Eugène Ysaÿe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Eugène Ysaÿe
Eugène Ysaÿe.jpg
Algemene informatie
Volledige naam Eugène-Auguste Ysaÿe
Geboren 16 juli 1858
Overleden 12 mei 1931
Land Vlag van België België
Werk
Genre(s) Klassieke muziek
Beroep Concertviolist, dirigent, componist
Instrument(en) Viool
(en) Allmusic-profiel
Portaal  Portaalicoon   Muziek
Eugène Ysaÿe in Rusland in 1883
Ysaÿe met de componisten Albéric Magnard (links) en Joseph Guy Ropartz (zittend). Beiden droegen een vioolsonate aan hem op.
V.l.n.r. broer Théo, Eugène Ysaÿe en Raoul Pugno.

Eugène-Auguste Ysaÿe (Luik, 16 juli 1858Brussel, 12 mei 1931) was een Belgisch violist, componist en dirigent. Hij wordt beschouwd als een van de grootste concertviolisten van zijn tijd.

Muzikale carrière[bewerken]

Vroege jaren[bewerken]

Ysaÿe kreeg zijn eerste vioollessen van zijn vader, de dirigent Nicolas-Joseph Ysaÿe (1826-1905), toen hij ongeveer vijf jaar oud was. Op zevenjarige leeftijd gaf hij zijn eerste concert voor publiek en werd hij toegelaten tot het Conservatoire royal de Liège, waar hij in 1867 de tweede prijs won bij een concours. Omdat zijn vader kritiek had op de didactiek van zijn leraar Desiré Heynberg, maar ook omdat hij bekend stond als lui en brutaal, werd hij van het conservatorium afgestuurd in 1868, het jaar waarin zijn moeder stierf. De beroemde violist Henri Vieuxtemps, die hem in het voorbijgaan toevallig hoorde spelen, nam hem onder zijn hoede en wist hem terug te krijgen op het conservatorium, waar hij voortaan les kreeg van Rodolphe Massart.

In 1873 kreeg hij de eerste prijs van het conservatorium, een jaar later gevolgd door de zilveren medaille. Hij verwierf via Vieuxtemps een stipendium om twaalf lessen te volgen bij Henryk Wieniawski, die hij vereerde. Dit had een beslissende invloed op zijn carrière. Na een jaar als tweede violist in het orkest van de Kursaal van het Casino van Oostende vertrok hij in 1875 naar Parijs om verder te studeren bij Vieuxtemps. Die stelde hem voor aan vele vooraanstaande musici, onder wie Franz Liszt en Anton Rubinstein. Zij waren zeer onder de indruk van zijn spel en noemden hem "der famöse Kerl". In 1879 introduceerde Joseph Joachim hem in het muzikale leven van Keulen, waar hij optrad met Clara Schumann in Beethovens 7e vioolsonate. In 1879-1882 was hij concertmeester bij het symfonieorkest van Benjamin Bilse in Berlijn, de directe voorloper van de Berliner Philharmoniker.

Doorbraak[bewerken]

In 1882 en 1883 ging hij met Rubinstein op reis door Scandinavië en Rusland. In Noorwegen ontmoette hij Edvard Grieg, gaf hij een recital met de pianiste Karen Ølstad en trad hij op bij een benefietconcert ter nagedachtenis van de beroemde violist Ole Bull, die in 1880 was overleden. Hij componeerde er een Légende norvégienne, die pas in 2014 werd teruggevonden en uitgevoerd. Terug in Parijs maakte hij in 1885 zijn solistendebuut bij de Concerts Colonne in het Theâtre du Châtelet. Hij speelde de Symphonie Espagnole van Lalo en Introduction et Rondo Capriccioso van Saint-Saëns, met als toegift een praeludium van Bach. Het succes was groot en daarmee was zijn roem definitief gevestigd.

