Erfdienstbaarheid (België)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een erfdienstbaarheid (Frans: servitude; Duits: Dienstbarkeit) is een beperkt zakelijk recht dat ook bestaat in het Belgisch goederenrecht. Erfdienstbaarheden worden geregeld in het Burgerlijk Wetboek (artikel 637-710bis BW) en in het Veldwetboek (Veldw.).

Definitie[bewerken | brontekst bewerken]

Naar Belgisch recht is een erfdienstbaarheid een last op een erf gelegd tot gebruik en tot nut van een erf dat aan een andere eigenaar toebehoort (art. 637 BW).

Met andere woorden zijn vereist:

  • twee erven;
  • die eigendom zijn van verschillende natuurlijke of rechtspersonen;
  • waarbij het ene erf een last draagt en het andere erf een nut ondervindt;
  • en waarbij de eigenaar van het lijdende erf niet tot iets mag worden verplicht, maar waarbij hij enkel iets moet laten of gedogen.[1]

Het erf dat de last draagt, noemt men het lijdende erf. Het erf dat nut ondervindt, noemt men het heersende erf. Het heersende en het lijdende erf worden juridisch gelijk behandeld (art. 638 BW).

Het recht om op het erf van de buurman te wandelen is geen erfdienstbaarheid, omdat het nut dat hierbij ontstaat ten bate is van een persoon en niet van een ander erf. Echter het recht om op het beboste erf van de buurman hout te sprokkelen om de eigen woning mee te verwarmen, kan wel een erfdienstbaarheid zijn.[2] Wat overigens wel mogelijk is, is het recht van uitweg en het recht van doorgang in de gevallen waar een erf niet verbonden is aan de openbare weg.

Kenmerken[bewerken | brontekst bewerken]

Ten eerste is een erfdienstbaarheid een zakelijk recht. Zakelijke rechten onderscheiden zich van verbintenissen en intellectuele rechten.

Ten tweede is het kenmerkend voor een erfdienstbaarheid dat de last objectief is: ze is opgelegd aan een goed, meer bepaald aan een erf, en nooit aan een persoon.[noot 1]

Ten derde is een erfdienstbaarheid een onroerend goed door het voorwerp (art. 526 BW). Erfdienstbaarheden kunnen immers slechts worden gevestigd op erven, en dat zijn onroerende goederen. Doordat erfdienstbaarheden enkel kunnen worden vastgelegd op onroerende goederen, impliceert dit dat de titel die een erfdienstbaarheid in het leven roept steeds moet worden overgeschreven op het kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie[noot 2] (art. 1 Hypotheekwet (Hyp.W.) van 16 december 1851).

Ten vierde kunnen ze eeuwigdurend zijn. De erfdienstbaarheid is daarmee het enige beperkt zakelijke recht dat eeuwigdurend kan zijn.[noot 3] Vruchtgebruik heeft immers als maximumduur het leven van de vruchtgebruiker (art. 617 BW), terwijl bij het opstal en erfpacht de wet voorziet in een maximumduur van respectievelijk 50 (art. 4 Opstalwet) en 99 jaar (art. 2 Erfpachtwet 1824).

Vormen van erfdienstbaarheden[bewerken | brontekst bewerken]

Naar Belgisch recht zijn er drie soorten erfdienstbaarheden (art. 639 BW):

  • natuurlijke erfdienstbaarheden (opgericht uit de natuurlijke ligging) (art. 640 tot 648 BW)
  • wettelijke erfdienstbaarheden (opgericht door de wet) (art. 649 tot 685 BW)
  • conventionele erfdienstbaarheden (opgericht door de mens) (art. 686 tot 710bis BW)

Natuurlijke, op mens-gerichte, erfdienstbaarheden[bewerken | brontekst bewerken]

Tot de natuurlijke erfdienstbaarheden behoren:

Wettelijke erfdienstbaarheden[bewerken | brontekst bewerken]

Tot de wettelijke erfdienstbaarheden behoren de erfdienstbaarheden van algemeen nut en de erfdienstbaarheden van privaat nut (art. 649 BW). Ze zijn opgelegd door ofwel een federale wet, ofwel door deelstatelijke decreten of ordonnanties.

