Duitse minderheid in Polen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Duitse minderheid in Polen is een etnische groep van Duitsers in Polen die sinds 1991 erkend wordt. In dat jaar werd het aantal Polen dat aanspraak maakten op een Duitse identiteit op ca. 400.000 geschat. De helft daarvan wilde een Duits paspoort aanvragen en een deel van hen emigreerde naar Duitsland. 152.897 personen gaven bij de volkstelling van 2002 officieel aan Duits te zijn, wat neerkomt op 0,38% van de bevolking. De Duitse ambassade in Warschau gaat echter uit van 300.000 tot 400.000 Polen die zich (ook) als Duitsers willen identificeren, een hoger aantal omdat buiten Opper-Silezië weinig begrip in de Poolse gemeenschap bestaat voor deze identiteitskeuze.

De aanwezigheid van Duitsers in Polen heeft een lange historie, die grotendeels beëindigd werd met de verdrijving van de Duitsers uit Oost-Europa na de Tweede Wereldoorlog en Etnische zuivering in Midden-Europa.

Geschiedenis[bewerken]

Tot 1918[bewerken]

Verloop Curzonlijn (groen) ter vergelijking met de Poolse grenzen van 1 september 1939 (blauw), tot de Sovjet-Duitse demarcatielijn van 28 september 1939 (bruin) en de huidige grens (rood). Turquoise gebied: Gebiedsuitbreidingen van Polen onder generaal Piłsudski na de Eerste Wereldoorlog ten oosten van de Curzonlijn in 1923. Geel gebied: Voor Polen als compensatie voor het verlies van de gebieden ten oosten van de Curzonlijn.

De aansluiting van Slavische vorstendommen in Mecklenburg, Pommeren en Silezië bij het Duitse Rijk, en de verovering van Brandenburg door de Saksische hertogen en van West- en Oost-Pruisen door de Duitse Orde, vond plaats tussen de 10de en de 13de eeuw. In deze gebieden bevorderden feodale grondbezitters (adel en kloosters) een massale immigratie van boeren en stedelingen uit het westen van het Duitse Rijk, waaronder ook uit de Nederlanden (Oostkolonisatie). Deze kolonisten domineerden weldra de economie in boerenbedrijf, handwerk en handel. Zij stichtten ook vele tientallen steden met een autonoom bestuur (stadsrecht), dat tot dan toe niet bestond in dit deel van Europa. De autochtone Slavische en Baltische bevolking, met als regel weinig meer dan de status van lijfeigene, paste zich in de loop van enkele eeuwen aan en versmolt met de kolonisten. Hun Slavische en Baltische talen verdwenen behalve in enkele randgebieden zoals in het oosten van Pommeren, in Opper-Silezië en in Mazoerië. Overigens moeten de betrokken provincies - Oost-Pruisen, Pommeren en Neder-Silezië - sinds de 15de eeuw als Duitstalig gelden. Veel westelijker bleef in bepaalde plattelandsgebieden nog lang een Slavischsprekend bevolkingssubstraat bestaan, zoals in delen van Mecklenburg tot in de 18de eeuw, en in het oosten van Saksen (de Lausitz) tot in de moderne tijd. Een ooit zeer talrijke bevolking van Sorben is daar tot op enkele duizenden afgenomen.