Hij raakte bevriend met zijn landgenoot César Franck, die zijn vioolsonate aan hem opdroeg. Franck presenteerde die als geschenk op de ochtend van Ysaÿe's bruiloft op 26 september in 1886 in Arlon en na een gehaaste repetitie voerde de violist het stuk uit tijdens zijn eigen huwelijksfeest. De officiële première vond plaats op 16 december van dat jaar in Brussel met dezelfde pianiste, Marie-Léontine Bordes-Pène. Dit nog steeds vaak gespeelde werk behoorde tot de vele kamermuziek die hij uitvoerde. Hij vormde een pianotrio met Ferruccio Busoni (piano) en Hugo Becker (cello). Van 1886 tot 1894 was hij primarius van het Quatuor Ysaÿe met tweede violist Mathieu Crickboom, altviolist Léon Van Hout en cellist Joseph Jacob. Voor hen componeerde Claude Debussy zijn strijkkwartet, dat ze in 1893 in première brachten. Ook dat is tot de meest gespeelde kamermuziekwerken gaan behoren. Hoewel Franck en Debussy de boegbeelden waren van uiteenlopende muzikale richtingen waarvan de aanhangers elkaar in felle discussies bestreden, waren beiden intiem bevriend met Eugène Ysaÿe.

Wereldroem[bewerken]

François-Auguste Gevaert benoemde Ysaÿe in 1886 tot viooldocent aan het Conservatoire royal de Bruxelles. Met zijn broer Théo sloot hij zich in 1894 aan bij de Brusselse kunstenaarsgroep La Libre Esthétique van Octave Maus, die zich richtte op zowel beeldende kunst als muziek.

Van de jaren negentig tot aan de Eerste Wereldoorlog was hij op het hoogtepunt van zijn roem. Hij gold als een van de grootste violisten van zijn tijd, zo niet de grootste, en maakte vele concertreizen door heel Europa en de VS. Zijn Amerikaanse debuut was op 16 november 1894 in Carnegie Hall in New York. Hij speelde het Derde vioolconcert van Saint-Saëns en de Schotse Fantasie van Bruch met de New York Philharmonic onder Anton Seidl. Tussen 1894 en 1919 is hij in totaal 56 keer in Carnegie Hall opgetreden.[1]

Dirigeren deed hij ook. In 1894 begon hij in Brussel een concertserie met zijn eigen orkest, de Société des Concerts Ysaÿe, waarmee hij de nieuwste muziek presenteerde. Dat was ook het jaar waarin zijn twintig jaar durende samenwerking met de pianist Raoul Pugno begon. Ysaÿe kreeg in 1898 de functie van muziekdirecteur van de New York Philharmonic aangeboden na de onverwachte dood van Anton Seidl, maar hij weigerde vanwege zijn drukke concertagenda. Om dezelfde reden droeg hij in 1897 zijn lessen aan het conservatorium over aan César Thomson. Hij bleef wel privélessen geven, in Brussel of 's zomers in zijn villa La Chanterelle in Het Zoute.

Pugno overleed in 1914. De jaren van de Eerste Wereldoorlog bracht Ysaÿe door in Londen, waar hij samenspeelde met de pianist Arthur Rubinstein. Eind 1917 vertrok hij voor een tournee naar de Verenigde Staten, waar hij zeer populair was en beschreven werd als "the king of the violin" en "the Belgian giant". In 1918 aanvaardde hij de positie van muziekdirecteur bij het Cincinnati Symphony Orchestra, waar hij tot 1922 bleef. Hij maakte met het orkest diverse opnamen voor Columbia, met als meest substantiële werk Shéhérazade van Rimski-Korsakov. Hij gaf in Cincinnati ook les aan het conservatorium.

Laatste jaren[bewerken]

Na terugkomst kostte het hem moeite zijn oude positie in Brussel weer in te nemen. Hij vond een nieuwe pianopartner in Yves Nat. Samen met de cellist Maurice Dambois formeerden ze ook een pianotrio. Ysaÿe hervatte zijn orkestconcerten, maar met de moderne muziek van Schönberg, Stravinsky en de Groupe des Six had hij geen affiniteit, waardoor zijn concertprogramma's steeds minder belangstelling trokken. Ze hadden hun voortbestaan vooral te danken aan gastoptredens van grote solisten. Zijn zoons Théodore en Antoine waren een eigen concertorganisatie begonnen die hij zag als ondermijning van zijn "Concerts Ysaÿe", zodat hij hun naam "Séances Ysaÿe" tot voor de rechter bestreed. Bovendien ging zijn gezondheid achteruit door diabetes en werd het vioolspelen gehinderd door peesontstekingen in de handen. Tijdens deze moeilijke periode overleed zijn vrouw.

Zijn tweede vrouw moest hem in zijn laatste jaren verzorgen. Wel bleef hij tot het einde toe componeren. Kort voor zijn 73e verjaardag overleed hij. Bij de uitvaartdienst op 17 mei 1931 in de Drievuldigheidskerk in Elsene (Brussel) speelden vroegere leerlingen zijn Poème élégiaque. Eugène Ysaÿe ligt begraven op de begraafplaats van Elsene.

