Flora en fauna in Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Pas sinds 1949 komt de Turkse tortel in Nederland voor.

De flora en fauna in Nederland zijn relatief goed onderzocht.[bron?] Er is een lange traditie van floristisch en faunistisch onderzoek, met tegenwoordig staande organisaties als Sovon, Floron en de Vlinderstichting. Er zijn tal van verenigingen die zich met natuurstudie bezighouden; een aantal is meer dan honderdjarig actief zoals de Nederlandse Entomologische Vereniging, de Vogelbescherming Nederland, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (Vereniging voor veldbiologie) en de Nederlandse Mycologische Vereniging. Daardoor is bekend dat Nederland relatief erg soortenarm is, deels als gevolg van de IJstijden en deels vanwege de eenvormige geografie. Van de hogere plantensoorten komt de helft uitsluitend voor in twee uitzonderlijke gebieden: Zuid-Limburg en Oostvoorne. Het meest belangrijke natuurgebied is de Waddenzee, of, als alleen het landoppervlak beschouwd wordt, het duingebied. Er is ook 'nieuwe natuur' aangelegd, een bekend voorbeeld is het gebied Oostvaardersplassen. Menselijk ingrijpen, zowel direct (zoals kap van bossen, ontginningen, wegenaanleg) als indirect (luchtvervuiling, vermesting) heeft grote invloed op het huidige uiterlijk van het landschap, op de vegetatie en op de flora.

De flora en fauna van Nederland worden wel ingedeeld in het holarctische rijk, daarbinnen in de Eurosiberische regio en de Atlantische provincie. In Nederland worden vijftien plantengeografische districten onderscheiden op grond van verschillen in klimaat, bodem en waterhuishouding. Deze districten hebben eigen soorten en milieus. In Nederland komen circa 1400 soorten hogere planten voor en 800 soorten mossen. Daarnaast zijn er nog duizenden soorten die tegenwoordig niet meer tot de planten worden gerekend zoals zo'n 4 à 5000 soorten paddenstoelen (macrofungi) of andere schimmels gevonden en een paar duizend soorten korstmossen en algen.

Ook voor een aantal dieren kan onderscheid worden gemaakt in geografische districten, zoals voor broedvogels. In Nederland komen ruim 50 soorten zoogdieren voor, zo'n 600 soorten broed- en trekvogels, tientallen vissoorten en duizenden ongewervelden. Ondanks de geringe afmetingen heeft Nederland toch endemische dieren (soorten die alleen in Nederland voorkomen), zoals de Grote vuurvlinder en Microtus oeconomus arenicola (een ondersoort van de Noordse woelmuis).

Door de ligging in Europa en het veelvuldige verkeer is er een regelmatige aanvoer van adventieven, die zich soms met enig succes als exoot kunnen vestigen, zoals de halsbandparkiet en de driehoeksmossel, maar slechts vrij zelden een plaag vormen. De soorten die hier voorkomen zijn bijna allemaal relatieve nieuwkomers (van na de IJstijden); zo zijn het konijn, de fazant en de tamme kastanje in historische tijden ingevoerd. De hier algemene soorten zijn erg concurrentiekrachtig; juist de soorten die van hier komen vormen bij introductie op andere continenten een plaag.

De laatste jaren wordt geprobeerd soorten die hier in historische tijden zijn uitgeroeid opnieuw te introduceren, soms met succes zoals de raaf en de bever, van andere soorten zoals de otter blijft het resultaat onzeker. De zeearend vestigt zich, zij het aarzelend, op eigen gelegenheid. Terugkeer van wat grotere roofdieren als de wolf en de lynx blijft controversieel. Dit geldt ook voor herintroductie van plantensoorten door zaaien en herstel van natuurgebieden door ingrepen als bekalken (om de verzuring tegen te gaan).


Fauna[bewerken]

Zoogdieren[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook de lijst van zoogdieren in Nederland.

Vogels[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook de lijst van vogels in de Lage Landen.

Vissen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook de lijst van zoetwatervissen in de Benelux.

Reptielen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook de lijst van reptielen in Nederland.
De zandhagedis komt in Nederland veelal in de duinen voor, hier een mannetje.

In Nederland komen acht soorten reptielen voor: drie soorten slangen en vijf soorten hagedissen. Als men in Nederland een slang treft, is de kans het grootst dat het gaat om een ringslang. De ringslang is niet giftig en is sterk aan water gebonden, de slang jaagt langs de oever op kikkers. De adder is minder algemeen en leeft in drogere omgevingen zoals bosranden en heidevelden. De adder is de enige giftige Nederlandse slang, maar het aantal gerapporteerde beten is verwaarloosbaar klein. Ten slotte is de gladde slang in Nederland inheems, dit is de minst algemene soort. De gladde slang jaagt voornamelijk op hagedissen en kleine zoogdieren. Alle slangen zijn in aantal het sterkst geconcentreerd rond de Veluwe en het Drents Plateau.

