Ewald Marggraff

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Willem Frederik Ewald Marggraff (Vught, 9 juni 1923 — Vught, 7 december 2003) was een Nederlandse telg uit een juristenfamilie, miljonair, grootgrondbezitter en excentriekeling uit de provincie Noord-Brabant.

Centraal in zijn leven stond het Vughtse familielandgoed met bijbehorend gebouw Zionsburg. Dit voornamelijk door de meubelontwerper Stracké ontworpen en ingerichte verblijf in neorenaissance stijl, was de plek waar Marggraff opgroeide, het grootste deel van zijn leven verbleef en waar ook veel om te doen is geweest.

Levensloop[bewerken]

Marggraffs grootvader heette Johan (1848) en was getrouwd met Harkema-Bekker (1850). Ewalds vader heette Willem Johan Lodewijk (roepnaam Loke) en zijn moeder Catharina Schran. Het echtpaar kreeg 7 kinderen. Een zoontje met blonde krullen, Johan Lodewijk, roepnaam 'Jantje', overleed op 2-jarige leeftijd aan een inenting met koepokstof. Tevens was er nog een dochtertje Johanna, dat 10 dagen oud werd. Verder kreeg Ewald nog 4 zussen. Zijn oudoom Johan C. Marggraff, getrouwd met Berdina Harkema-Bekker, wonend op de Leeuwenburg, was burgemeester van Vught geweest. Deze is later in Luzern begraven.

Al vanaf de eerste Marggraffs in 's-Hertogenbosch staat de naam synoniem voor bezit. Akten uit 1767, opgetekend door notaris Everardus van Bruggen, maken al melding van de vele eigendommen van de koopman Ludewig Marggraff: huizen aan de Markt, Hinthamerstraat en de Colperstraat, weilanden in Deuteren, onder Empel en Nuland en bezittingen in Vught. Op de lijst van 31 rijkste Bosschenaren met het hoogste inkomen in 1873 neemt de protestantse kantonrechter L.W. Marggraff met 17.000 gulden een plaatst in de ‘middenmoot’ in.

Jhr. Charles Pierre de Grancy is gehuwd met jonkvrouwe Wilhelmina Martini van Geffen. Het gezin komt op Zionsburg te wonen in 1869. Als Charles in 1874 vlak na de dood van zijn zoon overlijdt, ziet de weduwe het niet zitten om alleen in het verblijf Zionsburg te wonen en wil de buitenplaats in delen verkopen. Maar als bij de verkoping in café 'het oude bijltje' Mr. J.L. Marggraff met een bod van f 51.560 iedereen overtroeft, krijgt hij het hele landgoed in beheer. Enige aanpassingen worden gedaan aan het oude Zionsburg. Johan Willem Lodewijk legt op 16 augustus 1882 op 4-jarige leeftijd de eerste steen van het nieuwe Zionsburg. Vader Johan Lodewijk overlijdt in 1911 op Zionsburg. Zijn zoon Lodewijk is inmiddels 33 jaar, nog vrijgezel en heeft rechten gestudeerd. Zijn moeder overlijdt in 1915. Loke blijft alleen op Zionsburg achter. Lodewijk woont enige tijd samen met een Maria maar na diens overlijden in 1918 komen er drie zusters met de naam Schran in dienst. Met de jongste, Katarina, trouwt hij ten slotte.

Marggraff beschikte ook over een eigen familiewapen; dit bestond uit drie klokken, ontworpen door een zekere Von Glockmann. Voorts was hij er enorm trots op dat een van zijn voorvaderen, Andreas Marggraff, in 1747 had uitgevonden dat je suiker uit suikerbieten kon halen.

Marggraff bracht zijn middelbareschooltijd door aan het Stedelijk Gymnasium te 's-Hertogenbosch tevens studeerde hij aan het gymnasium in Zutphen, en studeerde daarna rechten aan de Universiteit Utrecht. Vervolgens rondde hij zijn studie privaatrecht af in Parijs. Tijdens de oorlog zat hij net zoals zijn vier zussen ondergedoken op verschillende adressen in Nederland. Zionsburg werd gevorderd en een groot deel van de inboedel werd opgeslagen in de toren, oorspronkelijk behorende bij de Hervormde Kerk, te Vught. Deze dorpstoren staat los van de kerk en is gemeentebezit. De familie kreeg 24 uur de tijd het huis te ontruimen maar deed er uiteindelijk drie dagen over. Pas aan het einde van de oorlog werd de familie weer herenigd. Tevens zorgden Ewald en zijn vader ervoor na een financiële deal dat de Duitsers de Vughtse Toren en Zionsburg bij hun aftocht in oktober 1944 niet zouden opblazen.

