Naar inhoud springen

Ergotherapie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ergotherapeuten aan het werk met cliënten

Ergotherapie is een paramedische discipline die zich richt op het aanleren en faciliteren van dagelijkse handelingen bij mensen die door ziekte, stoornis of beperking een lichamelijke, cognitieve of psychische beperking hebben en een handelingsprobleem ondervinden in hun dagelijkse leven.

Zowel baby's, (jonge) kinderen als volwassenen kunnen beroep doen op een ergotherapeut.

De term ergotherapie is afkomstig van het Griekse ἔργον (érgon), dat handeling, werk of daad betekent. Vroeger was ergotherapie bekend als arbeidstherapie, maar deze term is verouderd.

Problemen in dagelijkse activiteiten

[bewerken | brontekst bewerken]

Een ergotherapeut brengt handelingsproblemen in kaart en behandelt deze in samenspraak met de zorggebruiker en diens context.

Kenmerkend voor ergotherapie is de kijk op zowel de persoon, de omgeving, als de activiteit. Een ergotherapeut is master in het onderverdelen van activiteiten in kleine stappen en aanpassingen of gradaties voorzien bij dagelijkse activiteiten en vaardigheden.

Aan de hand van een kennismakingsgesprek, observaties, testen en dossierstudie bepalen ergotherapeut en cliënt (systeem) samen de belangrijkste problemen en prioriteiten bij dagelijkse activiteiten op verschillende gebieden, zoals

  • Zelfredzaamheid of algemene dagelijkse levensverrichtingen, afgekort ADL (bijvoorbeeld wassen, aankleden, koken, routines in huis)
  • Productiviteit (bijvoorbeeld werken, leren op school)
  • Vrije tijd (bijvoorbeeld hobby's, sport en spel)
  • Wonen (bijvoorbeeld aanpassen van de leefomgeving of klasomgeving)
  • Mobiliteit (bijvoorbeeld gangreëducatie, rolstoeltraining, fijne motoriek)[bron?]

Er wordt uitgegaan van de mogelijkheden en sterktes van de zorggebruiker en diens context om de handelingsproblemen aan te pakken.

In de onderzoekende fase wordt informatie verzameld met behulp van interviewmethoden (zoals COPM en OPHI), observatiemethoden (zoals AMPS en PRPP) en gestandaardiseerde testen (zoals BRIEF, VMI, TVR-3K,...). Verder wordt ook de omgeving bevraagd en eventueel geobserveerd en een dossierstudie gedaan.

Doelen voor behandeling

[bewerken | brontekst bewerken]

Op basis van een verkennend gesprek, uitgebreide informatieverzameling via onderzoek, observaties en dossierstudie om beperkingen en mogelijkheden in kaart te brengen en het afstemmen van de prioriteiten van de zorggebruiker worden de doelen van de behandeling in samenspraak opgesteld. Deze worden geformuleerd in lange- en kortetermijndoelstellingen en bij voorkeur volgens het SMART-principe.

  • onderzoek van het dagelijks functioneren door observatie en afname van gestandaardiseerde testen om de mogelijkheden en beperkingen in kaart te brengen.
  • Bijdragen in het overleg rond diagnosevorming en uitstippelen gepaste hulpverlening
  • behandeling op verschillende domeinen van het dagelijkse leven, met de nadruk op werkhouding, (sociale) communicatie, fijne- grove- en psycho-motoriek, aanpakgedrag, spel, leren, vrije tijd, schoolse vaardigheden, arbeidsvaardigheden, zelfredzaamheid, zintuiglijke prikkelverwerking e.d. [bron?]
  • De langetermijndoelstelling (LTD) beantwoordt vragen zoals 'wat zal de zorggebruiker bereikt hebben op het einde van de revalidatieperiode' of 'welk doel willen we bereikt hebben na een jaar?'
  • De kortetermijndoelstelling (KTD) beantwoordt vragen als 'welke vaardigheden moet de zorggebruiker nog verwerven om een LTD te kunnen bereiken?' Of beschrijft de deelstappen om de LTD te bereiken.
  • Vervolgens zoekt de ergotherapeut (steeds in overleg met de zorggebruiker of zijn naaste omgeving) mogelijkheden om de problemen op te lossen. De zorggebruiker kan een activiteit opnieuw leren, op een andere manier leren uitvoeren of met hulp van hulpmiddelen en aanpassingen leren uitvoeren.
  • Ergotherapeuten geven eveneens advies over mogelijke aanpassingen om zinvoller te functioneren thuis, op werk/school en in openbare gebouwen. Ze coachen en geven advies aan de zorggebruiker en diens context, staan in voor aanvragen van hulpmiddelen en coördineren de implementatie van hulpmiddelen en aanpassingen.[bron?]

