Gebruiker:Benedict Wydooghe/Geschiedenis en identiteit van het sociaal werk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1830_ OPRICHTING BURGERWACHT In 1830 richten burgers spontaan milities op om de orde te handhaven, plunderingen te verhinderen of om op te trekken tegen Nederland. Het Voorlopig Bewind erkende hen als burgerwacht. Ze was georganiseerd op gemeentelijk niveau en samengesteld uit burgers tussen 21 en 50 jaar, vooral jonge vrijgezellen. De standaarddienst bestond in het wacht optrekken en patrouilles uitvoeren voor de beveiliging van personen, het behoud van eigendommen en het handhaven van de openbare orde. Met welzijn had de burgerwacht echter minder van doen. Repressie kan niet alles regelen.

IN DE SCHEMERZONE TUSSEN WAARHEID, LEUGEN EN HERINNERING: GESCHIEDENIS EN IDENTITEIT VAN HET SOCIAAL WERK

.

Details zijn oneindig veel belangrijker.

.

Het loskomen van de eigen gedachtenkaders, het inpassen van de menselijke soort in zijn geschiedenis en in zijn ontwikkelende culturele patronen zijn onontbeerlijk om een volledig en genuanceerd beeld van de werkelijkheid te kunnen hanteren. Het is een slechte evolutie dat deze vakken in de opleiding van hulpverleners een steeds kleinere plaats innemen, en zijsprongetjes, versieringen haast worden, terwijl het een basis vormt voor ons denken over ons bestaan en de wereld. (...) Zonder filosofische grond blijven onze gedachten ongerichte flarden tekst zonder samenhang.


1864_HET SLAVENHUIS Slavenwinkel en veilinghuis in 1864 in Atlanta, Georgia, net voor de afschaffing van de slavernij. Vrijheid en gelijkheid? Niet voor iedereen blijkbaar.
1875_ARBEID EN WELZIJN OP HET WERK Werk in de staal walserij. Dit realistisch schilderij van Adolph Menzel uit 1875 is een een allereerste weergave in de Duitse kunst van een industrieel thema.
2019_ KLIMAATSWIJZIGINGEN Heeft het klimaat een politieke kleur? (27 januari 2019)


Beste HBO5-studenten Sociaal werk,

Beste HBO5-studenten Sociaal Cultureel Werk,

.

Nu we met zijn allen in cornonatijden leven, is deze cursus in een zelfstudiepakket getransformeerd. We beginnen vol onzekerheid: grote groepen zijn onmogelijk, lessen zijn evenmin haalbaar. Daarom heb ik de cursus verkaveld in, als alles goed gaat, in drie lesblokken van twee uur, twee historische wandelingen van ongeveer 8 uur (en twee uur voorbereidend werk voor jullie) en een ontmoeting op de campus in wat we het Molenbeek alternatief noemen. Tenslotte is er nog de App die jullie zullen doornemen. Reken hiervoor een halve dag.

.

Wandelen, historiek fysiek

Om de leerdoelen van deze cursus te bereiken, zorg ik voor een alternatieve werkwijze. Kortrijk en Brussel zijn zoals jullie weten historische steden. Daar val je over de geschiedenis, daar val je over het sociaal (cultureel) werk en in veel van mijn lessen duiken deze steden op als historisch 'schoolvoorbeeld'. In de komende weken ga je op stadsverkenning. We noemen het een observatie-oefening waarbij je als student, als toerist en als bachelor de stad gaat verkennen.

  • Na of tijdens de eerste les neem je de tijd om bubbels samen te stellen van maximum 4 studenten (meer mag niet, minder is niet goed werkbaar).

.

.

  • Bij elke locatie in Kortrijk is een symbool te vinden.
    • Een rode ster: erg belangrijke info (19 locaties);
    • Een geel huis: een museum (5 plaatsen);
    • Een blauwe wandelaar: wegwijzer met extra info (26 plekken);
    • Een paarse camera: kijk hier naar een beeldfragment;
    • Een paarse trompet: luister hier naar audio;
    • Een groen mes met vork: hier kan je lunchen;
    • Een groen glas: uitstekend om iets te drinken;
    • Een groen fototoestel: stadszicht, zeker fotograferen!

.

  • Brussel is een knooppuntenwandeling zonder onderscheid in belangrijkheid of soort van 'attractie'.

.

  • To do in de week van 1 of in de week van 8 februari: Vorm een groep. Verdeel onder elkaar de Infopunten in beide steden, schrijf dit uit in een Word-document be met de vermelding wanneer jullie de wandelingen maken. Stuur het document ten laatste op 12 februari naar benedict . wydooghe @ vives .

.

  • Elke student maakt een voorbereiding om de rest van de groep van uitleg te voorzien over de gekozen plaatsen wegaanduidingen. De werklast in een groep met vier studenten is dus ongeveer zo: elke student neemt een eerlijke verdeleing van de punten voor zijn rekening. Reken op een voorbereidingstijd van ruim vier uur. Lees niet af, zorg eventueel voor een spiekbriefje.

.

Voor de wandeling reken je een dag: 8 uur, met een aperitief, een middagmaal en een afscheidsdrankje inbegrepen. Je vertrekt dan om 9.30 aan het Belfort in Kortrijk of aan het Centraal Station in Brussel. Rond 17.00 uur eindig je bij het station van Kortrijk of het Zuidstation in Brussel. Wie met de auto komt, parkeert het best op de parking onder het Schouwburgplein in Kortrijk of op de parking bij Brussel Centraal. Als de agenda het niet toelaat kan je de wandeling in twee keer doen: dan heb je vier keer drie uur nodig, eten en drinken is dan niet noodzakelijk. Wie de Kortrijkse wandeling maakt, ontdekt al snel leuke, studentikoze plekken (ook daar is aandacht voor) en leert een ander Kortrijk kennen dan wat er zich op 't Hoge afspeelt.

.

De cursus

Ik raad jullie aan om te starten vanuit de teksten die ik hier aanbied, alles staat er in, concentreer je op de samenhangende teksten, dat is de hoofdzaak (de uitleg bij de verschillende jaartallen zijn bijzaken). Bijkomende opzoekingen buiten de cursus hoeven jullie niet te ondernemen.

.

Qua tijdsinvestering is dit een cursus die tussen de 40 tot 50 uur vraagt om die tot een goed einde te brengen, lestijd, (voorbereiding op de) wandeling en het schrijven van het essay inbegrepen. De cursus bestaat uit vier delen, te beginnen met de Verlichting in Frankrijk. Dat land zal zich in de tweede helft van de zeventiende eeuw tot wereldmacht opwerken: (deel 1). In de achttiende eeuw beheerst Frankrijk de wereldzeeën en beschikt dat land over het grootste landleger ter wereld, maar het voelt al snel de Engelse adem. Deel 2 focust op de negentiende eeuw. Engeland is aan de beurt. De kolonisatie van de wereld gaat gepaard met de Industriële Revolutie in het land zelf en een Eerste Wereldoorlog. Deel 3, de twintigste eeuw moest Duits worden. Dat is tot twee keer geprobeerd, maar dat lukte niet, noch in 1914, noch in 1939. Deze eeuw werd Amerikaans, Europa was zijn wereldmacht kwijt. Waar zal het machtscentrum van de 21ste eeuw liggen? Daarop focust de laatste les.

.

DEEL 1: Verlichting - Klik hier voor de uitgebreide tekst.

.

DEEL 2: Franse & Industriële Revolutie - Klik hier voor de uitgebereide tekst.

.

DEEL 3a: Fin de siècle en Eerste Wereldoorlog

.

DEEL V3b: 1920-2020

.

GOUDEN TIP!

Wie dit liever op papier studeert kan een printvriendelijke versie downloaden en uitprinten via een hulpmiddel in de zijbalk van deze Wikipagina.

.

Tot slot, vergeet de woorden van de nobelprijswinnaar Albert Camus niet:

"Hij wist wat deze blije menigte niet wist en wat in de boeken te lezen staat: de pestbacil sterft nooit uit en verdwijnt nooit voorgoed, hij kan tientallen jaren achtereen blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, hij wacht geduldig, in kamers, kelders, koffers, zakdoeken en paperassen, en misschien komt er een dag waarop, tot schade en lering van de mensheid, de pest zijn ratten wekt om ze te laten sterven in een gelukkige stad'"[1]

.

Een zin als een waarschuwing. Neem ze niet te letterlijk. Veel succes met deze cursus en hou je gezond. Het zijn helaas historische tijden.

Benedict Wydooghe

PS. Wie werkelijk in de knoop ligt met vragen kan mij altijd mailen. Doorgaans beantwoord ik je vraag dan met een telefoontje. Deze combinatie werkt snel.

.

.

DEEL I: DE VERLICHTING[bewerken | brontekst bewerken]

Hier vond het sociaal werk zijn mosterd 1650-1789

.

Chauvinisme is een vorm van onwetendheid.

.

Wie het verleden controleert, controleert het heden.

.

De geschiedenis zal gunstig over me oordelen, want ik ga ze zelf schrijven.

.

.


Het optimisme vindt zijn wortels in de idee dat de maatschappij maakbaar is. Die maakbaarheidsidee gaat terug op historische periodes zoals de Renaissance, de de Verlichting en de negentiende eeuw. De Verlichting is misschien wel de belangrijkste van het trio: de verlichting gaat een stap verder dan het magische, het symbolische en het occulte denken dat de Renaissance en het Humanisme binnensijpelt. In de Verlichting ontspruit de kiem van de Industriële Revolutie. De Verlichting was niet zomaar 'filosofietje'. Het is een denken dat de hele samenleving wil veranderen en vertrekt vanuit de idee dat mensen elkaar 'aansteken'. De verlichtingsfilosofen geloven dat hun ideeën anderen 'verlichten'. Kennis komt iedereen ten goede. René Descartes hecht belang aan techniek en zou zich in onze eeuw thuis voelen. Zijn Discours de la methode uit 1637 ligt aan de basis van de Encyclopédie die een eeuw later, in 1751 verschijnt. Beide werken focussen op arbeid en werktuigen, ambachtslui en werkplekken. Diderot schetst gereedschap en machines en breekt het eeuwenoude kennismonopolie van de ambachten. In de jaren zestig en zeventig van de eeuw ontwikkelt James Watt ‘zijn’ stoommachine en twee decennia later, in 1791, stimuleren het decreet d'Allarde en de Wet le Chapelier (genoemd naar de Bretoense en Jakobijnse advocaat Isaac Le Chapelier) de ondernemingsvrijheid. Het beginsel is nobel: 'Iedereen is vrij om de handel, het beroep, de kunst of het ambacht uit te oefenen dat hem goed dunkt.' Tegelijk schaffen deze verordeningen de ambachten met hun kennisoverdracht van vader op zoon af. Arbeidsstructuren zoals coalities, corporaties en gilden die eeuwen de toegang tot een beroep belemmerden, verdwijnen. Tegelijk verdwijnt de sociale bescherming die deze mensen genoten. Vakbonden en staken worden gecriminaliseerd. De Wet, de encyclopedie en de stoommachine begeleiden de rouwstoet van de ambachtslui naar het kerkhof en verwelkomen de fabriek en de machine. België schaft de Wet Le Chapelier af op 25 mei 1867. Tot die dag 'camoufleren' arbeidersorganisaties en vakbonden zich als ziekenfondsen of ‘onschuldige’ verenigingen. 

Tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw groeit het idee van de wetmatigheden in de natuur én in de samenleving. De gedachte dat het menselijk gedrag te berekenen - mechanisch - is kan de wereld verbeteren. De theïstische, de bovennatuurlijke, middeleeuwse God die willekeurig ingrijpt -om te belonen en te bestraffen- ruimt plaats voor de deïstische God. Deze God is de schepper van alles, een mechanieker die zijn schepping zo inricht, dat ze zonder zijn bemoeienis draait. De ultieme metafoor omschrijft God als de grootste klokkenbouwer. Dit denken manifesteert zich in het vroeg liberaal economisch denken. In Frankrijk komt dit tot uiting in de [[fysiocratie]] van François Quesnay (1694-1774). Grondbezit en berekend individualisme liggen er aan de basis van rijkdom en succes en toegang tot de bestaansmiddelen. In Engeland leidt het tot de klassieke economie van Adam Smith die het onberekenbare natuurrecht en de goddelijke ordening (de onzichtbare hand) centraal stelt: arbeid is de sleutel tot succes. Zo zijn beide economische systemen een reactie op het zero-sum game (wat de ene partij wint, verliest de andere), van het mercantilisme (16e tot 18e eeuw) dat welvaart haalt uit edelmetaal, geroofd in de nieuwe wereld.

KLIK HIER OM WYDOOGHE TE HOREN OVER DE VERLICHTING


.

1. René Descartes (1596-1650) en het rationalisme, logica en onderzoek in tegenstelling tot het elitaire (enkel de elite is in staat om te leren), het esoterisme, de alchemie, het symbolische en het magisch denken. FILM, 8.48 min.

.

2. De onstuitbare honger naar feiten en kennis van de encyclopedisten Jean Le Rond d'Alembert en Denis Diderot en hun nieuwe bijbel: l'encyclopedie.

.

3. John Locke en het empirisme. FILM, 9.14 min.

.