Van de 16de tot in de 19de eeuw vestigden zich opnieuw talrijke boerengemeenschappen uit verschillende streken van het Duitse Rijk, nu in nieuw gestichte dorpen langs de Weichsel (Wisla) en haar zijrivieren. Zij kwamen vooral uit Pommeren maar er waren ook vele Mennonieten (Doopsgezinden) uit het noorden van Nederland onder. Deze kolonisten werden met de toekenning van voorrechten aangetrokken door de adellijke en kerkelijke grondbezitters die een toenemende economische waarde verwachtten van hun activiteiten: het kanaliseren, droogleggen en ontginnen van zogenaamd woest land. Door hun rechtspositie, hun taal (Nederduitse dialecten) en geloof (luthers of doopsgezind) weken zij sterk af van de Poolse bevolking en van vermenging en assimilatie was dan ook weinig sprake. In dezelfde tijd trokken grote aantallen handwerkslieden uit Saksen en Silezië naar de Poolse steden langs de westgrenzen van het Poolse koninkrijk. Zij brachten daar de eerste huisindustrie, die in en om de stad Lodz de grondslag legde voor de 19de-eeuwse grootschalige industrialisatie van deze regio. Łódź (Lodsch) werd toen wel het “Poolse Manchester” genoemd. Bij de laatste Poolse deling (1772) werd het noordwestelijke deel van Polen door Pruisen geannexeerd, een gebied waarbinnen de nieuwe Pruisische provincies West-Pruisen en Posen (Poznan) werden ingericht. Dit gebied was toen al enkele eeuwen economisch in verval en de Pruisische staat begon met een voortvarende modernisering: kanaliseringen, bemaling, wegverharding en de aanleg van modeldorpen. Daarvoor ronselde hij keuterboeren, vooral uit Brandenburg, om zich te vestigen op de koninklijke, eertijds Poolse en nu Pruisische, domeingronden. Daarnaast kwamen ook talrijke ambtenaren en handwerkers naar de steden in deze provincies. In het geografisch verlengde van deze tweede Oostkolonisatie stichtten ook de Russische tsaren op het gebied van de huidige Oekraïne meer dan 3.000 dorpen met een (Neder-)Duitstalig karakter, in het kader van een bevolkingspolitiek, die uiteraard eveneens de economische meerwaarde van de kolonisatie op het oog had. Na de heroprichting van de staat Polen in 1918 kwamen deze zogenaamde Volksduitsers deels onder Poolse gezag, anderdeels onder gezag van de Sovjet-Unie. In de literatuur werden ze Polendeutsche resp. Russlanddeutsche (later Sovjetdeutsche) genoemd. Met name in de provincie Wolhynië raakten die laatsten tussen beide staten verdeeld toen de nieuwe staatsgrens van 1921 er doorheen werd getrokken. Het aantal Duitsers in de, in 1919, heropgerichte Poolse staat bedroeg 1,5 miljoen, waarbij degenen die toen onmiddellijk naar Duitsland vertrokken of werden uitgewezen niet zijn meegeteld. Het betrof in hun geval bewoners van de voomalige provincies West-Pruisen en Posen die door hun ambtelijke rechtspositie van de Duitse staat afhankelijk waren en nu hun middelen van bestaan verloren.

Tweede Poolse Republiek[bewerken]

Bijeenkomst in Berlijn tegen de nalatigheid van de rechten van de Duitse minderheid in Opper-Silezië (november 1930)

Na de heroprichting van Polen in de zogenaamde Tweede Poolse Republiek, in 1918, zag een groot aantal - 600.000 - Duitsers zich gedwongen om over de nieuwe Poolse staatsgrenzen te vertrekken. Zij woonden voornamelijk in de door Duitsland afgestane provincies West-Pruisen (de zogenaamde ‘Poolse Corridor’), Posen en in het oostelijk deel van Opper-Silezië. In de jaren twintig en dertig zouden nog eens 400.000 Duitsers en Duitstaligen (waaronder aanvankelijk ook veel Joden) volgen. Hun plaatsen werden ingenomen door immigranten uit centraal Polen. Voor de Tweede Wereldoorlog woonde nog steeds een aanzienlijk aantal Duitsers in Polen, volgens verschillende criteria variërend van drie-kwart tot één miljoen, in de genoemde voormalig Duitse provincies maar ook in het industriegebied van Łódź (Lodsch), langs de Weichsel (Wisla) en in Wolhynië. Op politiek vlak organiseerden de Duitsers zich in verscheidene partijen, die zowel in het Poolse Parlement (Sejm) en Senaat vertegenwoordigd waren en ook in de provincieraad van het in 1921 Pools geworden deel van Opper-Silezië, de Woiwodschap Silezië.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

In de westelijke en centrale gebieden van Polen die in 1939, na het begin van de Tweede Wereldoorlog, door Duitsland veroverd en geannexeerd werden, veranderde de situatie danig voor de Duitse minderheid. Vlak voor en tijdens de Duitse inval werden vooraanstaande Duitsers geïnterneerd, en winkels en huizen van Duitsers geplunderd. Enkele duizenden werden daarbij omgebracht. Dat maakte de bereidheid groot om na de Duitse bezetting wraak te nemen en toe te treden tot de Volksdeutsche Selbstschutz, welke werd opgericht als een paramilitaire organisatie om de Duitse minderheid "weerbaar" te maken. Van de 740.000 Duitsers die woonden in het Polen van voor de oorlog, werden door de bezettingsautoriteiten voor deze "Selbstschutz" ongeveer 90.000 mannen gerekruteerd. Al dan niet onder dwang lieten zij zich gebruiken om de Poolse en Joodse bevolking te terroriseren en deel te nemen aan de uitvoering van massamoorden.

