf op de meest uiteenlopende misdrijven. Afhankelijk van het type misdrijf en de stand van de veroordeelde kon de doodstraf op verschillende manieren worden voltrokken.

Dit veranderde tijdens de Franse bezetting van Nederland, begin 19e eeuw. De Fransen voerden de Code Pénal in, die voorschreef dat de doodstraf voltrokken moest worden door middel van de guillotine. Enkele jaren later werd vastgelegd dat in het Koninkrijk der Nederlanden de doodstraf alleen door het zwaard (onthoofding) of de strop (ophanging) kon worden voltrokken. In de praktijk werden terdoodveroordeelden altijd opgehangen. Terechtstellingen werden nadien steeds zeldzamer. De koning verleende regelmatig gratie en er ontstond ook steeds meer weerstand tegen de 'barbaarse' executies, die in het openbaar werden voltrokken. Executies trokken altijd grote menigten mensen. De allerlaatste terechtstelling voor een misdrijf onder het gewone strafrecht vond 31 oktober 1860 in Maastricht plaats. Johannes Nathan, veroordeeld voor de moord op zijn schoonmoeder, werd die dag om 10.00 uur 's ochtends opgehangen.

Hieronder een overzicht van de laatste tien executies die in Nederland onder het gewone strafrecht werden voltrokken:

Naam Functie/vergrijp Datum voltrekking Locatie executie
Johannes Nathan (ca. 1833) Moord op schoonmoeder 31 oktober 1860 Maastricht
Pieter Pijnacker (1823) Doodslag 9 juni 1860 Gouda
Ype Baukes de Graaf (1812) Moord 23 maart 1860 Leeuwarden
Pieter Jan Geurts (1835) Moord en verkrachting 28 april 1858 Maastricht
Adrianus Blom (1824) Doodslag op dochter ex-werkgever en inbraak 9 juli 1856 Leiden
Adriaan de Klerk (ca. 1809) Inbraak met geweld en bedreiging 4 juni 1856 's-Hertogenbosch
Cornelis de Jong (ca. 1799) Inbraak met geweld en bedreiging 4 juni 1856 's-Hertogenbosch
Hendrik Beekman (1800) Brandstichting 22 juni 1855[1] Apeldoorn
Johann Heinrich Kemper (1832) Doodslag 22 november 1854 Amsterdam
Jean Baptiste de Loeil (1789) Doodslag op zijn vrouw 11 februari 1850 Middelburg

In 1870 werd de doodstraf in Nederland na een debat van zeven dagen in de Tweede en Eerste Kamer uit het gewone strafrecht gehaald door het invoeren van een nieuwe wet door minister Van Lilaar. De straf werd "wreed en onbeschaafd" gevonden. In de tien jaar daarvóór was de doodstraf overigens al niet meer uitgevoerd. Met deze wijziging van het Wetboek van Strafrecht werd de doodstraf vervangen door levenslange tuchthuisstraf. Dat bleek zes jaar later niet geheel met instemming van de bevolking te zijn: toen Hendrik Jut (bekend van de kop-van-jut) tot levenslang werd veroordeeld, eisten velen dat hij toch de doodstraf zou krijgen. Dit leidde in 1881 tot Kamerdiscussies. Enerzijds waren er de voorstanders van de doodstraf ('jutters'), met name de confessionelen onder leiding van De Savornin Lohman die een Bijbelse grondslag zagen voor de doodstraf, anderzijds waren er de tegenstanders van de doodstraf ('niet-jutters') onder leiding van onder andere Pieter van Bemmelen en minister van justitie Anthony Modderman. De tegenstanders wonnen en het besluit van 1870 bleef gehandhaafd.

