Geaffecteerde spraak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Geaffecteerde spraak is in de ruimste zin spraak met een bepaald affect, in het bijzonder een accent. In het bijzonder duidt men er echter het sociolect mee aan van de oude bovenklasse der bevolking in Nederland, bijzonder in Zuid-Holland en dan vooral in en om Den Haag. Er wordt soms met de namen Haags, Leids of Wassenaars naartoe verwezen.

Geschiedenis en gebruik[bewerken]

Anders dan de "volkse" dialecten heeft de geaffecteerde spraak geen wortels in het Hollands van de middeleeuwen; vermoedelijk is het in de achttiende eeuw ontstaan. De spreektaalnormen lagen toen nog lang niet zo vast; mensen die de standaardtaal op schrift beheersten spraken die vermoedelijk onderling nog zeer verschillend uit, met duidelijke invloeden van waar men vandaan kwam. Men wilde zich echter wel te allen tijde duidelijk van de lagere klassen onderscheiden. Op den duur creëerde men daarbij een accent dat niet meer aansloot bij de volkstaal en geacht werd beschaafd Nederlands te zijn. Later, in de negentiende eeuw, kwamen de taal- en uitspraaknormen nauwkeuriger vast te liggen en werd het bovengenoemde accent "overbeschaafd". Zij die er aan bleven vasthouden spraken in het vervolg geaffecteerd naar de normen die men nu hanteerde.

In het verleden werd de geaffecteerde spraak duidelijk meer gebezigd dan in recentere tijden. Zo valt ze, in afgezwakte vorm weliswaar, veelvuldig te beluisteren in oude opnamen van de radio, bij mensen die gedichten voordroegen en anders bij gelegenheden waarbij men in het openbaar sprak (Hildebrand klaagt er in zijn Camera obscura, in het verhaal "De familie Stastok", over dat een vrouw een gedicht bederft door het "brouwend" voor te dragen). Ook was dit sociolect toen geenszins beperkt tot de adel, maar spraken ook veel (burgerlijke) politici en intellectuelen het. Niettemin werd het ook weleens bewust gebruikt (en overdreven), bijvoorbeeld door Wim Sonneveld in zijn Tearoom-tango. Door de als meer natuurlijk geachte norm van de standaardtaal hebben veel mensen dit accent dan ook opgegeven. Men kan het echter nog steeds bij een aantal mensen beluisteren; zo is het onder meer de moedertaal van koningin Beatrix. Dat haar kinderen niet zo spreken is een duidelijk teken van de teruggang der geaffecteerde spraak.

Klankleer[bewerken]

Kenmerken van geaffecteerde spraak manifesteren zich allereerst in de uitspraak. Doordat vele adellijke en rijke mensen de hele dag door of meestal Frans spraken, nam men de brouwende uitspraak van de r over. De klinkers ee, oo en eu hebben geen naslag en klinken daardoor zoals in onder meer het Twents en het Limburgs; in de Hollandse dialecten (en zeker in het Haags) hebben ze een vrij sterke naslag, in de standaardtaal is een lichte naslag de norm. De aa wordt iets palataler uitgesproken, ongeveer als aae of zelfs ae. Voor een (gebrouwde) r krijgt de oo umlaut: eu. Vooral dit laatste is opmerkelijk, omdat de klanken ae en eu voor standaardtalig aa resp. oo in de oude Hollandse dialecten veelvuldig voorkwamen en afgekeurd werden. De e kleurt naar een a, zoals in onder meer het Zeeuws. De u wordt als een ö of œ uitgesproken. Dit alles vat men wel samen in stereotiepe sjibboletten als "In Den Haeg an de Spörtlaen gaet men tannissen met kannissen".

Vocabulaire[bewerken]

Behalve door verschillende klanken (accent) verschilt de geaffecteerde spraak ook van de taal der middenklasse door zijn woordkeus. Verschillende woorden ziet men, vooral binnen adellijke milieus, als 'burgerlijk'; deze gelden als te vermijden en hebben vaste alternatieven. Voorbeelden zijn taartje (tegenover middenklasse gebakje), ijskast (tegen koelkast) en buffet (tegen dressoir). Vaak is de woordkeus contra-intuïtief: de woorden van de middenklasse lijken op het eerste gezicht juist gedistingeerder en 'netter' dan de woorden van de hogere klasse (geaffecteerd plee tegen burgerlijk toilet, toetje tegen dessert, broek tegen pantalon, stoep tegen trottoir enz.).[1]

Bronnen[bewerken]