Elliott Coues

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Samuel Elliott Coues (1842–1899)

Samuel Elliott Coues (Portsmouth, 9 september 1842 - Baltimore 25 december 1899) was een Amerikaanse legerchirurg, historicus, ornitholoog, auteur en theosoof.

Jeugd en opleiding[bewerken]

Coues werd geboren in Portsmouth (New Hampshire). Hij voltooide in 1861 de Columbia University in Washington D.C. en in 1863 de Medical School van hetzelfde instituut. In 1862/63 diende hij als medisch cadet in Washington D.C. en in 1864 werd hij tenslotte assistent-chirurg van het Amerikaanse leger.

Carrière[bewerken]

Hij publiceerde in 1872 zijn Key to North American Birds dat, herzien en opnieuw uitgebracht in 1884 en 1901, veel heeft bijgedragen aan de systematiek van de Amerikaanse ornithologie. Coues was van 1873 tot 1876 een achtenswaardig chirurg en natuuronderzoeker van de US Northern Boundary Commission en van 1876 tot 1880 bedrijfsleider en natuuronderzoeker van de US Geological and Geographical Survey of the Territories, waarvoor hij ook publicaties schreef. Hij was van 1877 tot 1882 docent voor anatomie aan de Medical School van de Columbian University en kreeg daar van 1882 tot 1887 een leerstoel in hetzelfde vak.

In 1881 verliet Coues het leger om zich volledig te kunnen concentreren op het wetenschappelijk onderzoek. Hij was de mede-oprichter van de American Ornithologists' Union en publiceerde hun persorgaan The Auk en meerdere andere ornithologische tijdschriften. Verder naast de ornithologie maakte hij zich verdienstelijk met zijn onderzoek van zoogdieren. Zijn werk Fur-Bearing Animals (1877) onderscheidde zich van andere bestaande werken in precisie en volledigheid van de soortbeschrijvingen, ook enkele soorten die reeds toentertijd zeldzaam waren. In de jaren 1880 werd hij lid van de Society for Psychical Research.

Als theosoof[bewerken]

In 1880 kwam Coues in contact met de theosofie en vervoegde zich in de zomer van 1884 bij de London Lodge en daarmee bij de Theosophical Society. In hetzelfde jaar stichtte hij in Washington D.C. een genootschap van de Theosophical Society, de Gnostic Lodge of the Theosophical Society, waarvan hij president werd.

Nadat Henry Steel Olcott, de president van de Theosophical Society, in mei 1884 een controleraad (American Board of Control) voor de Amerikaanse vennootschappen had opgericht, koos deze in juli 1885 Coues tot zijn president. Coues regeerde de controleraad autocratisch, hetgeen daardoor al snel weerstand opriep bij de leden. Een reeks telegrammen met warrige inhoud bereikte in 1886 meerdere vooraanstaande theosofen, waaronder ook een sommatie aan William Quan Judge, de president van de theosofische Aryan Lodge, de deuren te sluiten, niemand meer naar binnen te laten en in stilte de astrale klokken te beluisteren. Deze brieven waren ondertekend door Helena Blavatsky en de meester Kuthumi, maar later bleek dat Coues de schrijver was. Het jaarlijkse congres van de controleraad voor 1886 zou op aanwijzing van Olcott tot de opheldering van deze voorvallen worden verschoven naar 5 juli, maar Coues hield het congres reeds voorheen tegen. Daarop kwam het congres in 1886 opnieuw samen zonder Coues en besloot tot afschaffing van de controleraad en in plaats daarvan de oprichting van een Amerikaanse sectie van de Theosophical Society met Judge als secretaris-generaal, waardoor Coues automatisch zijn presidentsambt bij de controleraad kwijtraakte.

Esoteric Theosophical Society of America und Gnostic Lodge[bewerken]

In 1887 stichtte hij de Esoteric Theosophical Society of America en benoemde zichzelf tot Perpetual President of the Esoteric Theosophical Society of America. Aangezien hij zijn correspondentie met deze titel voorzag, voerde dit bij sommige theosofen tot de bedrieglijke veronderstelling, dat Coues de leider zou zijn van de esoterische sectie van de Theosophical Society. Blavatsky, de eigenlijke presidente van de esoterische sectie, maakte in een in mei 1889 gedateerd schrijven duidelijk, dat Coues nooit en te nimmer lid van de esoterische sectie was geweest en buiten de Theosophical Society ook geen bevoegdheid had om zich Perpetual president te noemen. Of de Esoteric Theosophical Society hoegenaamd ooit leden had en niet slechts een verzinsel was van Coues, is niet bekend. Er zijn geen bewijzen voor om het even welke activiteit van dit genootschap buiten de persoon Coues.

