Fiere Margrietje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De buitengevel van de kapel in de Sint-Pieterskerk

De legende van het Fiere Margrietje vertelt het verhaal van Margaretha van Leuven. Caesarius, een monnik uit de Duitse cisterciënzerabdij te Heisterbach tekende het verhaal voor de eerste keer op in 1222. Hij gebruikte het verhaal ter illustratie van de deugd 'eenvoud'. Zijn informatie kwam uit getuigenissen van monniken uit de cisterciënzerabdij van Villers-la-Ville in de provincie Waals-Brabant.

Het verhaal kreeg in de loop der tijd 'in de volksmond' steeds bovennatuurlijkere proporties. De Brusselse augustijner monnik Johannes Gielemans zette in de 15e eeuw het 'aangepaste' verhaal zoals we het nu kennen ter boek. Vele 17de-eeuwse auteurs van heiligenlevens volgden zijn voorbeeld

Het verhaal begint met Amandus, een Leuvens burger. Hij beslist, samen met zijn vrouw, hun bezittingen te verkopen en in de abdij van Villers in te treden. In hun huis, de St.-Jorisherberg in de Muntstraat, werkt Margareta, een familielid. Het meisje werkt zeer hard en staat bekend om haar voortreffelijk gedrag, vandaar misschien haar bijnaam Fier Margrietje (al betekent 'fier' ook 'ongenaakbaar', verwijzend naar haar verzetting tegen een verkrachting – zie lager). Op de vooravond van hun intrede krijgt de herberg pelgrims over de vloer die eten en overnachting vragen. Vermits er op dat ogenblik geen drank in huis is, stuurt de waard Margareta uit om wijn te halen.

De pelgrims blijken echter een vermomde roversbende te zijn. Margriet is nog maar net de deur uit wanneer de bende Amandus berooft en hem samen met zijn vrouw en de hele familie vermoordt. Wanneer Margriet terugkeert, nemen de moordenaars haar mee buiten de stad waar zij haar (wellicht na een poging tot groepsverkrachting) doden en in de Dijle werpen.

Haar lichaam zinkt echter niet. Vissen dragen het lichaam zodat het boven water blijft. Tegen de stroom in en omgeven door een wonderbaarlijk licht drijft het lichaam terug richting Leuven. Hendrik, de toenmalige Hertog van Brabant, is getuige van dit wonder. Dankzij de vondst van het lichaam komt de waarheid aan het licht. Voor ze verder kwaad kunnen aanrichten worden de rovers opgespoord en in de gevangenis geworpen.

Naar aanleiding van de legende is er een hele Margaretha-cultus ontstaan. Pelgrims treffen elkaar in een transkapel van de Sint-Pieterskerk ingebouwde Margaretha-kapel. Deze kapel is eveneens van buitenaf te bewonderen.

Op de Dijleterrassen aan de Dirk Boutslaan ligt sinds augustus 2013 het door Willy Meysmans gemaakte beeldhouwwerk dat verwijst naar deze legende.

Ook een lied van het in 1544 door Jan Roulans uitgegeven Antwerps liedboek is aan haar gewijd.