Dorestad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dorestad in vroegmiddeleeuws Nederland
Fibula van Dorestad uit circa 775-800 gevonden in een put, thans in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden

Dorestad was een van de belangrijkste en succesvolste internationale handelsplaatsen[1][2] in Noordwest-Europa van de 7e tot het midden van de 9e eeuw. Het was gelegen in en bij het huidige Wijk bij Duurstede in Nederland en lag bij de splitsing van de rivier de Rijn met de Lek bij de overblijfselen van een voormalig Romeins castellum, wellicht Levefanum. In de vroegste stadsontwikkelingen in Nederland zou Dorestad in zijn bestaan zijn positie hebben ontleend aan langeafstands- en regionale handel en productie.[3] Ook wordt het wel beschouwd daarin als een uitzonderlijke plaats, en als "experimentele uitwisselingsplaats" tussen de christelijke Franken en de niet-christelijke noordelijkere gebieden.[4]

Aan het einde van de 7e eeuw werd Dorestad omschreven als patria Frigonum/Frixonum, dus liggende in het land der Friezen.[5] Het was in zijn bestaan tot aan het begin van de 8e eeuw[6] vaak de inzet in de oorlog tussen de Friezen en de Franken (zie ook de Slag bij Dorestad). Rond 719 kwam Dorestad in de strijd tussen de Friezen en Franken definitief in Frankische handen door Karel Martel. In circa 840 droeg Lotharius I Dorestad over aan de Deense broers Rorik en Harald. Rond het midden van de 9e eeuw raakte Dorestad in verval.

Het inwonertal van Dorestad tijdens zijn bloeitijd wordt op 2500 tot 3000 geschat.

Etymologie[bewerken]

Algemeen wordt aangenomen dat de plaatsnaam Dorestad, of eigenlijk Dorestat, etymologisch op zijn minst deels van Keltische oorsprong is.[7] De plaatsnaam is vanaf de 7e eeuw uit bronnen bekend.[1]

Ligging[bewerken]

De voornaamste reden dat Dorestad op deze plek als bloeiende handelsplaats (emporium) ontstond is van verkeersgeografische aard. Dorestad lag, in tegenstelling tot het nabij gelegen Utrecht en Vechten, op het kruispunt van twee belangrijke handelsroutes over water. Via de ene route had Dorestad een verbinding via de Kromme Rijn, Utrechtse Vecht en het Almere met de Friese gebieden en Wadden. Het verbond in grotere zin in die verbinding het Duitse Rijnland via de Rijn met Scandinavië en het Oostzeegebied.

De tweede handelsroute liep langs de Lek naar de kust en vormde een verbinding tussen het Rijnland en de Atlantische kust en Engeland.[2] Ook kon men via deze verbinding de Schelde bereiken en daardoor het Frankische kerngebied in Noord-Frankrijk.

Ruimtelijke indeling en gebouwen[bewerken]

Door middel van archeologische opgravingen is tot 1994 circa 55 hectare[8] in Wijk bij Duurstede blootgelegd. Met name tussen 1967 en 1977 heeft de toenmalige ROB naar aanleiding van bouwplannen het grootste archeologische onderzoek in Nederland gedaan, met opgravingen over een oppervlakte van 30 hectare. Mede uit deze onderzoeken onderscheidt men vandaag de dag drie specifieke delen in de agglomeratie van het voormalige Dorestad[1];

  • Benedenstad: het noordelijk deel, heden gelegen in de stadsbebouwing van Wijk bij Duurstede
  • Bovenstad: het zuidelijk deel, heden gelegen bij het dorp Rijswijk. Hierin valt ook het castellum
  • Middendeel: het gebied tussen de Beneden- en Bovenstad

Het noordelijk deel bleek bij de opgravingen uit drie zones te bestaan: de haven, een daarop aansluitende zone met dichte bebouwing van vermoedelijk handelslieden en in het achterland een zone van verspreide bebouwing met boerderijen. De haven van Dorestad bestond aan de waterkant uit houten steigerconstructies op palen in de rivier de Rijn. De Rijn verlegde echter langzaam zijn loop in oostelijke richting[9] en de steigers moesten telkens worden verlengd, waardoor een uitgebreid complex van platformconstructies ontstond.[10] Van deze constructies schat men het aantal verticale palen op wellicht 150.000 tot 200.000 stuks.[11] Resten van het zuidelijk deel van Dorestad zijn in de loop der eeuwen door de veranderende rivierloop grotendeels weggespoeld, bij baggerwerkzaamheden worden nog wel restanten aangetroffen.[12] Andere restanten zijn ook als herbruikt bouwmateriaal terug te vinden.

