Friese adelaar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De Friese Halve Adelaar.svg

De zwarte adelaar die de rechterhelft van het schild vult, komt in de heraldiek van Friesland en zijn buurgewesten veel als wapendier voor. Deze figuur wordt daarom wel de Friese adelaar of, in een pleonasme, de "Friese halve adelaar" genoemd. Het wapenschild van Friesland vertoont daarentegen twee gouden leeuwen.

De correcte heraldische beschrijving is:

Gedeeld: In goud een zwarte Friese adelaar komende uit de deellijn (hierna volgt de beschrijving van de andere velden van het wapenschild)

Geschiedenis[bewerken]

De term 'Friese adelaar' werd in 1890 geïntroduceerd door de bekende wapenkundige Johannes Rietstap, die constateerde dat deze wapenfiguur in Friesland en naburige kustgewesten wijd verbreid was. Lange tijd meende men dat het om een officieel symbool van het Heilige Roomse Rijk ging. Volgens Jakobus Reimers zou de Friese adelaar verwijzen naar middeleeuwse functionarissen als rechter of grietman, die moesten zorgen dat Friese edelen geen andere heer dan de keizer zouden erkennen. Daarentegen beweerden Gerard Gonggrijp dat de adelaar voor eigenerfd grondbezit stond. Voor deze stellingen zijn geen bewijzen gevonden. Al Cornelius Pama nam er in zijn gezaghebbende overzichtswerk uit 1958 afstand van. Ook bij de Fryske Rie foar Heraldyk vinden deze opvatting geen steun meer.

De Friese adelaar is als wapendier niet erg oud; de oudste voorbeelden in Friesland zijn de stadswapens van Workum (1420) en Sneek (1422). Het motief werd al in de 15e eeuw overgenomen door hoofdelingen en geestelijken. De stad Groningen, die zich als hoofdstad van de Friese landen beschouwde, koos voor de dubbelkoppige adelaar.

Een direct verband met het fictieve Karelsprivilege, zoals 18e- en 19e-eeuwse geleerden dit opperden, is uitgesloten. Het gebruik van herkenbare familiewapens heeft zich eerst in de twaalfde eeuw ontwikkeld. Niettemin kan de sleutelrol die het Karelsprivilege vanaf de 13e eeuw binnen de Friese Vrijheidideologie innam de groeiende populariteit van het adelaarswapen wel degelijk verklaren. In Duitse en Franse wapenboeken werd het fictieve wapen van Karel de Grote vanaf ongeveer 1275 stelselmatig afgebeeld als een gedeeld wapen met aan de ene kant de halve adelaar als symbool voor het Duitse Rijk, aan de andere kant drie Franse lelies voor het koninkrijk Frankrijk.[1] Dit wapen maakte onderdeel uit van de wijd verbreide voorstelling van de Neghen besten, die de helden van de Christelijke wereld toonde. Het bekendste voorbeeld daarvan, daterend uit het derde kwart van de 14e eeuw is te zien in de raadszaal van Keulen.

De Duitse koning Sigismund bevestigde het Karelsprivilege in 1417, waarna de betreffende akte in Sneek werd bewaard. Bij zijn kroning tot keizer van het Heilige Roomse Rijk in 1433 verkoos hij de dubbelkoppige adelaar als wapen, die daarna als symbool voor de koninklijke macht ging gelden. Ook dit had zijn weerslag op de Friese wapens. Nadat Friesland in 1498 en Groningen in 1536 werden opgenomen in het Habsburgse rijk, bewaarde de halve adelaar nog altijd de herinnering aan het verleden. De meeste Friese edelen voegen halve adelaars (dimidiatas aquilas) aan hun wapen toe, stelde Hadrianus Junius in 1588. Volgens de heraldicus Jan T. Anema werd deze wapenfiguur "het symbool van Friese identiteit, die na het verlies van de Friese vrijheid in 1498 in de woelige zestiende eeuw opnieuw werd uitgevonden".

Het gebruik van dubbele adelaars als heraldisch symbool bij de Inca's leidde bovendien tot de theorie dat de oude Friezen Latijns-Amerika hadden ontdekt. Het verhaal knoopte aan bij het epische gedicht La Araucana van Alonso de Ercilla y Zúñiga (deel 2 uit 1578) over de opstand van de Mapuche-indianen tegen de Spaanse overheersing. Hierin figureert de inheemse prinses Glaura "uit het illustere geslacht van Friso ontsproten, rijk aan goederen, maar arm aan geluk". Martin Hamconius verbond dit in 1609 met de sage dat Friese schippers al in de 11e eeuw een onbekend continent hadden bereikt.[2] Volgens hem kon men in Amerika nog steeds adelaars vinden die waren "gebeeldhouwd en geschilderd op de Friese wijze". In werkelijkheid waren het de Spanjaarden die dit symbool bij de inheemse elite hadden geïntroduceerd.[3] Via heraldische handboeken belandde dit herkomstverhaal rond 1700 weer in Chili.[4]

In de 17e eeuw voerden ook Friese boerenfamilies en patriciërsgeslachten de Friese adelaar. Bij de adel bestond daarentegen de behoefte het wapen, als brisure, weer van de Friese adelaar te ontdoen. In de 18e eeuw is het gebruik van de Friese adelaar in de provincie Friesland zo algemeen dat we van gezonken cultuurgoed kunnen spreken.

De Friese of halve adelaar geraakte ook in de Groninger Ommelanden, Oost-Friesland, Land Wursten en Dithmarschen in zwang. Bovendien werd hij ook elders in Europa gebruikt, onder andere in het 15e-eeuwse stadswapen van Genève. In West-Friesland was hij minder wijd verbreid; in Noord-Friesland, dat niet tot het Duitse Rijk behoorde, kwamen adelaarswapens zelden voor.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Jan T. Anema, 'Adel en heraldiek in Friesland van de Middeleeuwen naar de Nieuwe Tijd', in: Redmer Alma, Conrad Gietman, Albert Mensema (red.), Adel en heraldiek in de Nederlanden. Adellijke identiteit en representatie, Hilversum 2012, p. 109-139
  • J.A. de Boo, 'De Friese halve adelaar: de geschiedenis van een wapenbeeld', in: Heraldisch tijdschrift 3 (1997), p. 49-54, 4 (1998), p. 1-5
  • G.F.E. Gonggrijp, Friesche eigenerfdenwapens, Naarden 1943 (p. 60-67 over de Friese adelaar)
  • C. Pama, Heraldiek, Kaapstad 1958
  • R.P. Prummel, De Roordawapens, Groningen 2001
  • J. Reimers, Das Adlerwappen bei den Friesen, Oldenburg 1914