Evolutie van de mens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schema van menselijke evolutie

De evolutie van de mens, het proces waardoor de moderne mens is ontstaan uit eerder levende primaten, is onderwerp van studie van veel verschillende wetenschappelijk disciplines. Biologische antropologie, waaronder paleoantropologie, antropologie en genetica zijn hierbij de belangrijkste. Het begrip mens, in de context van de menselijke evolutie, verwijst naar het geslacht Homo. De studies over de menselijke evolutie gaan meestal ook over andere hominiden, zoals de Australopithecus.

Geschiedenis vóór het ontstaan van het geslacht Homo[bewerken]

In de evolutionaire geschiedenis van de primaten kan zo'n 60 miljoen jaar worden teruggegaan. De primaten vormen een van de oudste overlevende zoogdiergroepen. De meeste paleontologen denken dat de primaten een gemeenschappelijke voorouder hebben met de vleermuizen, een andere zeer oude lijn, en dat deze voorouder samen leefde met de laatste dinosauriërs gedurende het late Krijt.

Cladogram van de Hominidae

De oudst bekende primaten komen uit Noord-Amerika, maar ze kwamen ook wijdverspreid voor in Eurazië en Afrika gedurende de tropische omstandigheden in het Paleoceen en Eoceen. De primaten stierven met de komst van de tegenwoordige klimaten, die gekenmerkt werd door de vorming van het eerste Antarctische ijs in het vroege Oligoceen, bijna overal uit met uitzondering van Afrika en Zuid-Azië. Dit vond ongeveer 40 miljoen jaar geleden plaats. Uit deze overlevende tropische populatie kwamen alle levende primaten voort, te weten de:

De vroegst bekende smalneusaap is Kamoyapithecus uit het Priabonien bij Eragaleit in de noordelijke Keniaanse Great Rift Valley. Dit fossiel is 24 Ma jaar oud. De voorouders worden algemeen beschouwd als nauwe verwanten van de 35 Ma jaar oude in Faium gevonden fossielen van de geslachten Aegyptopithecus, Propliopithecus, en Parapithecus. Er zijn geen fossielen van de tussenliggende 11 miljoen jaar. Met behulp van de Noord-Afrikaanse fossielen kunnen er geen nauw verwante voorouders van de Zuid-Amerikaanse breedneusapen, waarvan de oudste fossielen dateren uit 30 Ma, geïdentificeerd worden. Mogelijk zijn het andere voorouders, die leefden in West-Afrika en ergens tijdens het Oligoceen verwikkeld raakten in de nog steeds mysterieuze trans-Atlantische wedren, waarbij primaten, boa constrictors, knaagdieren en Cichlidae uit Afrika in Zuid-Amerika terechtkwamen.

In het vroege Mioceen (22 Ma) wijzen vele soorten van aan het bos aangepaste smalneusapen in Oost-Afrika op een lange voorgeschiedenis van diversifiëring. Omdat fossielen van 20 Ma ook fragmenten bevatten van de Victoriapithecus, de vroegst bekende Cercopithecoidea, worden de nauwst aan de nog levende apen en mensen verwante soorten zonder duidelijk bewijs gegroepeerd in de Hominoidea. In deze groep, die gaat tot 13 Ma, zijn de geslachten Proconsul, Rangwapithecus, Dendropithecus, Limnopithecus, Nacholapithecus, Equatorius, Nyanzapithecus, Afropithecus, Heliopithecus, en Kenyapithecus ondergebracht, die alle afkomstig zijn uit Oost-Afrika.

De aanwezigheid van fossiele vondsten van andere veralgemeende non-cercopitheciden uit het midden-Mioceen op plaatsen ver weg van de grotvondsten van Otavipithecus in Namibië, zoals Pieroloapithecus en Dryopithecus in Frankrijk, Spanje en Oostenrijk, bewijzen een grote verscheidenheid van vormen in Afrika en het Middellandse Zeegebied gedurende het relatieve warme en gelijkmatige klimaat in het vroege- en midden-Mioceen. De jongste (9 Ma) Miocene hominoïde, de Oreopithecus, is gevonden in een bruinkoollaag in Italië.

