Erfrecht (Nederland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het Nederlandse erfrechtis geregeld in Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek. De term die de wet daarbij hanteert is erfopvolging, deze vindt ofwel plaats volgens de wettelijke regels, 'bij versterf, ofwel volgens de bepalingen in testament en codicil, uiterste wilsbeschikkingen genoemd. Bij uiterste wilsbeschikking kan worden afgeweken van de meeste wettelijke regels, een bekende uitzondering is de legitieme portie. Erfopvolging is een van gevallen waarbij men goederen en schulden verkrijgt onder algemene titel. De erfgenamen, ook erven genoemd, volgen de overledene, aangeduid als erflater, op in diens positie, elk voor een bepaald deel, het erfdeel (fracties die samen 1 zijn). Door het aanvaarden van de nalatenschap gaan van rechtswege zowel de bezittingen als de schulden van de overledene over op de erfgenamen, het principe van de saisine.[1] In een testament opgenomen legaten creëren ook schulden. Per 1 januari 2003 geldt het nieuwe erfrecht, wilsbeschikkingen opgesteld onder het oude recht van nalatenschappen die openvallen vanaf 2003 worden afgehandeld volgens overgansgbepalingen.[2]

Over een nalatenschap met een positieve waarde moeten erfgenamen erfbelasting betalen, hier gelden gedeeltelijke vrijstellingen of gehele (zoals bij een ANBI-rechtspersoon).

Titel 1. Algemene bepalingen[bewerken | brontekst bewerken]

De wet onderscheidt twee manieren om erfgenaam (erfopvolger) te worden:

  1. bij versterf (door verwantschap, als er geen testament is; niet te verwarren met versterving, een wijze van sterven)
  2. krachtens testament

Art. 1 bepaalt namelijk: van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt.

Art. 6 bepaalt dat er wordt uitgegaan van de waarde direct na overlijden.

Art. 7 bepaalt dat de schulden van de nalatenschap onder meer zijn:

  • De schulden van de erflater.
  • De kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene; art. 3.288 BW bepaalt dat dit een bevoorrechte vordering is; een complicatie is dat een opdrachtgever van lijkbezorging zich persoonlijk verplicht het uitvaartbedrijf te betalen; hij krijgt zo een vordering op de nalatenschap, maar dat is dan mogelijk geen bevoorrechte vordering. Een bij testament benoemde begrafenisexecuteur kan de schulden wel uit de nalatenschap voldoen.
  • De kosten van vereffening van de nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar.
  • De schulden uit legaten die op een of meer erfgenamen rusten; deze schulden zijn achtergesteld ten opzichte van de schulden in de drie items hierboven (deze achterstelling beschermt dus de andere schuldeisers, niet de erfgenamen met de hier genoemde schuld). Een erflater kan dus een positief vermogen hebben gehad, terwijl door legaten de waarde van de nalatenschap negatief is. Verder kan de (positieve of negatieve) waarde van de totale verkrijging ook voor erfgenamen met hetzelfde erfdeel sterk uiteenlopen, zowel door aan hen toegekende legaten als door de vraag wie deze en de andere legaten moet betalen[3] (en verder door eventueel lasthebber of lastbevoordeelde zijn, zie onder).

Een fiscale boete die is opgelegd na iemands overlijden hoeft niet te worden betaald. Waren er al boetes opgelegd vóór het overlijden, dan worden die kwijtgescholden voor zover ze nog niet betaald waren.[4]

Titel 2. Erfopvolging bij versterf[bewerken | brontekst bewerken]

Erfgenaam bij versterf wordt men door verwantschap met de overledene. Dit wordt geregeld in het versterferfrecht, ook erfrecht bij versterf genoemd. Dit is van toepassing als er geen testament is.[5]

De wet "roept tot een nalatenschap" als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens:

  1. partner (in huwelijk of geregistreerd partnerschap) en kinderen (zie ook onder)
  2. ouders, broers, zusters
  3. grootouders
  4. overgrootouders

De afstammelingen van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder worden bij plaatsvervulling geroepen.

Er zijn dus vier groepen. Uitsluitend de eerst van toepassing zijnde groep erft, elk persoon met een gelijk deel (voor wat groep 1 betreft wordt dit wel zo uitgedrukt dat de partner een kindsdeel erft). Als iemand uit een groep zelf bij overlijden van de erflater al is overleden, of is onterfd, of verwerpt, maar nageslacht heeft, dan geldt de genoemde plaatsvervulling. Dit houdt in dat zijn kinderen gezamenlijk in zijn plaats komen, en geldt recursief: als een kind is overleden, is onterfd, of verwerpt, wordt zijn deel verdeeld over zijn kinderen, enz. Dit gaat door tot en met familie van de erflater in de zesde graad.

Afstammelingen van een partner worden niet bij plaatsvervulling geroepen, of wat op hetzelfde neerkomt, een eerder overleden partner telt niet als partner. Afstammelingen van een ouder worden ook niet bij plaatsvervulling geroepen. Het is dus niet zo dat bijvoorbeeld een broer van de erflater ook als plaatsvervuller van de ouders kan worden geroepen.

Groep 1 vervalt dus onder meer als de erflater bij zijn overlijden geen partner had, en nooit kinderen heeft gehad. Groep 3 is pas aan de orde als groep 2 vervalt, dus bijvoorbeeld een broer van de erflater wordt nooit als plaatsvervuller van de grootouders geroepen.

Als er ondanks dit systeem van plaatsvervulling geen erfgenaam (bij overlijden van de erflater nog in leven, niet onterfd, niet verwerpend) in de hele groep is, komt alsnog de volgende groep aan bod; gezien de bedenktijd voor verwerpen kan telkens het van toepassing worden van de volgende groep soms pas na een aantal maanden vaststaan.

