Franse grondwet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Franse grondwet (1958)

De huidige Franse grondwet is die van de Vijfde Republiek en dateert van 4 oktober 1958. Ze is thans de op één na langst geldende grondwet uit de Franse geschiedenis. Tegelijk is ze de meest soepele grondwet. In de eerste halve eeuw van haar bestaan is ze 24 keer gewijzigd.

Vroegere Franse grondwetten[bewerken | brontekst bewerken]

Het oude Franse koninkrijk kende geen grondwet. Wel golden er een aantal ongeschreven "fundamentele wetten" of "regels" die zelfs de koning niet kon wijzigen, zoals de regels voor de troonopvolging of de verplichting van de koning om tot de katholieke kerk te behoren.

Bij de bijeenroeping van de Staten-Generaal in 1789 viel snel de eis om Frankrijk een grondwet te geven. Dat vormde het begin van de Franse Revolutie.

Sindsdien heeft Frankrijk als gevolg van de verschillende revoluties en veranderingen van regime de volgende grondwetten gekend.

(De met * gemerkte grondwetten zijn door het volk in een plebisciet of referendum goedgekeurd. De grondwet van kwam er na een plebisciet over de grote principes van de grondwet.)

Enkele andere grondwetsontwerpen zijn nooit goedgekeurd. De grondwet die de Senaat in 1814 uitvaardigde om het koningschap te herstellen werd door koning Lodewijk XVIII niet aanvaard. Een eerste grondwet voor de Vierde Republiek in 1946 werd verworpen in een referendum.

De huidige grondwet[bewerken | brontekst bewerken]

Totstandkoming[bewerken | brontekst bewerken]

In mei 1958 beleefde Frankrijk een zware politieke crisis als gevolg van het verloop van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog. Generaal Charles de Gaulle, waarvan velen hoopten dat hij het land zou redden, werd gevraagd een regering te vormen. Hij aanvaardde op voorwaarde dat er een nieuwe grondwet zou komen die een einde zou maken aan de machteloze Vierde Republiek.

Op 3 juni 1958 keurden beide kamers van het parlement een wet goed die de regering de Gaulle volmacht gaf een nieuwe grondwet op te stellen volgens een uitzonderlijke procedure.

De regering (in de eerste plaats minister van Justitie Michel Debré) stelde een eerste ontwerp op. Dat werd voor advies voorgelegd aan een consultatief comité van parlementsleden en aan de Franse Raad van State.

Het definitieve ontwerp werd in een referendum voorgelegd aan het Franse volk op 28 september 1958. Liefst 79,3 % van de uitgebrachte stemmen waren voor de nieuwe grondwet. Op 4 oktober werd de grondwet formeel afgekondigd door de toenmalige president René Coty en werd ze meteen van kracht.

Inhoud[bewerken | brontekst bewerken]

De grondwet heeft in Frankrijk een semi-presidentieel regime ingevoerd. De president van de Republiek is de machtigste figuur in de politiek. Ook al moet de regering het vertrouwen van de Nationale Vergadering (het lagerhuis) hebben.

Hoewel de door de president ondertekende besluiten normaal de contraseign van een minister moeten dragen, geldt dit niet voor een aantal beslissingen die de president geheel zelfstandig kan nemen, zoals de benoeming van een nieuwe premier of de eventuele ontbinding van de Nationale Vergadering.

Bovendien wordt de president sinds 1962 rechtstreeks door de bevolking gekozen (aanvankelijk vond de verkiezing plaats door een zeer ruim college van mandatarissen, waar afgevaardigden van de gemeenteraden een meerderheid in hadden). Door die rechtstreekse verkiezing krijgt de president een mandaat om een eigen programma uit te voeren.