Moleculair onderzoek geeft aan dat de lijn van de gibbons (familie Hylobatidae) ontstond tussen 18 en 12 Ma en die van de orang-oetans (subfamilie Ponginae) rond 12 Ma. Er zijn geen fossielen die duidelijk de voorouders van de gibbons aangeven. Mogelijk behoorden die tot een tot nu toe onbekende Zuidoost-Aziatische hominoïde populatie. Fossiele proto-orang-oetans worden misschien vertegenwoordigd door de fossiele vondsten van de Ramapithecus in India en de Griphopithecus in Turkije, die ongeveer 10 Ma oud zijn.

Volgens moleculair onderzoek zouden tussen 8 en 4 Ma zich eerst de gorilla's en daarna de chimpansees (geslacht Pan) hebben afgesplitst van de lijn die naar de mens leidt. Er zijn geen fossiele resten van beide groepen gevonden, mogelijk doordat de botten in het regenwoud niet gefossiliseerd zijn. Homininae echter schijnen een van de zoogdiergroepen (alsook antilopen, hyena's, honden, varkens, olifanten en paarden) te zijn, die zich aangepast hebben aan het open grasland, dat ongeveer 8 Ma geleden ontstond door de toenemend seizoensgebonden klimaten. Hun fossielen zijn relatief welbekend. De vroegste zijn de

Het geslacht Homo[bewerken]

Evolutie van de mens tot 2 miljoen jaar geleden
Kaart van vroege menselijke migraties volgens de mitochondriale populatiegenetica (getallen geven het aantal millennia voor heden aan). De letters op de pijlen geven groepen mensen aan die tot dezelfde mitochondriale haplogroep behoren. Haplogroepen zijn een soort genetische indeling waarbij mensen worden ingedeeld op basis van de overeenkomstige variatie in hun mitochondriale DNA.

In de tegenwoordig gehanteerde taxonomie is de mens (Homo sapiens) de enige nog overlevende soort van het geslacht Homo, hoewel er wel stemmen zijn opgegaan om de mens met de twee soorten chimpansees in één geslacht te plaatsen. Het nog steeds doorgaande onderzoek naar de wortels van de mens laat zien dat er andere, nu uitgestorven, soorten zijn geweest. Sommige van deze soorten zijn misschien de voorouders van de mens geweest, terwijl er waarschijnlijk vele soorten "neven" van ons zijn geweest, die verder afgesplitst zijn van onze ouderlijke lijn. Op dit moment is er geen overeenstemming tussen onderzoekers welke van deze groepen beschouwd moeten worden als aparte soorten of als ondersoorten van een andere soort. In sommige gevallen is dit een gevolg van de schaarste aan fossielen, in andere gevallen van de geringe verschillen gebruikt voor de indeling (classificatie) van de soorten in het geslacht Homo.

Het Latijnse woord homo betekent "persoon" en is oorspronkelijk door Carolus Linnaeus gekozen in zijn classificatiesysteem. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar het artikel over de mens.

Expansie buiten Afrika[bewerken]

Algemeen wordt voor de begintijd van de moderne mens, de cro-magnonmens, de grens van 200.000 jaar v.Chr. genomen. De fysieke kenmerken zijn bijna gelijk aan de moderne mens en de technologie was al redelijk ver gevorderd. De grens met een geleidelijke evolutie is enigszins arbitrair en vatbaar voor discussie. De expansie van de moderne mens over heel de wereld begon rond 71.000 v.Chr. vanaf de kustgebieden van Zuid-Afrika. De verspreiding van de moderne mens ging snel en had grote ecologische gevolgen door het uitsterven van veel diersoorten.

  • 71.000 tot 70.000 v.Chr.: spreiding in Afrika. (Door een glaciale periode tussen 74.000 en 60.000 jaar v.Chr. verslechterde de leefbaarheid van veel gebieden in Afrika. De nieuwe mens kon zich evenwel beter aanpassen aan de omstandigheden)
  • 70.000 tot 55.000 v.Chr.: spreiding naar het Midden-Oosten.
  • 45.000 v.Chr.: aankomst in West-Europa en het uitsterven van de neanderthaler. Er was wel beperkte genetische uitwisseling, waarbij ongeveer 1 tot 4% DNA bij West-Europeanen van neanderthaleroorsprong is. De wolharige mammoet, wolharige neushoorn, reuzenhert en holenbeer stierven uit.
  • 55.000 v.Chr.: aankomst in Zuidoost-Azië. De denisovamens stierf uit.
  • 45.000 v.Chr.: aankomst in Australië. Dit is gebeurd met zeewaardige boten. Hier was geen eerdere menssoort en veel diersoorten stierven uit.
  • 40.000 v.Chr.: oversteek naar Tasmanië. Ook hier stierven veel diersoorten uit.
  • 35.000 v.Chr.: uitbreiding naar Arctische gebieden
  • 14.000 v.Chr. : aankomst in Amerika. Binnen een paar millennia bereikte de mensheid het uiterste zuiden van Zuid-Amerika. Uitsterven van de megafauna in Noord-Amerika.

