Een veelbelovende jongeman

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een veelbelovende jongeman
Auteur(s) Willem Frederik Hermans
Land Nederland
Taal Nederlands
Genre novelle
Uitgever G.A. van Oorschot
Uitgegeven 1957 in Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

'Een veelbelovende jongeman' is een autobiografische novelle van de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans, geschreven in 1948-1949 en voor het eerst gepubliceerd in 1957 in de novellebundel Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen. Sebastiaan Klok, een veelbelovende dichter, werkt in de Canadese provincie Nova Scotia. Hij steelt driehonderd dollar uit de kas en reist in een Pontiac uit 1932 naar de Niagarawatervallen. Na een aanrijding verkoopt hij de auto en reist met de trein terug.

Vanwege de passages over het literaire leven in Nederland wordt het verhaal gedeeltelijk beschouwd als een satirische sleutelnovelle: achter enkele fictieve namen zijn zonder moeite literatoren als Menno ter Braak, Adriaan Morriën, Adriaan Roland Holst en Fokke Sierksma te herkennen. De auteur zelf treedt op als de psychiater Herman F. Williams.

De schrijfstijl is niet realistisch, ook al zijn de meeste verhaalgebeurtenissen dat wel. Personages worden karikaturaal beschreven in de gemeenplaatsen van hun beroep of nationaliteit.Onder de thema's en motieven is het bekende repertoire van de auteur te herkennen: taalverschillen als stoorzender in de communicatie, de onkenbaarheid van de werkelijkheid, het verlangen naar ontsnapping aan bewustzijn, freudiaanse motieven.

De auteur probeerde tevergeefs de novelle kort na afronding gepubliceerd te krijgen, onder meer door die in 1950 in te zenden als kandidaat voor het Boekenweekgeschenk van 1951; in de novellebundel met zes verhalen beslaat de tekst bijna de helft van het aantal bladzijden.

Samenvatting[bewerken | brontekst bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud of de afloop van het verhaal.
Sebastiaan werkte in de provincie Nova Scotia

Dichter Sebastiaan Klok was op de Muloschool een veelbelovende leerling die, ondanks zijn als geheel middelmatige rapporten, voor elk vak wel eens een tien haalde. Op zijn zestiende, vlak voor het einde van de oorlog, dichtte hij zijn eerste sonnet. Daarna moest hij onderduiken bij een boer in Drenthe. Daar maakt hij kennis met Bralle Piekerma, een voormalig student theologie, van zijn geloof gevallen door het lezen van de essays van Otto Verbeek, voor hem "de enige intelligente man die Nederland ooit heeft voortgebracht". De lievelingsauteur van Sebastiaan is de dichter E. Beyaard Blom, "de enige dichter die Nederland bezit". Nog tijdens de onderduik stencilen Sebastiaan en Bralle hun eigen tijdschrift, Stellage geheten.

Na de oorlog verschijnt Stellage bij een echte uitgeverij. Bralle draagt essays over Otto Verbeek bij. De dichtbundel waarmee Sebastiaan debuteert heet Op Doorvlucht en telt acht sonnetten. Hij wordt een veelbelovend talent genoemd door de critici Keuvelkerk, Lichtevaart en Van de Muize. Maar Sebastiaan dicht niets meer en ook de oplage van Stellage gaat achteruit, door de concurrentie van andere tijdschriften. Sebastiaan legt de schuld van de stagnatie bij het in zijn ogen armoedige culturele klimaat in Nederland en verlangt ernaar inspiratie op te doen in het buitenland. Een kennis van zijn vader heeft een importzaak en regelt een betrekking voor Sebastiaan bij een zakenrelatie van hem in Nova Scotia te Canada.

Sebastiaan verblijft in het plaatsje Musquodoboit, waar hij binnen twee uur alle bezienswaardigheden gezien heeft. Op een zomerdag in 1948, zijn twintigste verjaardag, steelt hij driehonderd dollar uit de kantoorkas en gaat liften naar Quebec, Toronto en de Niagarawatervallen. Hij heeft alleen een fototoestel, scheerapparaat en tandenborstel bij zich. De automobilisten die hem meenemen, praten vooral over auto's en, omdat hij een Nederlander is, over de oorlog. John, een dikke, sigaren rokende Amerikaanse verzekeringsagent vertelt dat hij in Nederland pakketten voor krijgsgevangenen verdeelde en de pakketten voor verdwenen soldaten ruilde tegen horloges, naaimachines en Leica's. Ook heeft hij de werkkamer van Hitler van binnen gezien, waarvan hij foto's toont. John adviseert Sebastiaan om altijd te slapen in een lokale vestiging van de YMCA en bij het liften zijn fototoestel zichtbaar te dragen: "Dan zien de automobilisten dat je een toerist bent en geen gangster."