Voorbeelden:

  • Moeder was al eerder overleden, dan overlijdt vader die niet hertrouwd was. Hij had vier kinderen, A, B, C en D van wie B is overleden. Deze had zelf drie kinderen, E, F en G. De erfgenamen van vader zijn dan A, C en D, alle drie voor 1/4 deel, én E, F en G, gezamenlijk voor 1/4 deel, dus ieder voor 1/12 deel. Stel nu dat A verwerpt en zijn kinderen en eventuele kleinkinderen enz. ook, De erfgenamen van vader zijn dan C en D, allebei voor een 1/3 deel, én E, F en G, gezamenlijk voor 1/3 deel, dus ieder voor 1/9 deel. Stel nu dat alle nog levende nakomelingen van de erflater verwerpen. Dan komt de groep "ouders, broers, zusters" aan bod, zoals hieronder.
  • De overledene heeft nooit een partner of kinderen gehad. Zijn ouders zijn overleden, zijn broers en zusters zijn A en B. Deze erven ieder voor de helft. Stel nu dat A verwerpt en zijn kinderen en eventuele kleinkinderen enz. ook. De enig erfgenaam is dan B. Stel nu dat B ook verwerpt en zijn kinderen en eventuele kleinkinderen enz. ook. Dan komt de groep "grootouders" aan bod, zoals hieronder.
  • De overledene heeft nooit een partner of kinderen gehad. Zijn ouders en grootouders zijn overleden, zijn broers en zusters zijn overleden en hebben nooit kinderen gehad. Hij had nog wel ooms en tantes, zowel van vaderskant als van moederskant. Dan erven zijn niet-aangetrouwde ooms en tantes, die van vaderskant samen de helft en die van moederskant samen de andere helft; volle neven en nichten vervullen de plaatsen van overleden ooms en tantes. Stel nu dat al deze ooms en tantes, en al deze volle neven en nichten en hun nakomelingen verwerpen. Dan komt de groep "overgrootouders" aan bod, zoals hieronder.
  • De overledene heeft nooit een partner of kinderen gehad. Zijn ouders, grootouders en overgrootouders zijn overleden, zijn broers, zusters, ooms, tantes, volle neven en nichten zijn overleden en hebben nooit kinderen gehad. Elk van de acht overgrootouders erft voor 1/8 deel. Door plaatsvervulling erven hun nakomelingen. Aangenomen dat de kinderen van elk stel overgrootouders de beide overgrootouders als ouder heeft, zijn er vier familietakken, die elk erven voor 1/4 deel. De plaatsvervulling kan gaan tot en met de achterkleinkinderen van de overgrootouders. Hun nakomelingen kunnen niet erven bij versterf; bij een grote positieve nalatenschap kan dit jammer zijn voor hen, maar bij een kleine of negatieve nalatenschap bespaart het kosten, moeite en risico van een keuze ten aanzien van het aanvaarden.

Titel 3. Het erfrecht bij versterf van de echtgenoot en de kinderen[bewerken | brontekst bewerken]

Artikel 13 bepaalt dat een kind van een gehuwde overledene zijn erfdeel niet direct krijgt, maar tegoed houdt van de echtgenoot (vaak zijn andere ouder) tot die ook is overleden. In de context van erfrecht wordt met "de wettelijke verdeling" vaak specifiek deze regeling bedoeld.[6]

Wilsrechten[bewerken | brontekst bewerken]

Artikel 19 en verder behandelen wilsrechten (al wordt die term niet gebruikt).

Na overlijden kan de langstlevende echtgenoot hertrouwen. Langstlevende partner had na overlijden een schuld aan de kinderen. Bij hertrouwen, kan door eventuele gemeenschap van goederen die na hertrouwen ontstaat, de vordering van de kinderen naar de tweede partner gaan of via de stiefouder bij de stieffamilie terechtkomen.

De kinderen hebben bij hertrouwen van de langstlevende partner de mogelijkheid hun eigen positie te versterken. Zij kunnen een beroep doen op een zogenaamd wilsrecht.

Als de kinderen een wilsrecht inroepen, krijgen zij goederen in bloot eigendom, met een waarde van de vordering die zij hebben op de langstlevende echtgenoot. De langstlevende echtgenoot krijgt dan het vruchtgebruik van deze goederen. Deze kan, of de stiefouder, niet meer aan deze goederen komen of verkopen (alleen de rente of andere vruchten die uit deze goederen komen zijn voor de vruchtgebruiker).

Met andere woorden, de kinderen kunnen hun erfdeel veilig stellen en hoeven niet bang te zijn dat hun aandeel erfdeel vooroverleden vader naar de erfgenamen gaat van de nieuwe partner van moeder. Wanneer moeder komt te overlijden vervalt het vruchtgebruik en verkrijgen de kinderen de volle eigendom van de goederen waarover een wilsrecht was ingeroepen.

Wilsrechten kunnen worden ingeroepen vanaf het moment dat langstlevende partner aankondigt in het huwelijk te willen treden (aantekenen bij de gemeente).

Omdat dit een moeilijk onderwerp is, waar advies van een notaris verstandig kan zijn, wordt het hier eenvoudig uitgelegd met voorbeelden.

A is overleden en erfgenamen zijn partner B en kinderen C en D. De nalatenschap van A was totaal € 60.000. B heeft dus een schuld aan de kinderen van ieder € 20.000. Echtgenote B is nu voornemens te gaan hertrouwen met X, X heeft een kind Z. Het gevaar bestaat nu dat de vordering van de kinderen C en D op hun moeder B naar de erfgenamen van X of X zelf gaat. Dit kunnen de kinderen C en D nu voorkomen, door een beroep te doen op hun wilsrechten. Kinderen C en D kunnen een beroep op hun wilsrechten doen vanaf het moment aankondiging ondertrouw of huwelijk moeder B.

De kinderen hebben een vordering op B van ieder € 20.000. Deze vordering kan nu bij beroep op de wilsrechten wel zeker gesteld worden. De kinderen kunnen middels hun wilsrechten een vruchtgebruik stellen van bepaalde goederen uit de nalatenschap van vader. (goederen zijn alle zaken) De langstlevende partner krijgt dan het vruchtgebruik van die goederen en de kinderen de blote eigendom van die aangewezen bepaalde goederen (er is dan geen rentevergoeding meer). Bij overlijden langstlevende partner vervalt dit vruchtgebruik en wordt het bloot eigendom vol eigendom. (Het eigendom gaat dus naar kinderen C en D, niet naar X of erven van X)

Bij beroep op wilsrecht door C en D kan bijvoorbeeld C een beroep doen op wilsrecht van een kast ter waarde van € 20.000 en kind D een beroep doen op wilsrecht van een bankrekening ter waarde van € 20.000. De langstlevende partner B hoeft deze zaken nog niet af geven, zij is immers nog niet overleden.

Enkele jaren later overlijdt B. Zij heeft geen testament gemaakt. De erfgenamen van B zijn dus de kinderen C en D en haar echtgenoot X, ieder voor 1/3 deel. Z erft niet mee, dit is immers geen bloedverwant van B.