4. Isaac Newton en het oorzakelijk denken FILM 53.38 min.

.

5. Montesqieu en de scheiding der machten.

.

6. Voltaire en het recht op vrije meningsuiting en het deïsme. FILM 12.15 min.

. 

7. Jean Jacques Rousseau over de opvoeding en zijn Emile. FILM 7.46 min.

.

8. Jeremy Bentham over het grootste geluk voor iedereen in een panoptische infrastructuur.

.

9. Adam Smith zet de verlichtingsideeën om in een economische theorie en lanceert 'de onzichtbare hand'. FILM 6.43 min.

.

10. Immanuel Kant maakt een synthese van al het bovenstaande. FILM 8.12 min.

.

.

Hoofdpersonages van het absolutisme en de verlichting

.

.

.

DEEL II: REVOLUTIES[bewerken | brontekst bewerken]

DE FRANSE, DE BELGISCHE & DE INDUSTRIËLE REVOLUTIE Van 1789 tot 1890

.

De heersende ideologie is de ideologie van de heersende klasse. Een visie op de geschiedenisgang is een wezenlijk onderdeel van die ideologie.

.

Vrijheid is niet iets wat men aanvaardt, maar wat men bemachtigt.

.

BEELDFRAGMENT FRANSE REVOLUTIE (14.00 Min.)

Voor wie zich identificeerde met de Europese Verlichting was de Bastille het symbool voor de onderdrukking van het Ancien Regime. De burcht stond grotendeels leeg, maar dat stoorde niet: dit was het model voor alles wat er fout liep. De bestorming ervan kon niets anders zijn dan de voorbode van een nieuwe tijd. Van Londen tot in Sint-Petersburg, van Duitsland tot in de Verenigde Staten golfde de euforie door de straten. De Bastille als these, het Panopticon (zie hieronder) als antithese.

.


Inleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Dit hoofdstuk maakt de overgang van de verlichting naar de negentiende eeuw met wat ik in deze MP4 de ‘laatste verlichtingsfilosoof’ noem. Dat er over 'de verlichting' massa's boeken geschreven zijn, vormde een probleem: hoe verkoop je deze ‘nastrevenswaardige idealen’ aan een volk dat niet kan lezen en in een wereld zonder TV? Een slogan vormde de oplossing: drie kernwoorden begeleidden de Franse revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Dat begreep iedereen en daar kon je niet tegen zijn. En iedereen kon het scanderen. De revolutionairen wisten dat deze drie idealen een eenheid vormen. Totale gelijkheid was en is onwenselijk: dat experiment speelde zich af in het communistische Rusland tussen 1917 en 1989. Het leidde niet tot wat Marx met het communisme bedoelde. Totale vrijheid was eveneens onwerkbaar: ziedaar de VS. Wapendracht is geen probleem, een verplichte ziekteverzekering wel. De broederlijkheid houdt de begrippen vrijheid en gelijkheid in evenwicht. Hoe meer gelijk, hoe minder vrij en omgekeerd. Die balans kenden de revolutionairen of ze leerden ze kennen. Na de Franse revolutie kapselen politieke partijen deze begrippen in: al vroeg in de negentiende eeuw zet het liberalisme (verwijzend naar de blauwe kleur in de Franse vlag) de vrijheid centraal. Het zal leiden tot de Belgische revolutie in 1830. Liberalen zijn in die mate vrij, dat het enerzijds ten koste gaat van de armoede van het proletariaat en het anderzijds de industrialisering op gang trekt. Het proletariaat zal ‘onvrij’ zijn. Dit is de zogenaamde 'sociale kwestie'. Oude middeleeuwse steden die in de negentiende eeuw industrialiseren, proletariseren. Wie het zich kan permitteren gaat in de betere wijken of buiten de stadsmuren wonen. Oude herenhuizen worden overbevolkt bewoond door arbeiders en hun kroost die eveneens uit werken gaat. Binnentuinen verdwijnen: er komen beluiken. Maar het kan anders, zoals in Le Grand Hornu. Hornu is een vroege illustratie van de tuinstadgedachte (ziedaar, de socialistische tuin ontspruit). Hornu is een stad gebouwd in de vroege 19de eeuw die geen middeleeuwse structuren kent. Moderner is niet denkbaar. Elke arbeider heeft een huis, alle huizen zijn er gelijk en is voorzien van een tuin: elke tuin is er even groot (ziedaar de gelijkheidsgedachte). In 1848 is de toestand van het proletariaat dermate erg, dat er een nieuwe revolutie uitbreekt – niet toevallig is dit het jaar dat Marx zijn Communistisch manifest schrijft. Dat begint met de zin: ‘Een spookt waart door Europa, het spook van het Communisme’. Waarom een spook? Voor Marx is het niet duidelijk wat het Communisme zal betekenen. De laatste zin is even spannend: 'Proletariërs aller landen verenigt u.' Marx wist dat de arbeiders zich internationaal dienen te organiseren om de klassenstrijd te beginnen. In 1914 is alles anders uitgedraaid. De angst voor het proletariaat leidde tot een oorlog waarin arbeiders uit Duitsland en Oostenrijk, arbeiders uit Engeland en Frankrijk en België afslachtten. Burgerij en adel bleven buiten schot. Voor Marx is broederlijkheid geen evenwichtsbrenger tussen vrijheid en gelijkheid: het is het panopticon die dat doet: de individualisering (denk aan de MP4 van hierboven) zorgt voor gelijkheid en het feit dat het panopticon niet onderdrukkend aanvoelt, garandeert de zogenaamde vrijheid. Was het dit soort samenleving dat men wou? 1848 wordt klassiek gezien als het jaar waarin het socialisme ontspruit. De gelijkheidsgedachte staat centraal en het socialisme verwijst naar de rode kleur van de Franse vlag. Na de revolutie van 1848 is het duidelijk dat het zo niet verder kan: het proletariaat is gevaarlijk! Krottenwijken worden afgebroken, de bevolking weggejaagd en in de plaats komen er grote stadsparken (de tuin van het liberalisme!), een gevangenis, een justitiepaleis, een politiekazerne, de boulevard… instrumenten die burgerij en proletariaat uit elkaar moeten houden. Lees er de initiatieven van baron Haussmann maar op na. Tot het einde van de negentiende eeuw trekken de katholieken zich nauwelijks iets aan van de sociale kwestie, op wat caritas na. Het aanleggen van de spoorwegen hebben de katholieken wel toegejuicht. Immers, zo kan de proletariër pendelen en blijft hij onder de vleugels van de dorpspastoor. Het is wachten op Adolf Daens en de encycliek Rerum Novarum, maar dan zijn we al begin jaren negentig van de negentiende eeuw. En dat is het begin van een nieuw tijdperk: het Fin de siècle en de eerste wereldoorlog.

.

Het startschot in 1789: Franse Revolutie[bewerken | brontekst bewerken]

Vijf principes liggen aan de basis van een panopticon: 1. Individualisering (elke bewoner zit vast in zijn cel zonder contact, in scherp contrast met de kerkers die Francisco Goya in die tijd penseelt); 2. De zichtbaarheid van het individu; 3. De mens wordt gezien zonder zelf te zien en is object van info en wetenschap, nooit iemand die met anderen praat; 4. De macht van de opzichter is asymmetrisch (de opzichter wordt zelf niet gezien); 5. Machtsmaximalisering: het is onnodig dat de opzichter er permanent is (het besef gecontroleerd te worden is voldoende).
Virtual reality animatie van Benthams panopticon. In dit model staat niet de centrale toren in het midden, maar een aula waar herscholing mogelijk is.

.

Angst! 

. 

De onvoorspelbaarheid en de verschrikking van de Franse Revolutie en haar eindeloze bloedvergieten boezemde de hogere en leidende klassen een serieuze angst in. Geen enkel land, geen enkele heer was voorbereid op deze uitdaging. De speculaties omtrent haar oorzaak gingen niet alleen terug op de Verlichtingsidealen. Duivelse complotten en samenzweringstheorieën over Illuminati deden volop de ronde en ondermijnden zo de nieuwe sociale en politieke orde. De Verlichting was in de ogen van het establishment oplichterij. Dat viel te lezen bij de conservatieven zoals bij de voormalige jezuïet abbé Augustin Barruel die de revolutie omschreef als een samenzwering die begon eind jaren 1720, toen Voltaire Diderot en D'Alembert voor zijn kar spande. Een zelfde geluid viel te horen bij Edmund Burke die in 1790 in zijn Reflections on the Revolution in France de revolutie omschreef als een schending van de wet en de ondermijning van religie en eigendom, kortom een ondermijning van de sociale orde waarop Europa steunde. De Oostenrijkse Keizer Jozef II meende dat hij zijn discipelen diende te behoeden voor de valse, fanatieke Verlichting door hen de 'juiste manier van denken' bij te brengen. Dat die zienswijze vruchten oogstte, bewijst de houding van zijn kwekeling en opvolger Keizer Frans II. Die meende uit het diepste van zijn hart dat de Verlichting charlatanerie was. De historicus Adam Zamoyski toont in zijn boek De fantoomterreur hoe de leidende klassen hun spionage- en politieweb in tempo uitbreidden, tot ongenoegen van wie overal ter wereld de bestorming van de Bastille toejuichte. Hoewel die bestorming van de Bastille nauwelijks het niveau oversteeg van opstoten, muiterij of straatgevechten, zagen mensen de bestorming symbolisch. In plaats van de evolutie af te wachten en daarna een mening te vormden, namen zelfs de meeste ontwikkelden een standpunt in dat diametraal tegenover het andere stond, alsof het ging om een langverwacht signaal. Na Waterloo in 1815 - vijfentwintig jaar later - herstelden de overwinnaars de orde van voor 1789. Althans dat proberen ze. Tijdens deze zogenaamde 'Restauratie' onderdrukken ze elke (vermeende) oppositie en is de jacht op samenzweerders, complotdenkers en terroristen open. De politie ontwikkelt zich als instituut en zal de Industriële Revolutie begeleiden.[2]

.

.

De Engelse filosoof Jeremy Bentham creëert in 1791 een architectuur ter controle, ter discipline, om de mens te bewaken, te bestuderen en te verbeteren. Dit panopticum bestaat uit een centrale toren met een cellenring. Alle cellen - met een raam naar buiten en naar binnen toe - hebben slechts één opzichter nodig die in staat is het geheel te observeren. Etymologisch is het panopticum een samentrekking van het Griekse pan (alles) en optica, een verwijzing naar de optica of het zicht: alles is er zichtbaar. In de oorspronkelijke plannen neemt Bentham ook een buizensysteem op die elke cel kan afluisteren. Dit bleek in de praktijk onhaalbaar en onnodig, vermits elke cel slechts één bewoner telt. Het gebouw functioneert niet alleen als gevangenis, het is inzetbaar als school, fabriek, hospitaal, psychiatrische instelling, kazerne of als rusthuis en staat voor een geordende maatschappij die alles beheerst. Volgens Bentham is het gebouw 'nuttig voor regeerders.' Gaat het om gevangenen dan is er geen gevaar voor ontsnappen of opstootjes; gaat het om scholieren dan is er geen gevaar voor afkijken of wanorde; gaat het om arbeiders dan wordt sabotage en geklets vermeden; betreft het zieken of gekken dan kunnen ze elkaar niet besmetten of aansteken. Zo dringt de macht tot in de kleinste segmenten van de maatschappij door, terwijl ze nauwelijks als onderdrukkend aanvoelt. Deze 'machtsmachine' weerspiegelt een nieuw denken dat zich met de Verlichting en met de komst van het kapitalisme manifesteert: de disciplinering. Macht en kennis gaan samen. Voor de Industriële Revolutie eigenden alleen de adel en de geestelijkheid zich de 'discipline' toe. Nu wordt de 'discipline' een noodzakelijk voorwaarde voor de ontwikkeling van het kapitalisme en de industrie, maar dat wist Bentham wellicht nog niet. De machtsuitoefening produceert bovendien extra kennis via experimenten. De droom van Bentham is dat het panoptisch mechanisme uitgroeit tot een alles bewakend en alles doordringend maatschappelijk netwerk. Lees het oorspronkelijke geschrift.

.

Het is een troostrijke gedachte, dit zij terloops opgemerkt, te bedenken, dat de doodstraf, die nog drie eeuwen geleden met haar ijzeren rad, haar stenen galg, met al haar folterwerktuigen overal duurzaam in het plaveisel zat vastgegroeid: op het Zandplein, bij de Hallen, bij het Prinsenplein, de kruissprong Trahoir, de Varkensmarkt, het gruwzame Montfaulcon, de Schutterspoort, het Kattenplein, de Poort van Saint-Denis, de Velden, de Poort van Baudet, de Poort van Sint-Jacob, zonder nog de talloze galgen van de schouten, van de bisschop, van de kapittels, van de abten en van de priors, die recht van justitie hadden, mee te tellen; zonder de gerechtelijke verdrinkingen in de rivier de Seine mee te tellen; het is een troostrijke gedachte, dat heden ten dage, nadat zij achtereenvolgens alle stukken van haar wapenrusting heeft verloren, haar rijkdom aan toepassingen, haar lijfstraffen naar willekeur en verbeeldingskracht, haar martelingen, waarvoor zij alle vijf jaren een leren bed bij het Grote kasteeltje opnieuw overtrok, deze oude opperleenvrouw uit de tijd van het leenstelsel bijna buiten de wet en buiten de stad is gezet, van wetboek tot wetboek is verdrongen, van plaats tot plaats verdreven, en dat zij in ons ontzaglijke Parijs nog slechts een eerloos hoekje op het Zandplein heeft, een ellendige, haastige ongerust, beschaamde guillotine, die voortdurend schijnt te vrezen, dat zij op heterdaad zal worden betrapt, zo snel verdwijnt zij, na haar slag te hebben geslagen!