Mogelijk is er sprake geweest van lintbebouwing langs de rivier die 3 kilometer lang is geweest, met honderden huizen en duizenden inwoners.[13] Ook waren er in Dorestad twee grote begraafplaatsen waarvan tijdens de opgravingen duizenden graven tevoorschijn kwamen.[14] Dorestad zelf was niet omwald. In de wijk De Geer lag een versterking met een grachtenstructuur, mogelijk een vluchtburcht.[1][13]

Huizenbouw vond plaats in hout. Bij de huizen bevonden zich meestal meerdere waterputten veelal gemaakt van eikenhouten vaten, vermoedelijk herbruikte wijnvaten. Jaarringonderzoek op het eikenhout van de vaten toont een vermoedelijke herkomst uit Rijnland-Hessen met dateringen van de bomenkap tussen 685 en 835.[15] In een jaarringonderzoek naar aanleiding van de opgravingen tussen 1967 en 1977 op bijna 2000 stuks hout van verschillende boomsoorten, komen dateringen voor van bomenkap in de periode tussen 650 en 850.[11]

De boerderijen konden afmetingen van 25 bij 8 meter hebben met lange gebogen wanden waardoor de plattegrond enigszins op die van een schip leek. De boerderijwanden waren gemaakt van een vlechtwerk met leem, het dak van riet of stro. De boerderij was qua binnenruimte onderverdeeld en had meestal een inpandige veestal. In Amersfoort is op landgoed Schothorst een boerderij gereconstrueerd gebaseerd op de opgravingsgegevens.[16][17]

Economie[bewerken]

Muntschat Tzummarum met in Dorestad geslagen munten- Rijksmuseum van Oudheden

Men heeft inzicht in wat voor handel destijds in Dorestad plaatsvond door de archeologische vondsten en de tolregisters. Er werden zowel goederen verhandeld voor het dagelijks gebruik als luxe en exotische goederen. Wat door archeologen terug werd gevonden was voornamelijk aarde- en glaswerk,[2] zoals Keulse potten[13] uit het Midden Rijn-gebied in Duitsland, en maalstenen uit de Eifel. Verder wijn uit Hessen, grote hoeveelheden barnsteen uit de Baltische staten[18] en uit Scandinavië slijpstenen. In de tolregisters van Dorestad staat handel vermeld van pelzen, textiel, verfstoffen, zout, voedsel, honing en ook slaven en jachthonden.[2]

Tevens werden er ambachten uitgeoefend en producten vervaardigd: onder meer uit glas, hout, steen, leer en al dan niet edele metalen. Uit been en gewei werden kammen en uit brons sieraden en sleutels gemaakt. Van ruwe barnsteen werden voorwerpen vervaardigd als spinklosjes en kralen, waarbij de kralen ook wel van glas werden gemaakt. In de handelsplaats en directe omgeving vond een vrij omvangrijke agrarische productie plaats, met vele boeren die de handelsplaats en haar bewoners van voedsel voorzagen.[2]

Dorestad was wijd en zijd bekend doordat het een munt bezat. Rond 640 was muntmeester Madelinus hier werkzaam. Tot aan circa 690 werden er gouden munten geslagen, daarna veel zilveren sceatta's.[19][20] Deze waren een tijdlang het voornaamste betaalmiddel in West- en Noord-Europa. In de Karolingische tijd werden er in Dorestad munten geslagen met een opschrift van Pepijn de Korte, Karel de Grote en Lodewijk de Vrome.[21] Muntgeld dat in Dorestad is geslagen is tot in Rusland teruggevonden.[2]

Een schenkingsoorkonde van Karel de Grote uit 777 vermeldt dat er in Dorestad oeverbelasting (ripaticum) werd geheven.

Christendom[bewerken]

Vermoedelijk speelde Dorestad een rol in de kerstening van de regio[2] en mogelijk op een nog grotere schaal.[12] Bij opgravingen in het grafveld op De Heul werd een gebouwtje aangetroffen dat mogelijk een kerkje was.[22] De oorkonde uit 777 vermeldt een Bovenkerk (Upkirika) in de Bovenstad. In de gehele agglomeratie bevonden zich mogelijk nog andere kerkelijke gebouwen.[1] Theutbertus wordt wel genoemd als bisschop van Dorestad. In oorkonden worden schenkingen van goederen aan de Utrechtse kerk vermeld.