Sebastiaan bezichtigt Quebec enkele dagen en lift dan naar Montreal, eerst met een intellectueel die een hekel aan de Fransen heeft, daarna met twee Amerikaanse jongens hem tot Montreal. Daar blijft hij een dag en de volgende dag bereikt hij de grens van Ontario. Naar Cornwall rijdt hij met een presbyteriaanse dominee die in Heidelberg gestudeerd heeft en toen Winterswijk bezocht heeft. Vanaf Halifax heeft Sebastiaan nu duizend mijl, zestienhonderd kilometer, afgelegd.

Sebastiaan rijdt mee met een oude en bijna blinde man die niet harder dan veertig rijdt. Ook zijn Chevrolet 1927 is oud en versleten, en het volledige interieur is eruit gehaald, tot de hendels om de raampjes mee open te draaien aan toe. Dit brengt Sebastiaan op de gedachte voor weinig geld zelf een oude auto te kopen. Eindelijk in Toronto gearriveerd, bezoekt hij enkele occasions en koopt voor 375 dollar een lichtblauwe Pontiac uit 1932 (zie afbeelding).

Personages[bewerken | brontekst bewerken]

'Een veelbelovende jongeman' is een sleutelverhaal waarin auteurs, redacteuren en tijdschriften volgens de bezorgers van de Volledige Werken 'in nauwelijks vermomde vorm' ter sprake komen.[1] In het typoscript werd Adriaan Roland Holst nog bij zijn echte naam vermeld en in een brief van 27 maart 1964 schreef Hermans aan Freddy De Vree wie Bralle Piekerma was.[2] De sleutel voor de personages en hun model(len) in de werkelijkheid is als volgt:[3]

Over het samengestelde personage van Bralle Piekerma merkt publicist Rob Delvigne op dat deze aanvankelijk op Sierksma lijkt, maar gaandeweg het verhaal meer trekken van Morriën aanneemt. De 'goedmoedige spot' maakt dan plaats voor 'een portret van een mandarijn'.[4] Het woord 'cabotinage' betekent: 'spel van slechte acteurs, aanstellerij.'[5]

Autobiografische achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

De autobiografische achtergrond van de novelle kent twee componenten. De tocht van de dichter Sebastiaan door Canada is een getrouwe weergave van de meest uitgebreide tocht van de auteur door Canada. Daarnaast hebben allerlei overdenkingen betrekking op de situatie van literaire tijdschriften in de jaren na de oorlog.

Drie literaire tijdschriften in 1948[bewerken | brontekst bewerken]

Ten tijde van zijn verblijf in Canada was Hermans redacteur van het tijdschrift Criterium, waarvan Adriaan Morriën de redactiesecretaris was, en dat volgens literatuurhistoricus Piet Calis kampte met een tekort en teruglopend abonneebestand. Daar kwam bij dat er in 1948 nieuwe concurrentie bijkwam in de vorm van het nieuwe tijdschrift Libertinage, uitgegeven door G.A. van Oorschot en met onder meer Hans Gomperts in de redactie. Bovendien was uitgever John Meulenhoff ontevreden omdat het tijdschrift minder belangrijk was dan hem voor ogen stond. Ook ergerde hij zich vaak aan de geschriften van de zeer productieve Hermans, die hij voor de terugloop verantwoordelijk achtte.[6] In een gesprek met de redactie was Meulenhoff somber over de toekomst vanhet tijdschrift en suggereerde een samenwerking met de groep van Gomperts, waar Morriën wel voor voelde maar Hermans erg tegen was, wat hun onderlinge verstandhouding geen goed deed.[7]

Toen het zesde nummer van 1948 net verschenen was, scheepte Hermans in naar Canada. In deze periode liep het contract van het tijdschrift Podium met uitgeverij Contact af, zodat het zonder uitgever dreigde te komen zitten. Op 12 september vond in sociëteit De Koepel een fusiegesprek plaats, waarbij voor Podium onder anderen redacteur Fokke Sierksma deelnam en voor Criterium onder anderen Morriën.[8]

