Familiaire hypercholesterolemie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Esculaap Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.
Familiaire hypercholesterolemie
Coderingen
ICD-10 E78.0
ICD-9 272.0
OMIM 143890
DiseasesDB 4707
MedlinePlus 000392
eMedicine med/1072
MeSH D006938
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Familiaire hypercholesterolemie[1] (afgekort: FH) is een genetische aandoening die gekarakteriseerd wordt door hoge cholesterolniveaus. Voornamelijk het low-density-lipoproteïne (LDL cholesterol) is sterk verhoogd wat leidt tot vroegtijdig hart- en vaatlijden. Patiënten met FH hebben mutaties in het LDLR-gen dat codeert voor de LDL-receptor. Deze LDL-receptor verwijdert in de normale situatie het LDL uit de bloedsomloop. Daarnaast kan ook een mutatie opgetreden zijn in het gen dat codeert voor het apolipoproteïne B (ApoB). ApoB is het gedeelte van LDL dat interactie aangaat met de LDL-receptor. Patiënten met een normale en een abnormale kopie van het LDLR-gen (heterozygoten) vertonen vaak voortijdig hart- en vaatlijden (rond het 30e à 40e levensjaar). Heterozygote FH erft autosomaal dominant over. Patiënten met twee abnormale kopieën van het LDLR-gen (homozygoten) kunnen reeds in de kindertijd hart- en vaatlijden ondervinden. Hartinfarcten voor het 20e levensjaar kunnen bij deze patiënten voorkomen. Eén op de 500 neonati hebben heterozygote FH, homozygote FH is veel zeldzamer (1 op een miljoen nieuwgeborenen)[2].

De behandeling van heterozygote FH gebeurt normaalgezien met statinen of andere cholesterolverlagende middelen. Homozygote FH reageert doorgaans niet op farmacotherapie. Bij hen dient men over te gaan tot LDL-aferese (het verwijderen van LDL op een analoge manier als bij dialyse) of meer zelden, levertransplantatie[2].

Symptomen[bewerken]

Xanthelasma palpebrarum, Gele vlekken boven de oogleden bestaande uit cholesterol. Deze vlekken komen frequent voor bij patiënten met FH

.

Lichamelijke symptomen[bewerken]

Hoge cholesterolwaardes veroorzaken doorgaans weinig symptomen. Cholesterol kan opgeslagen worden in verscheidene locaties die van buitenaf zichtbaar zijn, bijvoorbeeld gele vlekken rond de oogleden (xanthelasma palpebrarum), een witte ring rond de buitenste rand van de iris (arcus lipoides) en bobbels op pezen (xanthoom)[2][3].

Cardiovasculaire aandoeningen[bewerken]

De toegenomen cholesteroldepositie in de wand van slagaders leidt tot atherosclerose, de onderliggende oorzaak van hart- en vaatlijden. Dit treedt voornamelijk op in de kransslagaders van het hart. Meer zeldzaam is atherosclerose in de slagaders van de hersenen en de perifere slagaders:

  • Atherosclerose van de kransslagaders treedt bij FH veel vroeger op dan in de brede populatie. Dit kan aanleiding geven tot angina pectoris en, in een later stadium, een myocardinfarct.
  • Atherosclerose van de slagaders in de hersenen komt minder frequent voor. Dit kan aanleiding geven tot een zogeheten transient ischemic attack (of TIA, dit is een kortdurende periode met zwakte van een lichaamshelft of onmogelijkheid te praten) en, in een later stadium, een herseninfarct.
  • Atherosclerose van perifere slagaders komt hoofdzakelijk voor bij FH-patiënten die roken. Bij hen kan pijn optreden tijdens het stappen die weggaat bij rust (claudicatio intermittens) en problemen met de bloedvoorziening van de voeten (zoals gangreen)[4].

Wanneer vetten de aortaklep (de hartklep tussen het linker ventrikel en de aorta) kan aortaklepstenose optreden[5]. In meer den 50% van de homozygote FH-patiënten (maar bijna niet bij heterozygoten) komt een vernauwing van de aorta voor boven het niveau van de aortaklep (supravalvulaire aortastenose)[6][7][8][9]. Aortastenose wordt gekarakteriseerd door kortademigheid, borstpijn en episodes van duizeligheid of flauwvallen.

Het risico op atherosclerose neemt toe met de leeftijd, bij roken, bij diabetici, hypertensie en een familiaal risico op hart- en vaatlijden[2][10].

Mutatie[bewerken]

Achter het klinisch beeld van FH gaat een complex genetisch patroon schuil. Het LDLR-gen is gelegen op chromosoom 19. Meer dan 900 mutaties werden geïdentificeerd die ondergebracht kunnen worden in vijf klassen[11]:

  • klasse 1: de minst voorkomende mutatie waarbij de synthese van het receptoreiwit geheel uitblijft;
  • klasse 2: het receptoreiwit wordt gesynthethiseerd maar niet getransporteerd van het endoplasmatisch reticulum naar het golgicomplex;
  • klasse 3: het receptoreiwit bereikt het celoppervlak maar is niet functioneel door een wijziging in het LDL-bindende domein van de receptor;
  • klasse 4: het receptoreiwit bereikt het celoppervlak en kan LDL binden, maar slaagt er niet in het LDL in de cel te internaliseren;
  • klasse 5: het receptoreiwit bereikt het celoppervlak, kan LDL binden en internaliseren, maar slaagt er niet in het gebonden LDL los te laten waardoor de receptor niet meer hergebruikt kan worden.