Alleen Madagaskar (tot rond het jaar 0) en sommige eilanden bleven vrij van mensen tot in de moderne tijd.

Een mogelijke verklaring voor het succes van deze mensensoort is volgens sommige geleerden is dat de mensheid in de Afrikaanse zuidkustgebied versneld evolueerde door de hevige territoriale strijd voor de schaarse voedselbronnen van schelpdieren aan de kust.[1] Volgens deze hypothese heeft het alleen zin om tijd en energie te besteden aan het verdedigen van territorium, als er een grote en betrouwbare voedselbron is.[2] Alleen goed georganiseerde grote groepen (stammen) konden zich handhaven en indien nodig verzamelen, maar ook in kleine groepen leven. Dit vereist een grote samenwerking binnen en buiten de groep. Bovendien ontwikkelden ze effectieve projectielwapens (o.a. pijl en boog), waarmee vijanden bestreden konden worden en de jacht vergemakkelijkt en minder gevaarlijk werd.[3]

Gebruik van werktuigen[bewerken]

Het gebruik van werktuigen is niet alleen een teken van intelligentie, maar heeft mogelijk ook de evolutie van de mens beïnvloed. Gedurende de laatste 2 of 3 miljoen jaar is het menselijk brein driemaal zo groot geworden. Een brein vraagt veel energie en dat van de hedendaagse mens gebruikt ongeveer 20 watt (ongeveer 1675 kilojoule of 400 kilocalorie per dag), hetgeen overeenkomt met een vijfde van de totale menselijk energieconsumptie. Vroege hominoïden, zoals apen, waren hoofdzakelijk planteneters (vruchten, bladeren en wortels), nu en dan aangevuld met vlees, meestal aas. Vlees heeft een hogere voedingswaarde dan plantaardig voedsel, maar voor het jagen op grote dieren waren werktuigen zoals speren onontbeerlijk. Door het vervaardigen van deze werktuigen werd het brein groter en meer complex, waardoor er weer meer inventieve (vernieuwende) en efficiëntere werktuigen gemaakt konden worden. Wanneer precies begonnen werd met het maken van werktuigen is moeilijk aan te geven, omdat de meest primitieve werktuigen moeilijk te onderscheiden zijn van natuurlijk gevormde voorwerpen. Er is enig bewijs dat de australopithecinen (4 miljoen jaar geleden (4Ma)) gebroken beenderen als werktuig gebruikten, maar dit is nog aan discussie onderhevig.

Stenen werktuigen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Stenen werktuigen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De oude steentijd begint ergens tussen 2 en 5 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika, toen de eerste hominiden (Homo habilis) gereedschappen uit steen gingen maken. Dit waren kiezelsteenwerktuigen en bijlen, die gemaakt werden door ronde kiezelstenen doormidden te slaan. Het is echter buitengewoon moeilijk met zekerheid te zeggen of een losse steen ('zonder context') met een breukvlak en een scherpe kant het resultaat is van een bewuste bewerking of van een toevallige gebeurtenis; die beslissing wordt veel gemakkelijker door het vinden van grote aantallen van dergelijke stenen in lokale concentraties waar ze op andere, overigens vergelijkbare plaatsen ontbreken. De oudste vondsten zijn daarom altijd controversieel.

De periode van 700.000 – 300.000 jaar geleden is ook bekend als het Acheuléen, toen Homo ergaster (of erectus) grote stenen handbijlen maakte uit vuursteen en kwartsiet. In het begin waren deze werktuigen vrij grof gemaakt (Vroeg Acheuléen), maar in de latere periode verfijnd door meer kleine slagen aan de kanten van de steensplinters.

