Foppe Gabbe Scheltema

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Foppe Gabbe Scheltema

Foppe Gabbe Scheltema (Groningen, 1 december 1891 - 1 februari 1939) was een Nederlands jurist, hoogleraar handelsrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden van 1923 tot 1927 en hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Amsterdam van 1927 tot 1930, afgewisseld met handelsrecht vanaf 1930. Foppe was een zoon van Gabbe Scheltema, hoogleraar in de kindergeneeskunde te Groningen, en Anna Berendina Alting. Hij huwde op 17 april 1918 met Hilda Johanna Henderika Schönfeld. Uit dit huwelijk werden drie dochters geboren. Na ontbinding van dat huwelijk (10 augustus 1927) hertrouwde hij op 5 augustus 1930 met Henrica Margaretha Blase. Uit dit huwelijk werden twee zoons en één dochter geboren.

Na de HBS in Groningen studeerde hij rechten te Groningen van 1910 tot 1916 en promoveerde in 1916 op het proefschrift Overheidszorg voor waterstaatswerken. Hij was enige tijd werkzaam op het provinciehuis in Groningen en in de advocatuur in Rotterdam. In 1923 volgde academische carrière met zijn benoeming tot hoogleraar in Leiden. Zijn hoofdwerk bestaat uit het wissel- en chequerecht, dat het derde vormt van Polaks Handboek voor het Nederlandsche handels- en faillissementsrecht (1932). Zijn bewerking van het Nederlandsch burgerlijk bewijsrecht werd na zijn dood voltooid door zijn broer, Herman Jan Scheltema (1906-1981). De wet van 27 juli 1931 (Stbl. 320 en 321), over berging en strandvonderij, is van zijn hand.