Opgedragen aan Ysaÿe[bewerken]

Er is veel muziek speciaal geschreven voor Ysaÿe (vaak mede voor het Quatuor Ysaÿe of Raoul Pugno), waaronder sonates voor viool en piano door César Franck, Théodore Dubois, Guillaume Lekeu, Joseph Guy Ropartz, Albéric Magnard, Louis Vierne, Sylvio Lazzari, Gustave Samazeuilh, Arthur De Greef en Joseph Jongen, strijkkwartetten door Claude Debussy, Vincent d'Indy en Camille Saint-Saëns, het pianokwintet nr. 1 van Gabriel Fauré, de Airs écossais van Pablo de Sarasate en het Concert voor viool, piano en strijkkwartet op. 21 van Ernest Chausson.[2] La Muse et le poète van Saint-Saëns werd opgedragen aan Ysäye en de cellist Joseph Hollman gezamenlijk.

Op het Poème op. 25 voor viool en orkest (of piano) uit 1896 van Chausson was hij het meest gesteld. Hij had om een vioolconcert gevraagd, maar de componist voelde zich niet opgewassen tegen deze opdracht en vroeg of Ysaÿe genoegen wilde nemen met een korter stuk. Het resultaat werd alom geliefd, ook bij Ysaÿe zelf. Hij kon concertorganisatoren onder druk zetten door optredens te weigeren als ze niet ook Chaussons Poème programmeerden.

Violist[bewerken]

Karikatuur van Ysaÿe door Ber Zalkind, 1913.
Ysaÿe en Pugno bij een salonconcert.

Ysaÿe was - als "erfopvolger" van Charles Auguste de Bériot, Hubert Léonard en Henri Vieuxtemps - de grote man van de Frans-Belgische vioolschool, die teruggaat tot de ontwikkeling van de moderne strijkstok door de Franse strijkstokkenmaker François-Xavier Tourte. De kwaliteiten van deze 'school' omvatten elegantie, een volle toon met een gevoel van een 'lange' boog zonder schokken, precieze technieken van de linkerhand en buiging met de hele onderarm, terwijl zowel de pols als de bovenarm stil zijn (in tegenstelling tot de Duitse school van Joseph Joachim waarbij de pols gebogen wordt en het Russische concept van Leopold Auer van het gebruik van de hele arm). Zijn techniek was briljant en verfijnd; in dit opzicht was hij de eerste moderne violist, wiens techniek de tekortkomingen van sommige oudere kunstenaars miste. De opvallendste eigenschap van Ysaÿe's interpretaties was het als meesterlijk beschouwde rubato.

Tot zijn repertoire behoorden alle grote vioolconcerten en vioolsonates uit de romantiek en de vroege 20e eeuw. Max Bruch, Camille Saint-Saëns en César Franck verkondigden dat niemand hun werken zo goed begreep en zo mooi speelde als Ysaÿe. Hij nam met Edward Elgar diens vioolconcert door, maar tot beider teleurstelling kon een uitvoering in Londen niet doorgaan. Hij speelde en bewerkte ook composities van barokcomponisten als Bach, Händel, Vivaldi en Locatelli. Hij werd bewonderd om zijn Bach-interpretaties, vooral van de sonates en partita's voor onbegeleide viool (BWV 1001-1006), die hem ook inspireerden tot de compositie van zijn eigen sonates op. 27.

Zijn vaste pianopartners waren achtereenvolgens zijn broer Théo Ysaÿe, Raoul Pugno en Yves Nat. Hij is ook opgetreden met andere pianisten, onder wie Marie-Léontine Bordes-Pène, Emile Bosquet, Ferruccio Busoni, Camille De Creus, Leopold Godowsky, Enrique Granados, Clara Haskil, Karen Ølstad, Auguste Pierret, Arthur Rubinstein, Anton Rubinstein, Clara Schumann, José Vianna da Motta, Marie Wybrandi en Johan Wijsman.

