Eric Oliver

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Norton-Watsonian uit 1949

Eric Staines Oliver (13 april 1911 - 1 maart 1980) was een Brits auto- en motorcoureur. Hij werd vier keer wereldkampioen in de zijspanklasse met een Norton Manx. Hij werd nooit officieel Norton-fabriekscoureur, maar hij kreeg wel veel ondersteuning van de fabriek.

Eric Oliver nam al in de jaren dertig deel aan grasbaanraces, en wegraces. Hij racete met solomotoren van Vincent, Norton en Velocette. Hij nam een aantal malen deel aan de Isle of Man TT, maar met weinig succes. In 1937 haalde hij met zijn Vincent de eindstreep niet in de Senior TT, in 1938 viel hij met Nortons uit in zowel de Senior- als de Junior TT, in 1939 viel hij met zijn Norton in de Senior TT uit, en met een Velocette werd hij zeventiende in de Junior TT. Zijn carrière werd onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de oorlog vloog hij 47 missies als boordwerktuigkundige met Lancaster bommenwerpers. Na de oorlog pakte hij het racen weer op en in 1947 viel hij met een Norton uit in de Senior TT en werd hij negende in de Junior TT. In 1948 werd hij met een Velocette achtste in de Junior TT en tiende in de Senior.

In 1949 werd het wereldkampioenschap wegrace ingesteld. Hij won met zijn bakkenist, de journalist Denis Jenkinson, twee van de drie wedstrijden (Zwitserland en België) die meetelden voor het wereldkampioenschap in de zijspanklasse en werd de allereerste wereldkampioen. Ze gebruikten een 600cc Norton-Watsonian zijspancombinatie. Hij nam in dat jaar ook deel aan twee wedstrijden in de 500cc solo klasse: de Senior TT op het eiland Man en de Grand Prix des Nations op het Clady Circuit in Ulster, maar in die wedstrijden viel hij uit. In de Junior TT werd hij 21e met een Velocette. Met die Velocette werd hij zevende in België.

In 1950 was "Jenks" Jenkinson vervangen door Lorenzo Dobelli, die in 1949 nog tweede was geworden met coureur Ercole Frigerio met een Gilera. Denis Jenkinson reed in dat jaar met met Marcel Masuy op een BMW. Oliver en Dobelli wonnen alle GP's (België, Zwitserland en de Grand Prix des Nations, die dit keer op Monza werd verreden). Ze werden weer wereldkampioen. Eric Oliver startte met een Velocette in de 350cc Grand Prix des Nations, maar werd slechts veertiende.

In 1951 ging de cilinderinhoud van de zijspanklasse naar 500cc. Oliver kreeg meer concurrentie van de Gilera-combinaties Frigerio/Ricotti en Milani/Pizzocri, maar mede dankzij de ervaring van Dobelli wist hij de wereldtitel toch weer veilig te stellen. Ook de Norton was veel beter geworden: hij had nu dubbele bovenliggende nokkenassen en het veel betere, door Rex McCandless ontwikkelde "Featherbed frame".

Aan het begin van het seizoen 1952 crashte de combinatie Oliver/Dobelli in Frankrijk, waardoor beiden een gebroken been opliepen. Daardoor misten ze de eerste drie GP's (Zwitserland, Isle of Man en Assen). In juli kwam Eric Oliver naar Spa-Francorchamps voor de Grand Prix van België. Hij had zijn been nog in het gips, Dobelli liep nog op krukken. Oliver mocht starten met plaatsvervangend passagier Stanley Price. Na een geweldig gevecht met de Gileras pakte hij in de laatste bocht de leiding en hij won de Belgische Grand Prix. In Duitsland en op Monza viel hij uit, maar de laatste Grand Prix, die van Spanje, won hij samen met Lorenzo Dobelli. Ze eindigden op de vijfde plaats in het kampioenschap, en Cyril Smith, ook een Norton-rijder, werd wereldkampioen. De Norton was nu duidelijk zwakker dan de Gileras, en Eric Oliver moest allerlei trucs uithalen om ze vóór te blijven. Op rechte stukken verminderde hij de luchtweerstand door zijn benen naar achteren te strekken en languit op de motorfiets te gaan liggen.

In 1953 vond ook Rex McCandless dat de Norton Manx ééncilinder zijn beste tijd gehad had. Hij drong er bij de fabriek op aan een viercilinder te ontwikkelen om in de soloklassen te kunnen concurreren met de machines van Gilera en MV Agusta. Hoofdingenieur Joe Craig was het niet met hem eens en vond dat er nog meer vermogen uit de Manx gehaald kon worden. Als lapmiddel ontwikkelde Rex McCandless een nieuw frame, waarbij de olietank onder het zadel werd vervangen door twee tanks in de zijkant van de stroomlijnkuip. Daardoor kon het veel lager gebouwd worden en kon de coureur er min of meer voorover op liggen. Dit was de "Kneeler". Ray Amm reed de machine voor het eerst in de North West 200 in 1953 en hij vond het de meest comfortabele machine die hij ooit gereden had. Samen met Eric Oliver nam hij de machine mee naar Montlhéry, waar ze met 133,66 mijl per uur een nieuw uurrecord neerzetten. Daarna deed Norton er niets meer mee en ook Rex McCandless vond het "geen echte Norton". Eric Oliver gebruikte het ontwerp voor zijn zijspancombinaties en het werd door alle concurrenten uiteindelijk gekopieerd, waardoor de Kneeler zijspannen ontstonden. Oliver was daardoor de eerste zijspancoureur die met een volledig gestroomlijnde combinatie reed. BMW kwam steeds sterker op met eigen fabrieksteams als Noll/Cron, Kraus/Huser en Hillebrand/Grunwald. Daar stond tegenover dat Gilera niet meer deelnam, en daardoor werd het juist een succesjaar voor Norton, dat de eerste vijf plaatsen in het wereldkampioenschap bezette. Met zijn nieuwe bakkenist Stanley Dibben won Oliver vier van de vijf Grands Prix en hij haalde zijn vierde wereldtitel.