In de meeste gevallen beschikt de president over een meerderheid in de Nationale Vergadering die zijn beleid steunt. Zoniet is hij verplicht een regering te benoemen die bestaat uit politieke tegenstanders, wat zijn macht bepoerkt. Een dergelijke cohabitation is echter niet meer voorgekomen sinds 2002 : door een vermindering van het presidentiële ambtstermijn tot vijf jaar vallen sindsdien de verkiezingen van de president en de Nationale Vergadering rond dezelfde tijd, zodat er steeds een "presidentiële meerderheid" is die vrijwel alle beslissingen van het staatshoofd steunt.

Het Franse parlement bestaat ook in de Vijfde Republiek uit twee kamers. Enerzijds de Nationale Vergadering, die voor vijf jaar rechtstreeks verkozen wordt en door de president voortijdig kan worden ontbonden. Anderzijds de Senaat, die waarvan de leden voor zes jaar (tot 2007 negen jaar) worden gekozen door kiescolleges van verkozen mandatarissen en om de drie jaar gedeeltelijk wordt vernieuwd. Zijn de kamers het over een wetsontwerp oneens, dan heeft de Nationale Vergadering het laatste woord.

De grondwet heeft de macht van de regering tegenover het parlement zeer versterkt. Zo zijn er slechts een beperkt aantal gebieden waarbij het parlement wetten moet goedkeuren. Al de rest kan door de regering bij decreet worden geregeld. Het parlement kan de regering ook volmacht geven om ordonnanties uit te vaardigen die kracht van wet hebben. Bovendien kan de regering, door het stellen van de vertrouwenskwestie, ervoor zorgen dat een wetsontwerp door de Nationale Vergadering zonder stemming wordt aangenomen, tenzij de Vergadering de regering met een motie van wantrouwen naar huis stuurt.

De grondwet voerde ook een Grondwettelijke Raad in, die in bepaalde gevallen wetten kan toetsen aan de grondwet en ook uitspraak kan doen over de geldigheid van parlements- en presidentsverkiezingen.

Wijzigingen[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens de grondwet moet elke grondwetswijziging eerst worden goedgekeurd door de twee kamers van het Franse Parlement afzonderlijk. Dat betekent dat de Senaat elke grondwetswijziging kan tegenhouden (wat hij niet kan doen voor gewone wetten). Het ontwerp kan daarna op twee manieren worden behandeld. Ofwel moet de wijziging in een referendum aan het volk worden voorgelegd. Ofwel wordt het ontwerp - als de regering dat beslist - ter stemming voorgelegd aan een "congres" (verenigde vergadering) van de beide kamers, dat plaatsvindt in het kasteel van Versailles. Het ontwerp dient daar 3/5 van de stemmen te halen om goedgekeurd te worden.

De grondwetsartikelen over de Communauté (een samenwerkingsverband met vroegere Franse kolonies) konden worden gewijzigd zonder referendum of congres. Die artikelen (intussen volledig uit de grondwet geschrapt) zijn al in 1960 gewijzigd om de lidstaten van de Communauté toe te laten onafhankelijk te worden.

Charles de Gaulle heeft daarenboven als president de grondwet in 1962 een grondwetswijziging doorgevoerd zonder instemming van het parlement, door een referendum te organiseren over de rechtstreekse verkiezing van de Franse president. Hij beriep zich op artikel 11 van de grondwet, dat de president de mogelijkheid geeft een referendum te houden over elk wetsontwerp op de organisatie van de overheid. Tegen die procedure kwam veel politiek en juridisch verzet, omdat ze in strijd met de grondwet leek, maar doordat een grote meerderheid in het referendum voor de wijziging stemde, haalde de president zijn slag thuis.

In 1969 organiseerde de Gaulle opnieuw een referendum over een grondwetswijziging gebaseerd op artikel 11, om de Senaat te hervormen en een regionalisering in te voeren. Deze keer haalde het voorstel geen meerderheid.

Van de 22 grondwetswijzigingen die zijn doorgevoerd volgens de reguliere grondwettelijke procedure, is er slechts één goedgekeurd door een referendum (in 2000, om het presidentiële ambtstermijn van zeven op vijf jaar terug te brengen). Alle andere herzieningen kwamen er door een stemming van het Parlement "in Congres".

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]