Leerlingen

Ook als vioolpedagoog oefende hij grote invloed uit. In navolging van zijn eigen leermeester Vieuxtemps legde hij de nadruk op 'zingen' boven virtuositeit. Tot zijn bekend of beroemd geworden leerlingen behoorden Laurent Angenot, Arve Arvesen, Alberto Bachmann, Oskar Back, Ernest Bloch, Jascha Brodsky, Mathieu Crickboom (zijn favoriete student), Edouard Deru, Godfried Devreese, Jeannette Dincin (later zijn tweede vrouw), Aldo Ferraresi, André Gertler, Josef Gingold, Jonny Heykens, Charles Houdret, Julia Klumpke, Alfred Marchot, Max Mossel, Carlo Van Neste, Louis Persinger, William Primrose (die op zijn aanraden op de altviool overstapte), Maurice Raskin, Irma Sèthe en Oscar Shumsky. Ook Nathan Milstein, die hem "the tsar" noemde, heeft in Brussel les van hem gehad. Hij beweerde later dat hij vrijwel niets van Ysaÿe geleerd had, maar graag in zijn gezelschap verkeerde.[3] De jonge Yehudi Menuhin heeft één les van Ysaÿe gehad, maar zijn lesmethode beviel hem niet en hij vond hem te oud.

Ook de Belgische koningin Elisabeth, bekend om haar passie voor muziek, had vanaf 1908 vioolles van hem en raakte bevriend met hem. Om hem te eren richtte ze in 1937 een muziekconcours voor viool op dat de Ysaÿe-wedstrijd genoemd werd, na 1951 de driejaarlijkse vioolafdeling van de Koningin Elisabethwedstrijd.

Violen
  • Ysaÿe speelde het liefst op zijn Panette uit 1740 van Guarnerius 'del Gesù'. Die ging later naar Isaac Stern en na diens dood naar Renaud Capuçon.
  • Hij bezat ook de Hercules-Stradivarius uit 1734, die in 1908 in Sint-Petersburg uit de kleedkamer werd gestolen terwijl Ysaÿe een concert gaf op de Guarnerius. Het instrument dook in 1925 op in een winkel in Parijs. Het werd later eigendom van Charles Münch en daarna van Henryk Szeryng, die het in 1972 doneerde aan de staat Israël (onder de naam Kinor David).
  • Een Vuillaume-viool die van Ysaÿe was geweest (een Guarnerius-kopie van omstreeks 1840-1845), werd eind 2017 door een veilinghuis in Vichy verkocht voor €260.000, een recordbedrag voor deze vioolbouwer.
  • Ysaÿe bezat ook een Guadagnini-viool uit 1774.
  • Hij liet een aantal violen maken bij de Franse vioolbouwer Pierre Joseph Hel (1842-1902).

Componist[bewerken]

Eugène Ysaÿe was ook een begaafd componist, al was hij op dit gebied autodidact. Zijn vroege werk, gericht op virtuositeit, vond hij later van geen waarde. Zijn latere werk wordt over het algemeen weinig gespeeld, met uitzondering van de sonates opus 27. Voor deze geringe weerklank zijn diverse verklaringen gezocht. De eerste is dat hij zich vooral inzette voor het werk van anderen (onder wie Franck, Lekeu, Chausson, D'Indy, Saint-Saëns, Fauré, Debussy), maar zijn eigen composities nauwelijks in het openbaar uitvoerde en de premières overliet aan de violist Edouard Deru, die bij hem gestudeerd had. Daardoor kreeg het grote publiek nauwelijks de kans met deze werken vertrouwd te raken. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat zijn muziek verwantschap vertoont met zowel de Franse als de Duitse componeerstijl, terwijl van een artiest in deze jaren een duidelijke keuze voor een van deze twee culturen werd verlangd.[4] Toen de twintigste eeuw was aangebroken, werd bovendien zijn muziek, die niet aansloot bij nieuwe ontwikkelingen, steeds ouderwetser gevonden.

Hij geldt als de 'uitvinder' van het poème (gedicht) voor solo-strijkinstrument(en) met orkest of piano, zijn eigen variant van het symfonisch gedicht van Liszt. Het verschil was dat hij geen programmamuziek nastreefde, maar eerder een (doorgaans lyrisch en melancholiek) stemmingsbeeld wilde oproepen. Zijn eerste werk in dit genre was het Poème élégiaque op. 12, waaraan hij werkte van 1892 tot 1903. De eerste versie van 1896 diende als model voor het kort daarna verschenen, soortgelijke Poème van Chausson. Ysaÿe componeerde zelf negen van zulke werken, de meeste voor viool, maar ook voor twee violen, voor cello en voor de combinatie viool-cello.[5] Hij gaf de voorkeur aan deze 'vrije' vorm omdat hij die het meest geschikt vond om emoties uit te drukken. Vaak gebruikte hij twee thema's die aan het eind samenvloeien. Hij had ook aandacht voor bijzondere klankkleuren door ongewone orkestraties, bijvoorbeeld een strijkorkest van alleen violen en altviolen, zonder lage celli en bassen. Stilistisch is er verwantschap met Franck en Fauré, met een sterke nadruk op chromatiek.