350.000 jaar geleden werd de meer verfijnde zogenoemde Levalloistechniek ontwikkeld. Hierbij werden door een serie van opeenvolgende slagen schrapers, snijwerktuigen, naalden en platte naalden gemaakt. 50.000 jaar geleden werden door de neanderthalers en de geïmmigreerde cro-magnonmensen steeds meer verfijnde en gespecialiseerde vuursteenwerktuigen gemaakt, zoals messen en klingen. In deze periode werd ook begonnen met het maken van werktuigen uit botten.

Gebruik van vuur[bewerken]

Het gebruik van vuur was van groot belang in de ontwikkeling van de mens. Het verhitten van voedsel maakte veel meer voedselbronnen beschikbaar. Veel planten zijn pas eetbaar nadat ze gekookt zijn. Vlees wordt veel eerbaarder na verhitting. De oudste erkende kampvuurresten zijn van ongeveer 790.000 jaar geleden[4], hoewel er indicaties van zijn vuurhaarden van menselijke oorsprong van 1 miljoen tot 1.5 miljoen jaar geleden. Ook zijn er gefossiliseerde mensachtige voetstappen op verschillende plaatsen en periodes gevonden. De oudste is 3,6 miljoen jaar geleden.[5].

Ontwikkeling van taal[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Taal#Oorsprong van de gesproken taal

Rondom de evolutionaire geschiedenis van de menselijke taal zijn nog veel vragen onbeantwoord. Taal laat geen fossielen achter en daarbij heeft de mensheid in haar geschiedenis tot voor kort weinig aandacht besteed aan de ontwikkeling van taal. Gesproken taal bestond immers al lang voordat bijvoorbeeld het schrift werd uitgevonden. De Universiteit van Oxford bestudeert het zogenaamde FOXP2-gen. Dit specifieke onderzoek vond zijn oorsprong in het bestuderen van een 16-tal mensen uit één familie waarvan velen met een spraakgebrek. Hierbij hebben de wetenschappers met succes het afwijkende FOXP2-gen geïsoleerd. Andere wetenschappers daarentegen zijn nog niet overtuigd dat er een verband bestaat tussen de eerste ontwikkeling van taal en mutatie in dit gen.

Hoe dat ook zij, in het algemeen wordt aangenomen dat de ontwikkeling van taal samenhangt met de geleidelijke toename van de hersenmassa (en daarmee gepaard gaande intelligentie), of de ontwikkeling van een klein gebiedje in de hersenen (module) wat deze taken op zich neemt. De KNAW is eveneens bezig met een project dat de evolutie van taal bestudeert. Een project liep van januari 2007 tot december 2011.

Hybridisatie[bewerken]

Bij het ontstaan van de anatomisch moderne mens heeft vermenging met andere mensensoorten een rol gespeeld. De neanderthaler en de Homo denisova hebben een belangrijke bijdrage aan het menselijke DNA geleverd.[6][7] Zo heeft de mens 2,5% neanderthaler-DNA in zich, behalve de mensen die uit Afrika ten zuiden van de Sahara afkomstig zijn, zij hebben geen neanderthalergenen. Aboriginals hebben ook 2,5% neanderthaler-DNA, maar ook nog 5% denisova-DNA.[8] Het afweersysteem van de huidige mensen is van hen grotendeels afkomstig. Hierdoor konden de moderne mensen met ziekten omgaan die niet in Afrika voorkwamen. Hierdoor werden de moderne mensen gevoeliger voor auto-immuunziekten, zoals mogelijkerwijs het Behçet-syndroom, een zeldzame en chronische inflammatoire aandoening.[9]

Bij Afrikanen ten zuiden van de Sahara zijn eveneens DNA-sporen van een of meer archaïsche mensensoorten aangetroffen.[10] Welke rol dit DNA-materiaal bij de menselijke evolutie heeft gespeeld, is onduidelijk.

Deze vermenging wordt bevestigd door een hernieuwde analyse van een schedelfragment dat in 1965 gevonden is in Nigeria.[11] Hieruit blijkt dat deze schedel over zowel archaïsche als moderne kenmerken beschikt. Bovendien laat de ouderdom van 13.000 BP zien dat de moderne mens en archaïsche mensen nog zeer recent met elkaar omgingen.