Onder de nationaal-socialistische terreur kwamen tussen 1939 en 1944 nog ruim een half miljoen zogenaamde Volksduitsers als kolonisten naar het deels geannexeerde en overigens bezette Polen, wat nu genoemd werd: het Generaal-Gouvernement Warschau. Zij werden geëvacueerd als "Vertragsumsiedler" vanuit de grensgebieden van de Sovjet-Unie volgens de overeenkomsten van het Ribbentrop-Molotovpact en geplaatst in de ondernemingen en op de boerderijen van verdreven Polen. Daarnaast vestigden zich, vooral in de steden, bijna een kwart miljoen Duitse staatsburgers, zogenaamde Rijksduitsers, als militairen, ambtenaren en politiefunctionarissen. Het was de bedoeling om volgens het Generalplan Ost geheel Polen en aansluitend de Oekraïne en Witrusland met Duitsers en aanverwante ‘Germaanse volken’, zoals Nederlanders en Scandinaviërs, te koloniseren, en de autochtone bevolking voor zover geschikt als Duitsers te heropvoeden, en anders gaandeweg te deporteren naar het oosten, zodra zij als dwangarbeiders niet meer van nut waren.

Westverschuiving van Polen en verdrijving Duitsers[bewerken]

Op de Conferentie van Teheran, die plaatsvond van 28 november tot 1 december 1943 besloten de geallieerden de Poolse territoriale westwaartse verschuiving en daarbij de verdrijving van de Duitsers uit de Oostgebieden. De nieuwe grens werd vagelijk aangeduid met de namen van de rivieren Oder en Neisse. Ten oosten van deze rivieren zou Duitsland onder Pools bestuur komen. De autochtone bevolking zou verdreven worden en vervangen door de Poolse bevolking die leefde in het door de Sovjet-Unie geannexeerde Oost-Polen. Die laatsten zouden in 1945 de keus krijgen om over de nieuwe oostgrens van Polen te vertrekken of zich in de Sovjet-Unie aan te passen door zich te assimileren onder de Oekraïners of de Witrussen. Tussen de anderhalf en twee miljoen Polen vertrokken en de meesten vestigden zich in de voormalige Duitse oostelijke provincies.

