Flora- en faunawet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Op 1 april 2002 is de Nederlandse Flora- en faunawet in werking getreden. Deze nieuwe wet regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. De Flora- en faunawet bundelt de bepalingen die voorheen in verschillende wetten waren opgenomen, de:

Tevens is de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Europees) en het CITES-verdrag geïmplementeerd in deze wet. Hierdoor moet het inzichtelijker zijn wat wel en niet mag. Hierdoor heeft Nederland nu één wet voor de bescherming van in het wild voorkomende soorten.

Het Ministerie van Economische Zaken werkt aan de samenvoeging van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet samen te voegen in een nieuwe wet. Deze wet heet de Wet Natuurbescherming en is per 1 januari 2017 in werking getreden.[1] Veel van de taken die te maken hebben met in het wild levende dieren en planten en werden uitgevoerd door het Ministerie zijn nu bij de Provincie komen te liggen.

Beschermde soorten[bewerken]

Deze Flora- en faunawet regelt de bescherming van soorten. Onder de Flora- en faunawet zijn als beschermde soorten aangewezen:

  • een aantal inheemse plantensoorten;
  • alle van nature in Nederland voorkomende soorten zoogdieren (met uitzondering van zwarte rat, bruine rat en huismuis);
  • alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende vogelsoorten;
  • alle van nature in Nederland voorkomende amfibieën- en reptielensoorten,
  • alle van nature in Nederland voorkomende vissoorten (met uitzondering van soorten in Visserijwet 1963);
  • een aantal overige inheemse diersoorten aangewezen als beschermde soort;
  • Daarnaast is een aantal uitheemse dier- en plantensoorten als beschermde soort aangewezen.

De wet heeft betrekking op onder meer beheer en schadebestrijding, jacht, handel en bezit en overige menselijke activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten.

Doelstelling wet[bewerken]

De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten. Het uitgangspunt van de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Daarnaast erkent de wet dat ook dieren die geen direct nut opleveren voor de mens van onvervangbare waarde zijn (erkenning van de intrinsieke waarde). Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met een ontheffing of vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of, in geval van beheer en schadebestrijding, van Gedeputeerde Staten.

Zorgplicht[bewerken]

In de Flora- en faunawet is een zorgplicht opgenomen (artikel 2, lid 1: Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. artikel 2, lid 2: De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken). De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat het lijden zo beperkt mogelijk is.

Verbodsbepalingen[bewerken]

De Flora- en faunawet bevat een aantal verbodsbepalingen om er voor te zorgen dat in het wild levende soorten zo veel mogelijk met rust worden gelaten.

  • Artikel 8: Het is verboden beschermde planten te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen.
  • Artikel 9: Het is verboden beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.
  • Artikel 10: Het is verboden beschermde dieren opzettelijk te verontrusten.
  • Artikel 11: Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.
  • Artikel 12: Het is verboden eieren van beschermde dieren te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.
  • Artikel 13: Het is verboden planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van beschermde dieren te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.
  • Artikel 14, eerste lid: Het is verboden dieren of eieren van dieren in de vrije natuur uit te zetten.
  • Artikel 14, tweede lid: Het is verboden planten behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten in de vrije natuur te planten of uit te zaaien.

Ontheffing[bewerken]

Artikel 68 bepaalt dat wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, gedeputeerde staten, voor zover geen vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing kunnen verlenen van een deel van bovenstaande voorschriften:

  • in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid[2]
  • in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer
  • ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren
  • ter voorkoming van schade aan flora en fauna
  • met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen

Artikel 75 bepaalt dat ook de minister, voor zover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing kan verlenen.[3]

Beschermde leefomgeving[bewerken]

De Flora- en faunawet maakt het mogelijk een landschapselement of object aan te wijzen als beschermde leefomgeving. De provincie is hiervoor het bevoegd gezag. Deze mogelijkheid is in de wet opgenomen om locaties die van groot belang zijn voor het voortbestaan van een planten- of diersoort te beschermen. Hierbij valt te denken aan een fort of bunker waar vleermuizen overwinteren, een dassenburcht, een plek waar orchideeën groeien of een muur met daarop beschermde planten.

De aanwijzing tot beschermde leefomgeving maakt het mogelijk bepaalde handelingen te verbieden of strenge voorwaarden te stellen aan de handelingen die op die bewuste plaats de kwaliteit kunnen aantasten.

Wanneer een ingreep invloed kan hebben op de natuur, kan een ontheffing worden aangevraagd. Afhankelijk van welke soorten voorkomen op de locatie moet vervolgens een 'toets' worden verricht. De keuze voor toets is afhankelijk van de tabel waar de soorten op staan die voorkomen op de locatie. De strafrechtelijke handhaving wordt verricht door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de Politie.

Voorbeeld: Iemand is eigenaar van een woning. Hij wil zijn dak vervangen omdat het lekt. Hij is ervan op de hoogte dat er vleermuizen onder het dak naar binnen vliegen en in de spouwmuur gaan zitten. Deze vleermuis komt toevallig voor in tabel 3 van de Flora- en faunawet. In dit geval moet de persoon een uitgebreide vergunning aanvragen en onderbouwen waarom hij deze ingreep wil doen. Het is heel aannemelijk dat de vleermuizen hinder ondervinden van zijn werkzaamheden en wellicht na de ingreep niet meer tussen de muur kunnen gaan zitten.

Verder dient ook rekening te worden gehouden met seizoenen. Vooral broedvogels kunnen overal voorkomen. Deze staan op tabel 3 en verstoring van broedvogels is zo gebeurd. Om die reden is het verstandiger om de activiteit te verplaatsen buiten het broedseizoen.

Gedragscode[bewerken]

De komst van de flora en faunawet heeft grote gevolgen voor het werken in de gemeentelijke groenvoorziening en ruimtelijke ontwikkeling. De wetgeving beschrijft tenslotte nauwkeurig de beschermstatus van de flora en fauna. Om werkzaamheden in deze gebieden correct te laten verlopen dienen de uitvoerende organisaties in het bezit te zijn van een gedragscode of de eerder genoemde ontheffing. Met de gedragscode wordt op voorhand getoetst of iedereen op de hoogte is van de regelgeving. Het voordeel van de gedragscode is dat ontheffingen niet meer noodzakelijk zijn, mits de gedragscode nageleefd wordt. Een goedgekeurde gedragscode heeft een geldigheidsduur van 5 jaar voor alle in de gedragscode beschreven categorieën.

Een ieder kan een eigen gedragscode indienen ter goedkeuring bij het ministerie van EL&I of gebruikmaken van de universele gedragscode van Stadswerk.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]