B en X waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij overlijden huwelijk B was het gezamenlijke vermogen totaal € 160.000, waaronder het vruchtgebruik van € 40.000.

Omdat de kinderen bij hertrouwen van B een beroep hebben gedaan op hum wilsrechten, vervalt het vruchtgebruik aan de blote eigenaren. Het gemeenschappelijk vermogen is na aftrek blote eigendom/vruchtgebruik vermogen totaal € 120.000, de nalatenschap is de helft of € 60.000. Hierin zijn de erfgenamen de kinderen C en D en partner X ieder voor 1/3 deel in gerechtigd, of ieder € 20.000

Op dit erfdeel is ook de wettelijke verdeling van toepassing. Alle vermogensbestanddelen worden toegedeeld aan X en X heeft een schuld aan de kinderen C en D van € 20.000, opeisbaar bij zijn overlijden.

Titel 4. Uiterste willen[bewerken | brontekst bewerken]

Testament[bewerken | brontekst bewerken]

Het wettelijk stelsel van erfrecht kan doorbroken worden door het maken van een uiterste wil, beter bekend als testament of codicil (zie onderdeel codicil).[7] Opstellen van een testament is een hoogstpersoonlijk recht en kan alleen door erflater zelf worden gedaan. In de praktijk wordt de akte van testament opgemaakt door een notaris, het is dan een notariële akte. De notaris spreekt onder vier ogen met een erflater, Is dat niet gebeurd kan het testament door de rechter worden vernietigd.

Ook kan een testament met de hand geschreven worden en open of gesloten bij een notaris in bewaring worden gegeven (holografisch of olografisch testament, depot-testament). Van de bewaargeving en de verklaringen van de erflater maakt de notaris een akte op die door de erflater en de notaris wordt ondertekend. Een en ander is in de praktijk niet veel goedkoper dan een notarieel testament.[8] Tenslotte kan men enkele dingen in een gedateerd, zelfgeschreven en zelf ondertekend stuk regelen, het codicil.

Een uiterste wil kan op ieder gewenst moment eenzijdig door erflater worden herroepen, voor herroeping van een notarieel testament is de notaris nodig.

Op grond van het Haags Testamentvormenverdrag kan een Nederlander ook geldig in het buitenland een onderhands, eigenhandig geschreven, testament maken, wanneer dit voldoet aan de vormvereisten van het land waar(in) dit testament wordt gemaakt. Een dergelijk testament kan thuis worden bewaard en hoeft niet bij een notaris in bewaring te worden gegeven. Nadeel van thuis bewaren is, dat iedereen het dokument kan wegnemen of vervalsen. Dit nadeel krijgt meer gewicht bij personen die van zorg afhankelijk zijn.

Ook boedeltoedelingen, testamentaire lasten en legaten kunnen in het testament staan.

Er kunnen in een testament regelingen worden getroffen voor toekomstige onzekere gebeurtenissen met formuleringen als "Voor het geval .. vervalt het hiervoor onder ten derde bepaalde en beschik ik als volgt: ..". Het kan bijvoorbeeld gaan om het eerder of bijna gelijktijdig overlijden van een ander, het aangaan of beëindigen van een relatie, gezinsuitbreiding, enz. Dat kan het later actualiseren van het testament soms onnodig maken, terwijl bij kort na elkaar overlijden er mogelijk niet eens gelegenheid kan zijn geweest tot tussentijds actualiseren.

Na een overlijden kunnen belanghebbenden bij het Centraal Testamentenregister (CTR) gratis te weten komen of een overledene een testament heeft gemaakt en zo ja, van welke datum het laatste testament is en bij welke notaris zich dat bevindt. Voor de inhoud van het testament moet men zich dan wenden tot deze of een andere notaris, de notaris kan afschrift van een testament of een bepaald deel eruit, alleen aan bepaalde personen geven. Een aanvraag CTR duurt ongeveer een week, dus de inhoud van een testament kan meestal geen rol spelen bij de uitvaart.

Artikel 47 van de Wet op het notarisambt bepaalt dat degene die aan een testament een recht ontleent of door een testament een erfrechtelijke aanspraak heeft verloren, recht heeft op een uittreksel uit het testament dat woordelijk gelijkluidend, het onderdeel van het testament bevat dat op dit recht of op deze aanspraak betrekking heeft.

Legitieme portie[bewerken | brontekst bewerken]

Personen die volgens het wettelijk stelsel recht zouden hebben op een bepaald aandeel, maar bij testament niet bedeeld worden of minder krijgen, heten te zijn 'onterfd'. Dat is geen wettelijk begrip. De vrijheid bij uiterste wil te beschikken kent ten aanzien van onterving van eigen kinderen en kleinkinderen (afstammelingen) een wettelijke beperking, gedacht ter bescherming van de kinderen tegen ouderlijke willekeur of misbruik van de testeervrijheid.[9] Kinderen kunnen in een testament wel worden onterfd, maar zij hoeven zich daar niet bij neer te leggen. Zij kunnen namelijk aanspraak maken op hun zogenaamde legitieme portie. Dat is een deel van de waarde van de nalatenschap waar kinderen, ook al zijn ze onterfd, volgens de wet altijd aanspraak op kunnen maken.

Eventuele kinderen van de onterfde erven door plaatsvervulling, tenzij die ook zijn onterfd. Als bijvoorbeeld A, B en C bij versterf elk een derde erven, betekent onterven van A zonder plaatsvervulling dat B en C elk de helft erven. Hetzelfde kan bij erfstelling bepaald worden. Omgekeerd houdt een erfstelling materieel altijd onder meer een minstens gedeeltelijke onterving in, tenzij deze in het gegeven geval feitelijk overeenkomt met het erfrecht bij versterf, wat niet betekent dat het testament nutteloos was, want dit kan hebben afgehangen van wie nog in leven zouden zijn bij het overlijden van de erflater, en er kunnen ook andere dingen in het testament geregeld zijn.

Codicil[bewerken | brontekst bewerken]

De regels voor een codicil zijn opgenomen in artikel 97. Een codicil is een door erflater zelf, met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend papier, waarin bepaalde wensen kunnen worden opgenomen. Een getypte of gedrukte tekst kan via de rechter worden vernietigd als men aan de echtheid twijfelt (art.109 lid 4). Een codicil kan in bewaring worden gegeven bij een notaris maar dat hoeft niet. Het geeft wel meer zekerheid dat wat bij codicil is bepaald, door erflater zelf zo gewenst is.