.

Tijdens de revolutie krijgt Parijs weer alle aandacht als machtscentrum in plaats van Versailles. Georges-Eugène Haussmann is niet de eerste die het middeleeuwse Parijs moderniseert na 1848. Napoleon is hem voor als die eind 1804 een reeks vakwerkhuizen laat slopen om er pleinen, fonteinen en boulevards aan te leggen. De stedelingen spreken de dames niet langer aan met het revolutionaire 'citoyenne' maar met het elegante 'mademoiselle' of 'madame'. Restaurants en cafés schieten als paddenstoelen uit grond. De stad telt een half miljoen inwoners, na Londen is Parijs de tweede wereldstad, de eerste wereldstad op het continent. Een kanaal van honderd kilometer moet Parijs van schoon water voorzien en een nieuw politiekorps ziet het leven. De Jardin du Roi krijgt logisch een andere naam, niets mag naar de oude kroon verwijzen. Zo wordt de Jardin des Plantes geboren en krijgt die onder het nieuwe regime nieuwe kassen. De Jardin omvat een botanische tuin, een menagerie, een bibliotheek en het natuurhistorisch museum. Het breidt zich uit tot een ongeziene collectie, naarmate de oorlogsbuit van Napoleon groeit of de verzameling aan planten, fossielen en dieren van wetenschappers zoals Alexander von Humboldt binnenstromen. Eind achttiende eeuw kent Europa zowat zesduizend plantensoorten. Als von Humboldt rond zijn vijfendertigste in Parijs arriveert, heeft hij 60.000 planten bij zich. Hoe het er in dat Parijs aan toegaat, is beschreven door de journaliste Andrea Wulf. Haar Parijs is bijna vergelijkbaar met Amsterdam een kleine twee eeuwen eerder.


Buitenlanders stonden er vaak van te kijken hoezeer het Parijse leven zich op straat afspeelde. Iedereen leefde in het openbaar, 'alsof de huizen uitsluitend zijn gebouwd om in te slapen', meende de Engelse dichter Robert Southey. Langs de oevers van de Seine, vlak bij Alexander Von Humboldts bescheiden huurappartement in Saint-Germain, stonden honderden wasvrouwen met opgerolde mouwen hun linnengoed te boenen, in het volle zicht van iedereen die een van de vele bruggen overstak. Langs de straten stonden rijen kraampjes met allerlei koopwaar, van oesters en druiven tot meubilair. Schoenmakers, scharensliepen en marskramers boden luidruchtig hun diensten aan. Dieren deden kunstjes, jongleurs wierpen hun ballen in de lucht en 'filosofen' stonden te oreren of voerden experimenten uit. Op de ene straathoek zat een oude man harp te spelen, ergens anders sloeg een kind op een tamboerijn en trad een orgeldraaier op, bijgestaan door zijn hondje. Grimaciers trokken de angstaanjagendste gezichten en de geur van geroosterde kastanjes mengde zich met minder prettige luchtjes. Het was, zo merkte een bezoeker op, alsof de hele stad 'zich uitsluitend aan genoegens wijdde. Zelfs om middernacht was het nog druk op straat en werd de mensenmassa vermaakt door muzikanten, toneelspelers en goochelaars. Parijs leek 'in voortdurende opwinding' te verkeren, schreef een andere toerist. Waar buitenlanders ook versteld van stonden, was het feit dat alle standen in grote huizen onder één dak leefden: van een hertog in zijn riante vertrekken op de begane grond tot een dienstmeisje of hoedenmaakster in een armetierig kamertje op zolder. Ook de geletterdheid was niet aan de hoge klasse voorbehouden. Zelfs bloemenmeisjes en sieradenverkoopsters zaten, zodra ze even geen klandizie hadden, met hun neus in een boek. Rijen boekenkraampjes stonden langs de straten en op de overvolle stoepterrassen voor cafés en restaurants gingen de gesprekken veelal over schoonheid, kunst of 'en ander ingewikkeld wiskundig probleem'. Humboldt vond Parijs geweldig.

— Andrea Wulf[4]
Le Grand-Hornu is een industrieel mijnbouwcomplex in de Borinage, Henegouwen en een vroeg voorbeeld van functionele stedenbouw begin van de 19e eeuw. Henri De Gorge (1774-1832) bouwde de stad, de werkplek, de kantoren en zijn residentie tussen 1810 en 1830 in neoklassieke stijl met booggewelven, geveldriehoeken en halfronde vensters.

.

1810

.

  • De ondernemer Henri De Gorge koopt de steenkoolexploitatie Grand-Hornu van de weduwe van Charles Godonnesche. Rond het industriële complex bouwt vanaf 1816 een arbeiderswijk met straten, honderden woningen, nutsvoorzieningen, een school en een bibliotheek. Bij elk arbeidershuisje hoort een eigen tuin. De waterput en de oven zijn gemeenschappelijk.

.

  • In Luik zorgt de gasverlichting dat een staalfabriek de klok rond kan werken. Een nieuw arbeidersritme ontstaat: het ploegentelsel. En dat vraagt de disciplinering van het proletariaat.

.

1811

.

  • Luddieten slaan de textielmachines in Nottingham kort en klein. Het Engelse leger draaft op. Velen krijgen strenge straffen: een terechtstelling of een deportatie naar Australië.

.

.

De restauratie en de Nederlanders: 1815-1830[bewerken | brontekst bewerken]

.

Er zal een tijd komen, dat de volken van Europa te wijs zullen zijn, om elkander te beoorlogen, en dan zal de zware post, voor het maken en onderhouden van vestingen, op al de begrootingen geschrapt zijn.

— G.K. van Hogendorp, 1819

.

1818

.

.

  • Op 5 mei ziet een baby met de naam Karl Marx, een bourgeois Jood in Trier het levenslicht. Trier is overwegend katholiek, Duitsland overwegend protestants. Goethe omschreef in 1793 - dertig jaar voor de geboorte van Marx - deze oudste stad in het Rijnland als verstikkend spiritueel, beladen en gedomineerd door kerken, kapellen, kloosters, abdijen, seminaries en vol ridder- en religieuze orden die de stad versmachten. Marx zou er later, in zijn De achttiende brumaire van Lodewijk Napoleon een zin op improviseren: 'De traditie van alle dode generaties drukt als een zware last op de geest van de levenden.' Als de Franse revolutionairen Trier annexeren, sijpelden on-Duitse begrippen binnen zoals religieuze tolerantie en persvrijheid. De verlokkende geur van de Verlichting waait er sindsdien niet meer weg en Marx is er het product van. Een geboren spreker bovendien, zoals zijn dochter Eleanor later te kennen geeft: 'een uniek, een ongeëvenaard verteller'.

.

1819
Willem I der Nederlanden (1772-1843).


.

  • Start bouwwerken van de citadel van Gent (af in 1831). In datzelfde Gent ontstaat een vroege weerstand tegen de vorst, Willem I. De burgemeester van Gent rapporteert dat zijn surveillance en zijn verklikkers, de marechaussee en het leger geen greep krijgen op de verspreiding van de clandestiene onheilsberichten tegen de vorst. 'De verspreiding van deze libellen blijft een mysterie' schrijft hij. 'Ze geschied bij nacht en zo snel dat elke politieactie te laat komt, want de eerste en de laatste exemplaren worden ongeveer gelijktijdig verdeeld. De verspreiders verdelen de stad in kwartieren en bijgevolg hoeven ze maar een klein deel ervan te bestrijken.'[5]

.

.

1828

.

  • In de Zuidelijke Nederlanden sluiten de katholieken en hun traditionele vijanden de liberalen een monsterverbond. Dit unionisme is de oppositie tegen koning Willem I. In 1848 zal het opnieuw opduiken.

.

  • Edward Ducpétiaux publiceert armoedecijfers. Op de officiële lijsten staan 564.565 armen ingeschreven over de provincies die later België vormen. Dit is één op zeven. [6]

.

.

1829

.

  • De Nederlandse regering trekt de taal- en belastingwetten ten dele in. In het Zuiden zijn er teveel bezwaren.

.

  • In Brussel vieren Franse politieke vluchtelingen (republikeinen, bonapartisten, jakobijnen...) de veertigste verjaardag van hun revolutie. 1789 roept emotie op en Franse vlaggen duiken in het straatbeeld op. Even wappert de Franse driekleur boven het stadhuis over de grote markt en de Marseillaise weerklinkt. 'Vive la France!' scandeert de menigte en het straalt af op de Belgen die in cafés en op het werk zich afvragen wanneer het hun beurt is. Er gaan geruchten dat ronselaars de manifestaties en de straatincidenten betalen: arbeiders en volksmensen krijgen enkele guldens om de boel op te zwepen. De geruchten komen er niet zomaar. Ze komen van getuigenissen. Adolphe Sax, de saxofoonbouwer uit Dinant die tachtig werknemers in dienst heeft vangt het gerucht op. En van Rodenbach die in het leger van Napoleon diende en van de advocaat Alexandre Gendebien - 'de Vader des Vaderlands' en geboren in het symbolische jaar 1789 - is geweten dat ze voor een geldbeurs amok lieten maken.

.

  • Vanaf eind mei trekt koning Willem I voor vijf weken door alle 'Belgische' provincies. Zes koetsen brengen hem onder meer in Roeselare waar Pierre Rodenbach hem een petitie overhandigt die de onmiddellijke vrijlating van Louis de Potter eist. Voor de rest leek het bezoek van de koning in België een rimpelloze triomftocht en mocht de vorst overal op enthousiasme van de omstaanders rekenen. Het was voor de vorst mis begrepen vriendelijkheid, applaus en gejuich van het volk dat voor en na het bezoek van de overheden drank en eten toegeschoven kreeg. Op het einde van zijn reis maakt hij op 23 juni een uitschuiver van formaat die het wederzijds begrip onmogelijk zou maken. In de stad Luik kijkt hij overmoedig terug op zijn reis en concludeert hij - ten onrechte - dat het gemor en de klachten aan zijn adres te danken zijn aan enkele schandelijke individuen. Het unionisme vond er zijn voedingsbodem.

.

  • Vanaf november is de winter zeer streng in België. Honderd dagen lang zal de thermometer beneden het vriespunt blijven, tot in februari 1830 dus. Gewassen bevriezen op het veld, de veestapel sterft af, de voedselprijzen gaan de hoogte in. In Kortrijk, Brabant en in Luik dreigen plunderingen. Daarenboven bedreigt de mechanisering en de industrialisering de broodwinning van de handarbeiders die tot voor de wet Le Chapelier ambachtslui werden genoemd. Voor hun werkloosheid hebben katholieken en liberalen nog geen oog, maar de parallel met 1789 is duidelijk: de massa is in beweging te brengen.

.

Kijken

.

.

De eerste fase van de Industriële Revolutie: 1800-1848[bewerken | brontekst bewerken]

De verdwenen Paarlemoergang geschilderd door Jacques Carabain op het einde van de negentiende eeuw.
Zoals vele anderen schildert Vincent van Gogh (1853-1890) de 'achterhuizen' eind negentiende eeuw. A. Loontjes beschrijft in zijn Geschiedenis van Kortrijk I. hoe hij het beluik ervaart. '...door een poort of een smal gangetje, soms niet meer dan 75 cm breed, dat naar een koertje leidt met scheeve, kleine huisjes, die nauwelijks recht blijven, en daar staan als oude paarden met ingevallen ruggen. Hier spelen en vechten havelooze kinderen, met besmeurde gezichtjes, die bij uw verschijnen, plots hun spel staken om u te bezien met groote ronde oogen van onder tot boven. De gordijntjes der kreupele woningen rondom het hobbelige koertje, worden door onzichtbare handen op zij geschoven en ge gevoelt u van alle zijden angstvallig beloerd. Het bezoek van een vreemde verwekt daar altijd eenig wantrouwen, ge staat daar als een indringer op vreemd gebied! Ga nu een der huisjes binnen! Hoe kunnen ze daar in leven blijven? En welke miraculeuze behendigheid is er in geslaagd al dat verschillend gerief op zoo’n kleine ruimte te schikken! Boven uw hoofd, in ’t lage gebarsten plafond, een valdeur of slechts een donkere peilloze opening. Tegen den muur staat een ladder geplakt. Die zal men ’s avonds schraag in de opening plaatsen om naar boven te klauteren. Naar boven… Is daar wel een boven? Ga er maar eens op, Mijnheer!... En daarvoor betalen wij 150 fr. Te maande! … Wilt ge eens het boekje zien?'

.

Een uitloper van de Verlichting

.

