Elzas-Lotharingen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reichsland Elsaß-Lothringen
Onderdeel van het Duitse Keizerrijk
 Derde Franse Republiek 1871 – 1918 Republiek Elzas-Lotharingen 
Dienstflagge Elsaß-Lothringen Kaiserreich.svg
Kaart
ELDistricten.png
Algemene gegevens
Hoofdstad Straatsburg
Oppervlakte 14.522 km²
Bevolking 1.549.738 (1871)
1.815.000 (1905)
Talen Duits, Frans
Religie(s) Katholiek: 1.235.606; protestants: 270.251; overige christenen: 2132; joden: 40.918; overig: 731 (1871)
Regering
Regeringsvorm Deel van het Duitse Keizerrijk
Staatshoofd Keizer (vertegenwoordigd door rijksstadhouder)
De Frans-Duitse grens bij Foussemagne nabij Belfort 1871-1918

Elzas-Lotharingen (Frans: Alsace-Lorraine, Duits: Elsaß-Lothringen) is een gebied in het oosten van Frankrijk dat van 1871 tot 1918 tot het Duitse Keizerrijk behoorde. Van 1940 tot 1945 was het door nazi-Duitsland bezet. Het bestond uit de Elzas en het noorden van Lotharingen, dat zijn de huidige departementen Moselle, Bas-Rhin en Haut-Rhin.

De benaming Elzas-Lotharingen is wat verwarrend, omdat het grootste deel van Lotharingen, de huidige departementen Meurthe-et-Moselle, Meuse en Vosges, er niet toe behoorde. Alleen het departement Moselle was tussen 1870 en 1919 "Lothringen". Daarom duidt de Franse overheid de drie departementen, die nog altijd een bijzonder statuut hebben, soms liever aan als Alsace-Moselle.

Taal en godsdienst[bewerken]

De volkstelling van 1910 telde de volgende groepen[1]:

Moedertaal[bewerken]

  • Duits: 1.492.347 (86,8 %) (in de Elzas 94,6%, in Lotharingen 73,5%)
  • Andere taal: 219.638 (12,8 %), waarvan:
  • Frans: 198.318 (11,5 %, met name in Metz en in het aansluitende zuidwestelijke deel van Lotharingen)
  • Italiaans: 18.750 (1,1 %) met name in het Lotharingse mijngebied
  • Pools: 1.410 (0,1 %) met name in het Lotharingse mijngebied

Duits en tevens een andere taal: 7.485 (0,4 %)

In 1936 sprak nog een grote meerderheid van bijna 70% Duits(e dialecten), maar kende ook al ca. 65% Frans. In 1960 waren deze percentages, na de radicale verfransing, ca. 50% en bijna 85%. Sindsdien is de Duits-dialecttaligheid onder de helft gezakt.

Godsdienst in de Elzas in 1910[bewerken]

Kerkelijke confessie:

  • rooms-katholiek: 1.310.450 (76,21 %)
  • protestants: 372.078 21,64 %, vooral luthers, daarnaast calvinistisch en doopsgezind (mennonitisch)
  • andere christenen: 4.416 (0,26 %)
  • jodendom: 32.264 (1,88 %)
  • geen opgave: 262 (0,02 %)