Algemeen nut[bewerken | brontekst bewerken]

Voorbeelden van wettelijke erfdienstbaarheden van algemeen nut zijn erfdienstbaarheden om niet te bouwen naast vestingen, militaire vliegvelden, begraafplaatsen, wouden, minerale of thermale bronnen enz.,[3] maar ook de eeuwigdurende erfdienstbaarheden van de NMBS en Infrabel op elkaars spoorweginfrastructuur (art. 156quater en 215bis van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven).[4]

Daarnaast bestaan er ook lasten voor bepaalde erven die strekken tot algemeen nut, maar die geen erfdienstbaarheden zijn omdat ze niet ten behoeve van een heersend erf zijn. Voorbeelden hiervan zijn:[3]

  • het bouwverbod langs een Belgische landsgrens;
    • (voor de landsgrenzen met Frankrijk, Luxemburg en Nederland: wet van 5 april 1887 tot goedkeuring van de verklaring tot wijziging van artikel 69 van het grensverdrag van Kortrijk van 28 maart 1820, ondertekend te Parijs op 15 januari 1886 tussen België en Frankrijk, en van de verklaring tot wijziging van artikel 28, §1 van de grensovereenkomst van Maastricht van 7 augustus 1843, ondertekend te Brussel op 26 maart 1886 en te Luxemburg op 2 april 1886);[5]
    • (voor de landsgrens met Duitsland: wet van 15 mei 1931 tot goedkeuring der schikking betreffende de gemeenschappelijke grens tussen België en Duitsland, ondertekend te Aken, op 7 november 1929, alsmede der bijgevoegde twee akkoorden en protocol dezelfde dag ondertekend);[6]
  • het bouwverbod langs een spoorweg (art. 19-24 van de wet van 27 april 2018 op de politie van de spoorwegen);[7]
  • het bouwverbod langs een autosnelweg (art. 10-11 van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen);[8]
  • het bouwverbod langs beschermd duinengebied (art. 52, §1, eerste en tweede lid van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, ingevoerd bij het Vlaamse decreet van 14 juli 1993);[9]
  • het dulden van elektrische, gas- en waterleidingen (art. 1 wet 10 januari 1938 tot regeling van het gebruik door de openbare besturen, de vereenigingen van gemeenten en de concessiehouders van openbare diensten of van diensten van openbaar nut, van de openbare domeinen van den Staat, van de provinciën en van de gemeenten, voor het aanleggen en het onderhouden van leidingen en inzonderheid van gas- en waterleidingen);[10]
  • het dulden van kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen voor telecommunicatie (art. 97 tot 104 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven);[noot 4][4]
  • het dulden van telefoon- en telegraafverbindingen voor militaire doeleinden (wet van 3 januari 1934 betreffende het aanleggen van onder- of bovengrondsche telefoon- en telegraafverbindingen voor 's Lands defensieve organisatie);[11]
  • de trekwegen;[12]
  • de rechten van gehuchten op bronwaters (art. 643 BW);
  • het graafrecht (art. 1-10 Veldw.)
  • enzovoort.

Privaat nut[bewerken | brontekst bewerken]

Karikatuur van het recht van de gemene muur die niet stevig genoeg is om er balken in aan te brengen (art. 659 BW). La loi ne dit pas lequel des deux propriétaires le recevra sur la tête lorsqu’il viendra à tomber.[vertaling 1]
Voorbeeld van een recht van uitweg. Het erf van A is niet verbonden met de openbare weg. Daarom kan A op basis van art. 682 BW bij de rechter een recht van doorgang vorderen vanaf zijn erf (het heersende erf) over het tussenliggende erf (het lijdende erf).