Militair strafrecht

[bewerken | brontekst bewerken]

In het militaire strafrecht en het oorlogsstrafrecht bleef de doodstraf bestaan totdat in 1983 in de Grondwet bepaald werd dat de doodstraf niet mag worden opgelegd (artikel 114). Met ingang van 1990 verdween de straf uit de betreffende wetten.[2]

Hieronder een overzicht van militairen (land-, lucht- of zeemacht) die in Nederland geëxecuteerd zijn na een veroordeling door de krijgsraad, met een artikel op Wikipedia.

Naam Functie/vergrijp Datum voltrekking Locatie executie
Jacob Charmel (1823) Poging tot moord op een officier 25 augustus 1845 Hellevoetsluis

Nederlandse Antillen en Suriname

[bewerken | brontekst bewerken]

In Suriname en op de Nederlandse Antillen bleef de doodstraf na 1870 bestaan.

Nederlandse Antillen

[bewerken | brontekst bewerken]

Het wetboek van de Nederlandse Antillen kende na 1870 de doodstraf nog als een mogelijk op te leggen straf (artikel 9). De doodstraf kon - in theorie - alleen worden opgelegd voor het 'heulen met de vijand met als doel een oorlog te initiëren' en moet worden voltrokken door middel van ophanging. De betreffende passage stamt uit 1918, toen ook in het Nederlandse oorlogsrecht de doodstraf nog bestond. Pas in maart 2010 werd overwogen deze passage te schrappen uit principiële overwegingen.[3] Bij de staatkundige hervormingen van 10 oktober 2010 heeft de Nederlandse wetgever elke vermelding van de doodstraf uit het Wetboek van Strafrecht BES gehaald. Het is niet bekend of de wetgevers in Curaçao en Sint Maarten hetzelfde hebben gedaan. In het nieuwe Wetboek van Strafrecht van Curaçao dat op 15 november 2011 in werking is getreden, komt de doodstraf in ieder geval niet meer voor.

De laatste doodstraf in Suriname werd uitgevoerd in 1927.

Naam Vergrijp Datum voltrekking Locatie executie
Nicodemus Charles Apatoe (ca. 1902) Roofmoord 19 november 1927 Paramaribo

Tweede Wereldoorlog

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1939 werd het debat gevoerd over een mogelijke herinvoering van de doodstraf voor (hoog- en land)verraders. Door de Duitse inval in mei 1940 werd deze discussie beëindigd. Op 12 mei 1940 werd bij de Grebbeberg door de Nederlandse autoriteiten de Nederlandse sergeant Chris Meijer wegens desertie ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. In Breda werden op 12 mei 1940 twee soldaten, Joost van Wingerden uit Zwijndrecht en Hendrikus "Dries" Steenbeek uit Gouda wegens desertie doodgeschoten in de tuin van het politiebureau maar hier was geen veroordeling door een rechter of de krijgsraad aan vooraf gegaan.[4]

Tijdens de bezetting werd de doodstraf door de Duitse bezetter heringevoerd en op grote schaal uitgevoerd. Bovendien voerde de bezetter op grote schaal, zonder procesgang en in weerwil van het oorlogsrecht, represaille-executies uit op de burgerbevolking.

In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog besloot de Nederlandse regering in ballingschap tot herinvoering omdat men vreesde dat de bevolking anders "het recht in eigen hand zou gaan nemen". Om geestelijke verwildering te voorkomen mochten er echter niet te veel executies plaatsvinden. In 1945 begon de massale vervolging van landverraders en collaborateurs. Tienduizenden werden veroordeeld door de bijzondere rechtspleging; 154 mensen kregen de doodstraf, van wie er 39 daadwerkelijk werden gefusilleerd. Daarnaast werden drie personen al op 3 mei 1945 hiervoor gefusilleerd. Koningin Juliana verleende regelmatig gratie. Nederland kende in die dagen speciale executieplaatsen. De meeste doodvonnissen werden in hoger beroep omgezet in levenslang, waarna doorgaans vervroegde invrijheidstelling volgde. In 1989 gebeurde dat voor de laatste keer met de Twee van Breda. De laatste daadwerkelijk voltrokken executies vonden plaats op 21 maart 1952, toen twee oorlogsmisdadigers, de Nederlander Andries Pieters en de Duitser Artur Albrecht, op de Waalsdorpervlakte door een vuurpeloton werden geëxecuteerd.