Het werk van ergotherapeuten is onder te verdelen in vijf pijlers:

Ergotherapeuten zijn werkzaam bij onder meer ziekenhuizen, revalidatiecentra, onderwijsinstellingen, instellingen voor welzijnszorg zoals beschutte werkplaatsen, dagverzorgingscentra, verpleeg- of verzorgingshuizen, woonvoorzieningen voor mensen met een verstandelijke beperking of zelfstandig in een eigen praktijk.

In Nederland kan een ergotherapeut als indicatiesteller werken voor de AWBZ (bij een CIZ) of Wmo (bij een gemeente).

In Nederland is ergotherapie een vierjarige bachelor-opleiding aan een hbo. Na het afstuderen mag men de titel 'Bachelor of Health' voeren. Als vooropleiding is een havo- of mbo-diploma nodig. De opleiding wordt aangeboden aan de Hogeschool van Amsterdam, de Hogeschool Arnhem Nijmegen, de Zuyd Hogeschool, de Hogeschool Rotterdam, Hanzehogeschool Groningen en Pro Education (een deeltijdopleiding voor volwassenen, onderdeel van de Salta Group).

In België gaat het om een professionele driejarige bachelor-opleiding aan een hogeschool. Na het afstuderen mag men de titel 'Bachelor' voeren. Vervolgens kan ook een tweejarige masteropleiding gevolgd worden.

Leidraad diversiteit

[bewerken | brontekst bewerken]

De Leidraad 'Diversity Matters: Guiding Principles on Diversity and Culture' van de World Federation of Occupational Therapists[1] heeft tot doel ergotherapeuten wereldwijd aan te moedigen om de culturele, sociale en economische diversiteit van alle mensen met beperkingen te bespreken, te waarderen en onderdeel te maken van dagelijkse praktijk, onderwijs en onderzoek opdat niemand wordt uitgesloten van de samenleving.[2]

De vier leidende principes zijn:

  1. Diversiteit maakt verschil: de feiten
  2. Mensenrechten en inclusief denken maakt verschil
  3. Het belang van taal: verbaal en non-verbaal
  4. Competenties zijn nodig: houding, kennis en vaardigheden

In de leidraad worden reflectieve vragen voorgesteld. Deze vragen kunnen gebruikt worden in de praktijk om de discussie over diversiteit op gang te brengen.

  • Hoe gedraag je je als je ziek bent?
  • Hoe gedraag je je tegenover mensen die ziek zijn of een handicap hebben?
  • Hoe gedraag je je in contact met anderen: mannen, vrouwen, mensen met een andere etnische achtergrond, ouderen, jongeren, mensen met een andere religieuze overtuiging, homoseksuelen, heteroseksuelen?
  • Hoe gaat u om met veronderstellingen over andere mensen (cliënten, collega’s, studenten)?
  • Hoe ziet de demografische bevolking er uit in uw werkgebied?
  • Kunt u uitleggen hoe de informatie gerelateerd aan ergotherapie begrijpbaar is gemaakt voor alle mensen in uw werkgebied?
  • Wordt de kracht en het belang van taal en non-verbale communicatie bediscussieerd in uw team? Hoe wordt dat gedaan?
  • Wat zijn volgens u de drie belangrijkste barrières voor cultureel competent ergotherapeutisch handelen? Hoe zouden deze barrières weggenomen of verminderd kunnen worden?
[bewerken | brontekst bewerken]
Zie de categorie Occupational therapy van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.