Geschiedenis[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Het gebied van het latere Elzas-Lotharingen werd bij de definitieve opdeling van het vroegere Frankische Rijk van Karel de Grote (Verdrag van Verdun, 843) als deel van het Middenrijk toegewezen aan Karels kleinzoon Lotharius I. Na Lotharius' dood werd het Middenrijk nog verder opgedeeld onder diens zoons, waarbij Lotharius II het naar hem vernoemde Koninkrijk Lotharingen ontving, dat ongeveer de Nederlanden, de Elzas en het huidige Lotharingen besloeg. Zie verder de geschiedenis van de twee afzonderlijke gebieden. De Elzas en Lotharingen waren tot in de 18de eeuw onderdeel van het, overigens zeer pluriforme, Duitse Rijk, voluit: het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie. Cultureel waren deze gebieden geheel geïntegreerd in het Duitse Rijngebied. Franse invloed was er marginaal en de Vogezen vormden een grote taal- en cultuurbarrière met het westen. Kerkelijk vielen de gebieden onder de aartsbisdommen Trier en Mainz. Straatsburg was een van de voornaamste culturele centra van het Duitse Rijk: universiteitsstad en centrum van kerkelijke Hervorming en van Duitstalige en Latijnse boekdrukkunst. Het wereldlijk bestuur was uiterst verbrokkeld over een tiental autonome Duitse rijkssteden, Duits-koninklijke domeinen, bisschops- en kloosterdomeinen, en veel kleine graafschappen en ridderlijke heerlijkheden. In de zuidelijke Elzas ontstond in het graafschap Sundgau de eerste aanzet tot het rijk van de Habsburgers, die in de 16de eeuw het Duitse keizerschap zouden erven. De lutherse hervorming schoot wortel in het noorden van de Elzas. In Straatsburg en Mühlhausen-Mulhouse trad een groot deel van de burgerij toe tot het calvinisme en het daaraan verwante Zwitserse zwinglianisme. In zijn expansiestreven naar de Rijn slaagde de Franse koning er in om steeds meer graafschappen en heerlijkheden onder zijn gezag te brengen. Nadat Straatsburg in 1648 Frans was geworden en de status van Duitse rijksstad verloor, vielen in het verloop van de volgende eeuw ook de meeste overige heerlijkheden en steden aan Frankrijk toe. Sindsdien oriënteerde de Elzas, en vooral in de stedelijke burgerijen, zich steeds meer op Parijs en de Franse cultuur. De plattelansbevolking werd hierdoor nauwelijks beïnvloed. Lotharingen volgde in de geschiedenis een eigen weg. In 1644 werd het grotendeels veroverd en bezet door Frankrijk, dat overigens al vanaf 1552 aanspraken op het gebied had doen gelden en deze met tijdelijke militaire bezettingen kracht bijzette. De halve eeuw na 1644 bracht verwoesting en ontvolking. Tot 1713 bestreden de Franse koning en de de Lotharingse hertog (als Duitse Rijksvorst) elkaar, totdat de Franse koning Lodewijk XV zijn aanspraken op de troon van Polen, die hem betwist werden door de Duitse keizer Karel VI, terugtrok. Maar dat onder voorwaarde dat zijn Poolse schoonvader de hertog van het (nog steeds Duitse) hertogdom Lotharingen zou worden. Via deze constructie on Frankrijk steeds meer zeggenschap aan zich trekken en in 1766 het hertogdom Lotharingen annexeren.

Na de Franse Revolutie werd de centralisatie van de Franse republiek ook in de Elzas en in Lotharingen verder doorgevoerd, hoewel Napoleon dat verzachtte in een concordaat met Rome, hetwelk autonome rechten waarborgde, met name die van de Kerk en in het onderwijs. Frans was sinds het begin van de revolutie al de enige taal van het openbaar bestuur. Maar in de praktijk bleef Duits onmisbaar en pas vanaf 1853 was het zover dat het Duits, c.q. het dialect langzaamaan kon worden afgeschaft in het openbaar bestuur en het lager onderwijs. Onder herhaaldelijk protest, vooral van de dorpsgeestelijkheid, werd het aantal lesuren Duits steeds verder teruggebracht. Om dat te regelen werd het kerkelijk toezicht op de lagere scholen teruggedrongen. In het middelbaar onderwijs bleef het Duits tweede taal en soms ook onderwijstaal, zoals in de lutherse instellingen. Niettemin was de verfransing via het onderwijs nog lange tijd beperkt effectief: één op de tien recruten in de laatste lichting voor het Franse leger (1869), werd bij de keuring voldoende Franstalig bevonden.