Onder de bijzondere rechtspleging zijn de volgende doodstraffen uitgevoerd:

Naam Functie/vergrijp Datum voltrekking Locatie executie
Artur Albrecht (1903) Commandant van de SD Friesland (Duitser) 21 maart 1952 Waalsdorpervlakte
Herman Bartelsman (1881) Colonne Henneicke 6 maart 1947 Weesperkarspel
Johan Berendsen (1912) Politieman, mishandeling, drievoudige moord 2 mei 1947 Vught
Karl Peter Berg (1907) Commandant kamp Amersfoort (Duitser) 22 november 1949 Weesperkarspel (Fort Bijlmer)
Max Blokzijl (1884) Hulpverlening aan de vijand 16 maart 1946 Waalsdorpervlakte
Jan Boogaard (1918) Verraad Weteringschans 1 maart 1947 Weesperkarspel (Fort Bijlmer)
Oomke Bouman (1920) SD'er, moord, mishandeling 12 februari 1949 Groningen
Ans van Dijk (1905) Verraad van Joden 14 januari 1948 Weesperkarspel (Fort Bijlmer)
Johannes Driehuis (1910) Bewaker kamp Erica, mishandeling, moord 20 juni 1947 Vught
Sander van Droffelaar (1914) SD'er, 8 maal moord, mishandeling, marteling 16 november 1949 Groningen
Evert Drost (1906) SD'er, moord 28 juli 1949 Groningen
Dirk Eijkelboom (1895) Landwachter, mishandeling. 6 juli 1948 Arnhem (Galgenberg)
Pieter Johan Faber (1920) Executies 10 juli 1948 Groningen
Jacob Eduard Feenstra (1888) Politieman, mishandeling 29 augustus 1946 Arnhem (Galgenberg)
Gerardus J.H. Ganzevles (1898) SD'er, jodenjager. 5 februari 1947 Weesperkarspel
Piet Gerrits (1896) Verraad 29 mei 1947 Vught
Bram Harrebomée (1902) Politieman, mishandeling, Aktion Silbertanne 3 mei 1947 Weesperkarspel (fort Bijlmer)
Ludwig Heinemann (1911) Executies (Duitser) 10 februari 1947 Arnhem (Galgenberg)
Julius Herdtmann (1883) Hulpverlening bij Duitse aanval op Nederland in 1940 26 januari 1951 Weesperkarspel
Ries Jansen (1910) SD'er, moord, mishandeling. 11 februari 1949 Arnhem (Galgenberg)
Abraham Kaper (1890) Politieman, executies, mishandeling 29 juni 1949 Groningen
Kees Kaptein (1915) SD'er, arrestaties van joden 21 juli 1949 Waalsdorpervlakte
Maarten Kuiper (1898) Politieman, Aktion Silbertanne 30 augustus 1948 Weesperkarspel (Fort Bijlmer)
Jan Lamberts (1918) SD'er, 8 maal moord, mishandeling, marteling 16 november 1949 Groningen
Robert Lehnhoff (1906) Hoofd SD Groningen (Duitser) 24 juli 1950 Groningen
Frederik Meijer (1900) Colonne Henneicke 28 maart 1947 Weesperkarspel
Wouter Mollis (1896) Politieman, Lid Germaansche SS in Nederland, Aktion Silbertanne, mishandeling, executies 4 februari 1949 Weesperkarspel (fort Bijlmer)
Anton Mussert (1894) Hulpverlening aan de vijand 7 mei 1946 Waalsdorpervlakte
Andries Pieters (1916) Mishandeling, executies 21 maart 1952 Waalsdorpervlakte
Hanns Albin Rauter (1895) Höherer SS- und Polizeiführer Nordwest (Nederland) (Oostenrijker) 25 maart 1949 Waalsdorpervlakte
Matthijs Adolf Ridderhof (1895) SD-agent, V-Mann 1 maart 1947 Weesperkarspel (fort Bijlmer)
Gerard Rollema (1915) Landwachter, moord 6 februari 1947 Vught
Gerrit Sanner (1909) Landwachter, Norger bloedploeg 1 mei 1947 Groningen
Pieter Schaap (1902) Politieman, executies, mishandeling 29 juni 1949 Groningen
Jacobus Suykerbuyk (1898) Mishandeling, moord 23 maart 1949 Vught
Hendrikus Wilhelmus Verwaijen (1917) SS'er, executies 26 juni 1947 Den Haag
Anton van der Waals (1912) SD-agent, V-Mann 26 januari 1950 Waalsdorpervlakte
Tjeerd van der Weide (1885) Burgemeester, mishandeling, arrestaties 6 juni 1947 Weesperkarspel (fort Bijlmer)
Pieter Wichers (1903) Verraad van joden en onderduikers 2 juni 1947 Groningen