De Belgische industriële revolutie tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw volgt kort na de Engelse en is de eerste op het vasteland. Ze doet de eeuwenoude ambachten en de van recentere datum opgerichte manufacturen (bedrijf) verdwijnen. De take off markeert de industrialisatie in Engeland vanaf 1763. Omstreeks de eeuwwisseling is het Samber- en Maasbekken de meest geïndustrialiseerde regio in Europa en start Lieven Bauwens met zijn door stoom aangedreven Spinning Jenny. In korte tijd krijgt Gent de bijnaam ‘het Manchester van het continent’ en dat is niet alleen optimistisch bedoeld. Na 1803 schakelt Engeland over op massaproductie en richten particuliere kapitaalbezitters zich op de anonieme wereldmarkt. Zo kenmerkt de negentiende eeuw zich als uitloper van de Verlichting: de overtuiging heerst dat de samenleving maakbaar is. Techniek, wetenschappelijke vorderingen en onderzoek illustreren dat vooruitgangsgeloof, al blijven de verworvenheden voorbehouden voor een welstellende klasse. Naast de burgerij ontwikkelt zich het proletariaat als nieuwe klasse. 

.

♥ BEELDFRAGMENT DAENS WERKOMSTANDIGHEDEN

.

♥ BEELDFRAGMENT DAENS KLASSENVERSCHILLEN

.

Dure machines, goedkope werkplekken
De industrialisatie wordt mede mogelijk dankzij de goedkope werkplekken waar de industriëlen beroep op doen: de leegstaande klerikale infrastructuur. Kerken en kloosters staan sinds de Franse Revolutie leeg. De geestelijkheid is er in het beste geval verdreven. Doorgaans draaide het uit op verkrachting en plundering, moord en doodslag. Vanwege die religieuze intolerantie schenkt de kerk aanvankelijk weinig aandacht aan de slachtoffers van de industrialisatie, ze heeft het al moeilijk genoeg om aan zichzelf te denken. De priesters en kloosterlingen zijn gedecimeerd en zijn tot 1801 voorwerp van strenge vervolgingen. Deze getuigenis illustreert hoe moeilijk de geestelijkheid het heeft na de Franse Revolutie. In de jaren 1860 zoekt een oude zuster Elisabeth, die niet meer voor zichzelf kan zorgen onderdak bij de zusters Verrue in Kortrijk. In haar jonge jaren maakte ze de Franse furie mee en op haar oude dag vertelt ze er geregeld over. Het verhaal fascineerde zuster Barbara in die mate dat ze het in haar dagboek noteerde. Het verhaal gaat over de beloken of de geheime tijd van 1796 tot 1801 waarin de geestelijken onderduiken, omdat de Franse bezetter eist dat ze trouw zweren aan de Republiek. Geestelijken die weigerden vreesden voor hun leven. Zuster Elisabeth, geboren in Moorsele op 18 maart 1772, trad op haar éénentwintigste in het Kortrijkse klooster van Sion. Dat was op 26 mei 1793, en onder Frans bestuur profeste ze op 5 juli 1796. In datzelfde jaar verdrijven de republikeinen de kloosterzusters van Sion. Eerst leiden ze een novice naar de kapel en laten haar voor het tabernakel knielen. Onder het scanderen van de leuze ‘vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid’ klieven ze haar hoofd. Daarna rooft de bende alle goederen zoals in alle kloosters en sluiten ze het. ‘De verdreven zusters doolden alhier en aldaar, stierven de een na de nadere en zuster Elisabeth bleef gansch alleen van hare gemeente over.’ [7] 

.

Als het ergste na de eeuwwisseling achter de rug is, wijzigt de kerk haar houding ten aanzien van het pauperisme niet. Het is alsof de industrialisatie aan de kerk voorbij gaat. In 1806 verwoordt de bisschop van het zich industrialiserende Gent, monseigneur Fallot de Beaumont het als volgt: ‘De goederen van de aarde zijn ongelijk verdeeld, sommigen leven in armoede, anderen in weelde, zo heeft de Voorzienigheid het gewild en het is een van de tastbaarste bewijzen van de Goedheid en de Wijsheid Gods; het is de sterkste band van de maatschappij.’[8] Die infrastructuur is bovendien permanent te gebruiken nu de gasverlichting het werken in twee of drie ploegen mogelijk maakt. Londen heeft gas in 1812, Parijs in 1815 en Gent nog voor 1830. 

.

Wachten op de trein
In deze vroeg industriële fase is er geen sprake van pendelarbeid: de eerste treinen rijden in België vanaf 1835. Ofwel vestigen fabrieken zich dicht bij een steenkoolmijn en wordt er bij die fabriek een compleet nieuw stadje uit de grond gestampt zoals Le Grand-Hornu in 1810 of in Bois-du-Luc in 1838. Ofwel vestigen fabrieken vestigen zich in de oude, middeleeuwse stad: kapitalisten bouwen vervallen kloosters en nutteloze burchten zoals het Gentse Gravensteen om tot primitieve fabrieken. Die trekken landjongens en –meisjes aan die een onderkomen zoeken in die stad. Immers, ook op het platteland is er een ongezien crisis: tussen 1840 en 1850 is in Oost-Vlaanderen één op vier behoeftig, in West-Vlaanderen leeft in deze periode 1 op 2 van de openbare onderstand.

Velen trekken naar de stad waar hun huisvesting (het sanitaire of hygiënische probleem) en hun disciplinering (ordehandhaving en het leven volgens de regelmaat van de klok) twee problemen zijn waarmee de vroeg industriële stad zich geconfronteerd ziet. Als de oude herenhuizen de overbevolking niet meer kunnen dragen, geeft de stad zich over aan de bouw van gangetjes, forten of beluiken.

.

Op basis van de volkstelling van 1829 - een jaar voor de Belgische opstand - en andere schattingen telt Brussel in het revolutiejaar 100.000 tot 110.000 inwoners. Dat zijn er zo'n 20.000 tot 35.000 of 20% tot 35% meer dan ten tijde van de slag bij Waterloo.[9] In ongeveer dezelfde tijdspanne verzesvoudigt het jenevergebruik, het huizenaantal daarentegen stijgt echter nauwelijks. In de armere wijken is de bevolkingsdichtheid dermate hoog dat er gemiddeld elf mensen onder één dak leven zonder dat ze elkaar kennen. De Anderlechtsestraat worstelt met de grootste miserie van de stad, het komt de stadsontwikkeling niet ten goede. Als de revolutie van 1830 uitbreekt heeft de burgerij het over 'het canaille' en bij de revolutie van 1848 omschrijft men hun wijken als ‘stadskankers’. Intussen houden de patroons de lonen onder het bestaansminimum omdat de kleine man op de liefdadigheid beroep kan doen. Zelforganisatie van het proletariaat wordt niet toegestaan. Heren van stand beheren de bijstandskas en kunnen zo hun invloed laten gelden op wie niet beantwoordt aan de normen van de patroon. Dit wordt omgezet in wetten en besluiten. Een besluit van de stad Gent: “iedere vereniging van werklieden of gezellen van een zelfde bedrijf welke zich zouden veroorloven onder voorwendselen een beurs te vormen om in de behoeften der zieke werklieden te voorzien, of om ze te voorkomen, zal volgens de politiereglementen vervolgd worden.”

.

Beluikspeculatie
In Brussel spreken de Franstaligen over ‘impasses’ of een 'quartier', de Antwerpenaars hebben het over ‘gangen’ en in Brugge en Mechelen spreekt men van ‘fortjes’. In Kortrijk is de term ‘beluik’ gangbaar. Het maakt niet uit, elke term is een eufemisme voor de systematische bouw van bakstenen krotten-, getto- en sloppenwijken zonder elementair comfort. Stedelijke binnenplaatsen en –tuinen, braakliggende terreinen, eigendommen van de oude stedelijke elite, raken snel volgebouwd tot sombere doolhoven, labyrintische gangen waarbij het uitkijken is voor plassen en modderpoelen, waar ondervoede kinderen met holle ogen de voorbijganger aankijken, met houten planken afgesloten van de betere stadsdelen. De crisis op het platteland, het aanzuigeffect van de stad en zijn fabrieken en het gebrekkige spoorwegennet leidt in de jaren veertig tot een massale plattelandsuittocht die de proportie aanneemt van een volksverhuizing. De ontredderde en ongeschoolde mensenmassa zwerft weg van het platteland om te ontsnappen aan de hongerdood. Aanvankelijk zoeken ze kleinere steden met een landelijk karakter (Roeselare, Torhout, Izegem, Lichtervelde…). Als daar de nood ook toeslaat, verhuizen ze naar industriecentra zoals Gent, Aalst, Antwerpen, Brussel. De sociale omstandigheden in de Brusselse volksbuurten, voornamelijk in de lager gelegen stadsdelen, in een doolhof van stegen en straatjes wonen wasvrouwen, venters, kantwerksters, dagloners en arbeiders met een altijd boven hun hoofd hangende werkloosheid. De volkstelling van 1829 leert dat er op dat moment 100.000 mensen in Brussel wonen, een stijging van 20.000 mensen in nauwelijks twaalf jaar tijd. Hygiëne is een onbekend begrip in de Anderlechtsestraat. De genoemde steden kunnen de massa slechts ten dele huisvesten en doet welgestelden lucratief speculeren in beluiken. De foto’s zijn zeldzaam maar alle foto’s tonen de wanhoop. In de beluiken leunen kleine huizen tegen elkaar aan, er is een gebrek aan sanitair en ondergrondse riolen zijn afwezig. Boven het open riool, een lage goot in het midden van de weeg, meer is het niet, hangt steevast kledij te drogen, ernaast staat een wastobbe. Doorgaans komen alle bewoners de fotograaf aanstaren, voor zijn stukje toptechnologie dat hen zal vereeuwigen. Hun foto zullen ze wellicht nooit hebben gezien. Van het beluikexterieur zijn foto’s een zeldzaamheid, foto's van het interieur zijn gewoonweg rariteiten. Dat hoeft nauwelijks te verwonderen. De negentiende eeuw legt meer nadruk op privacy dan om het even welke eeuw tot dan toe. Soms beschrijven tijdgenoten of historici dergelijke interieurs, daar moeten we het dan mee doen, zoals met deze getuigenis uit Kortrijk. 

.

Veertien kubiek
In 1850 berekent de Antwerpse stadsarchitect Bourla hoeveel plaats een mens (lees: het gepeupel) nodig heeft: veertien kubiek, dat is een ruimte van twee meter hoog, met een grondoppervlak van twee op 3,5. Een caravan is groter. Karel van Isacker: ‘binnen zitten de mensen opgepakt in de verwaarlozing van de spullenrommel, elk beschikkend over twee of drie kubiek.’ In 1866 woont twintig procent van de Brusselaars in dit soort dodelijke opeenhopingen. Brussel telt dan bijna 400 gangen volgepropt met koterijen met zicht op een koertje. Daarna neemt hun aantal geleidelijk aan af. Een stad als Kortrijk telt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog zeshonderd beluikwoningen. 

.

De vrek
Voor de ‘vrekkige’ middenklasse is het beluik een uitstekende belegging, voor de landverhuizers is het een magneet die hen handen vol geld kost. Terreinen die voorheen niet renderen, brengen nu geld in de lade van een klasse die stilaan de betere wijken opzoekt of de vervuilde stad definitief verlaat. In Engeland bouwen kapitalisten de industriesteden vol. Beluiken reiken tot zeven verdiepingen hoog: zonlicht is er een schaars goed en de hygiëne onbestaande. Hygiëne, zo schrijft Johan Op de Beeck was 'een luxe die men niet kon betalen, maar meestal niet eens kende.'[10] En mochten de toenmalige architecten het hebben gekund: ze bouwden nog hoger. Maar hun constructies lieten dat gewoonweg niet toe. De Belgische wet van 1 februari 1844 leerde van de Engelse toestanden dat de hoogbouw onwenselijk is. Die wet bepaalde dat beluiken er enkel met overheidstoestemming komen (dat bleek een farce) en onder politiecontrole staan (en die bleek nutteloos). De doorgaans kleinburgerlijke beluikeigenaars zijn vergelijkbaar met de huidige huisjesmelkers. De tegenwoordige getuigenissen van Hans Van de Kendelaere zijn vergelijkbaar met die van Rina Lis indertijd. 

.


Eén enkel pissijn, zoals dat steeds het geval is geweest, volstaat ruimschoots voor de behoeften van dertien gezinnen. De ervaring heeft mij geleerd dat met de pissijnen ook het aantal ongezonde en vieze plaatsen toeneemt en die dient men in het belang van de openbare gezondheid zoveel mogelijk te vermijden.