Marggraff ging vervolgens een bijzondere rol vervullen daar hij het aanzienlijke familiebezit waaronder alle landerijen, boerderijen en huizen, allemaal in eigen beheer probeerde te houden, iets wat hem grotendeels lukte terwijl de meeste adellijke families in de twintigste eeuw hun bezit geleidelijk moesten afstoten. Marggraff slaagde hierin door na het openvallen van de erfenis van zijn vader Lodewijk zichzelf al het onroerend goed te laten toebedelen. Vervolgens kocht hij zijn zusters uit en voerde daarna simpelweg geen onderhoud meer uit. Zijn vader was in 1954 in de Zuid-Franse badplaats Nice aan zijn einde gekomen vanwege de gevolgen van zijn opsluiting (van 15 maanden) na de Tweede Wereldoorlog in het interneringskamp in Vught alsmede zijn gijzeling tijdens de oorlog in Beekvliet. Ewald zijn moeder overlijdt in 1977.

Rechtszaken die voortvloeiden uit zijn grote bezit en de wijze waarop hij daarmee omging, deed hij in de meeste gevallen zelf, dat kostte hem niets (hij was immers jurist) waardoor hij in het oneindige kon doorprocederen.

De relatie met de overheid, in het bijznder de gemeente Vught, was door de dood van zijn vader vanwege diens onterechte plaatsing in het interneringskamp (een valse verklaring destijds afgelegd door de later bekende Albert Swane, Lodewijk zou volgens hem aan de Duitsers verraden hebben dat iemand fietsen bezat) erg slecht. Jarenlang had Marggraff daarom hierover een correspondentie met diverse overheidsinstanties gevoerd totdat hij van de minister zelf een excuusbrief had gekregen en een tegemoetkoming.

Vervolgens dook er een nieuw probleem op. De grond waarop de dorpstoren stond was ook van de familie Marggraff die aan de bestemming van groenvoorziening vasthielden. Het terrein gaf toegang tot de kerk en tegen de afspraken werden er door de gemeente parkeerplaatsen op aangelegd.

Marggraff had inmiddels de Monagaskische nationaliteit aangenomen om zodoende de belasting te omzeilen en bleef 'gedoogd' in Vught wonen. Pogingen van verschillende overheden om delen van zijn vervallende bezit te onteigenen saboteerde hij met eindeloze chicanes wat verdere ingrepen afschrikte. In een interview met De Gelderlander van juni 2003 beweerde Marggraff dat hij nog ruim vijfhonderd percelen bezat en hij zeker miljardair was. In 1998 was zijn vermogen echter geschat op veertig miljoen gulden; het verschil kon ten dele verklaard worden door aan te nemen dat Marggraff het alleen over de activa had gehad en de passiva buiten beschouwing had gelaten. Zijn buitenlandse vermogen dat bij een enkeling bekend was, zou Marggraff een plaatsje in de top 100 van de Quote hebben bezorgd.

In de jaren zeventig werd Marggraff in krantenberichten en door tegenstanders vaak als "asociaal" afgeschilderd, als iemand die het vermeende eigenbelang voor liet gaan boven dat van de gemeenschap. Dat werd verergerd doordat hij zich in de vele interviews (menig journalist vond hem een dankbaar onderwerp) zeer laatdunkend over overheid, socialisten en de kerk uitliet. Naarmate hij ouder werd, riep zijn excentrieke gedrag echter steeds meer vertedering op. Ook begon de milieubeweging te begrijpen dat de wildernis waarin zijn landgoederen langzaam veranderden juist een grote natuurwaarde bezat en al het ideaal van het "natuurlijk bos" belichaamde. De omvang van de stukken grond zijn minimaal 689 hectare. Men kan eigenlijk vanuit Vught over de landerijen naar Nijmegen lopen kilometers lang.

