Flynn-effect

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Flynn-effect is een verschijnsel in de psychodiagnostiek waarbij de gemiddelde score op intelligentietesten bij hernormering stijgt over de jaren heen. James Flynn, een Nieuw-Zeelands psycholoog, was de eerste die over het fenomeen onderzoek deed. Het effect werd later herhaaldelijk geconstateerd door onderzoekers in de Verenigde Staten en Azië, maar ook in Vlaanderen en Nederland.

Een IQ test wordt in de regel genormeerd op een representatieve groep proefpersonen, waarbij het gemiddelde op 100 gesteld wordt. Berekent men enkele jaren later nieuwe normen, dan blijkt dat deze strenger worden: men moet meer vragen goed beantwoorden voor eenzelfde IQ score. Dit komt doordat de ruwe score (aantal goede antwoorden) van de nieuwe normgroep hoger ligt dan die van de eerdere. Zonder hernormering zou dit leiden tot een verhoging van het gemiddeld gemeten IQ (op de langer geleden genormeerde test) van zo'n 3 à 5 punten per decennium.

Voorgestelde verklaringen[bewerken]

  • Wordt de mensheid slimmer? Misschien hebben intelligente mensen een evolutionair voordeel?
  • Door betere voeding en hygiëne stijgt het algemene conditiepeil, dus ook de intelligentie.
  • Betere scholing heeft een positieve invloed op IQ en het IQ van kinderen opgevoed door geschoolde ouders.
  • Heeft de afname van het aantal mishandelde kinderen door een grotere maatschappelijke aandacht voor dit probleem een positieve invloed op IQ?
  • Worden de mensen bedrevener in het afleggen van intelligentietesten, door een betere scholingsgraad?
  • De vragen van veelgebruikte intelligentietesten geraken verspreid en gekend, zodanig dat een volgende proefpersoon niet meer "een nieuw probleem" moet oplossen (zoals oorspronkelijk bedoeld), maar een reeds min of meer vertrouwd probleem.
  • Daling van gezinsgrootte waardoor er meer aandacht is voor individuele kinderen[1]

In ieder geval weet men sedert Flynn dat een betrouwbare IQ-meting gebaseerd moet zijn op een intelligentieproef met recente, wetenschappelijk verantwoorde normen. Psycholoog Flynn denkt zelf dat het stijgende IQ niet betekent dat mensen werkelijk intelligenter zijn geworden. Hij concludeert dat een IQ-test voornamelijk aangeeft hoe goed iemand is in het oplossen van abstracte problemen.
Of met een boutade zegt men immers dat de mensheid "intelligenter" (op een IQ-test) wordt, maar niet "slimmer".

Tegenstrijdig bewijs[bewerken]

Het Flynn-effect kan in sommige landen al geëindigd zijn. Teasdale & Owen (2005) rapporteerden dat de testresultaten van 500.000 jonge Deense mannen, getest tussen 1959 en 2004, aangeven dat de prestatie eind jaren negentig piekte, en dat sindsdien de resultaten gedaald zijn naar het niveau van eind jaren tachtig.

Een andere recente studie door professor Philip Adey en Michael Shayer laten zien dat het Flynn-effect geëindigd kan zijn in Groot-Brittannië. Volgens professor Abbey is in de afgelopen twee decennia de intelligentie van 11-jarigen gedaald naar het niveau van kinderen die 3 jaar jonger zijn.[2] De studie vergeleek de resultaten van IQ-tests door 11-jarigen in 2005, midden jaren 90, en 1976.

Ook in Noorwegen werd voor kinderen geboren rond 1975 het einde van het Flynn-effect gezien. Opvallend voor de Noorse situatie is verder dat de trend in hogere IQ-scores vrijwel volledig samenvalt met de daling in gezinsgrootte.[1]

Dat het Flynn-effect in Westerse landen zijn "plafond" schijnt te hebben bereikt, kan ook een andere verklaring hebben: in de recente normgroepen worden nu ook allochtonen van de tweede/derde generatie opgenomen. Aangezien die het gemiddeld moeilijker hebben om hoog te scoren op de westers-getinte intelligentietests [3] stijgt de gemiddelde ruwe uitslag op die tests niet meer.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b NRC Handelsblad, Stijgende intelligentie beter verklaard, 19 april 2008
  2. (en) The Guardian, Children are less able than they used to be
  3. W. Magez e.a. Diagnostiek bij allochtonen, Brussel 2004