Onder het nieuwe Duitse Keizerrijk[bewerken]

Vrienschapsmedaille voor de door de Duitsers in Elzas-Lotharingen vervolgde burgers 1921

Frankrijk moest na de Frans-Duitse Oorlog, bij de Vrede van Frankfurt (mei 1871), de Elzas (de departementen Bas-Rhin en Haut-Rhin, behalve Belfort, plus een aangrenzend stukje van het departement Vosges), en niet geheel, maar wel het noordelijke deel van Lotharingen (de toenmalige departementen Moselle en Meurthe), aan het nieuwe Duitse Keizerrijk afstaan. Dit zogenaamde "Reichsland Elsaß-Lothringen" werd geen Duitse bondsstaat met een eigen constitutie, maar stond onder direct gezag van het Rijk en werd als bezet gebied vanuit Berlijn bestuurd. In Frankrijk bestond zeer veel weerzin tegen de annexatie, die voeding gaf aan decennialange revanchegedachten. Dit Revanchisme zou op zijn beurt weer bijdragen aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

De bevolking protesteerde tegen de annexatie bij zowel de Franse als de Duitse regering. 40.000 inwoners van het geannexeerde gebied waren over de nieuwe grenzen naar Frankrijk gevlucht, en 12,5% van de inwoners - ruim 130.000 zogenaamde optanten - weigerde het Duitse staatsburgerschap te aanvaarden. Daarvan vertrokken er vóór 1872 al 50.000 naar Frankrijk, voornamelijk Franstaligen en Parijsgezinden, die de verplichtingen van een Duits rijksburgerschap niet op zich wilden nemen. Franse ambtenaren konden in dienst van het nieuwe Duitse keizerrijk treden, als zij hun loyaliteit uitspraken, maar velen weigerden dit en emigreerden. Nog vele jaren zou de emigratiestroom aanhouden, vooral van jongelieden die op deze wijze de dienstplicht in het Duitse leger wilden ontgaan. Aan het einde van de Duitse periode zouden ruim 200.000 Elzassers in Frankrijk leven.

De constitutie van het Duitse Rijk werd in 1874 ook in Elzas-Lotharingen ingevoerd. Duitse werd de verplichte taal in bestuur en onderwijs en voor het gerecht, maar voor het gebruik van het Frans bleven nog lange tijd dispensaties bestaan in Franstalige gemeenten. Tot 1914 bleven meer dan 300 gemeenten, vooral in Lotharingen, in feite tweetalig bestuurd. De pers werd vrijgelaten in haar taalgebruik en een vijfde van de kranten en tijdschriften kon tenminste voor een deel in het Frans blijven verschijnen. Alhoewel het gebied rechtstreeks door Berlijn werd bestuurd, werd de verduitsing naar verhouding mild, hoewel met toenemend beperkende regelgeving, doorgevoerd om geen al te grote weerstand p te roepen. In 1877 kreeg het gebied als Reichsland beperkte autonome wetgevende bevoegdheid en daarvoor werd een Landesausschuss (gewestelijk raadgevend orgaan) ingesteld onder de stadhouder als vertegenwoordiger van de rijkskanselier.