In vroegmiddeleeuwse kerkelijke bronnen wordt wel eens verhaald dat Dorestad een groot aantal kerken had.[23] Odbert verhaalde in de 11e eeuw dat 55 kerken in Dorestad door de Vikingen waren vernietigd en tevens dat de handelsplaats daarbij was platgebrand.[24] Ondanks de grootschalige opgravingen zijn echter nooit sporen van een grote brand of het afslachten van vee en mensen teruggevonden.[25][26] De voorstelling over het platbranden van Dorestad is wel lange tijd in stand gebleven, onder meer J.H. Isings beeldde het in 1927 uit in een schoolplaat.

Vikingen[bewerken]

Doordat Dorestad zo'n succesvolle handelsplaats was, trok het in de 9e eeuw de aandacht van Vikingen die Dorestad regelmatig en in groten getale aanvielen en plunderden, de eerste keer in 834 en de laatste keer in 863.[27] Een van de beroemdste archeologische vondsten van Nederland is de Fibula van Dorestad (zie afbeelding). Zij is in 1969 gevonden in een waterput in Dorestad. Het kostbare sieraad is waarschijnlijk in de put verborgen vanwege gevaar, bijvoorbeeld de aanvallen van Vikingen op Dorestad.[28]

De opgraving van 1842[bewerken]

Vondsten door L.J.F. Janssen bij de eerste archeologische opgraving in 1842 te Wijk bij Duurstede
Spitse glazen drinkbekers van Dorestad. Na het leegdrinken werd de beker omgekeerd neergezet

In verband met vrees voor de veepest was in 1839 het gebruik van botten van pas overleden dieren stilgelegd. Deze botten werden vaak vermalen tot beendermeel om de grond te kunnen bemesten. Direct ten noorden van Wijk bij Duurstede bevonden zich echter zeer grote hoeveelheden oude dierenbotten in de grond, die gebruikt konden worden om toch aan botten te kunnen komen. Door middel van zogeheten beendergraverijen werd een vermeld aantal van minstens een half miljoen kilo botten opgegraven. Maar ook werden er daarbij grote hoeveelheden ander materiaal aangetroffen zoals scherven, munten en sieraden.

Het leidde in de winter van 1841-1842 tot de eerste archeologische opgraving onder leiding van L.J.F. Janssen, destijds conservator van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Aan de hand van deze vondsten werd voor het eerst een (nog voorzichtige) wetenschappelijke link gelegd met Dorestad.[29]

Dierlijk voedsel[bewerken]

Via de aangetroffen restanten van dieren zoals Dorestads keukenafval in de vorm van de bij meerdere opgravingen aangetroffen botten, is er inzicht in welke dieren er in Dorestad werden gegeten. Geschreven bronnen uit de vroege middeleeuwen geven daarbij aanvullende informatie.

Bijna de helft (47%) van het gewicht aan teruggevonden botten was afkomstig van runderen. Samen met varkens (31%) en schapen (10%) vormden zij de voornaamste bron van vlees. Kip en andere gevogelte, geit, wilde zoogdieren en dergelijke komen in percentages voor van ten hoogste enkele procenten, eenzelfde uitkomst is te zien onder de zoet- en zoutwatervissen en weekdieren zoals snoek, paling, haring en mosselen.[30]

Verval[bewerken]

Aan het einde van de 9e eeuw raakte Dorestad in verval. Het is niet duidelijk wat de precieze oorzaken ervan zijn. Er zijn verschillende theorieën over het verval van Dorestad, waarin 1 of meer van de volgende elementen een rol spelen:

  • het verzanden en zich verplaatsen van de Rijn (864) maakte handel in Dorestad onpraktisch[13] Tijdens hevig noodweer in 863 zou volgens dr. R. van Luttervelt door de bevolking een nooddam in de Rijn zijn opgeworpen om het wassende water via de zijtak de Lek af te voeren. Vanwege de daardoor veroorzaakte verzanding van de riviermond in Katwijk, zou dit onomkeerbaar zijn geweest.
  • de plunderingen door Vikingen
  • verschuiving van de machtverhoudingen door de rijksdelingen na Karel de Grotes opvolger[13]/ de dood van Lodewijk de Vrome waarna het Karolingische rijk uiteenviel
  • de verregaande feodale desintegratie van het Frankische Rijk aan het eind van de 9e eeuw, waardoor de koningen de macht kwijtraakten en deze in handen kwam van lokale machthebbers
  • het ontbreken van een kerkelijk centrum, waardoor de vorst en elite minder geïnteresseerd waren in Dorestad[4]

Mogelijk dat al deze elementen in meer of mindere mate bijdroegen tot het verval van Dorestad. De eens zo bloeiende handelsplaats schrompelde ineen, waarna er alleen nog een agrarische nederzetting overbleef.[31] Na het verval verschoof een deel van de handelsactiviteiten naar Tiel en Deventer en in een latere fase werd de stad Utrecht een religieus, handels- en bestuurlijk centrum.

