Fijenoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zie ook Feijenoord (doorverwijspagina).
Honderdjarig bestaan van de werf Fijenoord, Polygoonjournaal 1923

Onder de naam Fijenoord was van 1825 tot 1929 een scheepswerf en machinefabriek gevestigd op het eiland Feijenoord (de latere wijk en deelgemeente Feijenoord) in Rotterdam. Het bedrijf werd onder de naam Etablissement Fijenoord opgericht op 10 november 1825 als onderdeel van de twee jaar daarvoor opgerichte rederij Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (NSM) van stoommachinepionier Gerhard Moritz Roentgen (1795-1852). Vanaf 1826 werden er ook stoomketels en scheepsonderdelen vervaardigd[1]. In 1895 werd de naam gewijzigd in NV Maatschappij voor Scheeps- en Werktuigbouw Fijenoord. Het bedrijf fuseerde in 1929 met de NV Wilton's Dok- en Werf Maatschappij, gevestigd te Rotterdam en Schiedam tot NV Dok en Werf Maatschappij Wilton-Fijenoord.

Ontwikkeling[bewerken | brontekst bewerken]

Nadat de NSM eerder naar ontwerp van de directeur van het materieel Roentgen op werven elders in Nederland schepen had laten bouwen besloot men tot oprichting van eigen werkplaatsen waarvoor in januari 1826 een terrein van de gemeente Rotterdam in huur werd genomen. Dit groeide spoedig uit tot een complete scheepswerf annex machinefabriek met een daaraan verbonden ijzergieterij. Naast scheepsnieuwbouw vervaardigde met land- en bootketels en stoommachines. Ook hield men zich bezig met de inrichting van stoomfabrieken en korte tijd, van 1839-41, met spinwerktuigen, onder meer voor de Koloniën van Weldadigheid. Rond 1840 startte de onderneming met de vervaardiging van suikermachinerieën wat lang een van de specialiteiten bleef. Bij het vertrek van Roentgen, in 1849, telde het bedrijf 550 werklieden. De gieterij was binnen Nederland rond het midden van de 19e eeuw van bijzondere kwaliteit en leverde als eerste in den lande gegoten molenassen (eerste: 1841)

Ook onder zijn opvolger, Jan Willem Louis van Oordt, ontwikkelde de onderneming zich verder, onder meer met de installatie van rijstpelmolens, de bouw van sleepboten en baggermaterieel en de vervaardiging van gereedschapswerktuigen als schaaf- en boormachines. De personeelsbezetting schommelt, van 900 in 1856 naar 700 a 750 in 1862. Maar in 1867 moet de opvolger van Van Oordt, David Leonard Wolfson, puin ruimen: van de 900 werklieden worden 460 ontslagen. De jaren 1870-80 zijn weer gunstig qua personeelsbezetting, de jaren 1880-'90 onder leiding van M W M Visser minder, hoewel deze zijn relaties met de Marine uit zijn eerdere werkkring meebracht. In 1889 wordt David Croll (1854-1923) directeur van de nv en weet deze in stabiel vaarwater te brengen. Het bedrijf telt dan meer dan 1000 arbeiders (1889: 1345, 1897: 1165). Een nieuwe specialiteit worden de pompwerktuigen.

20e eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

Rond 1900 telde de onderneming ruim 1400 werklieden en omvatte naast de afdeling scheepsbouw (200 werklieden) en aanverwante bedrijven als de spantenloods, stoomhoutzagerij, sloepenloods en de scheepsbeschieters (70 werklieden) een grote afdeling machinebouw met naast de machinewerkplaats annex stelplaats een ketelmakerij (uit 1897, architect J S C van de Wall), gieterij inclusief modelmakerij en grofsmederij. Er volgden diverse uitbreidingen en vernieuwingen, de scheepsnieuwbouwafdeling leverde tussen 1900 en 1914 jaarlijks 4 tot 10 schepen af: passagiers- en vrachtboten, baggermaterieel, vaartuigen voor Marine en Waterstaat als torpedoboten, loodsvaartuigen en lichtschepen. De bijbehorende stoominstallaties waren in de regel uit eigen bedrijf. Fijenoord ging ook snellopende stoommachines produceren voor elektriciteitsopwekking, waaronder die voor het eigen bedrijf.

  1. Techniek in Nederland 1800-1890, deel IV, p.40