Gomperts had zes bijdragen geleverd aan de eerste negen aflevering van Criterium en zowel Meulenhoff als Morriën waren op hem gesteld.[9] Hermans vatte de besprekingen over samenwerking op als een complot van deze twee om hem eruit te werken, maar volgens Otterspeer was in elk geval bij Morriën geen sprake van. [10]

De tocht van Campbellton naar de Niagara[bewerken | brontekst bewerken]

Blauwe 1932 Pontiac coach. Zonder over enige ervaring met autorijden te beschikken, kocht Hermans in Canada een auto van dit type. In het verhaal koopt Sebastiaan dezelfde auto, die beschreven wordt in afdeling 6, met de spatborden die de spaakwielen geheel vrij laten. Niet zichtbaar is het reservewiel, dat volgens het verhaal onder het achterraam gemonteerd is.

Van halverwege juli 1948 tot eind december van dat jaar was de auteur als houtcontroleur voor de firma's Controla en Van Gelder werkzaam in Newfoundland en in twee provincies van Canada, namelijk New Brunswick en Québec.[11] In twee brieven aan Charles B. Timmer, van 1 en 8 september 1948, beschrijft de auteur dezelfde ervaringen die in de novelle voorkomen: als lifter langs de Matápedia River, het gesprek met de jachtopziener, de man in de Oldsmobile die in de werkkamer van Hitler geweest was.[12] Ook andere gebeurtenissen in de novelle zijn beschrijvingen van werkelijke ervaringen: het meerijden met de bijna blinde man in de oude Chevrolet, het verblijf in de YMCA 'en vooral dat hij zich een tweedehands auto aanschafte zonder over een rijbewijs of ook maar de meest elementaire rijvaardigheid te beschikken.'[13] De auto is inderdaad een Pontiac, de aanrijding volgt vrijwel meteen, de schade, de mislukte poging snel een rijbewijs te halen, de bezichtiging van de Niagarawatervallen en de treinreis terug naar Montreal en Campbellton.[14]

Op 27 maart 1964 lichtte Hermans de autobiografische aard van 'Een veelbelovende jongeman' toe in een brief aan Freddy De Vree:[15] 'De reis die [Sebastiaan Klok] maakt, heb ik [...] ook gemaakt, de materiële détails kloppen grotendeel[s], behalve de gestolen 300 dollar, dat hoefde ik niet te doen, want ik had van de (in Nederland gevestigde) zaak die mij stuurde, geld genoeg meegekregen.'[16] Ter verduidelijking noteerde Hermans in de marge om welke details het ging: 'het landschap, de steden, de Niagara, de oude auto'.[17] Over zijn verblijf in canada had de auteur een dossier samengesteld met correspondentie en andere documenten.[11]

Schrijfstijl[bewerken | brontekst bewerken]

De schrijfstijl is soms ironisch. Dat is het geval waar de naïviteit van Sebastiaan wordt benadrukt. De autohandelaar die hem voor veel te veel geld een oude auto verkoopt, ziet eruit als een 'mensenredder' en glimlacht 'als een suikeroom'.[18] De clichématige portrettering geldt volgens biograaf Otterspeer voor alle personages. Ze zijn niet realistisch uitgebeeld, maar worden steevast beschreven in de clichés die bij hun beroep of nationaliteit passen. Dit valt met name op aan de automobilisten die Sebastiaan een lift geven.[19]

In dit opzicht beschouwt Otterspeer het personage van de psychiater als 'het hoogtepunt van onwerkelijkheid'. Niet alleen heet deze figuur Herman F. Williams, maar zijn diagnose is een mengsel van 'volkswijsheden' (zijn bewering dat de mensen vooral zijn wat zij vrezen te zijn) en 'elementaire psychoanalyse' (zijn uitleg dat de auto een 'moedersymbool' is).[20]

Otterspeer wijst op de beeldspraak, waarbij het geluid van krekels klinkt 'op de hoge toon van een tandartsboor', de stok die gebruikt wordt om het oliepeil van een automotor te controleren wordt teruggestoken 'als een hoedepen in een tulband' en wielspaken doen denken aan 'het kant aan de japonnen van bejaarde dames'.[21]

Motieven[bewerken | brontekst bewerken]

Een Pontiac 1932 als moederschoot[bewerken | brontekst bewerken]