Marggraff wist bij dit alles slim te manoeuvreren. Een prachtig voorbeeld hiervan was het volgende: het honderden jaren oude pand Parva Domus aan de Taalstraat zou als monument moeten worden aangemerkt met als gevolg dat Marggraff deze verplicht zou moeten opknappen. Na jaren over en weer hierover allerlei rechtszaken te hebben gevoerd moest er uiteindelijk een besluit komen. Marggraff voerde als argument tegen het opknappen echter steeds aan dat het gebouw keer op keer verbouwd was en dus niet meer als monument kon worden beschouwd. Tijdens de rechtszaak waren er twee afgevaardigden van de gemeente Vught die tijdens deze laatste zitting het onverwachte ultieme bewijs van het tegendeel meenden te hebben gevonden: foto's van balken van de zolder van het pand met brandmerken uit de 17e eeuw. Marggraff had dit totaal niet verwacht. Hij dacht echter twee seconden na en zei toen: "Ach het pand is na de Tweede Wereldoorlog gerestaureerd en die bewuste balken komen van een oude boerderij ter restauratie." Het resultaat was dat het pand niet op de monumentenlijst kwam, ging vervallen en uiteindelijk werd afgebroken. Het pand had echter wel degelijk historische waarde: vanaf 1620 woonde er de adellijke familie Van der Stegen. Nicolaas van der Stegen 'de jonge' was de secretaris van Willem van Oranje. Hierdoor kreeg het de bijnaam 'den prince van Oranje' mee. Aan het einde van de 17e eeuw werd het huis een herberg, nadien werd het gesplitst in twee woonhuizen; het heette toentertijd Domus Rosalia welke naam later werd veranderd in Parva Domus. Het oorlogsgeweld bracht grote schade toe waarna het huis nog eenmaal een kleine restauratie kreeg in 1955. Na het afbreken van het pand zou Ewald 100.000 gulden krijgen, dit heeft hij echter nooit gehad van de gemeente. Tevens heeft Ewald met succes gestreden tegen de afbraak van Villa Leeuwenburg, dit wilde de gemeente ter uitbreiding van een bejaardenhuis. De Villa staat er dankzij hem nog steeds.

De brand in 2003[bewerken]

Marggraff die nooit getrouwd was geweest, weliswaar toch van vrouwen hield maar nog meer van zijn vrijheid, leefde op het eind van zijn leven samen met zijn hond Fokkie als - zoals hij het zelf graag placht uit te drukken - "kasteelheer" op het landgoed Zionsburg in het hart van Vught.
Het hele landgoed had geen enkele beveiliging, alleen de vaste mensen die er kwamen hielden een oogje in het zeil. Een hond was de beste bewaking volgens hem. Een snoer van een camera was immers volgens hem makkelijk door te knippen...
In de nacht van 6 op 7 december brak er echter brand uit in zijn landhuis, vermoedelijk na een inbraak. Marggraff wist nog de trap af te komen maar raakte in de hal door de rook bedwelmd. Omstanders wilden hem redden maar de brandweer verhinderde dat vanwege het instortingsgevaar. Daarnaast verkeerde deze in de veronderstelling, dat Marggraff op dat moment in Monaco verbleef. De volgende morgen werd zijn stoffelijk overschot vlak bij de voordeur teruggevonden; dat van zijn hond lag in de keuken. De brand zou zijn ontstaan door een kachel in de bibliotheek die echter (naar wat wordt beweerd) al jaren niet meer functioneerde. Aangezien er een grote discussie ontstond in Vught over het optreden door de brandweer (de bovenverdieping stond in vuur en vlam maar de benedenverdieping nog niet, toch ging men niet naar binnen), vond er een speciale voorlichtingsavond plaats, waarbij de brandweer haar manier van werken toelichtte. Tevens heeft een goede huisvriend genaamd Boudewijn Reijenga die er al veertien jaar kwam, maandenlang gecorrespondeerd met alle mogelijke instanties voor een heronderzoek. Deze meende, net als Ewalds zussen, dat Ewald onder meer zou zijn afgeperst. Pas na een persoonlijke brief van hem aan commissaris van de Koningin van Noord-Brabant Hanja Maij-Weggen heeft zij de recherche van Vught de opdracht gegeven de zaak te heronderzoeken. Inmiddels is een deel van het koetshuis ook afgebrand; wederom kon de brandweer niet verklaren wat de oorzaak was.

Na de brand[bewerken]

Na een speciale vergunning werd hij op 5 maart 2004 op de Zionsburg begraven, in bijzijn van zijn zussen, een nichtje en de burgemeester van Vught. De erfboedel werd daarna door de Erven Marggraff voorlopig onverdeeld gelaten en als een apart afgescheiden vermogen beheerd dat later werd omgezet in de Marggraff Stichting.

