Eikenprocessierups

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eikenprocessierups
Eikenprocessierupsen tijdens de 'processie'
Eikenprocessierupsen tijdens de 'processie'
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Lepidoptera (Vlinders)
Familie: Notodontidae (Tandvlinders)
Onderfamilie: Thaumetopoeinae (Processievlinders)
Geslacht: Thaumetopoea
Soort
Thaumetopoea processionea
(Linnaeus, 1758)
Imago, de volwassen vlinder
Imago, de volwassen vlinder
Afbeeldingen Eikenprocessierups op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten
Eikenprocessierupsen beginnen aan hun 'processie'
Eikenprocessierups, alleen de lange, niet irriterende haren zijn zichtbaar
Huiduitslag door eikenprocessierups
Bestrijding van de eikenprocessierups volgens de wegzuigmethode

De eikenprocessierups (een pars pro toto) of eikenprocessievlinder (Thaumetopoea processionea) is (de rups van) een nachtvlinder uit de familie tandvlinders (Notodontidae), onderfamilie processievlinders (Thaumetopoeinae). De soort komt oorspronkelijk uit Zuid-Europa, is algemeen in België en sinds 1990 wordt hij ook in Nederland steeds algemener.

De rups van deze soort is in het bezit van voor de mens gevaarlijke brandharen en vertoont herhaaldelijk getalsmatig pieken in aanwezigheid, waardoor ze als een plaaginsect wordt beschouwd.

Kenmerken[bewerken]

De vlinder heet eikenprocessierupsvlinder. De larve is een bladvretende rups die, zoals de naam al zegt, vooral op eiken voorkomt. De eitjes van de rups komen uit in het voorjaar, zodra de eerste jonge eikenbladeren tevoorschijn komen. In Nederland en Vlaanderen ontwikkelt de rups zich af en toe in zulke grote aantallen dat van een plaag gesproken kan worden. De processierups zit vooral aan de zonnige zuidkant van de eikenstammen in eikenlanen. De nesten bestaan uit een dicht spinsel van vervellingshuidjes, met (brand)haren en uitwerpselen.

Verspreiding en voorkomen[bewerken]

De soort komt van nature voor in Zuid- en Centraal-Europa, maar het verspreidingsgebied is, waarschijnlijk door klimaatverandering, steeds verder naar het noorden opgeschoven.[1] In Vlaanderen komt de rups al langere tijd algemeen voor, vooral in de provincies Antwerpen en Limburg.

Tussen 1820 en 1900 kwam de rups volgens de Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera van Barend Lempke in Nederland al voor ten zuiden van grofweg de lijn Arnhem - Nijmegen - Vianen - Dordrecht, met als opmerking bij de opgaven onder andere 'in vrij grooten getale' en 'talrijk'. Waardoor de soort rond 1900 verdween is niet duidelijk. Anno 2010 omvat het verspreidingsgebied vrijwel geheel Nederland.

De rups wordt vooral gesignaleerd in zomereiken langs lanen in steden en dorpen, erfbeplantingen op campings en landgoederen in bosrijke omgevingen. In bosgebieden zelf wordt de rups ook waargenomen, maar hier lijkt er een biologisch evenwicht te bestaan met zijn natuurlijke vijanden (de sluipwesp, sluipvlieg en de grote poppenrover). Hierdoor leidt de eikenprocessierups in bosgebieden nauwelijks tot problemen.

De rupsen verplaatsen zich 's nachts, op zoek naar voedsel, waarbij zij in lange stroken dicht bij elkaar voortkruipen, wat doet denken aan een processie van mensen. Overdag keren de rupsen terug naar hun nesten. De rupsen eten eikenbladeren, met als zichtbaar gevolg kaalgevreten eikenbomen. Droge winters en droge, warme zomers stimuleren de ontwikkeling van de rups.

Brandharen[bewerken]

De brandharen van de rups vormen voor de mens een gevaar voor de gezondheid. De haren zijn 0,2 tot 0,3 millimeter lang. Elke rups heeft er honderdduizenden tot een miljoen van. Het zijn pijlvormige haren, die bij een bedreiging worden afgeschoten. De haren kunnen dan makkelijk de huid, de ogen en de luchtwegen binnendringen. De stoffen die van de haren afkomen veroorzaken een op allergie lijkende huiduitslag, zwellingen, rode ogen en jeuk. In de meeste gevallen verdwijnen de klachten vanzelf. Niet alle personen zijn even gevoelig voor de brandharen.

