Frederik Willem Conrad (1800-1870)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
F.W. Conrad jr.
Koninklijk Postkantoor, Amsterdam (i.s.m. Cornelis Outshoorn), 1854

Frederik Willem Conrad (Spaarndam, 15 februari 1800München, 1 februari 1870) was een Nederlands waterbouwkundige en spoorwegpionier. De bijdragen van Conrad hebben er mede toe geleid dat Nederland vanaf 1839 een spoornet heeft.[1]

Frederik Willem Conrad was een van de drie zonen van zijn vader Frederik Willem Conrad, Inspecteur-Generaal van de Waterstaat. De andere twee waren Jan Willem Conrad (1795-1853) & Martinus Hendrik Conrad (1798-1854). Toen zijn vader relatief jong stierf, kregen Conrad en zijn broers als blijk van erkenning door Lodewijk Napoleon op kosten van de staat een opleiding aan de Artillerie- en Genieschool te Delft. Als kadet studeerde Conrad daar op zeventienjarige leeftijd af en werd aangesteld als aspirant-ingenieur bij de aanleg van het Noordhollandsch Kanaal.[1]

In 1825 werd Conrad benoemd tot Provinciaal Ingenieur in Noord-Brabant, waar hij werkte aan de waterhuishouding in de streek en onder meer een aantal stoomgemalen en stoomwatermolens liet bouwen. Volgens sommige bronnen raakte Conrad hier vertrouwd met stoommachines als krachtbron. Ook was Conrad in de provincie actief bij de bouw van een aantal kerken, waaronder in de Heikese kerk in Tilburg.[1] Na vier jaar werd Conrad overgeplaatst naar Zuid-Holland.

In februari 1839 werd Conrad aangesteld als Ingenieur-Directeur voor de aanleg van de eerste spoorlijn van Nederland tussen Amsterdam en Haarlem. Hier verving hij William Brade, die volgens de koning niet goed genoeg met de spoorwegaanleg bezig was. Van 1839 tot 1855 was hij ingenieur-directeur van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HIJSM). Voor deze maatschappij ontwierp hij onder andere spoorbruggen, zoals in 1841 die over het Spaarne, de eerste draaibrug van Nederland. In 1847 werd hij tevens president van de mede door de HIJSM opgerichte eerste telegraafmaatschappij van Nederland, waarvan Eduard Wenkenbach de dagelijkse leiding had. De NTB exploiteerde de telegraaflijn langs de Hollandse spoorlijn totdat het bedrijf door de staat der Nederlanden werd overgenomen.

Spoorwegbrug over de Delfshavense Schie, 1846


In 1858 trad hij weer in dienst van Rijkswaterstaat. Hij werd daar in 1866 hoofdinspecteur. Conrad was in 1849 medeoprichter van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI).

In 1855 was hij lid en in 1856 president van de internationale commissie van ingenieurs voor de bouw van het Suez-kanaalmaatschappij. Van 1858 tot 1865 was hij de vertegenwoordiger van de onderkoning van Egypte bij de Suez-kanaalmaatschappij. Nadat hij in december 1869 de plechtige opening van dit kanaal had bijgewoond, overleed hij op de terugreis in een hotel in München op 1 februari 1870.[1]

Frederik Willem Conrad jr. maakte dikwijls geestige verzen, die zonder of met naam in verschillende tijdschriften geplaatst zijn. De meeste staan in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1830 tot 1834, enkele andere in De Atlas van 1831 en 1832. Behalve een menigte geschriften over onderwerpen zijn vak betreffende, en waarvan de kleinere in 1849 door hem verzameld en onder de titel Verspreide bijdragen te 's-Gravenhage en te Amsterdam werden uitgegeven, schreef hij:

Over de middelen tot het tegengaan van de doorkwelling door dijken (1829); "Over de duinen en stranden" (1832); Reizen naar de landengte van Suez, Egypte, het Heilige Land ('s-Hage 1859; onder het psd. Hydraulicus); Verslag over de verbetering der rivieren (1861); in De Vriend des Vaderlands in 1840 een scherpe brief aan Hildebrand over een uitdrukking in diens opstel: Begraven voorkomende in De Gids (1838), in: Proza en Poëzy (1840) en de C. O, vierde uitgave. Die brief betrof een niet juist begrepen vermelding van de gedenksteen voor Christiaan Brunings.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d NVBS: Op de Rails. Zijlstra, Jos: F.W. COnrad, Spoorwegpioneer. 6-2014. ISSN 0030-3321