Droit de seigneur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vasili Polenov: Le droit du Seigneur (1874); een oude man brengt zijn dochters naar zijn landheer.

Droit de seigneur of herenrecht, ook wel jus primae noctis (letterlijk: recht van de eerste nacht) is het vermeende Middeleeuwse recht van een feodale landheer om de maagdelijkheid te nemen van de dochters van zijn lijfeigenen of horigen, aan de vooravond van hun huwelijk. De uitdrukking wordt gebruikt in enkele Franse hoogmiddeleeuwse gedichten uit de 13e en 14e eeuw en er zijn enkele referenties vanuit oude legenden (bijvoorbeeld over Emer), maar er is verder weinig bewijs dat het gebruik ook daadwerkelijk heeft bestaan. Noch in kerkelijke noch in heerlijke wetboeken is er iets over terug te vinden. Hedendaagse historici classificeren Droit de seigneur over het algemeen dan ook als een 'mythe'.[1] Tegen een dergelijke bagatellisering kan worden ingebracht dat bedoelde praktijken mogelijk te beschamend waren om officieel op schrift gesteld te worden.

Het Droit de seigneur is overigens niet zo imaginair of verdwenen, als vaak gedacht wordt. De Belgische schrijver David Van Reybrouck noteert in zijn boek Congo; een geschiedenis (2010) dat de Congolese oud-president Mobutu in de jaren tachtig van de vorige eeuw, in zijn rol van 'traditionele chef', nog gretig gebruik maakte van zijn jus primae noctis: "Als hij op rondreis was door het land boden de plaatselijke chefs hem altijd een maagd aan. Het was een grote eer voor de familie als het meisje ontmaagd werd door de hoogste chef".[2] Van Reybrouck wijst erop dat het een oud Congolees gebruik betreft.

Trivia[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noot[bewerken]

  1. Misschien gaat het om een misverstand, waarbij droit de cullage (het afkoopbaar verbod om buiten de heerlijkheid te huwen, veranderd werd in droit de cuissage. Wanneer men nagaat wie de vermeende praktijk uitgebreid onder de aandacht heeft gebracht (Voltaire in zijn Essai sur les mœurs, Beaumarchais in zijn Mariage de Figaro en de anticlericaal Jules Michelet in La Sorcière) kan men veronderstellen dat het gaat om een bewuste vervalsing met de ideologische bedoeling het Ancien Régime als barbaars voor te stellen ten voordele van het tijdperk der Verlichting of, in het geval van Michelet, het Frankrijk van na de Franse Revolutie.
  2. David Van Reybrouck: Congo, Amsterdam, 2010, blz. 408. ISBN 9789023458661