In een codicil kunnen bepaalde legaten worden opgenomen; van kleding, lijfstoebehoren en bepaalde sieraden. Met 'bepaalde sieraden' worden bedoeld persoonlijke en/of sieraden die jaren tot de familie behoorden. Ook kunnen bepaalde inboedelgoederen en boeken worden gelegateerd en regelingen worden getroffen rondom auteursrechten. Met andere woorden, alleen bepaalde kleine (persoonlijke) roerende zaken kunnen bij codicil vermaakt worden. Bij codicil kan ook bepaald dat de legaten buiten een gemeenschap van goederen vallen (zie het onderdeel Uitsluiting). Wil iemand grotere legaten of contanten legateren dan moet er een testament worden opgemaakt (zie onderdeel testament). Enkele andere wetten geven de mogelijkheid ook andere zaken bij codicil te regelen zoals wensen rondom de uitvaart (art. 19 Wet op de Lijkbezorging) en voor orgaandonatie, het donorcodicil (art. 9 Wet op de Orgaandonatie).

Een codicil kan bij codicil worden herroepen, of bij een later testament.

Titel 5. Onderscheiden soorten van uiterste wilsbeschikkingen[bewerken | brontekst bewerken]

Erfstelling en legaat[bewerken | brontekst bewerken]

De erfstelling is de benoeming van een of meer erfgenamen voor een bepaald deel van, of voor de hele nalatenschap. Dat kunnen personen en rechtspersonen zijn die moeten bestaan op het moment dat de nalatenschap openvalt.[10] Er worden fracties voor de verdeling vermeld die samen 1 zijn, of er wordt vermeld "voor gelijke delen". Er kan bijstaan "met inachtneming van plaatsvervulling, zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf". Als er niet iets dergelijks bij staat is er geen plaatsvervulling. Bij een erfstelling erft de erfgenaam onder algemene titel, dat wil zeggen de erfgenaam erft een bepaalde fractie van de bezittingen én de schulden, waarbij de schulden de waarde van de bezittingen kunnen overtreffen, een en ander net als bij erfopvolging bij versterf (zie onderdeel Erfrecht bij versterf).

Bij een legaat krijgt een persooon, de legataris, een bepaalde zaak of een waarde toebedeeld, ten laste van een of meerdere erfgenamen of andere legatarissen die tot uitvoering van het legaat verplicht zijn. Juridisch beschouwd krijgt de legataris een vordering op de betreffende erfgenaam of erfgenamen, deze zijn achtergesteld op de andere schulden van de nalatenschap en komen ten laste van de gezamenlijke erfgenamen, tenzij ze aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen is opgelegd.[11][12] Als de nalatenschap niet toereikend is voor voldoening van alle legaten kunnen de legatarissen het restant vorderen uit het eigen vermogen van de erfgenamen die met het legaat zijn belast en de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.

Erfgenamen hebben het recht te kiezen of ze de nalatenschap aanvaarden, daarmee aanvaarden ze ook eventuele schulden; te aanvaarden onder voorbehoud van boedelbeschrijving, 'beneficiair aanvaarden', of te verwerpen. Een legaat hoeft door de legataris niet aanvaard te worden, het kan geheel of deels verworpen worden.[13]

Bij afwikkeling en verdeling van een nalatenschap worden alle beslissingen genomen door de erfgenamen gezamenlijk, de legatarissen staan hier buiten. Is een executeur benoemd, vertegenwoordigt deze de erfgenamen en hun belangen, niet de legatarissen en hun belangen. Een executeur heeft wel een eigen verantwoordelijkheid voor voldoening van legaten die ten laste van de nalatenschap komen, maar deze schulden zijn uitgezonderd van de voorrangsbepalingen in artikel 4:7 BW. Een legataris kan zijn vorderingsrecht uitwinnen.

Onterving[bewerken | brontekst bewerken]

De wet noemt de onterving niet en het is geen bijzondere erfstelling. Bij testament kan men bepalen wie niet erft (expliciete onterving) maar dat is ongebruikelijk. Meestal is sprake van impliciete onterving, wat gebeurt door een erstelling waarbij iemand die volgens de regels van wettelijke erfopvolging erfgenaam is niet in het testament wordt opgenomen of een minder groot deel krijgt toebedeeld.[14] Kinderen, en soms kleinkinderen (afstammelingen) hebben op grond van de wet recht op een minimum erfdeel, de legitieme portie (zie onderdeel Legitieme portie).[15]

Bij expliciete onterving van een kind, broer, zuster, grootouder of overgrootouder worden de afstammelingen van de onterfde persoon bij plaatsvervulling geroepen, net als wanneer die was overleden of de erfenis had verworpen. Het is mogelijk die afstammelingen ook te onterven.

De redenen om een persoon minder toe te delen dan de wettelijke norm kunnen divers zijn en hoeven niet te worden genoemd. Een persoon gedraagt zich niet volgens de normen en waarden van erflater, men verwacht dat een persoon het nagelatene verkwist of men wil ook anderen dan de wettelijke erfgenamen bedelen, van mantelzorger en patchwork-familieleden tot religieuze instelling en goed doel. Het negatief beladen begrip onterving dekt dus niet altijd de lading.

Uitsluiting[bewerken | brontekst bewerken]

In een testament of codicil kan worden opgenomen dat de erfenis niet zal vallen in een gemeenschap van goederen, het vermogen blijft dan privé van de erfgenaam of legataris. Dit noemt men de uitsluitingsclausule of uitsluiten koude kant. Dat wil zeggen:

  • Indien aan een kind iets is toebedeeld bij testament of codicil en het kind is in gemeenschap van goederen gehuwd of heeft een geregistreerd vpartnerschap, kan de verkrijging in de gemeenschap van goederen vallen en door vermenging aan beide partners gaan toebehoren. Bij een eventuele scheiding van het kind en verdeling van de gemeenschap, deelt de partner mee in dat wat ooit uit de nalatenschap is verkregen door de erfgenaam. Immers het vermogen van de partners moet dan door twee worden gedeeld..[16] Indien in een testament of codicil is opgenomen dat de verkrijging uit de nalatenschap niet zal vallen in een gemeenschap van goederen, valt deze verkrijging toe aan het eigen vermogen van de erfgenaam en wordt niet door vermenging deel van het gemeenschapsvermogen, het blijft 'privé'. Bij eventuele echtscheiding van kind, blijft deze erfenis buiten de verdeling bij de echtscheiding.

