Duit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een VOC-duit (1735)

Een duit was een Nederlandse koperen munt van geringe waarde die vooral gebruikt werd in de 17e en 18e eeuw. De duit is afgeschaft met de decimalisatie van het Nederlandse geldsysteem in 1816.

Waarde[bewerken]

De duit was vóór de invoering van het decimale stelsel het muntje met de laagste waarde in de Nederlanden. Acht duiten waren een stuiver waard, dus gingen er 20 maal 8 = 160 duiten in één gulden. In Nederlandse teksten van vóór 1816 vindt men dus wel bedragen als ƒ 10-12-4, ofwel 10 gulden, 12 stuivers en 4 duiten.

Indische duit[bewerken]

Bij de duiten voor de VOC gingen er echter maar 4 in de stuiver, hetgeen smokkel in de hand werkte. Om smokkel door zeelui te voorkomen, werd voor de VOC een aparte duit geslagen met VOC-monogram, zodat de Nederlandse en Indische duit te onderscheiden waren.[1] In Nederlands-Indië werd de duit pas in 1854 afgeschaft als officieel betaalmiddel.[2]

Taalgebruik[bewerken]

Nederlands[bewerken]

De naam van het geldstuk werd nog lang bewaard in vierduitstuk oftewel de plak, zo genoemd omdat het het grootste bronzen geldstuk van zijn tijd was en die een halve stuiver of 2½ cent waard was. Het spreekwoord 'een duit in het zakje doen' betekent ergens over meepraten, een aanklacht verzwaren of een eigen bijdrage leveren. Letterlijk betekent het het doneren van het kleinst mogelijke bedrag in het collectezakje in de kerk.

Maleis, Indonesisch en Chinees[bewerken]

In het hedendaagse Maleis en Indonesisch ist het woord duit (uitspr. 'doe-it') het gebruikelijke woord voor geld in het algemeen of kopergeld in het bijzonder. In het Chinees van Zuid-Oost-Azië en Zuid-China is het verbasterd tot 'lui' (錢).

  • "Perempuan mata duitan" is een uitdrukking voor een vrouw met een oog voor geld in de betekenis van 'golddigger'.

Zie ook[bewerken]