Het verzet tegen de Duitse overheersing bleef, maar zwakte af toen Elzas-Lotharingen ten volle ging profiteren van de economische opbloei van het nieuwe Duitse Rijk. Hoewel vooral de lagere sociale strata in de bevolking zich al vroeg hadden neergelegd bij de nieuwe politieke situatie - en met name delen van de arbeidersklasse participeerden in de Duitse sociaaldemocratische beweging - bleven grote delen van de burgerij de Duitsers als vreemde bezetters ("Pruisen") beschouwen, zoals bijvoorbeeld nog in de beruchte en in de Franse publiciteit sterk uitgespeelde Zabern-affaire (1913) tot uiting kwam. De politieke Fransgezindheid bleef zijn uitdrukking in de Elzas-Lotharinger 'Protestpartij' vinden die tot 1887 nog een aanhang bij de helft van de bevolking had, maar al in de jaren 80 begon uiteen te vallen. Dat was het begin, onder veel voorbehoud en opportunisme, van de integratie in het politieke leven van hetDuitse Rijk, die bestuurlijk bekroond werd door de gelijkstelling, in 1911, met de andere Duitse staten, in een eigen en vrij gekozen regionaal parlement, een eigen vlag en drie vertegenwoordigers in de Bondsraad. Uiteindelijk was bij de laatste rijksdagverkiezingen van 1912 ruim de helft van daanvankelijke 'Protestler' stemmen naar katholieke kandidaten oergegaan die als 'autonomisten' in de eerste plaats conservatief waren, vaak ook antisemitisch en antiprotestants, en die zich daarbij in de Franse oriëntatie steeds minder profileerden. Zij streefden een bestuurlijke status na gelijk aan die van de andere staten in het Duitse Rijk. De beëindiging van de Kulturkampf tegen de rooms-katholiek kerk hd tot deze omzwaai bijgedragen. Zij verbonden zich in de Rijksdag in Berlijn met de Duitse katholieke Zentrumspartei. De protestants-lutherse minderheid stelde zich nog het meest Duitsgeoriënteerd op. Een derde van de kiezers – meer dan de helft in de steden – stemde op de Duitse sociaaldemocratische SPD, die zich niet met een nationaal standpunt wilde verbinden, maar in dRijksdag in Berlijn wél met de Duitse partijgenoten in de SPD verenigd was. Eén vijfde stemde liberaal, vooral in Straatsburg en in de lutherse plattelandsgebieden. In de tweede verkiezingsronde voegden de meesten zich bij de sociaal-democraten die daarmee de meerdeheid verwierven. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was een terugkeer naar Frankrijk geen onderwerp meer in de publieke opinie en de politiek al bleef onrust bestaan door stemmingmakerij, gevoed door Elzassers vanuit Frankrijk, waarin van tijd tot tijd gespeeld werd op geheime voorbereidingen in Frankrijk tot een nieuwe oorlog. Toen deze dan eindelijk uitbrak in 1914 hield de publieke opinie zich afwezig.

Net als de Luxemburgers waren veel Duits-, dat wil zeggen dialecttalige Lotharingers en Elzassers, reeds enkele eeuwen gewend het Frans als superieure cultuurtaal te beschouwen en zo mogelijk te gebruiken. Het Hoogduits was na 1870 de taal van een bezettende staatsmacht. De lagere volksklassen die voornamelijk hun regionale (Duitse) dialecten spraken en voor 1870 het Frans niet meer dan marginaal op school hadden geleerd, vervreemdden van die taal door het nu ingevoerde Duitstalige onderwijs en bestuur. Maar dat betekende niet dat zij het Hoogduits van harte aanvaardden. De Duitse invloed werd pas gaandeweg versterkt, door immigratie van Duitsers die in de bestuurscentra en garnizoensplaatsen in ambtelijke functies macht uitoefenden, maar vooral ook door de komst van arbeiders uit Baden en de Palts, die zich in de industriegebieden vestigden. Met name de snelle ontwikkeling van de kolen- en staalindustrie bracht zowel Duitse als Italiaanse arbeiders in groten getale naar noordwestelijk Lotharingen. Aan het einde van de Duitse periode waren er een kwart miljoen "Duitsers", 400.000 met de Elzassers partners en hun hun hier geboren nakomelingen inbegrepen; zij vormden een vijfde van de bevolking met aanzienlijke plaatselijke verschillen. Ruim een derde van de bevolking van Straatsburg en aanzienlijke minderheden in andere steden en even meer dan de helft van de bevolking van Metz, Thionville (Duits: Diedenhofen) en Forbach behoorde na verloop van tijd tot deze nieuwe bevolkingslaag. Deze "Duitsers" waren grotendeels sociaaldemocraten, en alleen de ambtelijke bovenlaag onder hen was in nationaal opzicht Duits. Op toenemende integratie duidt dat uiteindelijk twee-derde van de huwelijken waarbij een "Duitser" was betrokken, werd gesloten met een Elzasser of Lotharinger partner.