Zijn belangrijkste, meest gespeelde en opgenomen werken zijn de zes sonates voor vioolsolo op. 27, elk opgedragen aan een beroemde collega-violist en toegesneden op hun stijl. Hierbij was Bach de inspiratiebron. Vaak kiezen violisten een deeltje als toegift na een concert of recital (vaak Obsession, het openingsdeel van op. 27 nr. 2), maar ook de complete reeks wordt regelmatig uitgevoerd en opgenomen.

Kort voor zijn dood kon hij vanuit zijn ziekenhuisbed de live-uitzending van de creatie van zijn laatste voltooide werk horen, de opera Pier li Houyeu (mijnwerker Pierre) in de Waalse taal.

Persoonlijk leven[bewerken]

Ysaÿe trouwde in 1886 met de zangeres Louise Bourdau, met wie hij drie zonen en twee dochters had. Een jaar na haar overlijden in 1924 hertrouwde hij met de 44 jaar jongere violiste Jeanette Dincin, die hij in Cincinnati had leren kennen. Zij verzorgde hem in zijn laatste jaren, toen hij aan een ernstige vorm van diabetes leed, waarbij een voet moest worden afgezet.

Hij was volgens tijdgenoten een imposant en corpulent figuur ("le colosse du violon") die arrogant kon zijn, maar ook buitengewoon aimabel. Hij hield van het goede leven: een uitgebreid ontbijt, lunch of diner ging hij niet uit de weg en dat ging gepaard met een ruime hoeveelheid drank. Zijn bourgondische levensstijl hielp niet bij het bestrijden van zijn diabetes.

Het verhaal gaat dat hij eens te diep in het glaasje had gekeken en een concert stond te verprutsen. Toen hij zich dit realiseerde, corrigeerde hij zich en speelde mooier dan ooit. Volgens de anekdote was het publiek diep geroerd en verliet de zaal met tranen in de ogen.

Ysaÿe was lid van de Brusselse vrijmetselaarsloge Les Vrais Amis de l'Union et du Progrès Réunis.

Familie[bewerken]

  • Théophile Ysaÿe (1865-1918), Eugène's broer, was pianist en een productief componist. Hij was bij vele tournees de begeleider van zijn broer, maar om gezondheidsredenen stopte hij met concertreizen. Hij gaf les aan het Conservatoire de musique de Genève.
  • Gabriel Ysaÿe (1887-1961), de oudste zoon, was ook violist en vergezelde zijn vader op de concerttournee door de VS aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.
  • Antoine Ysaÿe (1894-1979), de tweede zoon, was muziekuitgever en concertorganisator in Brussel. Hij schreef de biografie van zijn vader.[6]
  • Théodore Ysaÿe (1898-1936), de derde zoon, was concertorganisator van de "Séances Ysaÿe", samen met zijn broer Antoine.
  • Eugène Ysaÿe is de grootvader van Jack Say, pseudoniem van Jacques Ysaye (1922-2017), arrangeur en dirigent in de lichte muziek. Hij maakte bewerkingen van enkele kamermuziekwerken van zijn grootvader en orkestreerde diens enig overgebleven achtste vioolconcert.
  • Eugène Ysaÿe is de overgrootvader van Machiavel-drummer Marc Ysaye (1954).

Werken[bewerken]

Doordat Ysaÿe onregelmatig componeerde in de schaarse rusttijden tussen zijn drukke concertprogramma's, zijn de werken soms moeilijk te dateren. Aan sommige composities heeft hij tientallen jaren gewerkt. De volgorde van de opusnummers lijkt willekeurig en de jaartallen (voorzover bekend) geven het jaar aan van publicatie, niet van ontstaan. Hij heeft niet alle jeugdwerken bewaard: zo zou Ysaÿe acht vioolconcerten geschreven hebben, waarvan alleen het achtste is overgeleverd in de orkestratie die zijn kleinzoon vele jaren later maakte.