Diagnose[bewerken]

Lipidemeting[bewerken]

Cholesterolwaardes kunnen nagegaan worden als onderdeel van een lichamelijk onderzoek. Dit zal zeker gebeuren wanneer externe tekenen (bv xanthelasma en xanthoma) opgemerkt worden, wanneer zich tekenen voordoen van hart- en vaatlijden en er een familielid is met FH. Er wordt een patroon gevonden dat volgens de Fredrickson-classificatie kan ingedeeld worden als hyperlipoproteïnemie type II met volgende kenmerken:

  • verhoogd totaal cholesterol;
  • significant verhoogd LDL;
  • normaal HDL;
  • normale triglyceriden.

De verhoogde LDL-waarde bevindt zich meestal boven het 95e percentiel (dat wil zeggen dat 95% van een gezonde populatie een lagere LDL-waarde heeft). 25% van de patiënten met een mutatie in ApoB hebben echter waardes die onder deze grens liggen[2].

Mutatie-analyse[bewerken]

Op basis van het verhoogde LDL kan genetisch getest worden voor mutaties van de LDL-receptor (gecodeerd door het LDLR-gen) en van het apolipoproteïne B (ApoB). In 50 tot 80% van de gevallen worden mutaties ontdekt. Patiënten waarbij geen mutaties ontdekt worden hebben doorgaans hogere triglycerideniveaus (deze zijn normaal bij FH-patiënten). Zeer waarschijnlijk dragen andere factoren bij aan hun hoge cholesterolwaardes (bv. metabool syndroom)[12].

Differentiaaldiagnose[bewerken]

FH dient onderscheiden te worden van familiaire gecombineerde hyperlipidemie en polygenetische hypercholesterolemie.

Referenties[bewerken]

  1. Everdingen, J.J.E. van, Eerenbeemt, A.M.M. van den (2012). Pinkhof Geneeskundig woordenboek (12de druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.
  2. a b c d e Rader DJ, Cohen J, Hobbs HH (2003). Monogenic hypercholesterolemia: new insights in pathogenesis and treatment. J. Clin. Invest. 111 (12): 1795–803 . PMID: 12813012. DOI: 10.1172/JCI18925.
  3. Tsouli SG, Kiortsis DN, Argyropoulou MI, Mikhailidis DP, Elisaf MS (2005). Pathogenesis, detection and treatment of Achilles tendon xanthomas. Eur. J. Clin. Invest. 35 (4): 236–44 . PMID: 15816992. DOI: 10.1111/j.1365-2362.2005.01484.x.
  4. Durrington P (2003). Dyslipidaemia. Lancet 362 (9385): 717–31 . PMID: 12957096. DOI: 10.1016/S0140-6736(03)14234-1.
  5. Roberts WC, Ferrans VJ, Levy RI, Fredrickson DS (May 1973). Cardiovascular pathology in hyperlipoproteinemia. Anatomic observations in 42 necropsy patients with normal or abnormal serum lipoprotein patterns. Am. J. Cardiol. 31 (5): 557–70 . PMID: 4698125. DOI: 10.1016/0002-9149(73)90323-8.
  6. Summers RM, Andrasko-Bourgeois J, Feuerstein IM, et al (August 1998). Evaluation of the aortic root by MRI: insights from patients with homozygous familial hypercholesterolemia. Circulation 98 (6): 509–18 . PMID: 9714107.
  7. Rallidis L, Naoumova RP, Thompson GR, Nihoyannopoulos P (December 1998). Extent and severity of atherosclerotic involvement of the aortic valve and root in familial hypercholesterolaemia. Heart 80 (6): 583–90 . PMID: 10065027.
  8. Ozumi K, Tasaki H, Yamashita K, et al (2005). Valvular and supravalvular aortic stenosis in heterozygous familial hypercholesterolemia, a case report (PDF). J. Atheroscler. Thromb. 12 (5): 289–93 . PMID: 16205026.
  9. Brook GJ, Keidar S, Boulos M, et al (June 1989). Familial homozygous hypercholesterolemia: clinical and cardiovascular features in 18 patients. Clin Cardiol 12 (6): 333–8 . PMID: 2736820.
  10. Jansen AC, van Aalst-Cohen ES, Tanck MW, et al (2004). The contribution of classical risk factors to cardiovascular disease in familial hypercholesterolaemia: data in 2400 patients. J. Intern. Med. 256 (6): 482–90 . PMID: 15554949. DOI: 10.1111/j.1365-2796.2004.01405.x.
  11. Kumar, Abbas and Fausto, eds., Robbins and Cotran's Pathologic Basis of Disease, 7th edition, p.158
  12. van Aalst-Cohen ES, Jansen AC, Tanck MW, et al (2006). Diagnosing familial hypercholesterolaemia: the relevance of genetic testing. Eur. Heart J. 27 (18): 2240–6 . PMID: 16825289. DOI: 10.1093/eurheartj/ehl113.