Voor Frankrijk was het een nationale prioriteit dat Elzas-Lotharingen op termijn weer Frans zou worden, en alleen een oorlog kon het onrecht van de annexatie als 'correctie op de geschiedenis' bewerkstelligen. Dit revanchisme leidde ertoe dat Frankrijk bereid was het Duitse keizerrijk te provoceren en het risico van een oorlog welbewust aanvaardde. Rusland subsidieerde in het geheim Franse journalisten, om over het onrecht dat Frankrijk was aangedaan te blijven schrijven.[2] Van Franse zijde werd de Eerste Wereldoorlog in 1914 mede om deze reden onmiddellijk aangegrepen. Voor de republiek was de teruggave van het gebied vanaf het begin der bezetting een oorlogsdoel, dat werd gesteund door de Entente (de bondgenoten van Frankrijk), die erkende dat de annexatie door Duitsland een "onrechtvaardigheid" was geweest. Het Franse leger drong in 1914 over de Vogezen-bergkam door maar niet tot in het laagland. Het front stabiliseerde tot 1918 maar Elzas-Lotharingen werd nu wel een militair regime opgelegd waarin de Franse taal zoveel mogelijk werd verboden, wat het integratiesucces van de afgelopen decennia weer ongedaan maakte. Het wantrouwen leidde er ook toe dat de Elzasser soldaten in het Duitse leger naar het oosten werden gestuurd.

Frankrijk stelde in 1921 een medaille in voor de tijdens de oorlog door de Duitsers vervolgde Fransen in Elzas-Lotharingen. Deze Vriendschapsmedaille werd 1.397 maal uitgereikt. De martelaren voor de Franse natie konden een gesp met het woord "fidélité" op het lint dragen. Voor ieder jaar verbanning of gevangenisstraf kwam daar een zilverkleurige ster bij. Op de voorzijde van de medaille zijn de Elzas en Lotharingen symbolisch weergegeven door twee vrouwen die uitkijken over een vlakte waarboven het woord FIDÉLITÉ in zonnestralen verschijnt. De afbeelding moest "hun verlangen naar de Franse beschaving" op symbolische wijze weergeven. De tienduizenden in het Duitse leger omgekomen Elzassers en Lotharingers kregen geen herdenking omdat zij voor een nationaal onwaardige zaak waren gestorven, waarmee het Franse nationale zelfbeeld geen raad wist.

Het Interbellum - opnieuw Frans gebied[bewerken]

Uitroeping van de Republiek op 10 november 1918 in Straatsburg
Vlag van de Republiek Elzas-Lotharingen

Bij de wapenstilstand van 11 november 1918 moesten de Duitse troepen Elzas-Lotharingen verlaten. De dag daarop probeerden afgevaardigden van de Elzas onder Eugen/Eugène Ricklin van Frankrijk een autonoom statuut af te dwingen van de eerder uitgeroepen Republiek Elzas-Lotharingen – de enige en zeer korte periode in de geschiedenis dat de bewoners van deze regio over hun eigen lot leken te kunnen beschikken. Maar nadat de Franse troepen door een deel van de bevolking enthousiast in de tweetalige stad Metz en (althans volgens Franse bronnen ook) in de Duitstalige stad Straatsburg waren onthaald, kwam daarvan niets terecht. Autonomie was strijdig met het hoogste principe van de centralistische Franse staat. Nadat door het Verdrag van Versailles Elzas-Lotharingen in 1919 opnieuw Frans was geworden, begon de Franse overheid vrijwel meteen en voortvarend met de verfransing van de regio. Voor zover niet al gevlucht, werd het 'Duitse' deel van de bevolking uitgewezen voor zover zij al niet vertrokken waren: 200.000 Duitser. Het ging dan voornamelijk om ambtenaren en militairen. Duitsers die met 'inheemsen' waren getrouwd, en hun nakomelingen, mochten voorlopig nog blijven en konden een aanvraag indienen om de Franse nationaliteit te verkrijgen.

