Ebed-Melech

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Ebed-Melech is een Ethiopische Eunuch, die genoemd wordt in het Bijbelboek Jeremia. Hij was een dienaar in het huis van de Judese koning Zedekia en tijdgenoot van profeet Jeremia. De naam 'Ebed-Melech' (Hebreeuws: עֶבֶד-מֶלֶךְ) betekent 'Dienaar van de koning', wat doet vermoeden dat dit niet zijn eigennaam was, maar een titel.

Volgens het verslag in het boek Jeremia beschuldigden de raadsheren van koning Zedekia Jeremia van opruiing van het volk en wierpen hem in een modderige regenput.[1] Ebed-Melech ging hierop pleiten bij koning Zedekia en kreeg vervolgens dertig mannen mee om Jeremia weer uit de regenput te halen.[2]

God beloonde Ebed-Melech volgens het verdere verslag door hem bevrijding te garanderen tijdens de voorzegde invasie van Babylon:

16 Ga tegen Ebed-Melech, de Cusjiet, zeggen: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga Mijn woorden over deze stad brengen, ten kwade en niet ten goede; op die dag zullen ze voor uw ogen geschieden.
17 Op die dag zal Ik u echter redden, spreekt de HEERE, en u zult niet in de hand van de mannen gegeven worden voor wie u met schrik bevangen bent.
18 Voorzeker, Ik zal u beslist bevrijden. U zult niet vallen door het zwaard en u zult uw leven tot buit hebben, omdat u op Mij hebt vertrouwd, spreekt de HEERE.[3]