Deze stichting omvat de landgoederen Zionsburg, de Elzenburg, het Kapellebos te Vught, belangrijke delen van Noord-Brabants grootste loofbos De Geelders en het immens grote Wilhelminapark (vernoemd naar een oudtante) te Boxtel, tezamen zo'n zevenhonderd hectare. Het onderhoud aan deze gebieden is weer ter hand genomen onder leiding van F. Bevort wat al tot protesten heeft geleid vanwege de boskap waarmee het gepaard gaat; sommige bomen waren levensgevaarlijk omdat ze hol waren, boven weilanden en spoorlijnen hingen en daardoor wel gekapt moesten worden.

In november 2007 verscheen Het geheim van Zionsburg, een geschiedenisboek waarin Ewald Marggraff een sleutelpersonage is en waarin gespeculeerd wordt over de rol van Zionsburg in de Nederlandse historie.

Affaires[bewerken]

Beruchte affaires uit het leven van Marggraff waren:

  • Zionsburg: de verhouding met de overheid en gemeente verslechterde pas goed toen zij de grond van zijn landgoed vlak na de Tweede Wereldoorlog voor slechts luttele guldens per meter over wilden nemen; Marggraff wist dit echter te verhinderen.
  • Jarenlang heeft er een procedure gelopen om een stukje grond van Ewald te onteigenen in Boxtel, Het Wilhelminapark. De gemeente wilde een fietsstrook aanleggen en wilde grond kopen. Een groot stuk van dit park had de gemeente onder water laten lopen om bij de hoge waterstand de huizen te beschermen. Ewald kreeg hier nooit een tegemoetkoming voor. De Boxtelse gemeente was dan ook 'exit' voor hem.
  • Aan het einde van zijn leven waren er legio boeren, pachters, de gemeente etc. die hun eigen stukken grond gingen vergroten ten koste van dat van Marggraff. Het was onmogelijk voor een oude man alleen om te controleren wie er nog pacht of huur betaalden.
  • Na het stukrijden van een zandovergang naar een perceel van Ewald door de gemeente tijdens het aanleggen van een weg stuurde Marggraff een brief naar de gemeente. Deze reageerde met excuses en voor snel herstel. Dit gebeurde echter niet, Ewald wachtte rustig twee jaar af om vervolgens een rechtszaak te winnen: hij kon jarenlang niet op zijn perceel komen en er kon geen maïs verbouwd worden. Enorme inkomstenderving was het gevolg waarvoor hij wel een grote vergoeding kreeg.
  • Parva Domus: een gebouw in de Taalstraat van Vught, waarbij Ewald na afbraak 100.000 gulden zou krijgen van de gemeente en deze nooit kreeg.
  • Vughterstraat 222-224: (destijds het kantoor van zijn vader waar ook zijn boekhouders werkten) deze panden aan een van de belangrijkste winkelstraten in 's-Hertogenbosch stonden al jarenlang te verkrotten toen nummer 224 op 4 oktober 1975 werd gekraakt. Dezelfde dag werden de krakers door de politie verwijderd maar ze kwamen de dag erop terug. Marggraff was in alle staten, de krakers hadden namelijk de mooie parketvloer gewoon als brandhout gebruikt terwijl het toch zijn eigendom betrof. Hij liet ze door een knokploeg eruit gooien. Op 23 april 1981 was er een tweede kraakpoging. Het pand werd tot een ware vesting omgebouwd die echter in augustus na enkele mislukte pogingen toch weer door een knokploeg van Marggraff werd ingenomen. In 1991 werd Margrraff door de gemeente 's-Hertogenbosch voor de keuze gesteld: óf restaureren óf onteigend worden. Marggraff liet echter alleen de voorgevel herstellen, sloopte het hele achterhuis en liet dat verder onafgebouwd. Het werd op 23 april 1996 weer gekraakt en vlak voor Marggraffs dood verkocht.
  • Kopsplateau te Nijmegen: Marggraff weigerde zijn perceel in dit gebied dat van archeologisch belang is vanwege de daarop gevonden grafheuvels en Romeinse bewoningsresten, aan de gemeente te verkopen.
  • Naar aanleiding van de brand op Zionsburg is er een nieuw onderzoek ingesteld, eventuele motieven zouden zijn het leegroven van het huis en het verduisteren van het buitenlands vermogen dat verdeeld stond over enkele rekeningen. Uit betrouwbare bron is al te melden dat het vermogen zowel in binnen als buitenland inmiddels enorm geslonken is en het hierdoor maar de vraag is of de stichting kan blijven voortbestaan.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]