In zeldzame gevallen kunnen andere verschijnselen ontstaan, namelijk braken, duizeligheid en koorts.

De rupsen hoeven niet te worden aangeraakt om in contact te komen met de brandharen. De haartjes verspreiden zich met de wind en kunnen zo in contact komen met wandelaars of fietsers. De haren verschijnen vanaf ongeveer half mei tot eind juni op de rupsen. De haren blijven ook na het vertrek van de rupsen in de nesten, die aan de stammen en dikke takken hangen, aanwezig. Na jaren kunnen deze nesten bij aanraking nog overlast veroorzaken.

Ook andere dieren, met name honden, kunnen last hebben van de brandharen van de rups.

Levenscyclus[bewerken]

De eitjes komen in april of mei uit, tegelijk met de eerste bladeren van de waardplant, de eik. De rupsen zijn dan oranjeachtig gekleurd. De kleur van de rupsen verandert in een grijsgrauw met lichtgekleurde zijden. Na de derde vervelling krijgen de rupsen de donkere brandharen op de rug. De rupsen zijn tot 3,5 cm lang.

De rupsen vervellen zes of zeven keer voordat ze een onopvallende nachtvlinder worden. Begin september zetten de vrouwtjesvlinders hun eitjes af in de toppen van eikenbomen.

Natuurlijke vijanden van de rups zijn de sluipwesp en de sluipvlieg. Ook een kever, de grote poppenrover, is een natuurlijke vijand. Deze kever is in Nederland in de jaren 50 van de twintigste eeuw uitgestorven.

Plaag[bewerken]

In Vlaanderen vertoonde het voorkomen van de eikenprocessierups sinds het begin van de jaren 90 herhaaldelijk een piek. In 2007 was er sprake van een plaag, vooral in de provincie Limburg, als gevolg van het warme voorjaar; ter bestrijding zette de Belgische federale regering zelfs het leger in.

De herintroductie in Nederland begon in 1991 met de ontdekking van enkele nesten in een wegbeplanting bij Hilvarenbeek. De soort verspreidde zich daarna snel over de zuidelijke provincies. De populaties bereikten in het zuiden een voorlopig hoogtepunt in 1996. Een jaar later werden er veel minder gezien en menigeen dacht dat het insect wel weer uit Nederland zou verdwijnen. Dit bleek echter niet het geval en ieder jaar waren er meldingen uit noordelijker gelegen plaatsen. In 2010 werden nesten gevonden in de stad Groningen.

Bestrijding[bewerken]

Natuurlijke predatoren nemen een deel van de bestrijding voor hun rekening. Vastgesteld is dat de koolmees in april graag de jonge, nog niet behaarde eikenprocessierupsen eet. Op meerdere plaatsen in Nederland zijn na 2015 op risicoplaatsen grootschalig mezennestkastjes opgehangen om de aanwezigheid van deze vogels te stimuleren.

Door vroegtijdige chemische of biologische bestrijding kan een plaag worden voorkomen. Dit gebeurt door een bestrijdingsmiddel te spuiten in de toppen van eikenbomen waar nesten van de rups zijn aangetroffen.

Een andere manier van bestrijding is het wegzuigen van de rupsen, waarna ze direct of later bij een temperatuur van minimaal 600 graden Celsius worden verbrand tot as. Ook mogen opgezogen rupsen op een veilige plaats worden begraven, de plek dient dan gedurende acht jaar onaangeroerd te blijven.[2] Zuigen wordt vooral toegepast om geen andere vlindersoorten te treffen, wat met name bij gebruik van gif wel het geval is.

Bestrijding is specialistisch werk waarvoor doorgaans professionele hulp wordt ingeroepen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

  • [1] Filmpje van schooltv over de eikenprocessierups
  • [2] Expertgroep en aanspreekpunt Nederlandse overheid eikenprocessierups
  • [3] Preventie en ondersteuning lokale actoren Vlaamse Medisch Milieukundigen
  • [4] RIVM-handleiding preventie overlast eikenprocessierupsen
  • Kaarten met waarnemingen op waarneming.nl: Nederland, België en wereldwijd