De door hem in 1884 opgerichte en geleide Gnostic Lodge of the Theosophical Society, ook wel bestempeld als Gnostic Theosophical Society of Washington of als Gnostic Branch bestond als onderdeel van de Theosophical Society tot 1889. Ongeveer vanaf 1886/87 begon de Gnostic Lodge steeds meer een verzamelpunt te worden voor ontevreden theosofen en tegenstanders van de theosofie. In 1888 en 1889 publiceerde Coues een reeks van krantenartikels die de Theosophical Society min of meer in diskrediet brachten. Naar aanleiding hiervan werd Coues in juni 1889 uit de Theosophical Society uitgesloten en de stichtingsoorkonde werd teruggetrokken, hetgeen automatisch leidde tot uitsluiting. Coues zelf beweerde in het tijdschrift Light van november 1889 dat hij zelf de Gnostic Lodge had opgedoekt in oktober 1886 en deze daarop als onafhankelijke genootschap heropgericht had. Nadat vanaf 1892 de oneerlijke activiteiten van Coues beetje bij beetje bekend werden, keerden de meeste Gnostic Lodge-leden zich van hem af, waarop de organisatie werd ontbonden.

De Coues-Collins affaire[bewerken]

De "Coues-Collins affaire" of "Coues-Collins charges" begon in 1985, toen Coues een kopie van het toentertijd nog niet gepubliceerde manuscript van Mabel Collins boek Light on the Path las. Uit enthousiasme over het gelezene schreef Coues aan Collins en vroeg naar de bron, waarop Collins in een schrijven het werk als doorgifte van de Meesters der Wijsheid betitelde. Toen Collins in april 1889 uit de Theosophical Society werd uitgesloten, schreef ze een brief aan Coues, dat haar toenmalige verklaring op bevel van Blavatsky was ontstaan om daardoor de Theosophical Society een nieuwe duw naar boven te geven.

In mei 1989 publiceerde Coues beide brieven in het tijdschrift Religio-Philosophical Journal en in latere edities nog een reeks ander belastend materiaal. Collins kreeg daardoor een reeks zenuwinzinkingen en was tot 1910 qua gezondheidstoestand volledig uitgeput. Ofschoon Collins daarna beweerde, dat alles op een misverstand berustte, was de schade niet meer te repareren. Een groot aantal brieven, opvattingen, rapporten en tegenstellingen betreffende deze zaak rekte zich over jaren, maar bracht uiteindelijk geen duidelijk resultaat. Meerdere theosofische genootschappen bezweken onder dit schandaal en talrijke leden verlieten de Theosophical Society. Of de Coues-Collins affaire een echte gebeurtenis aan het licht bracht of een aaneenschakeling van ongelukkige omstandigheden tot een valse beschuldiging leidde, is tot heden omstreden.

Beschuldigingen in de New York Sun[bewerken]

Vanaf 1888 begon Coues in meerdere kranten artikels te publiceren, waarin hij beweerde, brieven te hebben ontvangen van de Meesters der Wijsheid, die hij echter direct als vervalsing en hocuspocus had herkend. Deze uitspraken stelden de door de Theosophical Society als origineel beschouwde meesterbrieven, die Blavatsky en Alfred Percy Sinnett zogenaamd hadden ontvangen van de Meesters, in een ander daglicht en brachten daarmee de gehele Theosophical Society in diskrediet. Als hoogtepunt van deze publicaties verschenen op 1 juni en 20 juli 1890 in de New York Sun interviews met Coues, waarin hij Blavatsky als bedriegster en oplichtster betichtte en de gehele Theosophical Society als bedrog classificeerde. Blavatsky diende derhalve een aanklacht in wegens laster tegen de New York Sun en Coues. Nog voor een vonnis overleed Savatsky op 8 mei 1891 en volgens de Amerikaanse rechtspraak beëindigde haar dood het onderzoek en de procedure werd afgerond. In de editie van september 1892 bracht de New York Sun een rectificatie van het in 1890 gedrukte artikel, distantieerde zich van de verklaringen van Coues en weerlegde deze openbaar en redactioneel. Coues zelf sprak zich hierover niet uit.

De Blavatsky-Coulomb-brieven[bewerken]

In december 1885 publiceerde de Society for Psychical Research het door Richard Hodgson geschreven zogenaamde Hodgson Rapport, dat Blavatsky zwaar belastte. Hodgson beriep zich bij zijn beschuldigingen op de Coulomb-affaire. Uit de correspondentie tussen Blavatsky en Emma Coulomb zou ogenschijnlijk blijken, dat Blavatsky in hoge mate verwikkeld zou zijn in bedrog en vervalsing van de Meesterbrieven. Ofschoon hij de mogelijkheid had en het conform de principes van een wetenschappelijk project noodzakelijk geweest zou zijn, maakte Hodgson geen enkele facsimile van deze brieven aan. In 1890 kocht Coues via een handelaar de Blavatsky-Coulomb-brieven van de missie van de Free Church of Scotland in Chennai. De door Coues ondertekende cheque over de betaling van deze brieven is tot op heden bewaard gebleven, de brieven zelf zijn echter sindsdien verdwenen. Vernon Harrison verrichtte het onderzoek in de Hodgson Rapport-zaak.

Privéleven en overlijden[bewerken]

Na 1892 trad Coues amper nog in het openbaar in verschijning. Zijn esoterische reputatie was geruïneerd en door de incidenten in samenhang met de theosofie ook zijn wetenschappelijke naam aangetast. Hij overleed op 25 december 1899 in Baltimore na een operatie in het Johns Hopkins Hospital.