Trivia[bewerken]

  • Alcuinus van York schreef in circa 782 een kort gedicht over de Rijn met Utrecht als plaats met weiden waar hij een bord pap met boter en honing kon krijgen. Dorestad kon beter links gelaten worden want ene norse Hrotberct, een gierige koopman, gaf daar waarschijnlijk geen onderdak.[32]
  • Volgens de Nederlandse archivaris Albert Delahaye (1915-1987) lag Dorestad niet op de plaats van het huidige Wijk bij Duurstede, maar was het de Noord-Franse plaats Audruicq.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen:

Vroegmiddeleeuwse bronnen:

Noten:

  1. a b c d e L. van der Tuuk
  2. a b c d e f g J. Dijkstra, J. van Doesburg en M.M. Sier
  3. E. Taverne, blz. 179
  4. a b F. Theuws, blz. 14-16
  5. Kosmograaf van Ravenna, Cosmographia I.11, Online excerpt en IV.23 Online excerpt
  6. W.A. van Es en W.J.H. Verwers (2000), blz. 32
  7. L. Tooriaans, blz. 43
  8. W.A. van Es en W.J.H. Verwers (2000), blz. 25
  9. D.H. de Jager
  10. Navis II
  11. a b W.A. Casparie en J.E.J. Swarts, Hout, in: Spiegel Historiael, blz. 267-281
  12. a b W.A. van Es, H. Sarfatij en P.J. Woltering, blz. 170-172
  13. a b c d e W.A. van Es en W.J.H. Verwers (2000), blz. 33-34
  14. W.A. van Es en W.J.H. Verwers (1985), blz. 223 spreekt over tenminste 2350 begravenen met een gemiddelde leeftijd van 25-30 jaar en een hoogste leeftijd van 45 jaar. W.A. van Es, H. Sarfatij en P.J. Woltering (1988), blz. 172 spreekt over duizenden graven, alle west-oost gericht. Een derde grafveld wordt hier genoemd [1]. Meer over de vondsten van de andersoortige begravingen [2][3]
  15. D. Eckstein (1978), Dendrochronologisch onderzoek naar ouderdom en herkomst van hout uit waterputten, blz. 308-312, in: Spiegel Historiael
  16. W.A. van Es en W.J.H. Verwers (2000), blz. 35-37
  17. W.A. van Es en W.J.H. Verwers (1995)
  18. H. Kars en J.M.A.R. Weavers
  19. D.J. Henstra, blz. 48
  20. G.M. de Meyer en C.F.M. Koch, blz. 7
  21. H. Enno van Gelder (1978), Munten, in: Spiegel Historiael, blz. 302-304
  22. A. Willemsen zegt op blz. 24-25 en 79 dat het gezien moet worden als een kerkje
  23. Rembertus, hoofdstuk XX
  24. (la) Odbert (11e eeuw), Passio Friderici Episcopi Traiectensis auctore Odberto, in: editie O. Holder-Egger, Monumenta Germaniae Historica, Scriptores (in folio), 15 deel 1, blz. 354
  25. A. Willemsen, blz. 161-162
  26. L.A. Morden (2007), How much material damage did the Northmen actually do to ninth-centery Europe?, Simon Fraser-universiteit, blz. 182 (thesis)
  27. Verhaald in onder meer de Annales Bertiniani
  28. Rijksmuseum van Oudheden
  29. W.A. van Es (1978), De ontwikkeling van het onderzoek, in: Spiegel Historiael, blz. 197
  30. W. Prummel (1978), Vlees, gevogelte en vis, in: Spiegel Historiael, blz. 282-293
  31. Vondsten n.a.v. een opgraving in het VeilingPark in 2007 lijken aan te geven dat er meer overbleef dan alleen dit, zie Gemeente Wijk bij Duurstede, Vondst van de week 12
  32. K. Smit (1999), Alcuin kreeg een bord pap in Utrecht aan de Rijn, blz. 67-69, in: Oud- Utrecht mei/juni 1999