Testamentaire lasten[bewerken | brontekst bewerken]

In een uiterste wil kan de testateur aan een erfstelling of een legaat een verplichting verbinden. Dit wordt een last genoemd. Iemand krijgt bijvoorbeeld een legaat van € 10.000 onder de last om de huisdieren van de erflater te verzorgen.

Een erfgenaam of legataris op wie een testamentaire last rust (de lasthebber), verkrijgt zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen verklaard door de rechter, op verzoek van een bij de vervallenverklaring belanghebbende. Een last kan al of niet leiden tot een verkrijging bij iemand anders, die dan lastbevoordeelde wordt genoemd.

Omdat door een last de verkrijging door de legataris of erfgenaam kan vervallen, kan het voorkomen dat de erfgenaam of legataris niet onvoorwaardelijk over die goederen kan beschikken. De last wordt in de praktijk niet veel gebruikt.

Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde[bewerken | brontekst bewerken]

Een making kan verbonden worden aan een tijdsbepaling of voorwaarde. Daarbij wordt het intreden van een bepaald gevolg gekoppeld aan het in vervulling gaan van een respektievelijk zekere of onzekere gebeurtenis in de toekomst. Het kan gaan om een ontbindende of opschortende bepaling, de making geldt tot of vanaf een door erflater genoemde gebeurtenis. Aan de tijdelijke en de voorwaardelijke making kent de wet verschillende gevolgen toe.

Is de vervulling van de voorwaarde teweeggebracht door iemand aan wie het vermaakte bij vervulling van de voorwaarde toekomt, dan geldt zij als niet vervuld, indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen. Dit is dus heel anders dan bij een testamentaire last, waar aan de verkrijging een verplichting is gekoppeld.

Artikel 141 refereert aan een rechtsfiguur die onder het oude recht de fideï-commis de residuo werd genoemd en na 2003 bekend is geworden als tweetrapsmaking, twee of meer met elkaar verbonden makingen waarbij een ontbindende gebeurtenis in de eerste making, de opschortende gebeurtenis in een volgende making is. Degene aan wie onder ontbindende bepaling wordt vermaakt, de bezwaarde, krijgt slechts tijdelijk of voorwaardelijk recht op het erfdeel, dat afgescheiden is van het eigen vermogen. Degeen die onder opschortende bepaling erft, de verwachter, ontvangt dat wat is overgebleven van het erfdeel als eigen vermogen. Bij testament kunnen regels worden gegeven hoe de bezwaarde het fideï-commissaire vermogen mag gebruiken.

Deze erfrechtelijke constructie wordt vaak aangeraden als instrument om een nalatenschap binnen de familie te houden of om belastingvoordeel voor erfgenamen te bereiken. Het is echter een ingewikkelde regeling met beperkingen en voorschriften voor de bezwaarden die bij niet nauwkeurige nakoming voor onverwachte nabetalingen kunnen zorgen als de bezwaarde overlijdt en het fideï-commiss vermogen door verwachter wordt opgevorderd. Door de conversie in vruchtgebruik op de voet van art. 137 e.v. BW heeft de tweetrapsmaking voor bezwaarden vaak een ontervende werking, waarop maar zelden wordt gewezen.

Executeurs[bewerken | brontekst bewerken]

Erflaters kunnen bij testament een of meerdere executeurs benoemen die volgens bepaalde in het testament beschreven aanwijzingen en bevoegdheden de nalatenschap van een erflater met of namens de erfgenamen beheert en zover afwikkelt dat alle schulden zijn voldaan. Een executeur kan alleen benoemd worden bij testament, zijn daar geen bijzondere regels opgenomen, gelden de algemene wettelijke bepalingen. Vóór 2003 was het ook mogelijk executeuren bij codicil te benoemen, dat is in het nieuwe erfrecht niet meer mogelijk maar benoemingen in oude codicillen blijven geldig. De erflater kan bepalen hoe zwaar de functie van een executeur zal zijn en hoever zijn bevoegdheden reiken, er kunnen ook executeurs worden benoemd met deeltaken. Een executeur werkt volgens de hoofdregel van 'goed executeurschap' voor de nalatenschap, bij beslissingen staan bescherming, instandhouding en inkomsten van de nalatenschap voorop en worden de belangen van de erfgenamen gediend in de zin van erflater. Bij uitvoer van werkzaamheden door een professioneel executeur staat diens belang om met zijn werk inkomsten te genereren tegenover het belang van erfgenamen zoveel mogelijk geld in de nalatenschap te houden. De rechtspraak hanteert als richtlijn dat een executeur kosten in rekening kan brengen die in redelijkheid zijn gemaakt, gelet op de toegedachte taak en de omvang en complexiteit van de betreffende nalatenschap.

Vanuit de executeursbranche wordt de mening uitgedragen dat een executeur vergaande bevoegdheden heeft bij afwikkeling van een nalatenschap en de erfgenamen aan de zijlijn staan.[17][18] Dat is in de meeste gevallen onjuist, het verschilt van testament tot testament en in de regel hebben erfgenamen naast een executeur zelfstandige bevoegdheden.[19]

Testamentair bewind[bewerken | brontekst bewerken]

Een erflater kan een testamentair bewind instellen over de nalatenschap, een erfdeel, of bepaalde nagelaten of vermaakte goederen, dit treedt in werking op het tijdstip van overlijden, tenzij in het testament anders is bepaald. Is een testamentair bewind ingesteld, kunnen de erfgenamen die het betreft het onder bewind gestelde alleen beheren of erover beschikken met toestemming van de bewindvoerder. Van deze beperking zijn alle handelingen uitgesloten die dienen tot gewoon onderhoud en behoud van de nalatenschapsgoederen en handelingen die niet kunnen worden uitgesteld (art. 4:166 BW). In alle andere gevallen komt beheer en beschikken toe aan de bewindvoerder, die toestemming nodig heeft van de rechthebbende(n) (art. 4:169 BW). De erflater kan de bevoegdheden en verplichtingen van de bewindvoerder nader in het testament regelen en deze zowel ruimer als beperkter vastleggen dan in de wet beschreven (art. 4:171 BW). Rechten van erfgenamen kunnen niet worden ingeperkt. Onder rechtsgeleerden bestaat verdeeldheid welke bevoegdheden bij testament boven de wettelijke bevoegdheden rechtsgeldig kunnen worden gegeven, er is geen rechtsspraak. Handelen buiten de wettelijke bevoegdheden op basis van bepalingen in een testament is daarom met rechtsonzekerheid omgeven.

