Gösta Winbergh

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Gösta Winbergh (Stockholm, 30 december 1943 - Wenen, 18 maart 2002) was een Zweedse tenor. Hij wordt, naast Jussi Björling en Nicolai Gedda, beschouwd als één van de beste tenoren van Zweden en de wereld.

Er was geen muzikale traditie in Winberghs familie. Hijzelf was bouwingenieur toen hij in 1967 zijn eerste operavoorstelling zag. De ervaring had hem zo geraakt dat hij besloot tot een carrière in de opera. Hij schreef zich in voor de operaklas van Zwedens prestigieuze Koninklijke Muziekacademie, en werd gelijk aangenomen. Hij bezocht de school tussen 1969 en 1971. Hij begon te zingen bij de Koninklijke Opera te Stockholm, en kreeg geleidelijk aan internationale aandacht in de jaren tachtig toen hij gastoptredens verzorgde op buitenlandse podia. Kopenhagen, Aix-en-Provence, San Francisco, en in 1980 Glyndebourne, waar hij Belmonte (Die Entführung aus dem Serail) zong, en een groot succes oogstte vanwege zijn honingachtige stem en elegante gezang. Later werkte hij regelmatig in het operahuis van Zürich en de Metropolitan Opera in New York.

Voor de eerste twee decennia van zijn dertigjarige carrière werd Gösta Winbergh vooral bewonderd vanwege zijn rollen in opera's van Mozart. Zijn Don Ottavio (Don Giovanni) werd gevierd in de Metropolitan Opera, op de Salzburger Festspiele, in Houston en Chicago, Berlijn en Barcelona. Hij zong Ferrando (Così fan tutte) in het Hoftheater van Drottningholm, en Tamino (Die Zauberflöte) tijdens zijn debuut aan La Scala in Milaan.

Hij zong ook lyrische rollen als almaviva in Il barbiere di Siviglia, de hertog in Rigoletto, Alfredo in La Traviata, Nemorino in L'elisir d'amore en Lenski in Jevgeny Onjegin. In 1982 maakte hij zijn debuut in Chicago als Ferrando, en zijn debuut in Covent Garden in de titelrol van Mozarts La clemenza di Tito, waar hij veel succes mee oogstte. Het jaar daarop zong hij Mozarts Mitridate, re di Ponto tijdens de Schwetzinger Festspiele, en maakte hij zijn debuut aan de Met als Don Ottavio.

In 1991 zong hij Jenik in De verkochte bruid in Bonn en keerde terug naar de Scala als Pylades in Glucks Iphigénie en Tauride. Ook zong hij in Zürich zijn eerste Lohengrin, waardoor er een heel nieuwe carrière voor hem open lag, met meer Wagner, de Kaiser in Die Frau ohne Schatten, Don José in Carmen en Florestan in Fidelio.

Na de Kaiser in Die Frau ohne Schatten in Zürich in 1994, Parsifal in Stockholm en Erik in Der fliegende Holländer in 1995 in Venetië, introduceerde Winbergh zijn Lohengrin in Rome en de Bastille in Parijs (een concertante uitvoering, want het toneelpersoneel was in staking) in 1996.

In 1998 kwam hij in Zürich met een nieuwe rol, die van Huon in Webers Oberon. Hij zong ook Parsifal in Berlijn. In 1999 verscheen hij als Lohengrin in Sint-Petersburg als gast van de Kirov Opera, en als Walther in Die Meistersinger von Nürnberg in Chicago, en keerde terug naar Stockholm voor Don José in Carmen. Zijn laatste nieuwe rol was Florestan in Fidelio in 2002, die hij aan de Weense Staatsopera zong op de avond voor hij stierf aan een hartaanval.

Na zijn dood werd in Zweden de Gösta Winbergh Award (GWA) ingesteld. De prijs wordt ieder jaar aan jonge veelbelovende tenoren uitgereikt middels een zangwedstrijd die plaatsvindt op het operatoneel Confidencen, op het koniklijke landgoed Ulriksdal, een paar kilometer buiten Stockholm. De eerste prijs bestaat uit 14.000 euro en de tweede uit 6.000 euro.