Tabel met Homo-soorten[bewerken]

Over de dun gedrukte soorten is nog veel discussie over het feit of ze wel aparte soorten zijn.

soort periode
(Milj. jaren)
locatie lengte (cm) gewicht (kg) hersenvolume (cm³) als fossiel gevonden ontdekking / publicatie
H. habilis 2,5–1,5 Afrika 100–150 30–55 600 veel 1960/1964
H. rudolfensis 1,9 Kenia     750 2 schedels 1972/1986
H. georgicus 1,8–1,6 Georgië 150   600-680 weinig 1999/2002
H. ergaster 1,9–1,25 O. en Z. Afrika 190   700–850 veel 1975
H. erectus 2(1,25)–0,3 Afrika, Eurazië (Java, China, Kaukasus) 180 60 900–1100 veel 1891/1892
H. cepranensis 0,8? Italië     1200 1 schedelkap 1994/2003
H. antecessor 0,8–0,35 Spanje, Engeland 175 90 1000 3 plaatsen 1997
H. heidelbergensis 0,6–0,25 Europa, Afrika, China 180 60 1100–1400 veel 1908
H. neanderthalensis 0,23–0,03 Europa, W. Azië 160 55–70 (zwaar gebouwd) 1200-1700 veel (1829)/1864
H. rhodesiensis 0,3–0,12 Zambia     1300 zeer weinig 1921
Gawisschedel 0,5–0,25? Ethiopië       1 schedel 2006
H. sapiens sapiens 0,25–heden wereldwijd 140–190 55–80 1000–1850 leeft nog steeds —/1758
H. sapiens idaltu 0,16 Ethiopië     1450 3 schedels 1997/2003
H. floresiensis 0,10–0,012 Indonesië 100 25 400 1 schedel, botten van 7 individuen 2003/2004
H. denisova 0,20-0,029 Siberië (Altai-gebergte)  ?  ?  ? 1 vingerbotje meisje, maaltand van een volwassen man. Een teen van een jonge man. 2000/2008 en 2011

Een belangrijke vraag is hoe de laatste stadia van de evolutie van de mens, vanaf het ontstaan van H. habilis, zijn verlopen. Al geruime tijd is er een verhit debat aan de gang over de vraag of de moderne mens afstamt van

  • een kleine groep in Afrika die zich vrij kort geleden over de hele wereld heeft verspreid en daarbij andere vormen uit het geslacht Homo, vooral H. erectus, heeft verdrongen (bekend als de Out of Africa)

of van

  • een groep H. erectus, die zich veel eerder over de aarde heeft verspreid en door genetische uitwisseling toch één soort is blijven vormen (het zogenaamde multiregionale model).

Permanente evolutie[bewerken]

De evolutionaire ontwikkeling van de Homo sapiens is niet tot stilstand gekomen. Natuurlijke omstandigheden, zoals het klimaat en geografische ligging vormen belangrijke evolutionaire factoren. Daarnaast zijn met de komst van de landbouw en veeteelt de leefomstandigheden, eetpatronen en samenlevingsvormen van de mens veranderd. De veel grotere gemeenschappen die landbouw mogelijk maakte en de bestaan van steden met veel mensen, maakte de mens veel kwetsbaarder voor allerlei besmettelijke ziekten. De grotere gemeenschappen maken ook meer takenverdelingen en specialisaties mogelijk. (De vroegere mens was meer een alleskunner.) De evolutionaire druk werkt dan ook in andere richting dan vroeger met alleen jager-verzamelaarstammen.