Veel personages in het oeuvre van de auteur koesteren onbewust een verlangen om terug te keren naar de veilige moederschoot, wat vaak begeleid wordt door een aanduiding van een foetushouding. Dit motief van regressie drukt de wens uit aan het bewustzijn te ontsnappen[22] en is aanwijsbaar in onder meer aanwijsbaar de novellen Het behouden huis en Paranoia, die uit dezelfde periode dateren als 'Een veelbelovende jongeman'. Voor Sebastiaan vormt zijn auto de vervanging van een verblijf in de baarmoeder: 'En ook 's nachts zou hij er niet uitkomen! Hij zou zich ineenkronkelen op de achterbank en verrukkelijk slapen, door zijn oude auto omhelsd.'[23]

Taal[bewerken | brontekst bewerken]

Taalproblemen zijn een consistent element in het oeuvre van Hermans. In 'Een veelbelovende jongeman' ontstaan communicatieproblemen tussen mensen die niet dezelfde moedertaal spreken.[24]

Thematiek[bewerken | brontekst bewerken]

Freud[bewerken | brontekst bewerken]

De psychiater Herman F. Williams die tegen het einde van de novelle middels een gesprek een diagnose stelt van Sebastiaan, spreekt van 'de woestheid van onberaden daden' doet door een 'krachtcentrale' in de mens worden herleid 'tot nuttige energie'. Onderzoeker Baudoin Yans vat deze uitspraak op als aanduiding van het freudiaanse concept sublimering.[25]

Bewustzijn[bewerken | brontekst bewerken]

Bewustzijn staat in het werk van Hermans het geluk van de mens in de weg.[26] Ook in 'Een veelbelovende man wordt dit inzicht onder woorden gebracht: 'Zolang je maar niet wat je deed vergeleek met wat je had willen doen, werd je niet zo gauw ongelukkig,' overweegt Sebastiaan.[27]

Ontstaans- en publicatiegeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Ontstaansgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De novelle is onderaan de tekst van een dubbele datering voorzien: Campbellton, oktober 1948, en Amsterdam, augustus 1949.[28] Op grond van een bewaard gebleven 'kladtyposcript', dat de tekstbezorgers het sigle M1[noot 1] hebben toegekend, concluderen de bezorgers van de Volledige Werken van Hermans dat het bewerkingsproces in drie fasen uiteenvalt.[29][1]

In de eerste fase betrof het verhaal alleen nog 'de omzwervingen van Archibald Klok door enkele Canadese provincies'. Deze fase dateert uit 1948 en is geschreven te Campbellton. De tweede fase is hiervan te onderscheiden doordat de auteur tekststroken op andersoortig papier heeft ingeplakt, 'waarin hij Archibalds ambities als literator uitwerkte in de context van het tijdschrift Stellage en daarbij een geïroniseerd beeld gaf van het naoorlogse Nederlandse literaire klimaat.' Deze bewerking heeft Hermans ertoe bewogen voorin het typoscript een leeswijzer te formuleren:[30]

De personen en toestanden in deze novelle zijn volkomen fictief.
Nochtans is het misschien nuttig er met nadruk op te wijzen dat dit geen z.g. sleutelverhaal is.
W.F.H.[31]

Daarnaast bracht de auteur allerlei aanvullingen en stilistische correcties aan, en zette hij de naam 'Archibald' om in 'Everhard', zij het niet consistent. Deze bewerking verklaart volgens de bezorgers de tweede datering die onderaan het verhaal staat vermeld, augustus 1949.[32]

De datering van de derde fase is onbekend. Vergelijking van het typoscript met de boekversie wijst uit dat dit niet het definitieve typoscript was, omdat het optreden van de psychiater dr. Herman F. Williams nog ontbreekt, evenals de omzetting van de naam van de hoofdpersoon naar Sebastiaan Klok. Ook in deze fase werden weer allerlei kleinere wijzigingen aangebracht. Hermans wijzigde ook het slot van de novelle, waarin tweemaal verwezen wordt naar het advies van de psychiater. Het oorspronkelijke slot luidde, nadat Sebastiaan in de trein zijn voeten op de bank tegenover zich heeft gelegd:

Uit zijn zak nam hij een enveloppe. Vol aandacht begon hij de foto's te bekijken die hij op de heenreis te Quebec had gemaakt en die intussen in Toronto waren ontwikkeld en afgedrukt.[33]

Publicatiegeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Hermans stuurde de novelle vermoedelijk aan het einde van 1949 in als kandidaat voor het Boekenweekgeschenk van 1950; de jury - waarin Hella Haasse en Victor van Vriesland zitting hadden - koos voor De zaak Beukenoot van Marianne Philips.[34][35]

In 1950 stuurde Hermans het verhaal samen met de verhalen 'Het fossiel' en 'De kat Kilo' naar het Nieuw Vlaams Tijdschrift.[36] Op 24 juni 1950[37] reageerde Hubert Lampo, de redactiesecretaris van het blad, enthousiast op de inzending, maar de redactie wees aanvankelijk alle drie de inzendingen af. Na een tweede beoordelingsronde schreef Lampo op 1 november 1950 dat de redactie alleen 'Het fossiel' accepteerde en de andere verhalen afwees, 'uitgaande van het standpunt, dat deze niet tot Uw beste werk zouden behoren.'[38]

Inmiddels, in een brief van 2 oktober 1950,[39] had Hermans uitgever Van Oorschot aangeboden de novelle op te sturen voor plaatsing in De Vrije Bladen. Veertien maanden later ziet Van Oorschot definitief af van de uitgave, die reeds was gezet. Hermans vermoedde dat al, vanwege de 'complicerende factor' dat DVB verschijnen onder auspiciën van de redactie van het tijdschrift Libertinage, dat ook bij van Oorschot verscheen en in de novelle Cabotinage wordt genoemd.[40]

Van Oorschot ontkende echter dat dat de reden was: 'Je persiflage op Libertinage in een Veelbelovende Jongeman vind ik juist alleraardigst.'[41] Maar hij vond het bij herlezing toch 'niet helemáal Hermans.'[34] Dat schreef Van Oorschot in mei 1951. Hermans zelf vertoonde een 'wisselende affectie' met het verhaal.[42]

In een brief van 13 augustus 1951 schreef Gerard Reve aan de auteur dat hij Hermans 'de enige levende schrijver van betekenis' vond: 'Je relaas "Een veelbelovende Jongeman" (is dat niet de titel?) is echter ver beneden je talent.'[43] Op 16 augustus 1951 antwoordde Hermans aan Gerard Reve dat hij zelf ook niet zo overtuigd was van het verhaal: 'Die novelle "Een veelbelovende jongeman" heb ik bij elkaar niet minder dan zes keer overgeschreven. Niettemin vind je haar (waarsch. terecht) niet goed.'[42][44] Toch zou hij later tegen Van Oorschot zeggen dat de novelle beter was dan Het behouden huis.[42]

Op 3 april 1956 verscheen een fragment van 600 woorden in Het Vrije Volk als de column die Hermans in die tijd voor het dagblad schreef.[45] De gehele novelle verscheen pas in 1957 als onderdeel van Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen.

Receptie[bewerken | brontekst bewerken]

Het gebrek aan enthousiasme dat de auteur ontmoette bij zijn pogingen de novelle gepubliceerd te krijgen, geldt ook voor de recensies van de in november 1957 verschenen novellebundel, voor zover die zich al uitspraken over deze individuele novelle. In de kritiek werd vooral het verhaal 'De blinde fotograaf' geprezen.[46] Criticus Kees Fens schreef in De Tijd dat de Niagarafalls in 'het overigens langdradige en weinig beheerst geschreven verhaal "Een veelbelovende jongeman"' voor de protagonist 'een poging tot zelfbevrijding' symboliseren.[47] Biograaf Otterspeer noemt het verhaal zowel in stilistisch als in psychologisch opzicht 'een zelfonderzoek'.[48]

Plaats in het oeuvre[bewerken | brontekst bewerken]

De meest directe context van 'Een veelbelovende jongeman' in het oeuvre van Hermans is als onderdeel van de groep van drie verhalen over zijn verblijf te Newfoundland en Canada. De andere twee zijn het verhaal 'Een landingspoging op Newfoundland' en het Richard Simmillion-verhaal 'Afscheid van Canada', dat in 1991 verscheen in de novellebundel De laatste roker.[49]

De novelle vertoont daarnaast enkele opmerkelijke overeenkomsten met de roman Au pair van precies veertig jaar later: ook de protagonist daarvan, Paulina, treft in het buitenland, in dit geval in Frankrijk, hetzelfde aan wat zij juist wilde ontlopen; Sebastiaan en Paulina worden sterk geïroniseerd; in beide werken treedt de auteur zelf op, in 'Een veelbelovende jongeman' als de psychiater Herman F. Williams.[50]