Voorbeelden van wettelijke erfdienstbaarheden van privaat nut zijn:

Conventionele erfdienstbaarheden[bewerken | brontekst bewerken]

Conventionele erfdienstbaarheden kunnen ontstaan door een titel (art. 690-691 BW), door verkrijgende verjaring (art. 690 BW) of door bestemming door de huisvader (art. 692-694 BW). Onder de notie titel dient men het rechtsfeit (negotium) te verstaan, niet het geschreven bewijsmiddel (instrumentum).[13]

Grondeigenaars mogen naar goeddunken erfdienstbaarheden overeenkomen, onder de voorwaarden dat zij enkel hun erven verbinden en geen personen en dat de erfdienstbaarheden niet in strijd zijn met de openbare orde (art. 686, eerste lid BW).

Voorbeelden van conventionele erfdienstbaarheden zijn:

Soorten erfdienstbaarheden[bewerken | brontekst bewerken]

Voortdurend en niet-voortdurend[bewerken | brontekst bewerken]

Erfdienstbaarheden zijn ofwel voortdurend, ofwel niet-voortdurend (art. 688, eerste lid BW). Voortdurende erfdienstbaarheden zijn die waarvan het gebruik voortdurend is of kan zijn, zonder dat daartoe telkens een daad van de mens nodig is. De wet geeft als voorbeelden waterlopen, goten en de rechten van zichten en uitzichten (art. 688, tweede lid BW). Niet-voortdurende erfdienstbaarheden zijn die waarbij er wel steeds een daad van de mens vereist is opdat ze zouden worden uitgeoefend. De wet geeft hier als voorbeelden het recht van overgang, het recht op bronnen en het recht van klauwengang en stoppelweide (art. 688, derde lid BW). Het loutere gegeven dat er niet continu water stroomt door een waterleiding maakt die waterleiding nog niet tot een niet-voortdurende erfdienstbaarheid. Ze werkt immers automatisch, wat voldoende is om ze als voortdurend te beschouwen.[14]

Zichtbaar en onzichtbaar[bewerken | brontekst bewerken]

Erfdienstbaarheden zijn zichtbaar of onzichtbaar (art. 689, eerste lid BW). Zichtbare erfdienstbaarheden zijn degene die blijken door uitwendige werken, zoals een deur, een venster of een waterleiding (art. 689, tweede lid BW). Niet-zichtbare erfdienstbaarheden zijn dewelke die geen uitwendig teken van hun bestaan vertonen, zoals bijvoorbeeld een bouwverbod (art. 689, derde lid BW).

Relevantie[bewerken | brontekst bewerken]

De relevantie van dit onderscheid in soorten zit hem in de verjaring. Immers kunnen enkel voortdurende, zichtbare erfdienstbaarheden ontstaan door middel van verkrijgende verjaring en dat na 30 jaar (art. 690 BW).

Tenietgaan van erfdienstbaarheden[bewerken | brontekst bewerken]

Het tenietgaan van erfdienstbaarheden is geregeld in de artikelen 703 tot 710bis BW. Niettegenstaande het gegeven dat erfdienstbaarheden eeuwigdurend kunnen zijn, kunnen ze immers ook tenietgaan, en wel door:

  • het materieel onmogelijk worden van de uitoefening ervan (art. 703 BW), deze kunnen echter herleven (art. 704 BW);
  • vermenging van beide erven in dezelfde hand (beide erven behoren dan toe tot het vermogen van dezelfde eigenaar (art. 705);
  • uitdovende verjaring na 30 jaar (art. 707-710 BW);
  • het verlies van elk nut (art. 710bis BW);
  • afstand van het recht door de eigenaar van het heersend erf;
  • het wegvallen van de noodzakelijkheid bij het recht van uitweg;
  • het tenietgaan van de constitutieve titel.