Als vergelding voor de Duitse gruwelen bij de Poolse bezetting werden in 1945 allereerst de Duitsers - autochtonen, ambtenaren in het bezettingsbestuur en kolonisten die uit verschillende delen van Midden-Europa hierheen waren gestuurd - uit in het voormalige Generaal-gouvernement Warschau verdreven. De meesten vluchtten en de achterblijvers werden, als zij internering en veroordeling overleefd hadden, uitgewezen. In de geannexeerde oostelijke provincies - Pommeren, Silezië en Oost-Pruisen - van Duitsland werden de Duitse staatsburgers en daarmee vrijwel de gehele bevolking vervolgens verdreven. Wanneer de bevolking in het door de Sovjet-Unie geannexeerde noordelijke deel van Oost-Pruisen wordt meegeteld, betrof het ruim 9,5 miljoen Duitsers die voor de helft al gevlucht waren maar waarvan de andere helft achterbleef en na internering in de periode tot 1948 uitgewezen werd. In deze hele periode zijn 1,5 miljoen van hen omgekomen. In 1945 begon er in de voormalige Duitse Oostgebieden een gedwongen "ontduitsing". Duitse plaats- en straatnamen, inscripties op gebouwen, begraafplaatsen of standbeelden werden onleesbaar gemaakt of verwijderd. Duitse voor- of familienamen werden verpoolst en het was verboden om in het openbaar Duits te spreken. De Duitse bevolking die toch in Polen had mogen blijven, woonde voornamelijk in Opper-Silezië en Mazoerië (zuidelijk Oost-Pruisen). Als zij de verificatieprocedure had doorstaan - voldoende beheersing van het Pools en ander bewijs van een Poolse afkomst - mochten ze in Polen blijven, maar uitdrukkelijk als Pools staatsburger. Zie: Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog en Etnische Zuivering. In Opper-Silezië woonden in 1950 nog zo'n 700.000 voormalige Duitsers, volgens de officiële betiteling "autochtonen" en dat wil zeggen tweetaligen, die er de helft van de bevolking uitmaakten en in westelijk gelegen plattelandsgebieden nabij Opole (Oppeln) de meerderheid. Deze autochtonen verpoolsten zich voor een groot deel in meerdere of mindere mate. De helft, vooral in de plattelandsgemeenschappen, bleef zich echter Duitser voelen. In Mazoerië woonden er in 1950 ook nog 150.000 tweetalige Duitsers. Deze Mazoeren zouden echter al voor 1990 op enkele duizenden na emigreren naar Duitsland. In deze beide gebieden werd de verpoolsing bijzonder streng doorgevoerd en alle gebruik van het Duits verboden. Ook in de voormalige Poolse Corridor, waar ca. 300.000 Kasjoeben woonden, wilde een deel van de autochtone bevolking een Duitse identiteit behouden, echter veel minder dan in de ander twee regio's en in afnemende mate. In Neder-Silezië woonden er in 1950 nog ongeveer 85.000 Duitsers, geen tweetaligen maar Duitse vakspecialisten met hun gezinnen. Zij verbleven voornamelijk in het steenkoolgebied rondom Wałbrzych (Waldenburg), waar zij nodig waren in de industrie. Omdat zij na verloop van tijd toch het land moesten verlaten, werden hier wel Duitse cultuurverenigingen en scholen tijdelijk toegestaan.

Van 1955 tot 1959 kwam het voor het eerst tot gezinsherenigingen van gevluchte of verdreven Duitsers met hun achtergebleven familie. Ze werden in eerste instantie overgebracht naar Berlijn (250.000) of de DDR (40.000). De meesten kwamen uiteindelijk in de Bondsrepubliek terecht. Tussen 1950 en 1989 verlieten in totaal 1,2 miljoen Duitsers Polen. Na de val van het communisme in Oost-Europa woonden nog ca. 400.000 Duitsers in Polen, dat wil zeggen Polen die zich op een of andere wijze als Duitsers identificeerden. Ca. 300.000 van hen woonden in Opper-Silezië en ca. 200.000 vroegen naast hun Poolse ook een Duits paspoort aan. Naast de "Duitse Sileziërs" identificeren zich enkele honderdduizenden autochtonen als een minderheid van "Poolse Sileziërs". In die naamskeuze geven zij aan tot een regionale variant te willen behoren die weliswaar Pools wil zijn maar zich wel distancieert van het Poolse nationalisme. In het Poolse Parlement (de Sejm) werden na 1990 zes Duitse parlementsleden voor de Duitse minderheid gekozen, die in 2007 tot twee verminderden. De enige Duitse senator verdween in dat jaar ook.

Bronnen[bewerken]

  • T. Schieder (red.), Dokumentation der Vertreibung der deutschen Bevölkerung aus Ost-Mitteneuropa, Deel I: Die Vertreibung der deutschen Bevölkerung aus den Gebieten östlich der Oder-Neisse, Bonn 1953.
  • W. Krallert, Deutsche Vertreibungsverluste, 1939-'50, Wiesbaden 1958.
  • W. Benz (red.), Die Vertreibung der Deutschen aus dem Osten, Ursachen, Ereignisse, Folgen, Frankfurt 1995.
  • Wiki verdrijving van de Duitsers uit Oost-Europa na de Tweede Wereldoorlog.

Wettelijke erkenning[bewerken]

Tot 1990/91 werd het bestaan van een Duitse nationale minderheid in Polen ontkend door de overheid. Door het verbod om Duits te spreken en de discriminatie van Duitsers was het Duits verdwenen uit het openbare leven. Velen van Duitse afkomst spraken het Duits als tweede taal alleen in de lokale gemeenschap, maar de jongere generatie was de taal vaak nauwelijks meer machtig. Na de val van het communisme kreeg de Duitse taal echter de vrijheid om in het openbaar gebruikt te worden en mocht zich een Duitse minderheid op culturele en politieke basis organiseren.