De naam Otto Verbeek levert nog een relatie met ander werk uit het oeuvre op. Die naam keert terug in het autobiografische verhaal 'Het grote medelijden' uit de novellebundel Een wonderkind of een total loss, waarin de hoofdpersoon en ik-verteller Richard Simmillion gedachten formuleert over de essayist Otto Verbeek, ook hier moeiteloos herkenbaar als Ter Braak.[51]

Bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

Primaire bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

  • Hermans, Willem Frederik (1957/2006). 'Een veelbelovende jongeman.' Herdrukt in: Willem Frederik Hermans, Volledige werken deel 7. Verhalen en novellen. Moedwil en misverstand. Paranoia. Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen. Amsterdam: De Bezige Bij/Van Oorschot, 2006, 421-504
  • Hermans, Willem Frederik en Gerard Reve (2008). 'Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel.' Een briefwisseling. Bezorgd door Nop Maas en Willem Otterspeer. Z.pl.: De Bezige Bij en Willem Frederik Hermans Instituut. ISBN 9789023425939

Recensies[bewerken | brontekst bewerken]

Studies[bewerken | brontekst bewerken]

Tekstbezorging[bewerken | brontekst bewerken]

Noten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. a b Huygens Instituut (2006), 664
  2. Huygens Instituut (2006), 664-665 en 699, noot 244
  3. Over de versleuteling: Huygens Instituut (2006), 664-665, Otterspeer (2010), 166-167 en Otterspeer (2015), 184-185
  4. Delvigne (2000), 74
  5. Annotatie van Maas en Otterspeer in Hermans en Reve (2008), 80
  6. Calis (1999), 287 en 297
  7. Calis (1999), 297
  8. Calis (1999), 300
  9. Otterspeer (2010a), 127
  10. Otterspeer (2010a), 129
  11. a b Huygens Instituut (2006), 661
  12. Otterspeer (2013), 584
  13. Otterspeer (2013), 586
  14. Otterspeer (2013), 586-587
  15. Huygens Instituut (2006), 698, noot 224
  16. Geciteerd in Huygens Instituut (2006), 660-661. Tekstingrepen van het Huygens Instituut.
  17. Geciteerd in Huygens Instituut (2006), 661
  18. Yans (1992), 207
  19. Otterspeer (2015), 185
  20. otterspeer (2015), 186
  21. Citaten in Otterspeer (2015), 185
  22. Yans (1992), 388-389
  23. Geciteerd bij Yans (1992), 389 noot 245; in Hermans (2006) staat het citaat op 475
  24. Yans (1992), 422-423 noot 94
  25. Yans (1992), 221 noot 111
  26. Yans (1992), 338-350
  27. Geciteerd bij Yans (1992), 346; in Hermans (2006) staat het citaat op 502. Cursivering van Hermans.
  28. Huygens Instituut (2006), 663
  29. Huygens ING (2013), online. De informatie staat bij M1.
  30. Huygens ING (2013), online
  31. Geciteerd in Huygens ING (2013), online
  32. Huygens ING (2013), online
  33. Geciteerd in Huygens ING (2013), online
  34. a b Huygens Instituut (2006), 665
  35. Otterspeer (2013), 635
  36. Huygens Instituut (2006), 659
  37. Huygens Instituut (2006), 698, noot 217
  38. Huygens Instituut (2006), 659-660 en 698, noot 221. Briefcitaat op 660.
  39. Huygens Instituut (2006), 699, noot 233
  40. Huygens Instituut (2006), 663-664
  41. Geciteerd in Huygens Instituut (2006), 665
  42. a b c Otterspeer (2010), 166
  43. Hermans en Reve (2008), 79
  44. Geciteerd in Huygens Instituut (2006), 665. Cursivering van Hermans
  45. Huygens Instituut (2006), 666
  46. Huygens Instituut (2006), 672-673
  47. Fens (1958)
  48. Otterspeer (2010b), 128
  49. Huygens Instituut (2006), 698, noot 225
  50. Raat (2005), 11
  51. Raat (2010), 57


Citefout: Er bestaat een label <ref> voor de groep "noot", maar er is geen bijbehorend label <references group="noot"/> aangetroffen