Onderzoeken laten zien dat de moderne mens zich sinds 40.000 jaar geleden genetisch snel aan het veranderen is. Dit is na de introductie van de landbouw aan het versnellen.[12] De Amerikaanse antropologen Henry Harpending en John Hawks vergeleken 270 mensen van vier verschillende etnische groepen: Chinezen, Japanners, de Noord-Europeanen en bewoners uit Afrika, (Yoruba) uit Nigeria.[13][14] Minstens 7 procent van de genen zijn in de laatste 5000 jaar veranderd. Zo heeft de mogelijkheid om ook als volwassenen lactose te kunnen verteren zich tussen de 10.000 en 6.000 jaar geleden verspreid. Lactose moet na consumptie in de dunne darm gesplitst worden door het enzym lactase in kleinere suikers, glucose en galactose. Het lichaam kan namelijk alleen deze kleinere suikers opnemen en als energiebron gebruiken. Op het moment dat het enzym lactase ontbreekt of onvoldoende aanwezig is, wordt lactose niet gesplitst en kan het lichaam deze niet opnemen. De lactose komt terecht in de dikke darm waar het gaat gisten en kan leiden tot verschijnselen als overmatige gas- en zuurproductie, opgeblazen gevoel, winderigheid en diarree. In dat geval spreken we van lactose-intolerantie. Nu kan er bij circa 95 % van alle mensen zowel uit Noordelijk Duitsland als bij de Massai deze genetische aanpassing worden geconstateerd. In Zuid-Europa, Azië en ook Afrika ligt het percentage lactose-intolerantie beduidend hoger. Deze snelle evolutionaire aanpassing had te maken met de opkomst van veeteelt. Melk en andere melkproducten konden gegeten worden, waardoor een extra voedselbron aangeboord werd. Deze genetische aanpassing hield in dat de betreffende mensen een hogere overlevings- en voortplantingskans hadden.

Ook urbanisatie is een selectieve evolutiefactor die geleid heeft tot genetische veranderingen bij de moderne mens. Een nieuw onderzoek van Barnes et al. toont aan dat in die gebieden met een lange geschiedenis van stedelijke nederzettingen bij de huidige inwoners vaker de genetische variant aangetroffen wordt die weerstand biedt tegen besmetting door tuberculose en lepra.[15]

Volgens Cochran en Harpending gaan de mensen ten gevolge van de enorme bevolkingsgroei en veranderende levensomstandigheden genetisch gezien meer en meer van elkaar afwijken.[12] Pas als de bevolkingsgroei en de leefsituatie stabiliseren zal deze ontwikkeling gestopt worden. Volgens een studie van de Universiteit van Oxford, gepubliceerd in het tijdschrift Biology Letters, hebben mensen in het noordelijke deel van de wereld grotere hersenen en ogen.[16] De hersenen van noordelingen zijn groter omdat ze meer 'visieruimte' in hun hersenen nodig hebben. Zo kunnen zij omgaan met het weinige licht op hoge breedtegraden. Om diezelfde reden zijn ogen van noordelingen ook groter. Verder van de evenaar is er minder licht beschikbaar, waardoor mensen steeds grotere ogen moesten ontwikkelen. Hun hersenen hebben bovendien meer ruimte nodig voor de extra visuele input. Het heeft niets te maken met intelligentie.

Omgevingsaanpassingen[bewerken]

Tibetaanse hooglandbewoners waren van oorsprong Han-Chinezen, maar wijken nu in enkele opzichten genetisch van deze af.[17] Zij hebben een gen dat het vermogen van de longen om zuurstof op te nemen verbeterd heeft. Dit is opmerkelijk. Wanneer het lichaam geconfronteerd wordt met een milieu met een lage zuurstofconcentratie, reageert het gewoonlijk door het vormen van meer rode bloedcellen, waarin zich hemoglobine bevindt dat de zuurstof bindt. Met uitzondering van de Tibetaanse hooglanders hebben andere hooglandvolkeren, bijvoorbeeld de inwoners van het Andesgebergte in Zuid-Amerika, een blijvend verhoogde hemoglobinewaarde. Opmerkelijk is dat het bloed van het Tibetaanse hooglandvolk even weinig hemoglobine bevat als dat van mensen die op zeeniveau leven. Dit kenmerk wordt gestuurd door een gen dat EPAS1+ wordt genoemd. De onderzoekers vonden een speciale variant van deze erfelijke factor bij slechts negen percent van de Han-Chinezen. Daartegenover werd bij 87 percent van Tibetaanse volk dit gen aangetroffen. Een aanwijzing voor het feit dat werkelijk dit gen de oorzaak van dit mechanisme is: als een Han-Chinees van het vlakke land naar de bergen reist, stijgt zijn hemoglobinewaarde. Hij reageert dus op de gebruikelijke manier op grote hoogten.