Er bestaan drie soorten testamentair bewind: het beschermingsbewind, ter bescherming van een erfdeel of goed uit de nalatenschap tegen verkwisting of slecht beheer door onervarenheid, het conflictbewind, bij tegengestelde belangen en het gemeenschappelijk belang bewind, wanneer een bewindvoerder in het belang van meerdere rechthebbende moet beheren (een deel van) de onverdeelde nalatenschap moet beheren. Een regelmatig gebruikte vorm van gemeenschappelijk belang bewind is het zogenaamde afwikkelingsbewind.

Titel 6. Gevolgen van de erfopvolging[bewerken | brontekst bewerken]

Artikel 182 bepaalt dat met het overlijden van de erflater de erfgenamen van rechtswege opvolgen in alle voor overgang vatbare rechten, bezit en houderschap. Ook worden zij van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood tenietgaan. Dat wordt het principe van de saisine genoemd, wat in andere landen anders geregeld kan zijn, bijvoorbeeld in Engeland. Het betreft rechtsopvolging onder algemene titel, wat inhoudt dat erfgenamen de erflater opvolgen in de verkrijging van al zijn goederen, schulden en rechtsbetrekkingen, zonder dat voor de verkrijging van de afzonderlijke goederen, schulden en rechtsbetrekkingen levering, schuld- of contractovername vereist is. De erfgenamen volgen dus (ieder voor zijn eigen deel) in volle omvang de rechtspositie van de erflater op voor wat betreft de vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen van de erflater met derden.[20]

Bankrekeningen en contracten kunnen voor de duur van de afwikkeling en verdeling op naam gesteld worden van "de erven van ...".

Als er geen erfgenamen zijn of als deze allemaal verworpen hebben komt een nalatenschap met een positieve waarde toe aan de Staat.

Artikel 188 behandelt de verklaring van erfrecht.

Aanvaarding[bewerken | brontekst bewerken]

Een erfgenaam heeft ten aanzien van de nalatenschap de keuze uit:

  • zuivere aanvaarding
  • beneficiaire aanvaarding (ook aanvaarding onder het voorrecht van boedelbeschrijving genoemd)
  • verwerping

Een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam kan voor deze niet zuiver aanvaarden en behoeft voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. Deze geeft in het belang van de erfgenaam meestal geen toestemming als de waarde van de erfenis positief is.

Gedurende drie maanden na het overlijden van de erflater kan op goederen van een nalatenschap die niet door alle erfgenamen zuiver is aanvaard, geen verhaal worden genomen, tenzij de schuldeiser hiertoe ook in geval van faillissement van de erflater had kunnen overgaan.

Als erfgenamen niets doen, dus zich niet zo gedragen dat dit geldt als zuiver aanvaarden, zie hieronder, en ook geen keuze maken (bijvoorbeeld bij een kleine of negatieve nalatenschap, en/of als de erfgenamen verre familie zijn), of als sommige erfgenamen verwerpen en de overige erfgenamen of de erfgenamen die in de plaats van de verwerpers komen niets doen, ligt het initiatief bij schuldeisers. Zolang erfgenamen niet door de rechter wordt opgedragen een keuze te maken (zie onder) kunnen ze kosten, moeite en risico van een keuze vermijden. Als ze niet weten dat ze erfgenaam zijn (waaronder het geval dat ze niet van het overlijden op de hoogte zijn en eventueel de erflater zelfs niet gekend hebben) zullen ze uiteraard ook geen keuze maken.

Zuivere aanvaarding[bewerken | brontekst bewerken]

De erfgenamen die de nalatenschap zuiver hebben aanvaard zijn voor de schulden van de nalatenschap aansprakelijk, zelfs als die de waarde van de bezittingen overtreffen.

Ook als de erfgenaam vóór zijn uitdrukkelijke keuze zich heeft gedragen als iemand die een nalatenschap ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft aanvaard wordt hij geacht de nalatenschap zuiver te hebben aanvaard. Dit is het geval als hij ‘als heer en meester’ over goederen van de nalatenschap heeft beschikt, bijvoorbeeld een van de volgende handelingen verricht:[21]

  • Inboedel meenemen.
  • Gebruiken van zaken van de nalatenschap, bijvoorbeeld in de auto van de overledene rondrijden.
  • Betalingen verrichten.[22]
  • Ten aanzien van schulden van de nalatenschap aan de schuldeisers kenbaar maken dat hij deze voor zijn rekening neemt.
  • Bij de bank een verklaring ondertekenen om zich het rekeningtegoed van de erflater toe te eigenen om de nalatenschap af te wikkelen.[23]
  • Afgeven volmacht om nalatenschap af te wikkelen.

Niet tot zuivere aanvaarding leiden:

  • Voldoen uitvaartkosten, deels uit eigen middelen omdat saldo bankrekening onvoldoende is.
  • Laten verlopen van de hierboven genoemde drie maanden wachttijd voor schuldeisers (art. 185).
  • Nemen van maatregelen van conservatoire (bewarende) aard.
  • Wegnemen van enige waardeloze kledingstukken erflater.
  • Het ontruimen van een huis om de nieuwe bewoner toegang te kunnen verschaffen.
  • Het inventariseren en opzeggen van lidmaatschappen en abonnementen.
  • Het deblokkeren van een rekening om het beheer te voeren over het rekeningtegoed.
  • Gedurende de wettelijke termijn van beraad (3 maanden) mogen erfgenamen bepaalde beheershandelingen verrichten met betrekking tot de nalatenschap. Beheershandelingen zijn doorgaans handelingen die noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld verdere schulden in de nalatenschap te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het opzeggen van de huur of abonnementen of het geven van de opdracht tot het begraven van de erflater. Ook het in oude staat herstellen van de huurwoning van de erflater wordt gezien als een beheershandeling. Deze handeling is immers bedoeld om verdere schulden van de nalatenschap te voorkomen. Hetzelfde geldt voor het opslaan van de inboedel die in de huurwoning aanwezig was.[24]