De oude departementen Haut-Rhin, Bas-Rhin en Moselle werden opnieuw ingesteld, zij het dat deze niet geheel identiek waren aan de departementen van voor 1871. Aanvankelijk werden ze nog vanuit Straatsburg bestuurd, maar sinds 1925 - wegens het bedreigende regionale autonomiestreven - direct vanuit Parijs. De drie departementen kregen wel een apart statuut. Een aantal wetten uit de Duitse periode, zoals de toen zeer vooruitstrevende sociale zekerheidswetgeving, bleven van kracht. Ook het concordaat van 1801, dat in Frankrijk zelf intussen was afgeschaft door de invoering van de scheiding van kerk en staat, bleef zoals gehandhaafd. Daarom worden ook vandaag nog de katholieke, lutherse, calvinistische en joodse geestelijken in deze streek door de Franse staat betaald, in tegenstelling tot in de rest van Frankrijk. Ook wordt er godsdienstles op de openbare scholen gegeven en heeft de universiteit van Straatsburg een theologische faculteit. Parijs heeft steeds wel gepoogd deze aparte regelingen af te schaffen, maar dat is nooit volledig gelukt. Aanvankelijk werd het Franse bestuur door een grote meerderheid positief aanvaard. De economische instorting van Duitsland en de ontwaarding van de Duitse Mark, tegenover de economische stimulering van de bevrijde gebieden en de waardevastere Franse Franc, lieten de Elzassers hun zegeningen tellen. De radicale verfransing van het openbare leven en het onderwijs leverde problemen op die vanuit Parijs niet pragmatisch opgelost maar principieel afgewezen werden, wat veel misverstanden en irritaties opriep, mede omdat het aantal Franskundigen pas langzaam vooruitging en de communicatie met de strikt Franstalige overheid stroef verliep. De stagnatie van de economische groei na de beurscrisis van 1929 droeg tot de teleurstelling over de hereniging met Frankrijk bij. Onvrede over de bestuurlijke centralisatie, de aantasting van de positie van de geestelijkheid en het sterke assimileringsbeleid deden de roep om autonomie echter weer toenemen, nu om autonomie binnen Frankrijk. Het autonomisme uit de Duitse periode zette zich voort in in een autonomisme binnen Frankrijk dat aanhang vond in de partij (UPR) van de conservatieve katholieken die een kleine helft van het electoraat omvatte. En in extreme vorm in een radicaal autonomistische partij die hooguit een tiende van het electoraat omvatte, hoewel dat in enkele (lutherse) noordelijke kiesdistricten van de Elzas opliep tot de helft. De harde kern werd in de jaren 1926-'28 als staatsgevaarlijk verboden. Een aantal van hun afgevaardigden en politici werden in 1939 als landverraders tot gevangenisstraffen veroordeeld. De meest uitgesproken autonomist, Karl/Charles Roos, die aansluiting had gezocht bij het nationaalsocialisme, werd op 7 februari 1940 te Nancy ten voorbeeld wegens vermeende spionage geëxecuteerd.

Tweede Wereldoorlog - Duitse bezetting[bewerken]

Hoewel Adolf Hitler officieel van zijn aanspraken op Elzas-Lotharingen had afgezien, stelde hij na de Franse capitulatie in 1940 meteen een burgerlijk bestuur in, afgescheiden van de rest van de Duitse bezettingszone in Frankrijk die onder militair bestuur stond, maar ook gebruik maakte van Elzasser autonomisten. In 1942 werden de bevolking tot Duitse staatsburgers verklaard. Verzet hiertegen, en tegen de opgelegde dienstplicht in de Wehrmacht, werd gewelddadig onderdrukt. Velen vluchtten naar Frans gebied om daar onder te duiken. 140.000 Elzassers en Lotharingers moesten in de Wehrmacht dienen. Na de instorting van het Duitse leger werden de overlevenden als landverraders door de nieuwe Franse autoriteiten ontvangen en 45.000 van hun geïnterneerd. Bijna één op de drie was gesneuveld en voor hen mochten geen publieke monumenten opgericht worden. De regio werd in 1944 deels en tijdelijk en in maart 1945 definitief bevrijd.