— De eigenares van een beluik in de 3de wijk met 13 woningen en 80 huurders, Wildiers D.H. Lawrence]]
Na de revolutie van 1848 breekt een tweede fase in de Industriële Revolutie aan. De tol die de steden betalen voor hun verkrotting is groot (epidemische ziektes, kleine criminaliteit, pauperisme) en komen de industrialisatie niet altijd ten goede. De verkrotting lijkt enkel op te lossen met drastische ingrepen: het saneren van de beluiken is vaak zinloos en de oude volkswijken zijn de projectontwikkelaars vaak een doorn in het oog. In Parijs zet baron Haussmann de trend in. Infrastructuurwerken maken een einde aan het amalgaam van steegjes en koertjes, huizen en woonblokken die er al van hun eerste dag bouwvallig bij stonden. In de plaats komt een assenstelsel van boulevards die uitmonden op de Arc de Triomphe. Die boulevards zijn het toonbeeld van efficiëntie: rechte, brede lanen met een voetpad en een bomenrij (ecologische functie), goed te overschouwen, te bewaken en in te sluiten door de politiediensten (militaire functie), doeltreffend in hun transport (economische functie). Onder de boulevard: een scheiding tussen afvalwater en proper water. Fonteinen en marktpompen zijn passé: een rioleringssysteem doet denken aan de cloaca maxima uit Rome en de waterleiding brengt water tot in de huizen. Niet via een aquaduct, maar via een ondergronds pompsysteem. Niet alleen het keukenpersoneel profiteert van deze vinding, het doet ook een nieuwe ruimte ontstaan die voorheen ondenkbaar was: de badkamer mét WC! Het ‘water closet’ is zo revolutionair dat appartementen blijven leegstaan: mensen begrijpen het niet dat men zijn gevoeg in huis doet. Dat doe je op de koer, op het gemak of in het kotje. Niet in huis: onhygiënisch. De mentaliteit is er niet rijp voor. En toch zullen andere steden volgen. Brussel bijvoorbeeld. Waar de volkswijk de Marolle is, bouwt Poelaert het Justitiepaleis, een grotesk toonbeeld van een klassenjustitie. De volksmensen die hier eeuwenlang woonden kunnen ophoepelen en vinden beneden de heuvel een nieuwe stek, rond het Vossenplein. Waar nu het centraal station is, was er ooit een gelijkaardige volkswijk. Alleen een metalen sculptuur brengt die nu nog in herinnering. Het spoor bracht verlossing in de stadskankers: de pendelarbeid bracht het proletariaat ’s avonds terug naar het dorp waar het thuishoorde: onder de hoede van de geestelijkheid.

.

.

De Belgische revolutie van 1830[bewerken | brontekst bewerken]

De Belgische weerstand tegen koning Willem I der Nederlanden leidde tot de Belgische onafhankelijkheid. Na de Franse Revolutie en de val van Napoleon creëeren de toenmalige grootmachten een bufferzone door de Belgische gebieden toe te wijzen aan het nieuwe Nederlandse koninkrijk. Het bestuur komt er zonder binnenlandse inspraak en leidt tot het afscheuren van de zuidelijke gebieden in 1830. Johan Op de Beeck noemt in zijn Het verlies van België diverse oorzaken: 1. Zo is er de wil van koning Willem I om alle macht rond zijn hof te verzamelen, 2. zijn economische beleid valt evenmin in goede aarde, 3. er is de de onderlinge walging tussen de zuidelijke katholieken en de noordelijke protestanten, 4. het miskennen van het Frans in het ambtenarenapparaat en in de militaire kringen en 5. de antiklerikale onderwijspolitiek. Deze cocktail leidt ertoe dat tegenstanders van uiteenlopende strekkingen -zowel reactionairen als progressieven - elkaar vinden. Het centrum van de opstand is niet Gent of Antwerpen maar Brussel. Waarom? 1. Wegens zijn centrale ligging. 2. Hier had Edouard Ducpétiaux met een bevriend journalist de nationale Belgische driekleur ontworpen om te herinneren aan én zich te onderscheiden van de Franse vlag. 3. Brussel beschikt over een succesvolle eigen burgerwacht. 4. Brussel is na Den Haag de tweede hoofdstad van het land en hier had Willem I zijn residentie die hij nauwelijks betrok (hij gaf de voorkeur aan Den Haag). 5. De Brusselaars stelden zich erg uitdagend op ten aanzien van de Hollanders. 6. De Luikenaars zakten onder leiding van Rogier af naar Brussel om te helpen.[11]
De adelijke journalist Louis de Potter (Brugge 1786-1859) of de bezieler van de Belgische revolutie interesseerde zich in de Verlichting en was een antiklerikale liberaal. Zijn vroege publicaties belichten de scheiding tussen kerk en staat. In Brussel huwt hij in 1826 met de niet adelijke Sophie van Weydeveldt. Hij en zijn krant keerden zich tegen Willem I en zijn absolutisme. Met een pamflet van 8 november 1828 tegen de koninklijke ministers sloot de krant aan bij de opstandigelingen en het unionisme. De minister van justitie Cornelis Felix van Maanen liet De Potter oppakken en veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden in de Brusselse Karmelietenstraat, waar minister Van Maanen schuin tegenover woonde. Op zijn proces zorgden Alexandre Gendebien, Sylvain Van de Weyer en hijzelf voor zijn verdediging. De Potters redevoering kreeg veel weerklank en maakte van hem tot de bekendste martelaar van en de populairste opposant tegen het regime. Vanuit zijn cel, stuurde hij in juli 1829 zijn brochure naar de koning over het 'unionisme' tussen katholieken en liberalen. Op 8 januari 1830 ontsloeg de koning de leden van de Staten-Generaal die zich tegen zijn politiek verzetten waarop de Potter het idee lanceerde om de afgezette leden te vergoeden via een omhaling. Hij stelde tegelijk voor om een nieuwe staatsvorm te kiezen. Van Maanen liet hem een tweede keer vervolgen. Op 30 april 1830 veroordeelde het hof van assisen de Potter tot een ballingschap. Vanuit Parijs en Rijsel bleef hij opruiende taal verspreiden. Na de Belgische Revolutie en de de septemberdagen werd hij geestdriftig in Brussel onthaald en opgenomen als leider van het Voorlopig Bewind en de onafhankelijkheidsverklaring voor te lezen. Als voorzitter van het 'Nationaal Congres' (dat de grondwet zou opstellen) stelde hij vast dat hij te radicaal was. Op 13 november 1830 koos de meerderheid koos een constitutionele monarchie. De Poter trok zich terug en ging in 1831 op de vlucht als tegenstander van de Belgische monarchie naar Parijs. In 1838 is hij terug in Brussel waar hij vaststelt dat België minder vrijheid kent dan voorheen waarop hij zich tot het socialisme bekeert.
Leopold I door Nicaise De Keyser regeert België van 1831 tot 1865.

.

In 1835 beschrijft Alexis de Tocqueville het democratische belang van het middenveld, de organisaties tussen de overheid en de burger. Hij doet dat na een reis naar Amerika in het boek Over de democratie in America: 'In democratische landen is de wetenschap van vereniging de moederwetenschap.'

.

Augustus 1830[bewerken | brontekst bewerken]

  • Dinsdag 24 augustus
    • In het Warandepark in Brussel zijn feestelijkheden met vuurwerk gepland voor de verjaardag van Willem I. De overheden annuleren het feest, officieel omwille van het slechte weer en officieus omwille van het gemor van de paupers in de benedenstad die het kostenplaatje niet willen dragen. Op een lantaarn op het Muntplein, tegenover de Opera waar weldra de Stomme van Portici opgevoerd wordt, hangt een manshoge affiche met de tekst: 'Maandag vuurwerk, dinsdag Verlichting, woensdag revolutie.'

.

  • Woensdag 25 augustus
    • In de Muntschouwburg van Brussel, één van de mooiste theaterzalen op het continent voeren acteurs en zangers de controversiële spectakelopera 'La Muette de Portici' op, speciaal ter gelegenheid van de verjaardag van de vorst. De politiechef en tegelijk de chef van de geheime politie, één en dezelfde man, De Knijff roept extra manschappen op omdat hij herrie voelt. De opera verbieden zit er niet meer in. Het stuk is al sinds 1828 op de planken. De revolutionair Alexandre Gendebien woonde de opera al eerder bij, weten de politiespionnen. Het stuk gaat over de onderdrukte Napolitanen die rebelleren tegen de koning van Spanje. Explosief materiaal dat erg lijkt is op de Belgische situatie. Tijdens de voorstelling loopt het plein voor de schouwburg vol en nog voor het laatste bedrijf, lopen mensen naar buiten met de leuze 'Aux armes!' en 'Leve de Potter!'. De massa vindt haar weg naar belangrijke locaties. Iemand moet de chaos sturen, we hebben er het raden naar. Maar zo klinkt het onder het volk: 'Au National', de boekhandel Libri-Bagnano in de Magdalenastraat. De hele inboedel belandt er op straat en de wijnflessen eindigen in de revolutionaire monden. Daarna volgt het huis van procureur Schuermans. De menigte zwelt aan: uit alle volkswijken stromen mensen toe. Ze roven wapendepots leeg, verwoesten koninklijke symbolen en zwaaien met de geroofde degens. De politiechef De Knijff duikt onder in het stadhuis en zijn manschappen lijken niet opgewassen tegen de situatie: de brandweerlui blijven in hun bed en de zeldzame gendarmes en soldaten verbroederen met de menigte.

.

  • Donderdag 26 augustus
    • Omstreeks middernacht duiken de revolutionairen op in de Karmelietenstraat. Aan de overkant van de Potters gevangeniscel ligt de woning van de minister van justitie. Cornelis van Maanen - na de koning de belangrijkste man in de natie - is niet in Brussel, maar in Den Haag. Het huis wordt platgebrand. Drie dagen later komt het ter ore van de minister in Den Haag.
    • Politiecommissaris De Knijff krijgt in het stadhuis een rampbericht. Zijn huis in de Berlaimontlaan is tot vijf keer toe leeggeroofd. Zijn vrouw en vier kinderen waren aanwezig. Als ze het pand verlaten, wordt het in brand gestoken. De brandweer mag alleen tussenkomen om de omliggende woningen te sparen.
    • Het leger dringt in de vroege uren Brussel binnen. Infanteristen zien de zon opkomen in de Magdalenastraat en treffen er een groep zelfverzekerde relschoppers. De soldaten in linie schieten vijf plunderaars neer. Urenlang klinken er schoten in de stad.
    • De dag begint slecht. Het leger slaagt er niet in de orde te handhaven. De woning van generaal Gautier en gouverneur Van der Fosse moeten er volgens het gebruikelijke patroon aan geloven. De opstandelingen dingen winkels, kledingzaken en bakkerijen en slagerijen binnen. Fabrieken en hun installaties slaan ze kort en klein.
    • Oprichting burgerwacht (na 1831 valt de Burgerwacht in een slaap wegens duur en overbodig), mede door Ducpetiaux omwille van de volgende redenen: 1. Het leger - dat onder leiding staat van generaal Van Bijlandt - wil/kan niet ingrijpen wegens te druk bezig met het bewaken van de paleizen in de Brusselse bovenstad. 2. De politie is overrompeld of verlamd door de baldadigheden. 3. De schutterij (een onderdeel van de koninklijke politie en erg geminacht door de bevolking) is ontwapend. De burgerwacht moet ervoor zorgen dat het losgeslagen volk niet blijft plunderen. De burgerwacht staat onder de leiding van Emmanuel van der Linden baron d'Hoogvorst. De vier- tot vijfhonderd vrijwilligers, allen uit de burgerij zien toe op het samenscholingsverbod (tot vijf personen), doen patrouilles en richten wachtposten op.

.

  • Zaterdag 28 augustus
    • Gendebien arriveert om 5 uur in de morgen in Brussel, het is een dag om de balans op te maken. De burgerwacht slaagt erin om de laatste schermutselingen en plunderingen in de kiem te smoren en zet de prille revolutie naar de hand van de liberale burgerij die er een politieke revolutie van maakt in plaats van een sociale revolte. In tegenstelling tot de Luikse burgerwacht zijn er in de Brusselse geen arbeiders te vinden. Om het proletariaat en het 'canaille' aldus (voorlopig) niet verder op te hitsen en komen er enkele zwakke sociale ingrepen: het afschaffen van de gemaalbelasting, het uitdelen van honderden broden en er is de creatie van (onnuttige) jobs, als de rust maar terugkeert. Dit maakt duidelijk dat bij de oproer van 25 en 26 augustus het politiek en sociaal protest door elkaar liepen en dat het sociaal protest primeerde. Bij het gewone volk draaide het niet om persvrijheid, een nieuw kiessysteem of de Franse taal, noch om de vrijheid van onderwijs of het invoeren van de ministeriële verantwoordelijkheid (ministers hoefden zich niet bij het parlement te verantwoorden voor hun daden, alleen bij de koning deden ze dat). De revolte en de rellen die toen uitbraken gingen om basale dingen: de mensen hadden honger en smeken om werk. Toen de burgerwacht de rellen kon stoppen werd de burgerwacht niet ontbonden, integendeel: ze groeide aan. Begin september zullen er zesduizend burgers onder de wapens zijn en zo begon de burgerij haar eigen revolutie.
    • De Franse, revolutionaire driekleur wappert aan de gevel van Brusselse stadhuis. Wie ze optrok is niet duidelijk. De journalist Lucien Jottrand haalt ze weg en vervangt ze door een eigen ontwerp dat hij samen met Ducpetiaux bedacht om duidelijk te maken dat noch de Fransen noch de Hollanders het in België voor het zeggen hebben. Ze gebruikten hierbij de kleuren van het hertogdom Brabant. Op de hoek van de Grasmarkt en de heuvelstraat kopen ze bij Marie Abts-Emmens de stoffen en haar man, een kleermaker naaide de stukken textiel horizontaal (!) tot een vlag aan elkaar. Hetzelfde gebeurt met de Brabançonne (voor het eerst en vol dreiging ten aanzien van Willem I gezongen op 12 september 1830) als alternatief voor de in die dagen veel gezongen Marseillaise
    • In de avond is er een vergadering van de revolutionairen op het stadhuis. Onder hen is de steenrijke Felix de Mérode en dat is merkwaardig. De Mérode behoort tot de oude adel en die is doorgaans koningsgezind. Op die vergadering krijgt te horen dat een troepenmacht op weg is naar Brussel.