Nederlands-Indië

[bewerken | brontekst bewerken]

In Nederlands-Indië werden in 1945 twaalf Temporaire Krijgsraden ingesteld die belast waren met de berechting van de Japanners die zich aan oorlogsmisdaden schuldig hadden gemaakt. In augustus 1946 vond het eerste proces tegen de Japanse kapitein Kenichi Sonei plaats in Batavia en in juni 1949 werd het laatste vonnis uitgesproken. Op Java en Sumatra, waar relatief veel Europeanen woonden en werden vastgehouden in Jappenkampen, werden vooral misdaden tegen de Europeanen onderzocht. In de Grote Oost, waar relatief weinig Europeanen woonden en waren vastgehouden, richtten de processen zich vooral op misdaden tegen de Indonesische bevolking. In totaal werden ruim 1.000 Japanse en 43 Koreaanse en Formosaanse kampbewaarders voor het gerecht gedaagd. Het verzamelen van bewijs tegen hen was veelal al begonnen tijdens de oorlog. In de laatste maanden van 1945 en in de eerste maanden van 1946 werden verder onder slachtoffers en getuigen duizenden verklaringen afgenomen aan boord van bijvoorbeeld repatriëringsschepen en in Nederlands-Indië zelf. Op de rechtsgang was veel aan te merken: het vooronderzoek hoefde niet te voldoen aan de waarborgregels van het normale strafrecht en voor de verschillende krijgsraden werden de regels rond de bewijslast aanzienlijk versoepeld. Bij het opleggen van de doodstraf werd de Australische rechtspraak gehanteerd. Er werd intensief samengewerkt met geallieerden in Singapore en Tokio, maar er ontbrak internationaal toezicht (zoals bij het Proces van Tokio). De gevangenen werden vaak slecht behandeld door hun bewakers die in veel gevallen eerder zelf in een Jappenkamp hadden gezeten.

In tegenstelling tot de Nederlandse bijzondere rechtspleging en de Australische, Britse, Chinese en Filipijnse geallieerde rechtbanken die vonnissen uitspraken over Japanse krijgsgevangenen was het aantal gevallen van vrijspraak gering: slechts 55 (5%) werden vrijgesproken en 983 werden veroordeeld. Dit was vergelijkbaar met de Amerikaanse krijgsraden in de Filipijnen en Japan.