Naoorlogse periode[bewerken]

In de naoorlogse periode trachtte de Franse regering wederom een sterke verfransing te bewerkstelligen, met campagneleuzen als "c'est chic de parler français" (het is chic om Frans te spreken) en "parlez français, soyez propre" (houd je fatsoen, spreek Frans). De Duitse taal in het openbaar werd ontmoedigd en in het onderwijs verboden. Dit stuitte wederom op verzet, maar de naoorlogse ouders kozen er toch voor om hun kinderen in taal te laten verfransen. Na een eeuw nationale strijd ontstond nu de eerste generatie van eentalig Franse Elzassers en Lotharingers. Het verlies van de regionale taal werd daarbij op de koop toe genomen. In de jaren vijftig waren de oplagen van de regionale kranten nog in meerderheid Duitstalig en luisterden en keken meer Elzassers en Lotharingers naar Duitse radio- en tv-stations dan naar Franse, maar met het gaandeweg uitsterven van de oudere generaties is de verfransing nu zo goed als compleet geworden. Opvallend is dat het Duits na 1945 alleen als 'hulptaal' en dan in de plaatselijke dialectvorm, op de lagere scholen werd toegestaan, zolang er nog leerlingen waren die zich beter in die taal uitdrukten, en sinds kort weer als standaardtaal (Hoogduits), maar alleen in de hogere klassen, facultatief gedoceerd mag worden, maar dan wel als de vreemde taal van een buurland. Het is namelijk het onderwijsdoel dat de leerlingen in de lagere klassen geen andere taal dan de Franse als hun eerste en eigen taal leren gebruiken. Kort na de oorlog werden de ouders geconsulteerd over de vraag of zij hun kinderen naast Frans ook Duits op school wilden laten leren: 85% zei daar prijs op te stellen. Daartegenover wilde de helft van het onderwijzend personeel daar niet aan meewerken. Uiteindelijk zou Frans de primaire taal op school worden en Duits alleen in de hoogste klassen een lesvak als vreemde taal worden, als de nationale taal van Duitsland. Het lokale Elzasser dialect kon als hulptaal in gebruik blijven bij het leren van de Franse nationale taal, omdat de leerlingen in de laagste klassen geen Frans verstonden. De rechtspraak diende in het Frans te geschieden hoewel tolken aangevraagd mochten worden voor degenen die niet Franskundig genoeg zijn. Het succes van deze verfransingspolitiek mag blijken uit vele onderzoeken naar taalkennis en taalgebruik. Kort na de oorlog was nog 85% van de Elzassers in staat Hoogduits te spreken, in 1960 was dat tot 60% gezakt en sindsdien daalde dat tot een kleine minderheid. Ook het dialectgebruik nam af, en was vooral sociaal bepaald. In 1960 sprak nog steeds 85% een lokaal Elzasser dialect als eerste taal: van de jongste generaties ook nog 70%, hoewel sociaal te gedifferentiëren van 97% van de kinderen met een landbouwer als vader, 82% met als vader een arbeider, 64% met als vader een employé (bureau-aangestelde). Ouders gingen in toenemende mate Frans met hun jongste kinderen spreken: in 1960 al ruim 40%. Het gebruik van de Elzasser dialecten ging zich sindsdien steeds meer tot het (eigen) dorp, de vriendenkring, de familie, ten slotte het gezin beperken. In contact met onbekenden, bij bezoek aan officiële instanties en aan de steden ging men Frans spreken. Waar dan nog wel Elzasser dialect werd gesproken, verschoof het taalgebruik naar tweetaligheid en vervolgens bij de jongste kinderen in toenemende mate naar uitsluitend Frans. Onderling dialectsprekende ouders die met hun kinderen Frans spraken, gingen de toon aangeven. Deze ontwikkeling vond zijn weerslag in het gebruik van geschreven Duits. In 1965 was nog twee derde deel van de oplaag van de Elzasser kranten en tijdschriften (gedeeltelijk, d.w.z. met uitzondering van de op de jeugd en op sport gerichte rubrieken) Duitstalig, in 1980 was dat gezakt tot 30%. Inmiddels worden geen Duitstalige oplagen meer gedrukt. De in de jaren vijftig nog sterke afstemming op Duitse radio en tv-zenders behoort met het verdwijnen van de oudere primair Duits- of dialecttalige generatie inmiddels eveneens tot het verleden. Enig tegenwicht tot de volledige verfransing biedt de grensoverschrijdende arbeid waarin enkele tienduizenden Elzassers en Lotharingers werk vinden in de Duitse industrie. Deze omstandigheid doet een deel van de jonge Elzassers op school kiezen voor het Duits als vreemde taal boven het Engels. Het gaat dan om het Hoogduits want de oorspronkelijke volkstalen, die behoren tot de overigens sterk van elkaar afwijkende Allemannische en Rijnfrankische en Moezelfrankische dialectgroepen, worden nog maar in afnemende mate op het platteland en door de oudere generatie gesproken.