Eric Oliver was erg chauvinistisch, en hoewel hij veel aanbiedingen had gekregen om met buitenlandse multicilinders te rijden, bleef hij Norton trouw. Dat kwam ook omdat hij tijdens zijn periode als boordwerktuigkundige in de oorlog onder de indruk was geraakt van de Britse techniek. Anti-Duits was hij zeker niet, want hij reed graag in nationale Duitse wedstrijden, zoals de "Rhein-Pokal-Rennen" op de Hockenheimring. Zijspanracen was in Duitsland populairder dan in het Verenigd Koninkrijk. Daar werd bij de Isle of Man TT in 1954 voor het eerst in 19 jaar weer een zijspanklasse verreden. Dat gebeurde niet op het officiële circuit (de Snaefell Mountain Course), maar op de kortere Clypse Course. Oliver won de Sidecar TT met zijn nieuwe passagier Les Nutt, maar de BMW's waren nu al erg sterk: ze bezetten de plaatsen twee, drie en vier. De TT telde mee voor het wereldkampioenschap, en Oliver/Nutt wonnen ook de Ulster GP en de Belgische GP, maar tijdens de Feldbergrennen in Duitsland brak Oliver een arm, waardoor hij in de laatste wedstrijden niet meer voluit kon gaan. Hij werd toch nog tweede achter Wilhelm Noll en Fritz Cron die de eerste titel voor BMW wonnen.

Na 1954 was het duidelijk dat de BMW's bijna niet meer te kloppen waren. Eric Oliver kreeg in 1955 weer een nieuwe bakkenist (Eric Bliss), maar nam slechts deel aan de Grand Prix van Spanje (derde), de TT van Man (uitgevallen) en de Grand Prix van België (dertiende). Met slechts vier punten eindigden ze op de tiende plaats in het wereldkampioenschap, waarbij ook nog een viertal Norton-combinaties (Drion/Stoll, Smith/Dibben, Boddice/Storr en Mitchell/George) hoger stonden.

Na het seizoen 1955 trok Eric Oliver zich terug uit de wegrace, omdat hij nog steeds zijn geliefde Norton trouw bleef, maar daarmee niet meer kon winnen. Hij werd motorfiets-dealer in Staines. In 1958 nam hij nog een keer deel aan de Zijspan TT met een standaard Norton Dominator met als passagier Pat Wise. Dit was ook een vrij standaard zijspan, waarin mevrouw Wise comfortabel kon zitten. In 1959 wilde de organisatie van de Isle of Man TT de zijspanrace verhuizen naar het lange circuit, en Eric Oliver en Stan Dibben maakten een proefrit om te zien of de zijspancombinaties het heuvelachtige deel van de Snaefell Mountain Course konden nemen. Toen dat lukte schreven ze ook in voor de TT van 1960. Daar beleefden ze een zwaar ongeluk tijdens de training. Eric Oliver brak zijn rug en Stan Dibben werd bijna onthoofd toen de combinatie op een draadafscheiding afstoof. Gelukkig raakte de motorfiets de draad als eerste, waardoor Stan geen serieuze verwondingen opliep. Na dit ongeval besloten beiden een punt achter het racen te zetten.

In de jaren zestig nam Eric Oliver deel aan autoraces met een Lotus Elan. Op 1 maart 1980 kreeg hij tijdens restauratiewerkzaamheden aan een van zijn oude Nortons een hartinfact waardoor hij overleed.

Resultaten in het wereldkampioenschap wegrace[bewerken]

(cursief gedrukte resultaten betekenen snelste raceronde. Zwarte cellen betekenen dat de Grand Prix in dat jaar niet meetelde voor het wereldkampioenschap)

Jaar Klasse Merk 1 2 3 4 5 6 7 8 9 Plaats Punten
1949 IOM ZWI NED BEL ULS NAT
500 cc Norton DNF DNF 0
350 cc Velocette 21 7 0
Zijspan (met Denis Jenkinson) Norton/Watsonian 1 1 5 1e 28
1950 IOM BEL NED ZWI ULS NAT
350 cc Velocette 14 0
Zijspan (met Lorenzo Dobelli) Norton/Watsonian 1 1 1 1e 24
1951 SPA ZWI IOM BEL NED FRA ULS NAT
Zijspan (met Lorenzo Dobelli) Norton/Watsonian 1 5 1 1 2 1e 30 (32)
1952 ZWI IOM NED BEL BRD ULS NAT SPA
Zijspan (met Stanley Price) Norton/Watsonian 1 5e 16
Zijspan (met Lorenzo Dobelli) Norton/Watsonian 1
1953 IOM NED BEL BRD FRA ULS ZWI NAT SPA
Zijspan (met Stanley Dibben) Norton/Watsonian 1 1 1 1 1e 32
1954 FRA IOM ULS BEL NED BRD ZWI NAT SPA
Zijspan (met Les Nutt) Norton/Watsonian 1 1 1 5 2e 26
1955 SPA FRA IOM BRD BEL NED ULS NAT
Zijspan (met Eric Bliss) Norton/Watsonian 3 Ret 13 10e 4
1958 IOM NED BEL BRD ZWE ULS NAT
Zijspan (met Pat Wise) Norton/Watsonian 10 0

Externe link[bewerken]

  • (en) Deelnemersprofiel van Eric Oliver op de officiële website van de Isle of Man TT