.

  • Zondag 29 augustus
    • Het Nederlandse leger trekt onder leiding van de twee Hollandse prinsen, de troonopvolger Willem en zijn broer Frederik, op naar Brussel. Via Antwerpen gaat het naar Wuustwezel voor een overnachting en via Mechelen komen ze op 30 augustus in Vilvoorde aan.

.

  • Maandag 30 augustus
    • De Merode en Gendebien in Den Haag, tot de 31ste.

.

  • Dinsdag 31 augustus
    • Kroonprins Willem wil in de vroege morgen Brussel binnenvallen. Hij verzaakt het plan.
    • Burgerwachten verbroederen goed- en kwaadschiks met het gepeupel, het 'grauw'. Nicolas Rouppe, de eerste burgemeester van Brussel die de Industriële Revolutie meemaakt speelt het hard en doet (opnieuw) beroep op het gepeupel, dat nu opnieuw uit zijn holen kwam gekropen. Johan Op de Beeck omschrijft de Brusselse situatie op deze laatste dag van augustus als volgt: 'Bomen werden omgehakt. Straten werden van hun plaveisel ontdaan. Barricades versperden de voornaamste straten van de stad. Voor het stadhuis stond een menigte van vele honderden gewapende mannen van divers pluimage, burgers, slagers, werklozen en nog vele anderen. Brussel stond in rep en roer. De leiding schrok er zelf van. Zo erg zelfs dat om acht uur 's avonds opnieuw een delegatie naar de prinsen in Vilvoorde ging. Om een verdere escalatie te voorkomen kreeg de kroonprins het aanbod de volgende dag met een beperkte staf, maar zonder de troepen naar het stadhuis te komen. De prins gaf toe. Hij stelde slechts één voorwaarde: de driekleur van de burgerwacht moest gestreken worden en de vlag van het koninkrijk opnieuw gehesen.'[12]

.

.

September 1830[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Woensdag 1 september
    • In Brussel wapperen overal zwart-geel-rode vlaggen. De kroonprins Willem laat zich overhalen om de stad toch te bezoeken. Hij laat zich nauwelijks begeleiden en komt de opstandige stad binnen via de Lakense Poort. Later zou hij getuigen over dit 'vreselijk spektakel' waarbij hij zich erg bedreigd voelde. 'Slagers onder het bloed met de hakbijl paraat alsof het een instrument van onze terechtstelling was.' Er komt geen gejuich als Willem het volk toespreekt en hoe dieper de prins de stad binnendringt hoe grimmiger de sfeer wordt. Van het Muntplein gaat het naar de Grote Markt en als het paard van de prins met zijn achterpoten een Brusselaar doodtrapt, slaat hij op vlucht via de Stoofstraat, Manneken pis, de Zavel en de Ruysbroekstraat naar het Paleis der Academien in de buurt van het Koninklijke Paleis. Het paleis was speciaal voor hem ingericht en zijn Russische echtgenote Anna Pavlovna.

.

  • Donderdag 2 september
    • Linchpartij op kolonel Gaillard in Leuven.
    • Gendebien is op het paleis.

.

  • Vrijdag 3 september
    • Ducpetiaux gaat naar Luik om hulp te vragen. Rogier gaat hier op in, rooft 2600 geweren en twee kanonnen en trekt met een menigte naar Brussel waar ze op 7 september zullen aankomen.
    • Kroonprins Willem verlaat Brussel en gaat onderhandelen met zijn vader in Den Haag. Zijn broer blijft in Vilvoorde met zesduizend troepen.

.

  • Dinsdag 7 september
    • Aankomst van de Luikenaren in Brussel.

.

.

  • Maandag 13 september
    • De troonrede die Willem I houdt voor de Staten Generaal toont weinig tot geen begrip voor de situatie in het Zuiden. In Hôtel de la Paix - uitgebaat door Ducpétiaux - leest Charles Rogier de tekst voor aan een radicaal revolutionair gezelschap dat er een banket houdt. De tekst wordt onthaald op boegeroep en 'A bas le roi!' Bij de afloop van het banket trekken de aanwezigen de stad in met de (onwaarachtige) uitgeschreven troonrede op pamfletten die ze uitdelen. Het leidt tot samenscholingen op het Muntplein en op de Grote Markt. Daar roepen ze 'Vive De Potter' en zingt men de Brabançonne. De burgerwacht heeft tweeduizend manschappen nodig op de rust terug te laten keren. In deze dagen zijn de communicatielijnen tussen Brussel en Den Haag traag om de crisis efficiënt het hoofd te bieden. Een ruiter deed er al snel een halve dag over om een bericht van de ene stad naar de andere te brengen en een tegenbericht liet even lang op zich wachten. Bewust verspreidde geruchten doen dus goed hun werk, nestelen zich en polariseren beide steden. Die avond nog maken de radicalen (Rodenbach uit Roeselare, Rogier uit Luik, Ducpetiaux, Ernest Grégoire en een aantal anderen in Hôtel de la Pais een lijstje met hun eisen en ondertekenen het. Het is zo revolutionair dat hun hun kop kan kosten.

.

  • Donderdag 16 september
    • Voor het stadhuis van Brussel staan boze werklui met houwelen en spades. Ze eisen een loonsverhoging. Liefdadigheid is aan de orde uit angst voor de volkswoede. De burgerwacht zal collectes houden, er werd brood uitgedeeld... alles beter dan amok op dit moment.

.

  • Zaterdag 18 september
    • Gendebien verneemt via een informant in Den Haag dat een militaire interventie op komst is, waarschijnlijk begin oktober. Gendebien wordt zelf ook bespioneerd en heeft dit door. Hij toont zich listig en reageert met fake-berichten die het aantal wapens en manschappen schromelijk overdreef. De bomen rond de stad worden gekapt en dienen als versperringen.

.

  • Zondag 19 september
    • De toestand loopt uit de hand.

.

  • Maandag 20 september
    • Rellen op de markt van Brussel.

.

  • Donderdag 23 september
    • Het leger van prins Frederik trekt vol vertrouwen en overmoedig op. De tienduizend troepen trekken door Evere en Schaarbeek onder het zingen van La Muette de Portici. Zullen de rebellen net zoals in de opera in het zand bijten?
    • Charles Rogier slaat op de vlucht als hij de klaroens van het Nederlandse leger hoort. Charles de Brouckère (1796-1860) draaide al eerder zijn kar bij de Staten Generaal en Chazal, de latere minister van oorlog vluchtte naar Noord Frankrijk. Rodenbach en de Merode zijn eveneens niet meer in Brussel. Kortom, van het zogenaamde voorlopige bewind is er geen spoor te bekennen. Geen enkele naam met faam is in Brussel. De professionele nieuwlichters die de touwen in handen nemen, zijn de bonapartistische Fransman Anne-François Mellinet (die zich in Brussel schuilhoudt sinds 1815) en de Belg Charles Pletinckx, een balsturige en vechtlustige dertiger die graag zijn sabel op de tafel werpt bij discussies. Samen met dokter Ernest Grégoire kiest hij de artillerieposities, organiseert hij barricades, regelt hij de musketkogel- en cardoesproductie in smidsen en in huiskamers, leidt hij de vrijwilligers naar de gevechten en organiseert hij de fourage- en verpleegposten. De revolutionairen bestonden vooral uit 'het canaille' - het proletariaat zeg maar - geholpen en aangestuurd door veteranen uit het Napoleontische leger waarbij hun leeftijd in hun nadeel speelde, maar hun ervaring in hun voordeel. Die factor droeg onmiskenbaar bij tot een snelle afhandeling van de strijd. Rooney schat het aantal actieve opstandelingen op een zeventienhonderd.[13] Negentig procent van de revolutionairen kwam uit Brussel en nog een hoger percentage behoorde tot de arbeidersklasse: brandweermannen, dagloners, bouwvakkers, arbeiders, werklozen. Velen onder hen spraken Vlaams omdat ze de afgelopen jaren of decennia naar Brussel migreerden om aan de crisis op het platteland in West- en Oost-Vlaanderen om te ontkomen. In Brussel wachtte hen echter een even onzekere toekomst en nu was het moment gekomen. Het was erop of eronder, veel hadden ze niet meer te verliezen. Slechts een kleine minderheid revolutionairen behoorde tot de Franssprekende bourgeoisie: een handvol schrijvers, kunstenaars en ambachtslieden. In het heetst van de strijd nemen ze het op tegen 7.000 soldaten. Onder hen waren echter veel Belgen die aldus niet erg strijdlustig en ongemotiveerd bleken om het tegen hun eigen mensen op te nemen. Desertie vormde al een probleem nog voor de slag bij Brussel begon.

.

  • Vrijdag 24 september
    • Bij het horen van de successen van de opstandige Belgen en de nederlagen van het Nederlandse leger kergen de Mérode, Gendebien en Rogier spoorslags terug naar Brussel. Versterkingen stromen toe uit de hele provincie. De Hollandse troepen in het park worden noch afgelost noch versterkt. De propaganda en de troepen die De Potter rond zich kan verzamelen in Parijs zijn plots niet meer nodig. Evenmin zijn denkbeelden over de Belgische Republiek en het algemeen stemrecht.

.

  • Zaterdag 25 september
    • De vijandelijkheden hervatten. Weinig positieveranderingen.

.

  • Zondag 26 september
    • De slag om Brussel bereikt zijn hoogtepunt, de hele stad raakt erbij betrokken. Hollandse kanonskogels fluiten door de straten, waarop Belgen ze laten afkoelen en voor eigen gebruik naar het Koningsplein brengen. Dit plein is steeds in Belgische handen gebleven en vormde samen het het Hôtel Belle Vue met op het dak een kanon en Café de l'Amitié de Belgische voorpost. Van daaruit veroveren ze eerst de huizen in de Koningsstraat met zicht op het park. In de tussenmuren maken ze gaten zodat er één bolwerk ontstaat waarbij de revolutionairen niet op straat hoeven te komen om zich te verplaatsen en ze zich parallel met de troepen in het park kunnen bewegen. Daarna krijgen ze alle huizen rond het park in handen, niettemin blijven het park en het Koninklijk paleis in Hollandse handen. Laat in de avond krijgen de Hollanders in het park te horen dat ze hun posities om 3.30 uur in de nacht zullen verlaten.

.

  • Maandag 27 september
    • Onder een dekking van een dikke mist verlaten de Hollandse troepen Brussel. De revolutionairen merken er niets van.
    • Het park is een ruïne vol doorkliefde bomen, standbeelden lijken op kazen met gaten, overal liggen brokstukken, karkassen van paarden. Gesneuvelden zijn bedekt met wat loof en aarde. Zeshonderd Nederlanders lieten het leven in Brussel en een veel hoger aantal raakte gewond.

.

  • Dinsdag 28 september
    • De Potter daagt op in Brussel.

.

  • Woensdag 29 september
    • Het Comité Central neemt als voorloper van het Voorlopig Bewind de macht van de koning over.

.

Oktober 1830[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Vrijdag 1 oktober
    • De dienstplicht van bijna tienduizend Belgen in het Hollandse leger loopt af. Ze keren terug naar huis of sluiten zich aan bij de revolutionairen. Een aderlating voor de Nederlandse vorst.


  • De grootmachten Rusland, Frankrijk, Engeland, Oostenrijk en Pruisen erkennen België als nieuwe staat, tot ongenoegen van de Nederlandse vorst.

.

  • In Le Grand Hornu ontstaat de allereerste Belgische spoorweg. Paarden trekken in dit ‘fabelachtig technologisch laboratorium’ vrachten op een spoor. Op 10 oktober plunderen de koetsiers als protest – ze zijn hun werk kwijt – bij Henri De Gorge. Het voorval gaat de geschiedenis in als de koetsiersopstand.

.

.

  • Eerste spoorweg: van Manchester tot Liverpool. Manchester is het archetype van de industrie- textielstad dankzij de Vlaamse wevers die zich er vestigden. Bij de industriële ontplooiing van Manchester spelen de rivier de Irwell, het Manchester Ship Canal, het Rochdale Canal en het Bridgewater Canal een belangrijke rol.

.

  • 16 oktober
    • Generaal Chassé neemt het bevel in Antwerpen over van prins Frederik die er de brui aan geeft en gaat resideren op he paleis op de Mer. Antwerpen raakt steeds meer omsingeld.

.

  • 20 oktober
    • Anarchie in de armere Antwerpse wijken.

.

  • 23 oktober
    • Chassée kondigt de staat van beleg af. Er wordt gevochten in Berchem bij de Mechelse poort.

.

  • 24 oktober
    • waarbij Frédéric de Merode sneuvelt na een beenamputatie in Mechelen. Zijn dood is de geboorte van een martelaar.

.