Economisch bracht de naoorlogse periode voorspoed, echter tot ca. 1970. Daarna zakte de explosief gegroeide Lotharingse kolen- en staalindustrie gaandeweg in en groeide vooral de werkloosheid, die velen ertoe bracht het gebied te verlaten.

Sinds 1972 zijn er in de Elzas en Lotharingen weer regionale parlementen ingesteld. Naar autonomie strevende partijen zoals de Union du Peuple Alsacien spelen echter nauwelijks een rol.

Bronnen[bewerken]

P. Lévy, Historire linguistique d'Alsace et de Lorraine, Strasbourg-Paris 1929

  • F.G. Dreyfuss, La vie politique en Alsace 1919-1936, Paris 1969
  • P. Maugué, Le particularisme alsacienne 1918-1967, Paris 1970
  • W. Ladin, Der Elsässische Dialekt - Museumsreif?, Strasbourg 1981
  • H. Hiery, Reichstagswahlen im Reichsland 1971-1918, Düsseldorf 1987

Territorium[bewerken]

Elzas-Lotharingen was onderverdeeld in drie districten (Bezirke) die zelf weer in bestuursdistricten (Land- en Stadtkreise) waren verdeeld:

Bevolkingsontwikkeling[bewerken]

Jaar Bevolking Reden van verandering
1866 1.596.000 -
1875 1.531.804 Na de annexatie door Duitsland vond emigratie naar Frankrijk en Algerije plaats, toenemend tot in totaal 170.000 personen
1910 1.874.014 1875-1910: bevolkingsgroei van 0,58% per jaar
1921 1.709.749 Dood van jonge mannen aan het Duitse oorlogsfront (1914-1918) en uitwijzing van Duitsers na 1918
1936 1.915.627 1921-1936: bevolkingsgroei van 0,76% per jaar
1946 1.767.131 Dood van jonge mannen in zowel het Franse als het Duitse leger, dood van burgers en verblijf van vluchtelingen elders
1999 2.757.592 1946-1999: bevolkingsgroei van 0,84% per jaar

Bestuurders[bewerken]

Eerste president[bewerken]

Rijksstadhouders[bewerken]

Secretarissen-generaal van het Ministerie voor Elzas-Lotharingen[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • (en) Edmond Taylor, THE FALL OF THE DYNASTIES - THE COLLAPSE OF THE OLD ORDER 1905-1922 Garden City, New York, 1963