Na het Duits-Pools grensverdrag van 17 juni 1991 kreeg de Duitse minderheid volle rechten als nationale minderheid naar OVSE-standaarden zoals een vertegenwoordiging in het parlement.

OVSE-standaarden zoals een vertegenwoordiging in het parlement.

Volgens de Poolse minderheidswet van 2005 kunnen gemeenten met een Duitse minderheid van minstens 20% beschouwd worden als tweetalige gemeenten. Hierbij werd de Poolse volkstelling van 2002 gebruikt, waarop 28 gemeentes in Polen aan dit aantal kwamen: Biała/Zülz, Bierawa/Birawa, Chrząstowice/Chronstau, Cisek/Czissek, Dobrodzień/Guttentag, Dobrzeń Wielki/Groß Döbern, Głogówek/Oberglogau, Izbicko/Stubendorf, Jemielnica/Himmelwitz, Kolonowskie/Colonnowska, Komprachcice/Comprachtschütz, Krzanowice/Kranowitz, Lasowice Wielkie/Groß Lassowitz, Leśnica/Leschnitz, Łubniany/Lugnian, /Murow, /Rosenberg O.S., Pawłowiczki/Pawlowitzke, Polska Cerekiew/Groß Neukirch, Popielów/Poppelau, Prószków/Proskau, Radłów/Radlau, Reńska Wieś/Reinschdorf, Strzeleczki/Klein Strehlitz, Tarnów Opolski/Tarnau, Turawa, Ujazd/Ujest, Walce/Walzen en Zębowice/Zembowitz. Op Kranowitz na dat in het Woiwodschap Silezië ligt, behoren alle gemeentes toe aan het Woiwodschap Opole.

Volkstelling[bewerken]

Gemeenten waar Duits als tweede taal ingevoerd werd of gemeenten die aan deze voorwaarden voldoen.
Resultaten van het Wahlkomitee der Deutsche Minderheid in het woiwodschap Opole bij de parlementsverkiezingen van 2007

Volgens de volkstelling van 2002 gebruiken 204.573 mensen Duits in hun privé-leven. Daarvan hebben 100.767 mensen de Poolse nationaliteit en 91.934 daarnaast de Duitse nationaliteit weer aangenomen.

De Duitse minderheid is voornamelijk geconcentreerd in Opper-Silezië ten oosten van de woiwodschap Opole en in het westen van de woiwodschap Silezië. Overigens was ze in 2002 als volgt verdeeld over Polen:

Woiwodschap Inwoners Waarvan Duits Percentage
Opole 1.065.043 106.855 10,033
Silezië 4.742.874 31.882 0,672
Ermland-Mazoerië 1.428.357 4.535 0,317
Pommeren 2.179.900 2.319 0,106
Neder-Silezië 2.907.212 2.158 0,074
West-Pommeren 1.698.214 1.224 0,072
Lebus 1.008.954 651 0,064
Koejavië-Pommeren 2.069.321 717 0,034
Groot-Polen 3.351.915 1.013 0,030
Łódź 2.612.890 325 0,012
Mazovië 5.124.018 574 0,011
Klein-Polen 3.232.408 261 0,008
Podlachië 1.208.606 85 0,007
Subkarpaten 2.103.837 116 0,006
Lublin 2.199.054 112 0,005
Święty Krzyż 1.297.477 70 0,005
Totaal 38.230.080 152.897 0,381

De meeste Duitsers wonen in de gebieden die deel waren van het Duitse Rijk tot 1945. Maar ook daar verschrijdt met uitzondering van Opper-Silezië (de woiwodschappen Opole en Katowice) en Ermland en Mazoerië (de woiwodschap Warmia i Mazury) de, veelal Poolstalige, Duitse bevolking nergens meer de grens van 1%. In de gebieden die tot 1919 bij het Duitse Rijk behoorden maar na de Eerste Wereldoorlog al aan Polen toekwamen, woont ook nog een zeer klein aantal Duitsers, de meesten in Groot-Polen. Veel Polen met een Duitse afkomst willen zich niet als zodanig bekend maken en daarom is deze officiële statistiek niet meer dan de weergave van een politiek bewuste keuze.