Ganzenvangen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ganzenvangen is een oud Nederlands ambacht met als doel ganzen te vangen. Hiervoor maakt men gebruik van verschillende soorten vangmethoden, waarvan de globale opzet echter wel hetzelfde is. Ganzenvangen is een winterse aangelegenheid en het seizoen loopt van ongeveer begin november tot eind februari, de periode waarin trekganzen hier overwinteren. Het ganzenvangen wordt gedaan door ganzenvangers, die soms ook wel ganzenflappers worden genoemd.

Een ganzenvanginstallatie bestaat uit een ganzenhut, meestal bestaande uit een klein houten gebouw dat gecamoufleerd is met riet. Vanuit deze hut, die bemand wordt door een aantal personen, loopt een stevige draad naar een slagnet. Op het moment dat wilde ganzen, gelokt door het geroep van tamme ganzen, neerdalen in het gebied dat het slagnet omspant, wordt er aan de draad getrokken. De wilde ganzen bevinden zich vervolgens onder het net en kunnen worden opgehaald door de personen die zich in de hut bevinden. Het ophalen van de wilde ganzen die zich onder het net bevinden gebeurt meestal nog met een juk en daaraan bevestigde kooien.

Tegenwoordig gebruikt men deze techniek om de gevangen ganzen mee te nemen naar de ganzenhut, waar ze vervolgens worden onderzocht en geringd. Daarna worden ze weer vrijgelaten.

Zie ook[bewerken]