  • Légende norvégienne voor viool en piano (1882),[7] opgedragen aan Alexander Bull, tweede zoon van Ole Bull
  • Andante voor strijkkwintet in b-mineur (1893)
  • Strijkkwintet in b-mineur in één deel (1894), opgedragen aan zijn broer Théophile Ysaÿe
  • Deux mazurkas de salon, op. 10 voor viool en piano (1893)
  • Lointain passé op. 11, mazurka in b-mineur voor viool en piano, opgedragen aan Alfred Marchot.
  • Saltarelle carnavalesque op. 11b voor viool en orkest
  • Poème élégiaque op. 12 voor viool en orkest (1903), opgedragen aan Gabriel Fauré
  • Au rouet op. 13 voor viool en orkest (1911)
  • Rêve d'enfant, op. 14 voor viool en orkest (1901), opgedragen aan zijn zoon Antoine
  • Chant d'hiver op. 15 voor viool en orkest (1902), opgedragen aan zijn echtgenote Louise Bourdau
  • Méditation op. 16 voor cello en orkest (1921), opgedragen aan de cellist Fernand Pollain
  • Vioolconcert (nr. 8) op. 17 in g-mineur, herzien en georkestreerd door zijn kleinzoon Jacques Ysaye
  • Trio de Londres op. 19 (1916) in één deel voor twee violen en altviool, opgedragen aan koningin Elisabeth van België, bewerkt door zijn kleinzoon Jacques Ysaye tot strijkkwartet Le Londres
  • Berceuse op. 20 voor viool en orkest (1914), opgedragen aan Rosa Harris
  • Extase op. 21 voor viool en orkest (1921), opgedragen aan de violist Mischa Elman
  • Sérénade op. 22 voor cello en orkest, opgedragen aan zijn zoon Antoine
  • Les neiges d'antan op. 23 voor viool en orkest (1914), opgedragen aan zijn kleindochter Carry
  • Divertimento (Fantaisie) op. 24 voor viool en orkest, opgedragen aan zijn zoon Gabriel
  • Exil op. 25 voor strijkorkest (1917)
  • Amitié op. 26 voor twee violen en orkest (1929), gecomponeerd samen met Jeannette Dincin, opgedragen aan zijn vriend Théodore Lindenlaub
  • 6 solosonates voor viool, op. 27 (1923),[8] opgedragen aan:
    1. Joseph Szigeti
    2. Jacques Thibaud
    3. Georges Enesco
    4. Fritz Kreisler
    5. Mathieu Crickboom
    6. Manuel Quiroga
  • Solosonate op. 28 voor cello, opgedragen aan Maurice Dambois
  • Poème nocturne, op. 29 voor viool, cello en orkest of piano, opgedragen aan Albert Zimmer en Jacques Gaillard
  • Harmonies du soir op. 31 voor strijkkwartet en strijkorkest (1924)
  • Fantaisie op. 32 voor viool en orkest, opgedragen aan de violiste Jeannette Dincin, later zijn tweede echtgenote
  • 10 preludes (etudes) voor vioolsolo
  • Sonate voor twee violen (1915), opgedragen aan koningin Elisabeth van België
  • Caprice naar de Étude en forme de valse op. 52 nr. 6 van Camille Saint-Saëns
  • Variaties voor strijkkwartet op Niccolò Paganini's 24e Caprice in a-mineur, voltooid door zijn kleinzoon Jacques Ysaye
  • Strijktrio nr. 1 "Le Chimay" voor viool, altviool en cello
  • Strijktrio nr. 2 voor viool, altviool en cello
  • Sonate in f-mineur voor viool en piano (1928), arrangement van de sonate op. 6 nr. 7 van Pietro Locatelli
  • Si vous saviez, lied op een gedicht van Sully Prudhomme
  • Opera Piére Li Houyeû (Pierre de mijnwerker) (1931), geschreven in het Waals dialect.[9]
  • Onvoltooide opera La vièrge di pièr (De stenen maagd), ook in het Waals.

Discografie[bewerken]

  • Eugène Ysaÿe (viool) en Camille De Creus (piano) hebben in 1912-1913 muziek opgenomen die in 1996 op een cd van platenlabel Sony Classical is verschenen.[10]
  • Ook als dirigent van het Cincinnati Symphony Orchestra heeft Ysaÿe in 1919 opnamen gemaakt.[11]
  • Er bestaat een opname van Ysaÿe van het Vioolconcert van Mendelssohn die in 2000 op dvd verschenen is.[12]

Externe links[bewerken]