  • 25 oktober
    • Prins Willem verlaat het paleis op de Meir, dat op een boogscheut ligt van het Rubenshuis. (Je kan het paleis tegenwoordig binnenwandelen - doe dat als je er bent.) Op advies van zijn verontwaardigde vader (die vond dat hij de strijd moest blijven aangaan) wijzigt hij zijn vlucht naar Nederland tot een asiel in Londen.

.

Kijken

♥ BEELDFRAGMENT OVER DE BELGISCHE REVOLUTIE EN DE ONAFHANKELIJKHEIDSSTRIJD TEGENOVER DE NEDERLANDSE VORST.

.

Kijken

.

1835

.

  • Eerste Belgische treinrit op het Europese vasteland van Brussel-Groendreef naar Mechelen. Waar nu het Maximiliaanpark is, stond een houten stationnetje waar op 5 mei duizenden joelende Brusselaars toestroomden om onder kanongebulder de eerste drie treinritten op het vaste land plechtig uit te zwaaien. De stoomtreinen van dienst waren de Stephenson, de Olifant en de Pijl. De Stephensonstraat herinnert het historische feit. Om tolgelden te vermijden ligt het traject buiten de stadswallen van Brussel, Vilvoorde en Mechelen. Negenhonderd passagiers konden aan boord om mee te reizen. Victor Hugo omschreef de ervaring: "Het graan op de akkers lijkt een wuivende, gouden haardos." De koning reed om veiligheidsredenen niet mee.[14]

.

.

Dit soort klassen bereidt jongeren voor op hun rol in de industriële/gemilitariseerde samenleving. Een zekere Andrew Ure, geciteerd in EP Thompsons The Making of the English Working Class, schrijft in 1835 dat het 'nagenoeg onbegonnen werk is om mensen na de puberteit te vormen tot bruikbaar fabriekspersoneel -ongeacht ze boerenwerk hadden uitgevoerd of een ambacht uitoefenden.'[15] De eerste mijnbazen, de vroege eigenaars van fabrieken en spinnerijen ontdekken dat arbeiders te disciplineren zijn, en dat dit een slok op de borrel kan schelen. Dit kon via intimidatie, propaganda, dwang, loon, het trucksysteem, het stichten van gemeenten (zoals in Le Grand Hornu, Bois du Luc of in de stadjes die Thonet sticht). Het meest efficiënte systeem blijkt op lange termijn het onderwijs. Het zal aan het einde van de negentiende eeuw leiden tot een onderwijs dat zich op het fabrieksmodel ent. Het expliciete leerplan bestaat uit lezen (met speloefeningen als dril) en wiskundetafels (dril), wat aardrijkskunde en geschiedenis (als ideologie ter motivatie van de natie). 'Daaronder evenwel ging een onzichtbaar "impliciet leerplan" schuil' schrijft Alvin Toffler. Het bestaat in de meeste geïndustrialiseerde nog. Herhaling van dezelfde handelingen, nauwgezetheid, gehoorzaamheid en geheugtraining zijn belangrijker dan nadenken. Het fabriekswerk eist stipte arbeiders (vooral bij de lopende-band) die zonder morren de orders opvolgen. En het vereist arbeiders die bereid en in staat zijn in de fabriekshal of op kantoor steeds opnieuw dezelfde 'gruwelijk monotone arbeid' doen.[16] Kinderen gaan steeds jonger naar school, de leerplicht doet zijn intrede en het schooljaar verlengt almaar. Maar het onderwijs is ook een humaniserende stap vooruit. In 1829 verklaart een groep handwerklieden en arbeiders: 'Na het leven zelf en vrijheid, beschouwen wij onderwijs als de grootste zegen voor de mensheid.' En toch, de scholen maken elke generatie jongeren tot kneedbare, 'geprogrammeerde' arbeiderslegioenen die de elektromechanische technologie en de lopende band verlangen. Alles bij elkaar vormen het gezin en de school een systeem dat de jeugd voorbereidt op haar rol in de industriële maatschappij. En wanneer deze jongeren tegen dit soort systemen protesteren (denk aan de klimaatspijbelaars) dat treedt een mechanisme in werking waarbij rapporten, leerkrachten en andere specialisten op de proppen komen met het 'dalende niveau' van het onderwijs.
Boulevard du Temple gefotografeerd door Daguerre, die in de negentiende eeuw de Boulevard du Crime wordt genoemd was allerminst onveilig. Elke avond dagen er 20.000 mensen op voor het rijke uitgaansleven en de vele misdaadmelodrama's die zich elke nacht in de theaters afspelen. Vrijwel alle theaters gingen onder de sloophamer van Baron Haussmann in 1862. Dit is het jaar 1838 of 1839, we weten het niet zeker. Louis Jacques Mandé Daguerre schenkt deze foto in een drieluik aan koning Lodewijk I van Beieren die het een tijdje in een museum onderbrengt. Wat op het middenpaneel staat weten we niet. De twee buitenpanelen zijn nagenoeg identieke illustraties van deze boulevard. Deze foto is 's morgens gefotografeerd, de andere 's middags. Op de middagfoto staan geen mensen en dat in het centrum van Parijs. Dat heeft te maken met de lange belichtingstijd van ongeveer vijf minuten. De foto die we hier zien is de meeste bekende foto van de twee, omdat hier de allereerste mens gefotografeerd is. Het enige personage op de foto is de schoenenpoetser en zijn klant die beiden onbewegelijk genoeg waren om hun silhouet achter te laten. In 1936 werden de twee foto's ontdekt in het depot van het museum waar het een tijdje heeft gehangen.
Het Pandreitje in Brugge, van de voormalige gevangenis zijn slechts nog de contouren zichtbaar.

.

1839

.

  • Charles Dickens publiceert 'De avonturen van Oliver Twist' over de ellende in het industriële Londen. Het verscheen in afzonderlijke delen, van februari 1837 tot april 1839.
'Een smeriger en ellendiger oord had hij nog 
nooit gezien. Het was een heel smalle en mod-
derige straat, en de lucht was doortrokken van
kwalijke geuren. er waren heel wat winkeltjes,
maar al wat ze in voorraad leken te hebben, wa-
ren hopen kinderen, die zelfs op dat uur van de
avond de deuren in en uit krioelden of binnens-
huis krijsten. De enige zaken die leken te gedijen
in die poel van verderf, waren de kroegen waarin
Ieren van het laagste allooi uit alle macht herrie
zaten te maken. Aan de overdekte stegen en bin-
nenplaatsen die zich hier en daar van de hoofd-
straat afsplitsten, lagen kluitjes huizen waar
dronken mannen en vrouwen zich letterlijk in
het vuil wentelden.'

Uit: De avonturen van Oliver Twist. 

.

.

Kijken

.

.

Een trein steekt op volle snelheid de Theems over. Mist, regen en rook hangen rond de zes jaar jonge 'Maidenhead Railway Bridge' van Isambard Kingdom Brunel. Turner ging aan het einde van zijn leven experimenteel schilderen. Het is de voorbode van het impressionisme.
Adolph von Menzel schildert in 1847 de treinverbinding tussen Berlijn en Potsdam. Het werk doet denken aan dat William Turner enkele jaren eerder schilderde: Rain, Steam and Speed.

.

1840
  • Begin van een tienjarige economische crisis: de linnenindustrie en de huisnijverheid kwijnen weg.
Gemiddelde levensverwachting in 1840
Adel & Geestelijkheid Handelaars & Boeren Fabrieksarbeiders
Leeds 45 jaar 27 jaar 19 jaar
Manchester 38 jaar 20 jaar 17 jaar
Liverpool 35 jaar 22 jaar 15 jaar
Platteland 51 jaar 45 jaar 35 jaar

.

  • Frankrijk en Nederland produceren vensterruiten met een grote oppervlakte met glaswalsen. IJzeren kozijnen fixeren ze beter dan de houten. De etalage en wat Marx het 'warenfetisjisme' noemt, zijn niet ver weg meer. De socioloog Richard Sennett: 'In het theater der dingen dolf de nuchtere berekening het onderspit'.

.

1841

.

.

  • De Nederlandse krankzinnigenwet regelt de voorwaarden voor opname en ontslag in inrichtingen die dolhuizen vervangen.

.

  • Op 15 april behaalt Karl Marx zijn doctorsgraad. Hij is een jonge twintiger en stelt zijn huwelijk uit tot hij een betrekking vindt die hem een loon oplevert. Op sponsoring van zijn vader hoeft hij niet te rekenen, die is overleden. Zijn moeder zegt zijn toelage op. In juli logeert Marx bij Bruno Bauer in Bonn. Het duo beleeft er een zomer als geen ander: ze choqueren de bourgeoisie, ze worden dronken in de kerk, ze galopperen op ezels door de straten en schrijven subversieve teksten.

.

.

1842

.

  • Waterleiding in New York zorgt voor drink- en bluswater.

.

  • 'Ik vertrek straks naar Keulen' schrijft Karl Marx in maart. Hij vindt de nabijheid van zijn professoren 'onverdraaglijk' in Bonn. 'Wie zou zich verplicht willen zien om voortdurend met geestelijke stinkdieren te converseren, met mensen die alleen studeren met als doel de wereld in alle hoeken met nieuwe planken dichtgespijkerd et vinden!'

.

1843

.

  • Antwerpen opent zijn dierentuin. Deze dierentuin is een van de oudste in de wereld. Hij kondigt het Belgische kolonialisme aan. De plannen lagen al enkele jaren op tafel sinds Antwerpen een treinstation heeft.

.

  • In hun verslag voor de enquêtecommissie beschrijven de artsen Mareska en Heyman de Gentse beluiken. Ze ontdekken de povere arbeidstoestanden, een verborgen wereld achter burgergevels, ‘een tweede stad in een stad’, één vijfde van de stadsbevolking zit er samengeperst op één driehonderdste van de totale oppervlakte. Edward Anseele zou het Bataviabeluik vergelijken met een Middeleeuwse melaatsenbuurt.

.

  • Het pissoir doet in Parijs zijn intrede. Deze sanitaire nieuwigheid moet een gedragsverandering met zich meebrengen. Tot nu toe is het gebruikelijk dat mannen schaamteloos hun penis ontbloten om te urineren in de publieke ruimte en als honden tegen straatmuren aanplassen. Het pissoir voert de urine ondergronds af, introduceert een nieuw soort schaamte en maakt van de straat een sociale ruimte. In de jaren tachtig zou in de drukke straten de 'Alexandrine' verschijnen, een pissoir voor meerdere gebruikers.
Kijken

.

1844

.

.

.

VERDER LEZEN IN NAVOLGING OVER DE LESSEN OVER HET PANOPTICON: AURELIE AUTENNE & MICHELE KREUTZ. Penitentiair erfgoed. De cellengevangenissen van Sint-Gillis en Vorst, in: Erfgoed Brussel, nr. 10, Lente 2014, p. 92-107.

.

1845

.

Een spook waart door Europa - het spook van het communisme. Alle machten van het oude Europa hebben zich tot een heilige drijfjacht tegen dit spook verbonden, de paus en de tsaar, Metternich en Guizot, Franse radicalen en Duitse politiemannen.

.

.

  • In Vlaanderen jaagt de hongersnood mensen het huis uit. Kinderen en jongeren zoeken hun weg door het land, trekken tot de zee en zorgen voor overlast.
Het Communistisch Manifest, manuscript, 1848. Het internationaal instituut voor sociale geschiedenis, één van de grootste onderzoeks- en documentatiecentra ter wereld aangaande de arbeidersbeweging, bewaart het handschrift.
Friedrich Engels in 1891 (1820-1895) was een Duits industrieel en de zoon van een succesvolle Duitse textielbaron, sociaal wetenschapper en auteur. In 1845 publiceerde hij De Toestand van de Arbeidersklasse in Engeland en in 1848 was hij mede-auteur van Het Communistisch Manifest (met Karl Marx). Later steunde hij Marx om Het Kapitaal te schrijven. Na Marx' dood bewerkte hij het tweede en derde deel. Zijn vader zond Friedrich naar Engeland om diens katoenfabriek in Manchester te runnen. Gechoqueerd door de armoede schreef hij de ‘Toestand van de arbeidersklasse in Engeland in 1844’. Tijdens een ontmoeting met Karl Marx kwam hij erachter dat beiden dezelfde ideeën hebben over kapitalisme. In juli 1845 neemt Engels Marx mee naar het Engeland van Mary Burns en haar zus Lizzie. Die brengen hem in contact met de Chartisten. Terug in Brussel, richten Engels en Marx in januari 1846 het ‘Communistische Correspondentie-Comité’ op om socialistische leiders te verenigen.

.

Van oudsher beamen zowel marxistische als niet-marxistische historici dat 1848 een overgang vormt, of zelfs een breuk, tussen een primitieve periode, een periode van de 'voorlopers', en een tweede periode waarin het socialisme op een nieuwe basis van start gaat, hoewel het belangrijke elementen uit de eerste periode vasthoudt en omvormt. Wat vanuit dit gezichtspunt als belangrijk verschijnt, is het feit dat socialistische systemen of socialistische ideeën voor 1848 geformuleerd werden, vooral in de vorm van 'utopische' systemen - een kwalificatie die reeds werd gegeven door tijdgenoten en die ook werd gebruikt door Marx en Engels in hun Communistisch Manifest in 1848.

