Naar inhoud springen

Franc-tireur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De gevangenneming van een franc-tireur (C.J. Lasch 1822-1888)
In haar monument aan de burgerdoden nam Dinant een zwerende hand op om het Duitse verhaal over de franc-tireurs te weerspreken.

Een franc-tireur of vrijschutter is een persoon die een invallend vijandelijk leger nadeel probeert te berokkenen, zonder dat hij een militair is (een lid van een geregelde strijdmacht) en een uniform draagt dat hem als zodanig kenbaar maakt. Het gaat dan ook om burgerstrijders die niet als militair worden erkend door hun eigen of een buitenlandse overheid. Guerrillastrijders zijn doorgaans francs-tireurs. Een franc-tireur is echter niet hetzelfde als een paramilitair.

Het begrip verwierf bekendheid in de Frans-Duitse Oorlog van 1870-1871, toen Franse francs-tireurs strategische doelen of geïsoleerde Duitse militairen aanvielen, alvorens zich terug te trekken. Volgens Frankrijk behoorden zij tot de geregelde troepen; een besluit van 1868 had eenheden francs-tireurs gevoegd aan het reserveleger, de Garde nationale mobile. Zij werden echter niet door Duitsland als zodanig erkend. Generaal Adolf von Bonin stelde een richtlijn op waarbij gewapende mannen die geen uniform droegen en niet bij een georganiseerde legereenheid waren ingeschreven konden worden gestraft met dwangarbeid of de dood.[1]

In het Landoorlogreglement van het Vierde Haagse Verdrag uit 1907 werden bepalingen opgenomen waar francs-tireurs aan moesten voldoen.

Tijdens de Duitse invasie van België in 1914 werd de onverwacht heftige tegenstand beschouwd als het werk van francs-tireurs. Hoewel daar geen sprake van was, kreeg de burgerbevolking te maken met bloedige 'vergelding' (de zogenaamde Rape of Belgium).

Op francs-tireurs zijn de internationale overeenkomsten over de behandeling van krijgsgevangenen – bijvoorbeeld de Conventie van Genève – niet altijd van toepassing.[2]