Frisia (Friesland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frisia (ook wel Fresia) is de Latijnse benaming voor het land waar vroeger de Frisii of Fresones gewoond hebben, het kustgebied van Nederland en Duitsland[1]. De naam wordt in vroege kronieken ook gebruikt om het gebied van de Friese koningen en hertogen, en de latere graven mee aan te duiden. Er wordt soms onderscheid gemaakt in citerior Frisia en ulterior Frisia, waarbij citerior het gebied is ten zuiden van de Rijn terwijl ulterior de rest van het Friese gebied zou aanduiden. Dit is echter gebaseerd op een onjuiste interpretatie van een citaat van de Engelse historicus Beda. De naam bleef ook na kortstondige het tijdperk van de Friese koningen tot in de 12e eeuw in zwang om de Nederlandse kust aan te duiden.

Lex Frisionum[bewerken]

Omstreeks 804 liet de keizer van het Frankische Rijk Karel de Grote het Friese recht optekenen in de Lex Frisionum, deze rechtsteksten waren van toepassing op een hertogdom Frisia dat zich uitstrekte van het Sincfal (het Zwin), nabij de tegenwoordige grens tussen België en Zeeuws-Vlaanderen, tot de Wezer in Duitsland.

Hertogdom Frisia[bewerken]

Van een onverdeeld hertogdom Frisia is alleen in de beginperiode sprake geweest en daarna kortstondig onder de Deense Vikingen. Evenals het tijdperk van de Friese koningen, waarin nooit echt sprake was van een volledige politieke eenheid, vormde het woongebied van de Friezen daarna geen eenheid en zou het ook kerkelijk gezien geen geheel vormen. De Frankische koningen deelden Frisia op in kleinere eenheden (gouwen) en beleenden deze aan leenmannen die aan hen verantwoording schuldig waren. Vanaf 810 vormde de komst van de Vikingen een bedreiging voor de vrede in de kustgouwen. Nog onder Karel de Grote werd de kustverdediging opnieuw georganiseerd, waarbij de hertog als militair bestuurder een grote rol te vervullen kreeg.

Aan het einde van de regering van Lodewijk de Vrome raakte de koninklijke macht in Frisia verzwakt. Deels werd dat veroorzaakt door de stormvloed van 838, maar vooral ook door de twisten van Lodewijk met zijn zoons. Na de dood van Lodewijk beleende zijn zoon Lotharius I de Deense broers Rorik en Harald in een bovengravelijke positie van dux met Frisia - het huidige Friesland en Holland- in een poging de aanvallen van de Vikingen te weren. De gouwgraven zagen hun macht daardoor afnemen en moesten samenwerken met de Denen. Aan de Deense overheersing van Frisia kwam een einde in 885 door de moord op Godfried de Noorman en zijn metgezellen in Herispich, het huidige Spijk. De Friese graven Everhard Saxo en Gerulf, speelden daar een belangrijke rol in. Na de Deense hertogen zou de invloed van de gouwgraven in betekenis toenemen en ontstonden er bij tijd en wijle afzonderlijke graafschappen.

Zie ook[bewerken]