Evangelie van Nikodemus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Groep die Jezus in het graf legt uit 1509 in de Grote Sint Maartenskerk van Keulen. Van links naar rechts: Nicodemus, onbekende helpster, Maria Magdalena, Maria, Johannes, Jozef van Arimathea.

Het Evangelie van Nikodemus is een van de apocriefen van het Nieuwe Testament. Het geschrift bestaat uit twee delen, namelijk de Acta Pilati, ofwel Handelingen van Pilatus, en de Descensus Christi ad Inferos, ofwel Hellevaart van Christus.

Het Evangelie van Nikodemus gaat over Jezus' proces, veroordeling, kruisiging en verblijf in de Hel. In het Evangelie van Nikodemus is de Hel een plaats waar iedereen heen gaat. Christus reist er in het boek naartoe om vroege aartsvaders en martelaars te bevrijden.

De eerste helft van Nikodemus beweert een ooggetuigenverslag te zijn van Jezus' proces en executie. Het is daarbij de enige bron die vermeldt dat Christus zijn moeder zag op zijn weg naar Golgotha. Sommige geleerden vermoeden dat dit boek de aanleiding was voor de tegenwoordige kruisweg.

De inleiding van het geschrift verwijst naar keizer Theodosius II, waaruit blijkt dat het zijn uiteindelijke vorm heeft gekregen aan het begin van de vijfde eeuw. Meestal neemt men echter aan dat het werk grotendeels in de loop van de vierde eeuw geschreven is.[1] De vroegste verwijzing naar het geschrift vinden we bij Epiphanius in 375-376, in de periode dat de canon van het Nieuwe Testament al zo goed als vaststond.[2][3]

Het boek was populair en inspireerde in de middeleeuwen diverse andere geschriften. Ook zijn scenes uit de middeleeuwse kunst tot dit geschrift te herleiden.