Achtergrond van de regels is dat het erfrechtstelsel is ingericht om recht te doen aan de situatie die het meest voorkomt, te weten de situatie dat de langstlevende of de kinderen alle goederen van de nalatenschap verkrijgen zonder dat zij hiervoor allerlei formaliteiten moeten afhandelen. Dit is dan wel inclusief de schulden. Hierdoor wordt een eenvoudige afwikkeling van de nalatenschap mogelijk. Een erfgenaam kan bijvoorbeeld de antieke inboedel van zijn langstlevende ouder erven en daarnaast een negatief bankrekeningsaldo. Hij kan er in dat geval voor kiezen om het banksaldo aan te vullen met zijn eigen geld in plaats van hiervoor eerst antiek uit de nalatenschap te verkopen. In de meeste gevallen zullen de schulden van de erflater eenvoudigweg uit de opbrengsten van de nalatenschap kunnen worden voldaan. Slechts in uitzonderingssituaties, als sprake is van een negatieve nalatenschap, zullen schuldeisers van de erflater verhaal kunnen nemen op het privévermogen van de erfgenaam. Een erfgenaam kan dit voorkomen door de nalatenschap beneficiair te aanvaarden. Soms zal een erfgenaam in geval van een negatieve nalatenschap echter zuiver willen aanvaarden, omdat hij uit principe de schulden van zijn langstlevende ouder wil voldoen of omdat hij zaken wil houden vanwege de emotionele waarde die zij bezitten.[23]

Als een erfgenaam zijn keuze nog niet heeft gedaan kan de kantonrechter hem daarvoor op verzoek van een belanghebbende een termijn stellen. Laat de erfgenaam de termijn verlopen zonder een keuze te hebben gedaan dan wordt hij geacht de nalatenschap zuiver te aanvaarden.

Een verklaring van zuivere aanvaarding ter griffie van de rechtbank (art. 4:191 BW) komt in de praktijk nooit voor.[25]

Als de nalatenschap eenmaal zuiver is aanvaard (als bewuste keuze of onbedoeld door een daad van zuivere aanvaarding) kan dit alleen bij hoge uitzondering veranderd worden. Hiervoor moet de betreffende persoon naar de rechter. [26]

Bescherming zuiver aanvaarders tegen onverwachte schulden[bewerken | brontekst bewerken]

De Wet van 8 juni 2016 tot wijziging van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek om erfgenamen beter te beschermen tegen schulden van de erflater (Wet bescherming erfgenamen tegen schulden) heeft Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek als volgt gewijzigd.[27]

Artikel 192, eerste lid, is gewijzigd in die zin dat impliciet zuiver aanvaarden is beperkt tot het geval dat de erfgenaam goederen van de nalatenschap verkoopt, bezwaart of op andere wijze aan het verhaal van schuldeisers onttrekt. Het geldt dus bijvoorbeeld niet meer bij alleen maar mee naar huis nemen en het daar opslaan, en zo beschikbaar houden voor schuldeisers, mits zulke handelingen kunnen worden aangemerkt als het goed beheren van de nalatenschap door de erfgenaam, en niet alleen maar gedaan wordt om goederen voor zichzelf veilig te stellen. Bij bijvoorbeeld een familiefotoalbum speelt ook mee dat het louter emotionele waarde heeft en dus geen verhaalsobject is. Goederen zonder waarde kunnen ook worden weggegooid of meegegeven aan de kringloop.

Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding van de nalatenschap bekend wordt met een onverwachte schuld wordt na een verzoek daartoe binnen drie maanden na ontdekking van deze schuld door de kantonrechter gemachtigd de erfenis alsnog beneficiair te aanvaarden, of als de vereffening al heeft plaatsgevonden, ontheven van zijn verplichting de schuld, voor zover hoger dan zijn al ontvangen erfdeel, uit zijn privévermogen te voldoen. (In het tweede geval krijgt de nieuw-ontdekte schuldeiser mogelijk een kleiner deel van zijn vordering uitbetaald dan de andere schuldeisers hebben gehad, en dan hij gehad zou hebben als hij er eerder bij was geweest. Als bijvoorbeeld de eerder bekende schulden gelijk waren aan de bezittingen dan zijn die schuldbedragen geheel uitbetaald, en krijgt hij niets.)

Het deel van de schuld dat overeenkomt met het geërfde vermogen of een deel daarvan moet ook worden betaald als de erfgenaam het geërfde vermogen al heeft besteed.

Een onverwachte schuld is een schuld die de erfgenaam niet kende en evenmin behoorde te kennen op het moment dat hij de nalatenschap zuiver aanvaardde. Met de woorden ‘kende en behoren te kennen’ wordt verwezen naar het begrip goede trouw in het Burgerlijk Wetboek (artikel 3:11 BW). In ieder geval wordt van een erfgenaam verwacht dat hij heeft onderzocht waaruit de nalatenschap bestaat. Hij zal ten minste de administratie van de erflater moeten hebben geraadpleegd. Van schulden die doorgaans uit de administratie van de erflater blijken, zoals hypotheekschulden, debetsaldi van rekeningen-courant, onbetaalde facturen en belastingschulden, wordt in beginsel aangenomen dat een erfgenaam deze kende dan wel behoorde te kennen. In de situatie dat een erflater niet of nauwelijks een administratie voerde, rust op een erfgenaam de verplichting om nader onderzoek te doen naar de schulden van de erflater.

Slechts in uitzonderingssituaties zal sprake zijn van een schuld waarvan gezegd kan worden dat een erfgenaam deze redelijkerwijs niet kon kennen. Dit zou bijvoorbeeld een eigen bijdrage Wlz kunnen zijn die erg laat gevorderd wordt. Een ander voorbeeld zou kunnen zijn een eis tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad, tijdens zijn leven door de erflater tegenover derden gepleegd. Gelet op de verjaringstermijn van een vordering tot vergoeding van schade kan een erfgenaam hier tot 20 jaar na het overlijden van de erflater mee worden geconfronteerd. De eventuele verlenging van deze termijn indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt een strafbaar feit opleverde waarvoor het recht tot strafvordering niet door verjaring was vervallen is niet van toepassing, omdat dit recht alsnog door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen.

Beneficiaire aanvaarding[bewerken | brontekst bewerken]

Als een erfgenaam een nalatenschap beneficiair aanvaardt bestaat recht op het erfdeel in het geval van een batig saldo, maar er is geen persoonlijke aansprakelijkheid in het geval van een negatief saldo. De nalatenschap moet dan door de erfgenamen worden vereffend, een procedure ter bescherming van schuldeisers vergelijkbaar met die van een faillissement. Is een executeur benoemd en kan deze aantonen dat er ruimschoots voldoende middelen zijn om alle schulden te voldoen, hoeft niet te worden vereffend.

