Garabogazköl

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Garabogazköl
Garabogazköl (Turkmenistan)
Garabogazköl
Situering
Stroomgebiedslanden Turkmenistan
Coördinaten 41° 21′ NB, 53° 36′ OL
Basisgegevens
Oppervlakte 18.000 km²
Soort water Baai
Maximale lengte 730 km
Maximale breedte 154 km
Gemiddelde diepte 7 m
Volume 128,8 miljoen 
Overig
Plaatsen Balkanabat Serdar Türkmenbaşy
Foto's
De baai van Kara-Bogaz vanuit de ruimte, september 1995
De baai van Kara-Bogaz vanuit de ruimte, september 1995
Portaal  Portaalicoon   Geografie
De nauwe inlaat vanaf de Kaspische Zee (links) naar de Garabogazköl, de Adzji Darja (NASA, 2002)

De Garabogazköl of Kara Bogaz Gol (Turkmeens: Garabogazköl, Russisch: Кара-Богаз-Гол), is een vrijwel afgesloten baai in Turkmenistan gelegen aan de Kaspische Zee. De naam betekent "Zwarte Muil". De baai heeft een oppervlakte van 18.000 vierkante kilometer en bevat veel van het zout natriumsulfaat Na2SO4 (glauberzout). Met een zoutgehalte van 35% is het water zouter dan de Dode Zee (33%) en veel zouter dan dat van de Kaspische Zee (1,2%). Water stroomt vanuit de Kaspische Zee de baai in, waar het met grote snelheid verdampt en het zout wordt gevormd. Door een lagere waterstand in de Kaspische Zee in de afgelopen decennia en daardoor een verminderde watertoevoer naar de Garabogazköl is deze bijna geheel veranderd in een zoutwoestijn.

Geschiedenis[bewerken]

De baai werd in 1847 ontdekt door de Russische cartograaf luitenant Ignati Aleksandrovitsj Zjerebtsov, hoewel de plaatselijke bevolking natuurlijk al langer wist van haar bestaan. Zjerebtsov wees naast de aanwezigheid van vele andere winbare mineralen op de goede kwaliteit van het ‘wonderzout’ dat in de baai in grote hoeveelheden gevormd en afgezet werd. Het zout werd vanaf de jaren '20 op kleine schaal gewonnen vanaf de zuidelijke oever (nabij het toenmalige dorpje Kara Bogaz Haven), maar in de jaren 30 verplaatste de productie zich onder leiding van directeur Jakov Roebinstejn naar haar huidige locatie bij de stad Bekdasj, meer noordwestelijk. De Russische schrijver Konstantin Paustovski (Paoestovski) brak in 1932 door met het boek De Baai van Kara Bogaz waarin hij verhaalt van de Sovjet-pogingen om een fabriekscomplex voor zoutchemie bij de Garabogazköl op te zetten. Een erop gebaseerde film Zwarte Muil uit 1935 werd echter nooit uitgegeven omdat Stalin in de Izvestia las dat de Franse communist Henri Barbusse de toen nog niet voltooide film eerder had gezien dan hij en opheldering eiste van de door hem aangestelde filmcriticus Boris Sjoemjatski. Uit angst om ook gezuiverd te worden besloten Sjoemjatski, Paustovski en de regisseur daarop om de film wel af te maken, maar niet uit te geven en Stalin op de mouw te spelden dat de Fransman zich vergist had in de film die hij gezien had. De film bevindt zich in het filmarchief in Moskou.[1] Het zoutcomplex werd geen succes omdat tegelijkertijd de Wolga door een cascade van stuwdammen werd afgedamd, waardoor de waterspiegel snel daalde in de Kaspische Zee en de Garabogazköl, waardoor geen glauberzout meer, maar het weinig waardevolle keukenzout werd gevormd. Roebinstejn kreeg de schuld en werd gezuiverd in 1938.[2][3]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden aan de Garabogazköl wolfraam en lithium gewonnen ten behoeve van de wapenindustrie. Na de oorlog werd de sulfaatwinning hervat, waarvoor Stalin vele ex-krijgsgevangen inzette. Vanaf de jaren 50 werd het grondwater weggepompt uit lagen onder de bodem, hetgeen hoogwaardiger zout opleverde. Tussen 1963 en 1973 werd bij Bekdasj een moderne fabriek gebouwd die niet langer afhankelijk is van de verdamping (het water van de Kaspische Zee en daarmee de Garabogazköl fluctueert met het seizoen) en zo het hele jaar door kan werken.

De Garabogazköl stond tot 1980 in open verbinding met de Kaspische Zee, maar in reactie op het dalende waterpeil van deze zee - als gevolg van grote onttrekking van water voor de katoenwinning in Centraal-Azië - werd de baai door de Sovjet-Unie afgesloten met een 200 meter lange dam. Dit met de redenatie dat het water uit de Kaspische Zee zo minder makkelijk kon wegvloeien en het dalende waterpeil kon worden gestopt. Dit zou een makkelijkere oplossing zijn dan het alternatief; de omkering van verschillende rivieren (de Neva, Dvina en Petsjora). Het gevolg was echter dat de Garabogazköl in plaats van na de verwachte 15 tot 20 jaar al na 2 jaar droog kwam te staan en de opgehoopte metersdikke zoutlagen op de bodem ineens vrij konden verwaaien, waarbij het zout zich verspreidde over grote delen van het Turkmeense grondgebied en andere (Russische) gebieden aan de Kaspische Zee. Deze grote zoutstormen zorgden voor de verzilting van landbouwgronden. De Sovjet-Russische autoriteiten probeerden dit stil te houden, maar Amerikaanse satellietbeelden toonden al snel grote kleurverschillen en in 1983 werd wereldkundig gemaakt dat de baai droog was gevallen. In hetzelfde jaar werd ontdekt dat de flamingo's die er neerstreken tijdens de migratie massaal waren gestorven wegens gebrek aan water. Door het droogvallen kon de chemische industrie (die vooraf sterk tegen de afdamming had gepleit) niet langer bestaan en werd gesloten.

Kort na de zelfstandigheid In 1992 liet de 'grote Turkmenbasi' onder grote belangstelling de dam tussen de Garabogazköl en de Kaspische Zee daarom weer doorsteken om deze door de Sovjet-Unie 'ontstolen' baai weer 'terug te geven aan het Turkmeense volk'. Door deze handeling werd de waterstand hersteld. Inmiddels stijgt het waterpeil van de Kaspische Zee weer door toegenomen aanvoer vanuit de Wolga.[4] De chemische industrie, die sterk afhankelijk was geweest van de planeconomie, werd echter niet hersteld.

Door het hoge zout- en zwavelgehalte sterven vissen die vanuit de Kaspische Zee door de Adzi Darja de Garabogazköl binnengesleurd worden spoedig. Het zoute water is dan ook vrijwel levenloos; alleen roodwieren en het daarop foeragerende pekelkreeftje Artemia salina komen er in grote aantallen voor. Het pekelkreeftje wordt gegeten door eenden en pelikanen, maar vooral door flamingo's die hun roze kleur danken aan het caroteen uit de roodwieren. Nadat de winning van glauberzout door teruglopende kwaliteit en mankracht (vooral goelag-gevangenen) rond 1990 was beëindigd werd de baai slechts geëxploiteerd door het Belgische bedrijf Artemia, dat een pekelkreeftjeseitjeswinning opzette ten behoeve van aquariumhouders en garnalenkwekers.[5]

Externe link[bewerken]