De levendbarende hagedis is de meest voorkomende hagedis, deze soort is te vinden in grote delen van Nederland en leeft in relatief vochtige graslanden en heidevelden. De zandhagedis is voornamelijk algemeen in het kustgebied in de duinen en is daarnaast aan te treffen rond de Veluwe en het Drents Plateau. Ook de hazelworm is ondanks het slang-achtige uiterlijk een hagedis en komt veel voor in het midden en zuiden van Nederland. De muurhagedis ten slotte komt alleen voor in zuidelijk Limburg op de stadswallen van Maastricht. Er zijn wel enkele andere waarnemingen bekend maar dit zijn waarschijnlijk uitgezette exemplaren of dwaalgasten.

Schildpadden komen van nature niet voor in Nederland, alleen de Europese moerasschildpad wordt soms gezien. Waarnemingen zijn bekend uit de buurt van Nijmegen en Venlo, maar deze exemplaren zijn dwaalgasten uit Duitsland. Verschillende uitgezette soorten kunnen zich in Nederland wel handhaven, maar niet voortplanten, het betreft verschillende soorten maar vooral genoemd worden de roodwangschildpad en de bijtschildpad. Een andere vermeldenswaardige soort is de lederschildpad, die niet langs de Nederlandse kust voorkomt maar heel zelden aanspoelt. In 2009 echter werden kort na elkaar twee exemplaren aangetroffen, een dood dier langs de kust van Den Helder en een jong, nog levend exemplaar werd gezien tussen Den Helder en Texel.

Alle inheemse reptielen hebben één ding met elkaar gemeen; ze leven in een gebied waar de temperaturen eigenlijk te laag zijn om zich voort te kunnen planten middels eieren die begraven worden in de bodem. De meeste Nederlandse reptielen zijn om deze reden eierlevendbarend; ze produceren wel eieren, maar de embryo's ontwikkelen zich volledig in het moederlichaam. Pas als de eieren uitkomen in het lichaam van het moederdier worden de jongen 'levend geboren'. De zandhagedis is een uitzondering en ontwikkelt wel eitjes die na twee tot drie maanden uitkomen. De zandhagedis is daardoor alleen te vinden op zonbeschenen plaatsen zoals duinen en zandverstuivingen waar de temperatuur van de bodem hoog genoeg is voor de embryo's om zich te kunnen ontwikkelen. De eveneens eierleggende ringslang gebruikt hopen plantaardig materiaal waarin de eieren worden afgezet, de temperatuur van deze zogenaamde broedhopen wordt verhoogd door broei.

Amfibieën[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook de lijst van amfibieën in Nederland en België.
De gewone pad is in Nederland een vrij algemene soort.

In Nederland komen 14 soorten amfibieën voor; 5 salamanders en 9 kikkers en padden. Van de salamanders heeft de kleine watersalamander het grootste verspreidingsgebied en komt door heel het land voor. Het is de enige salamander die op de Waddeneilanden voorkomt. De alpenwatersalamander komt voornamelijk in het zuiden voor hoewel er ook wel populaties verspreid over de rest van het land bekend zijn. De kamsalamander heeft een grotere verspreiding maar is in het zuiden niet zo algemeen als de alpenwatersalamander. De vinpootsalamander is alleen in (voornamelijk westelijk) Brabant en in Limburg te vinden. Ten slotte komt de vuursalamander van nature in Nederland voor, zij het alleen in het zuiden van Limburg. Van de Italiaanse kamsalamander zijn populaties bekend uit westelijk Gelderland, maar deze dieren zijn uitgezet.

Bekende kikkers en padden die in Nederland leven zijn de bruine kikker en de gewone pad, die vrij algemeen voorkomen. De heikikker, de bastaardkikker en de poelkikker zijn minder algemeen maar niet zeldzaam. Andere soorten als de vroedmeesterpad, de boomkikker en de rugstreeppad zijn vrij zeldzaam. De geelbuikvuurpad komt alleen in zuidelijk Limburg voor.

Sommige kikkers, zoals de bruine kikker en de gewone pad, gedijen goed omdat het generalisten zijn die zich in verschillende omgevingen thuis voelen. Andere zijn aan te merken als typische pioniersoorten, zoals de rugstreeppad en de knoflookpad, die zich in ondergelopen weilanden en andere tijdelijke wateren kunnen voortplanten.

Vlinders[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook de lijst van vlinders in Nederland.