Voor het afleggen van een verklaring van beneficiaire aanvaarding[28] van een nalatenschap moet door de griffie van de rechtbank een akte worden opgemaakt. Deze akte wordt ingeschreven in het boedelregister, zodat deze voor schuldeisers van de erflater kenbaar is. Voor het opmaken van de akte door een rechter of griffier is ingevolge artikel 22 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken griffierecht verschuldigd, ter hoogte van € 134 (2022).[29][30] Een erfgenaam die nog geen keuze heeft gedaan, wordt geacht beneficiair te aanvaarden wanneer een of meer zijner mede-erfgenamen door een verklaring beneficiair aanvaarden, tenzij hij binnen drie maanden de nalatenschap zuiver aanvaardt of verwerpt.

Een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam behoeft voor verwerping een machtiging van de kantonrechter; in alle overige gevallen wordt de betreffende erfgenaam geacht beneficiair te aanvaarden.

Naast het griffierecht dienen de erfgenamen rekening te houden met extra werkzaamheden. De afwikkeling van de nalatenschap zal daarom vaak ook langer duren. Een dergelijke afwikkeling wordt vereffening genoemd. Als er meer baten zijn dan schulden is de lichte vereffening[31] van toepassing. Zijn er meer schulden dan baten dan is de zware vereffening van toepassing.

Als een erfgenaam (of de gezamenlijke erfgenamen) opdracht geeft aan een dienstverlener om werkzaamheden te verrichten in verband met de beneficiaire aanvaarding, of kosten moet maken om de aanwijzingen van de kantonrechter uit te voeren, dan is hij de kosten daarvan verschuldigd, ook als die hoger zijn dan de baten uit de erfenis.

Het bij de rechtbank vastleggen van beneficiaire aanvaarding is geen garantie van de geldigheid daarvan, want als later een eerdere daad van zuivere aanvaarding blijkt, dan geldt die.

Beneficiare aanvaarding is een aanvaarding, daarna kan niet meer worden verworpen. Van belang als men overweegt een beroep te doen op de legitieme portie.

Verwerping[bewerken | brontekst bewerken]

Voor het afleggen van een verklaring van verwerping van een nalatenschap[28] geldt hetzelfde als hierboven. Het kost ook € 134 (2022). Indien meerdere erfgenamen de nalatenschap willen verwerpen kunnen zij dit gezamenlijk doen in één akte, zodat zij slechts eenmaal dit griffierecht zijn verschuldigd.[23]

Indien een erfgenaam verwerpt, worden van rechtswege zijn of haar afstammelingen tot de nalatenschap geroepen. Indien deze de nalatenschap ook niet wensen, moeten ze dus ook verwerpen. Een wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam behoeft voor verwerping een machtiging van de kantonrechter. De verdeling wordt na verwerping bepaald alsof de verwerpers niet bestaan: de erfgenamen die niet verwerpen krijgen bijvoorbeeld een groter deel, of er komen andere erfgenamen voor de verwerpers in de plaats (zie ook boven). Wil men een beroep doen op de legitieme portie, moet dit worden aangegeven bij de verwerping.

Term erfgenaam[bewerken | brontekst bewerken]

Als van een testament nog niets bekend is wordt met de "erfgenamen" vaak bedoeld degenen die erven volgens het versterferfrecht; deze worden ook de wettelijke erfgenamen genoemd. Als met een testament rekening wordt gehouden kan worden bedoeld de erfgenamen volgens het testament. Met of zonder testament kunnen de daadwerkelijke erfgenamen ook weer anders zijn door verwerping, waarbij erfgenamen afvallen, en eventueel vervangen worden door plaatsvervulling; als zo niemand in de betreffende groep (categorie potentiële erfgenamen, zie boven) overblijft, dan is de volgende groep aan de beurt, en dat ook weer eventueel recursief. De regels van het versterferfrecht zijn aan de orde zonder testament, maar ook als het testament expliciet of impliciet deels verdeling volgens het versterferfrecht voorschrijft. Steeds is per erfgenaam een erfdeel uitgedrukt in een fractie (getal groter dan 0 en kleiner dan of gelijk aan 1) van toepassing, waarbij de som van de fracties 1 is.

Aanvaarding van een legaat[bewerken | brontekst bewerken]

Een legaat wordt verkregen zonder dat een aanvaarding nodig is, behoudens de bevoegdheid van de legataris om het legaat te verwerpen zolang hij het niet aanvaard heeft. De kantonrechter kan op verzoek van een belanghebbende aan de legataris een termijn stellen, waarbinnen deze moet verklaren of hij al dan niet verwerpt; bij gebreke van een verklaring binnen de gestelde termijn verliest de legataris de bevoegdheid om te verwerpen. De verwerping van een legaat moet op ondubbelzinnige wijze geschieden, maar is aan geen vorm gebonden.

Wetsgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Omstreeks 500 na Christus bezaten vrouwen in Germaanse stammen erfrechten volgens de Lex Salica, maar in de herziene uitgave 300 jaar later, de Lex Salica Emendata zijn deze bepalingen onder leiding van Karel de Grote, geschrapt. Toen vervolgens het Germaans recht door het Romeinse recht werd vervangen, kwam de vrouw geheel onder het gezag van de man te staan: hij kon vrijelijk over haar goederen beschikken. De protestantse rechtsgeleerde Hugo de Groot, beschouwde aan het begin van de zeventiende eeuw de man als voogd van de vrouw, in zijn Inleijdinghe tot de Hollandsche rechtsgeleerdheijdt.[32]

In het oude Burgerlijk Wetboek werd het erfrecht behandeld in art. 877 - 1176. Deze stonden eerst in Titel 11 t/m 17 van het Derde Boek. Vanaf 1 januari 1992 vormden ze met behoud van artikel- en titelnummers Boek 4[33][34].

De Wet van 18 april 2002, houdende vaststelling van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, vierde gedeelte (aanpassing van de wetgeving aan het nieuwe erfrecht en schenkingsrecht), ingevoerd per 1 januari 2003, bepaalde onder meer dat Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek werd vervangen door Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek[35], zoals dat is vastgesteld bij de Wet van 11 september 1969 tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Stb. 392[36], en nadien is gewijzigd bij onder meer de Wet van 3 juni 1999, houdende invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, eerste gedeelte (wijziging van Boek 4)[37], en de Wet van 18 april 2002 tot vaststelling van de Invoeringswet Boek 4 en Titel 3 van Boek 7 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, tweede gedeelte (nadere wijziging van Boek 4)[38]

Externe link[bewerken | brontekst bewerken]