Franskiljons

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Franskiljon)
Naar navigatie springen Jump to search

Franskiljons ('kleine Fransen', 'Fransmannekes') is een spottende benaming voor de elitaire bewoners van Vlaanderen en Brussel die het Frans hanteren als primaire taal.

Franskiljons gebruikten het Frans onderling en als huistaal en waar dat maar mogelijk was ook in het openbaar als voertaal. Zij maakten nooit meer dan 3 à 5 procent van de bevolking uit. Met het dienstpersoneel sprak men het plaatselijke Nederlandse dialect. Het fenomeen - versterkt door de onafhankelijkheid van België in 1830 en bijgevolg het zich afzetten tegen 'Holland' - deed zich vooral voor in de adel en de hogere klassen en vond navolging bij de burgerij die zich wilde spiegelen aan deze elite. Niet alleen in Brussel, Antwerpen, Gent, maar ook in kleinere steden als Mechelen, Brugge, Kortrijk,Lier, Hasselt, Leuven en Tienen, en in de kustbadplaatsen (vooral Oostende) waar rijken hun villa's bouwden, deed dit fenomeen zich voor. Deels ging het om de elite van Vlaanderen die het Frans als eerste en dikwijls enige taal sprak, deels om de hogere Vlaamse burgerij.

Franstaligheid in Vlaanderen was dikwijls een uiting van snobisme en niet zelden potsierlijk 'Frans met haar op'.[1] Franstaligen maakten de financiële en maatschappelijke elite van België uit.

Franstalige Vlamingen[bewerken]

De keuze voor het Frans onder de hogere burgerij in Vlaanderen berustte op ontzag voor de 'hogere' Franse cultuur en op afkeer van en misprijzen voor het Nederlands, dat als minderwaardig beschouwd, en door de kerk verketterd werd als de taal van de protestanten. Charles De Coster (1827-1879) en Emile Verhaeren (1855-1916), behorend tot de top van de wereldliteratuur, stelden zichzelf wel uitdrukkelijk voor als 'Franstalige Vlaming'. Andere Franstalige schrijvers in Vlaanderen waren Georges Rodenbach (1855-1898), Georges Eekhoud, Marie Gevers, Michel de Ghelderode (Adhemar Martens, 1898-1962), Max Elskamp, Françoise Mallet-Joris, Suzanne Lilar (1961-1992) en Liliane Wouters (1960). Daartegenover stonden Maurice Maeterlinck (1862-1949), kardinaal Mercier, generaal Bernheim en - veel later - Jacques Brel en Paul-Henri Spaak, die van minachting getuigden voor de Nederlandse taal. In de schilderkunst waren Théo Van Rysselberghe, Fernand Khnopff en James Ensor (1860-1949) Franstalige Vlamingen.

Burgerij[bewerken]

De burgerij gebruikte het Frans als middel om zich te verheffen boven de kleine burgerij, de boeren en de arbeidersklasse die het Frans niet machtig waren. Een voorspoedige loopbaan, zeker ook in openbare dienst (benoeming van eentalige Franstaligen in Vlaanderen), stelde beheersing van het Frans als voorwaarde, en daarom stuurde deze burgerij zijn kinderen naar Franstalige 'pensionaten'. Pas na de jaren 70 van de 19e eeuw zou de veralgemening van het Nederlandstalige onderwijs, de taalwetten en de opkomst van een kleine burgerij en van intellectuelen die het Nederlands als geschreven taal machtig waren: onderwijzers en lagere geestelijkheid (neerbuigend betiteld als 'les petits vicaires'), trad er een zekere vernederlandsing op. Ook de vermindering van de rol van het Frans als internationale communicatietaal en de opkomst van Vlaamse grootondernemers als Lieven Gevaert speelden een rol.

De invloed van de Franssprekende burgerij in de genoemde steden (behalve kernen in de steden Gent, Antwerpen en Kortrijk en de badplaatsen Oostende en Knokke) nam vanaf de jaren 1970 af. Een aantal Vlaamse elitefamilies (dikwijls van jonge adel) zoals Vanderkelen, Emsens, de Spoelberch, Vandemoortele, de Kerchove, Rogge, Lippens, Van Ypersele, De Bandt, Godfroid, de Mérode, Cigrang, van de Werve, de Brouchoven de Bergeyck, Ullens, Poswick, Velge, de Pret Roose, van Lidth de Jeude, Schaetzen, Sioen, de Meeûs d'Argenteuil, del Marmol, Cardon de Lichtbuer, d'Ursel, Vilain XIIII, d'Ieteren en de Liedekerke hebben nog altijd het Frans als klassenbewuste taal.

Tweetaligheid[bewerken]

Bij de top van de Franstalige bourgeoisie in Vlaanderen doet zich een 'vernederlandsingsfenomeen naar de buitenwereld' voor, dat wil zeggen dat Frans onderling wel de voertaal blijft, maar in het publiek wordt Nederlands gesproken. De Association pour la Promotion de la Francophonie en Flandre (APFF) ijvert voor een tweetalig Vlaanderen en dient via de Démocrate Fédéraliste Indépendant (Défi) bij monde van Bernard Clerfayt en Damien Thiéry herhaaldelijk klachten in bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens vermeende discriminatie van de Franstalige minderheid in de Vlaamse Rand van Brussel.

Brussel[bewerken]

Met de verfransing van Brussel, ingezet onder Oostenrijks bewind, heeft het gebruik van het Frans in die stad zich tot in alle sociale klassen doorgezet (verbeulemansing). De oorspronkelijke Brabantse volkstaal is dan ook zwaar in de verdrukking. Daartegenover zijn veel woonwijken veeltalig geworden door de aanzienlijke immigratiestroom/bevolkingsexplosie die zich sinds 1980 heeft voltrokken. Een deel van de Franstaligen en almaar meer allochtonen plaatsen hun kinderen in Nederlandstalige scholen, waar overigens Frans als tweede taal wordt geleerd, om hen beter voor te bereiden op tweetalige functies. Bij die schoolkeuze speelt het een rol dat het lagere onderwijspeil en de zwakke discipline in de gewone Franstalige scholen hun oorspronkelijke elitaire uitstraling heeft weggenomen.

Literatuur[bewerken]

  • Dirk Wilmars, De psychologie van de franstalige in Vlaanderen. De achtergrond van de taalstrijd, Standaard uitgeverij, Antwerpen/Utrecht, 1968, 161 blz.
  • Ria Van Alboom, De verbeulemansing van Brussel, VRT, 1990
  • Joost Ballegeer, De Vlamingen. Een volk zonder bovenlaag, Uitgeverij Groeninghe, Kortrijk, 2005

Noten[bewerken]

  1. Zie daarvoor de figuur Meneer Pheip in de Nerostrip (gebaseerd op Jean Lippens, burgemeester van Moerbeke-Waas).