Deze reactie van het lichaam op grote hoogten heeft grote nadelen: door een verhoogd aantal rode bloedcellen wordt het bloed dikker. De vaten slibben sneller dicht. Daardoor neemt het risico op cardiovasculaire ziekten en trombose enorm toe. Ook komt de doorbloeding van de placenta van zwangere vrouwen in het gedrang, zodat het ongeboren leven te weinig voeding krijgt. Kinderen komen dan ook vaak met een te laag gewicht ter wereld. De Tibetaanse bevolking heeft dus een voor hun gunstige oplossing voor dit probleem verworven. Wellicht zorgt het betreffende gen voor een beter transport van zuurstof. Deze aanpassing vond zeer snel plaats. Rond 2750 voor Christus vestigden zich Han-Chinezen op de Tibetaanse hoogvlakte. Hieruit is het Tibetaanse volk ontstaan met een eigen cultuur en een genetische aanpassing aan het leven op grote hoogten.

Bij de menselijke evolutie speelt ook de aanpassing aan ziekten een rol. Sikkelcelanemie is hiervan een goed voorbeeld. Sikkelcelanemie is een recessief overervende aandoening, waarbij het hemoglobine abnormaal is. Deze afwijking komt vooral voor in etnische groepen uit landen waar malaria heerst. Degenen die heterozygoot zijn voor de afwijking hebben evolutionair gezien een grotere overlevingskans in malariagebieden. Dit komt doordat de malariaparasiet zich in bloedcellen met hemoglobine S minder makkelijk kan handhaven. In normale bloedcellen kan deze parasiet zich wel vermenigvuldigen. In die gebieden is deze afwijking een voordeel. Onduidelijk is hoe snel deze aanpassing heeft plaatsgevonden. Dat het voorkomen van sikkelcelanemie niet verdwenen is daar waar malaria uitgeroeid is, heeft wellicht te maken met de menselijke zorg, cultuur. Mensen met deze afwijking blijven in leven en kunnen zich voortplanten. Ook dit toont dat natuurlijke selectie een rol speelt: het aantal mensen met sikkelcelanemie neemt af waar malaria niet endemisch is. In de Verenigde Staten, waar malaria bijna niet voorkomt, lijdt circa 0,25% van de Afro-Amerikanen aan deze erfelijke ziekte. In West-Afrika heeft circa 4% van de bevolking de sikkelcelziekte.

Ook huidskleur toont aan dat de mens zich aan zijn omgeving heeft aangepast, maar dat hij door zijn cultuur een actieve rol in zijn eigen evolutie speelt.[18] Een donkere huidskleur biedt betere bescherming tegen de zon dan een lichte huid. Daarom hebben mensen met een donkere huidskleur in gebieden waar de zon veel schijnt een voordeel ten opzichte van mensen met een lichtere huidskleur. Hierdoor werd in de loop van de tijd een donkere huidskleur uiteindelijk een erfelijke eigenschap binnen een bepaalde bevolkingsgroep. Een donkere huidskleur is nadelig in geografische gebieden waar het minder licht is. Vitamine D wordt in de huid gevormd onder invloed van zonlicht. Een donkere huid maakt minder vitamine D aan. Een tekort kan de botvorming verstoren. In de VS bij de gekleurde inwoners bestaat er veelal een chronisch tekort aan vitamine D. Dit moet aangevuld worden door vitamine D-rijk voedsel of medicijnen. Door achter de oorzaak van verschillende botziekten ten gevolge van vitamine D-deficiëntie te komen heeft de mens vele nadelige kanten van het hebben van een donkere huid kunnen oplossen.

De invloed van de cultuur zien we vooral bij de genetische kenmerken de kleur van de ogen en bleke huidskleur.[19] Bij een ander onderzoek onderzochten wetenschappers intensief het menselijke genoom. Op meer dan 300 plaatsen in het erfelijke bezit zijn in een zeer korte tijd veranderingen opgetreden. Één van deze recente mutaties betreft de genen die bij de Noord-Europeanen een bleke huid en de blauwe ogen veroorzaken. Dat deze eigenschappen zich konden doorzetten heeft wellicht te maken gehad met de partnerkeuze: het werd wellicht als aantrekkelijk ervaren.[14]

Bekende onderzoekers naar de evolutie van de mens[bewerken]

Zie ook[bewerken]