236 gevangenen (een kwart) werden veroordeeld tot de doodstraf, een vergelijkbaar aantal met de Australische rechtbanken en behoorlijk minder vaak dan bij de Britse en Chinese krijgsraden. Slechts 10 van deze 236 kregen gratie tegen 13 van de 18 Duitsers die door de bijzondere rechtspleging waren veroordeeld.[5] Mogelijk leidde deze strengheid ertoe dat enkele Japanse gevangenen zelfmoord pleegden en 20 van hen een uitbraakpoging deden; 6 van hen werden hierbij gedood, 10 wisten te ontsnappen. De resterende 210 werd geëxecuteerd.[6] Ruim een derde van de terdoodveroordelingen betrof leden van de gevreesde militaire politie Kempeitai (leger) en Tokkeitai (marine).

Huidig standpunt

[bewerken | brontekst bewerken]

Terwijl in de Nederlandse samenleving een grote (en volgens sommige onderzoeken groeiende) minderheid voorstander is van herinvoering van de doodstraf (opinieonderzoek uit 2008 wees op 42% voorstanders),[7] is het onderwerp in de Nederlandse politiek volledig taboe. Met enige regelmaat probeert een politicus een proefballonnetje op te laten door herinvoering van de doodstraf ter discussie te stellen maar hierop wordt door andere politici altijd negatief gereageerd. De Staatkundig Gereformeerde Partij is de enige Nederlandse partij met zetels in de Tweede Kamer die voorstander is van de doodstraf.[8] Echter, voor de Tweede Kamerverkiezingen van 2017 heeft het partijcongres, ondanks publiek geuite protesten van leden van de afdelingen Zwartewaterland en Zaanstad[9], besloten de doodstraf niet meer op te nemen in het verkiezingsprogramma.[10] Ook oud-Tweede Kamerlid en oud-minister Hilbrand Nawijn (voormalig LPF) heeft zich enkele malen uitgesproken voor herinvoering van de doodstraf.

Nederland beschouwt "rechtspraak die uitmondt in de dood [als] niet rechtvaardig".[11] Nederland was in 2003 een van de ondertekenaars van Protocol 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarin staat dat de doodstraf onder alle omstandigheden moet worden afgeschaft. Op de 11e Werelddag tegen de Doodstraf in 2013 tekende Minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans samen met 43 Europese collega's een verklaring om 'opnieuw blijk te geven van onze niet aflatende inzet tot afschaffing van de doodstraf in Europa en de rest van de wereld.'

In 2006 ontstond onduidelijkheid over het Nederlandse standpunt omdat de Nederlandse minister-president Jan-Peter Balkenende en de minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot na de executie van Saddam Hoessein verklaarden "begrip te hebben voor het vonnis en de uitvoering daarvan door de Iraakse regering". Deze uitleg werd door sommigen geïnterpreteerd als een breuk met het officiële Nederlandse standpunt dat de doodstraf onder "alle omstandigheden" niet uitgevoerd mag worden. Balkenende en Bot spraken hier niet namens het kabinet (dat normaal gesproken met één mond spreekt), wat onder meer bleek uit het feit dat vicepremier Gerrit Zalm de executie van Hoessein "barbaars" noemde.[12] Overigens hadden Balkenende en Bot in hun verklaring ook gezegd dat de doodstraf naar Nederlandse begrippen "eigenlijk niet hoort".

Het Nederlandse standpunt tegen de doodstraf leidt er ook toe dat Nederland geen verdachten uitlevert aan andere landen als de kans bestaat dat ze daar de doodstraf krijgen. In het geval van uitlevering door Nederland van een verdachte van een misdrijf waarvoor in het andere land de doodstraf staat, eist Nederland een garantie dat de doodstraf niet opgelegd wordt. In het geval van uitlevering aan de Verenigde Staten is dit in een bilateraal verdrag vastgelegd waarin staat dat Nederland kan verzoeken de doodstraf niet op te leggen of - indien dat om procedurele redenen niet mogelijk is - een opgelegde doodstraf niet uit te voeren. Indien de Verenigde Staten dit niet kunnen of willen garanderen, heeft Nederland het recht een uitleveringsverzoek af te wijzen.[13]

Zie de categorie Death penalty in the Netherlands van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.