Revolutie tot in Hongarije. Mihály Zichy toont hoe Sándor Petőfi het Nemzeti dal voorleest aan het volk op 15 maart 1848.
Angst voor het proletariaat

.

Op 7 februari 1845 richt een vluchteling met de naam Karl Marx -net uit Frankrijk gebannen- een verzoek aan koning Leopold I van België. Het kleine jonge België, nauwelijks vijftien jaar oud, was een eiland van vorstelijke welwillendheid in een zee van onderdrukkende monarchieën, aldus Mary Gabriel in haar 'Liefde en kapitaal'.[17]

.

“Sire, Ondergetekende, Charles Marx, doctor in de filosofie, 26 jaar oud, herkomstig van Trier in het koninkrijk Pruisen, wenst zich met zijn vrouw en kind in het grondgebied van Uwe Majesteit te vestigen, en neemt daarom eerbiedig de vrijheid U te smeken hem goedgunstig de toelating te willen verlenen om zijn domicilie in België te vestigen.”

Geen politiek
Karl Marx schrijf de vorst twee brieven en belooft op zijn erewoord geen politiek werk te publiceren. België met zijn meest liberale grondwet ter wereld ontvangt Marx niet zomaar. De administrateur generaal van de staatsveiligheid, baron Alexis Hody houdt hem nauwlettend in het oog.[18] De autoriteiten in België zijn dankzij de Fransen op de hoogte van deze Pruisische agitator. Van de Parijse politie ontvangt de burgemeester van Brussel een brief: "Mocht u ter kennis komen dat hij zijn woord heeft gebroken en enige handeling onderneemt die schadelijk is voor de Pruisische regering, onze buur en bondgenoot, dan verzoek ik u mij dit onverwijld te melden."[19]

Wel politiek
De verdachtmaking was terecht. Drie jaar later werkt Marx samen met Friedrich Engels het meest revolutionaire geschrift van de negentiende eeuw af. Het manuscript zal bekend worden als het Communistisch manifest. Bij de publicatie is er in de geboortestreek van Marx geen sprake van industrialisatie. Beiden bestuderen de pijnlijke transformatie van agrarische naar industriële samenleving vanuit een buitenwijk van de Belgische hoofdstad en sturen hun document in januari 1848 naar Londen, de industriële symboolstad bij uitstek. Ze hebben lang nagedacht over hun openingszin. Ze klinkt spannend, en ze ademt de sfeer van Mary Shelley’s Frankenstein.[20] “Een spook waart door Europa – het spook van het communisme.” Engels en Marx verzenden geen roman, maar een handgeschreven manifest. Het pamflet is bedoeld als programma voor een arbeiderspartij en bereikt in het begin van het crisis- en revolutiejaar 1848 een petieterig drukkerijtje in Liverpool Street. Voor de eerste oplage vol zetfouten – net zoals de eerste druk van dit manifest van de angst trouwens - volstaan duizend exemplaren. Het clandestiene document zal zich als revolutionaire geloofsbrief door Europa verspreiden. Het is de teneur van de eeuw. Of om het met Marx' en Engels' slotwoorden van het manifest te zeggen: "Dat de heersende klassen sidderen voor een communistische revolutie! De proletariërs hebben daarbij niets te verliezen dan hun ketenen. Zij hebben een wereld te winnen. Proletariërs aller landen, verenigt U!"

.

1846

.

  • Het Brussels gemeenteraadslid Edouard Ducpétiaux bestudeert de verbetering en de gezondmaking van de arbeiderswoningen en -wijken naar Londens voorbeeld.

.

.

.

1847

.

  • Hongeronlusten doen denken om de burgerwacht opnieuw in het leven te roepen.

.

  • Naast de gevangenis van Tongeren komt een nieuwe rijkswachtkazerne.

.

1848
Emily Brontë (°1818) bezwijkt in 1848 aan tuberculose. Ze is dertig en is net als haar zussen een succesvol schrijfster. Een jaar geleden schreef ze Woeste hoogten, later op muziek gezet door Kate Bush met Wuthering Heights. Het crisisjaar 1848 leidt overal tot revoluties en treft de armen meer dan de rijken. Over armen wordt minder geschreven dan over rijken. Brontë behoorde tot de laatste categorie.


  • Cholera-epidemie. De hongersnood blijft duren.

.

  • De februarirevolutie in Parijs deint uit over Europa, alleen Engeland en België blijven gespaard. De revolutie draait in het nadeel uit voor de opstandelingen.

.

  • Afschaffing van de dagbladzegel waardoor de krantenprijs halveert. Kranten waren tot nu toe enkel betaalbaar door de elite.

.

.

  • In Gent, ten noorden van het Sint-Pietersplein, tussen de straten Blandijnberg en Rozier gaat de Cité Ouvrière of het De Vreesebeluik open. Midden jaren dertig van de twintigste eeuw zal het plaats maken voor de universiteitsbibliotheek en de Boekentoren. Lieven De Vreese richt het in als een modelcité in contrast met het Bataviabeluik (gesloopt in 1881 om plaats te maken voor het Instituut der Wetenschappen, het universiteitsgebouw aan de Plateaustraat). De Vreese voorziet zijn beluik van een monumentale toegang op het Sint-Pietersplein. De openbare stadspomp uit 1836 zorgt voor water.

.

♥ BEELDFRAGMENT OVER HET PRILLE ONTSTAAN VAN DE VAKBONDEN EN DE MAATSCHAPPIJEN VAN ONDERLINGE BIJSTAND (10 Min.).

.


De februarirevolutie van 1848

.

De liberale, conservatieve burgerij vindt armenzorg en barmhartigheid nefast: het zet de armen niet aan tot werken maar tot ledigheid is de redenering. De oorzaak van het pauperisme en de armoede leggen ze bij hun zedeloosheid, hun luiheid, hun egoïsme, hun drankzucht en hun gebrek aan spaarzaamheid. Tot de situatie niet langer houdbaar is. 'De wind van de opstand waait, de storm verschijnt aan de horizon' schrijft Alexis de Tocqueville aan de vooravond van de 1848. En hij vervolgt: 'Ik krijg te horen dat er geen gevaar is omdat er geen rellen zijn; ik krijg te horen dat er geen revolutie op handen is omdat er geen onrust zichtbaar is aan de oppervlakte van de samenleving. Heren, sta me toe op te merken dat u zich vergist.' 
 
.

Europa ten prooi aan revolutie
In februari 1848 valt het slapende Europa ten prooi aan een vroege industriële revolte én een late - misschien wel haar voorlaatste voedselcrisis. Met een revolutie tot gevolg. Als die in Parijs losbreekt, ontbrandt heel Europa: Duitsland, het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk, het latere Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Polen, Italië, Joegoslavië en Roemenië; overal waait de revolutionaire wind. Ze waait in landelijke streken, in de steden en in industriële gebieden en ze sleurt alle klassen mee: de boer, de proletariër, de burger, de kapitalist. In Nederland wijst de Groningse theologische hoogleraar P. Hofstede de Groot twaalf dagen na de februari-revolte al op het belang van 'menslievende verenigingen', niet zozeer om hun filantropie, hun hulp of hun caritas maar veeleer om de opkomende arbeidersklasse zo op te voeden 'dat zij hare vrijheid niet misbruikt tot het genot van dierlijke uitspatting, maar gebruikt tot het verkrijgen van menschelijke beschaving.' Lees: de arbeidersklasse politiek en sociaal onmondig te houden. Zijn belangrijkste voorstel van Hofstede de Groot is een 'Algemeen Patronaat der gegoeden over de geringen' in te voeren om 'den oorlog die dreigt uit te barsten van de armen tegen de rijken te verhoeden.' De liefdadigheidsverenigingen en de politie vormen het negentiende eeuwse het antwoord op de angst bij de heersende klasses die de dreiging voelt van een oorlog van de armen (numeriek in het overwicht) tegen een kleine, elitaire groep van rijken. Welzijswerk en politie houden zo de arbeiders 'arbeidsgeschikt', ze disciplineren, socialiseren en compenseren de frustraties van het arbeidsproces. Politie en welzijnswerk waarborgen zo het voortbestaan van de klassenmaatschappij en voorkomen de klassenstrijd. Vier dagen na deze rede zou Willem II zich in één nacht bekeren tot het liberaal conservatisme.[21] 
 
.

 Maar niet in België 
In Brussel, de hoofdstad van zijn jonge natie verneemt Leopold I hoe het zijn schoonvader Louis-Philippe in Parijs vergaat en hoe die tenslotte ten val komt. Ongerust schrijft hij zijn nicht - de Britse Queen Victoria - een brief met de vraag 'Waar zal dit eindigen?' Tot zijn verwondering reageert zijn land patriottisch, inclusief de arbeidersklasse. Brussel ligt op slecht tien uur reizen van Parijs en toch laat het proletariaat zich niet tot de internationale oproer verleiden. Integendeel, ze toont nationale sympathie. Dat eensgezinde patriottisme is wellicht voor een stuk te danken aan het voorbije beleid van de oorlogsminister Pierre Emmanuel Félix Chazal, ooit een Fransman en aanhanger van Saint-Simon en de premier Charles Rogier. Die stak zijn utopisch socialisme nooit onder stoelen of banken. 

.

 Politiestaat
De revolutionaire crisis dringt de regering diverse doelen op: 1. De indoctrinatie (met godsdienst) en de beteugeling (gevangenissen) van het proletariaat, 2. De installatie van een wij/zij, bourgeoisie versus het proletariaat denken en een volstrekte scheiding van de beide klassen (parken blijven voorbehouden voor de 'betere' klasse, net zoals de passages en overdekte winkel-gallerijen), 3. De binnenlandse politieke en sociale onrust vermijden en ordehandhaving en 4. De revolutie buiten het land houden. Die buitenlandse bedreiging loert immers van twee kanten: In Nederland laat Willem II de droom van zijn vader die hij sinds 1840 is opgevolgd - het terugwinnen van de Belgische gebieden - nooit varen. In Frankrijk dromen sommigen van een nieuwe republiek.

1. De indoctrinatie en de beteugeling van het proletariaat

.

Na de ‘grote schrik’ van 1848 juicht de geestelijkheid de komst van de spoorweginfrastructuur toe: ze zorgt dat fabrieksarbeiders pendelen en dat de arbeider onder de hoede van de herder blijft; de spoorwegen zijn het antwoord op de ontvolking van het platteland tegen en een ventiel voor de industriesteden die uit hun voegen te barsten. De betaalbare spoorabonnementen voor arbeiders in 1869 zijn er de concretisering van. Met het omgekeerde effect hield de geestelijkheid echter geen rekening: de pendelarbeid verspreidde het socialisme en de mentaliteit van de stad naar het platteland. Na de ‘grote schrik’ juicht de vrijzinnige en liberale Belgische burgerij de geestelijkheid toe en relativeert ze haar eigen antiklerikalisme: de burgerij had de proef van de revolutie succesvol doorstaan en één les geleerd: de subversie van het proletariaat was met een krachtig tegengif te bestrijden: de moraliserende kerk. ‘Deze agitatie van radicalen’ schreef een liberale krant op 31 maart 1848 ‘ondermijnde de zedelijkheid van de arbeiders. Tevoren luisterden zij naar de stem van het christendom en beschouwden zij hun leven als een pelgrimstocht naar de beloning voor de zware last die ze torsten.’ Het leidde tot een vreemde klasse-solidariteit tussen gelovigen en vrijzinnigen: de godsdienst moest plotsklaps en opnieuw uitgroeien tot ‘de trouwe vriend van het volk.’[22]

.

De uitzichtloze ellende in de beluiken, de stadskankers zijn het best te bestrijden met het Haussmanniaanse recept dat na de juli-revolte in Parijs wordt beproefd. Het Haussmannisme elimineert volkswijken in ruil voor prestigeprojecten van boulevards, parken als groene longen, een justitiepaleis, gevangenissen, stations... Begin jaren zestig zijn de eerste moderne gevangenissen klaar.  

.

2. Wij/zij

.

De burgerij stimuleerde de segregatie om de confrontatie met de viezigheid, de ellende en de ondeugden buiten haar blikveld te houden. Voor de rest vreesde ze de epidemie die iedereen kon treffen. ‘De wet van 1 juli 1858 beoogde de sanering van ongezonde buurten door onteigening en afbraak. Na de cholera van 1866, de ergste van de eeuw met 43.000 slachtoffers in het hele land, hoofdzakelijk in de krottenwijken, laat de wet van 1867 de onteigening toe voor alle stadsverfraaiing.  

.

3. Onrust vermijden en ordehandhaving

.

Op 3 april 1848 zorgt een wet voor inrichtingen die de overlast van de zwervende jongeren moet inlossen: voor Édouard Ducpétiaux, de inspecteur-generaal van het Gevangeniswezen en de Weldadigheid is dit een kans: hij realiseert zijn hervormingsscholen. Inspiratie vindt hij in het Franse Mettray, een eerste landbouwschool voor jonge delinquenten. Het accent ligt minder op straf en meer op (her)opvoeding om van de jongere een ‘nuttige burger en bekwame arbeider' te maken en zo de 'armoede en bedelarij uit te roeien’. Ook  Charles Rogier, de minister van binnenlandse zaken vindt de inrichting van tuinbouwscholen zaak. Het K.B. van 30 april 1849 is het startschot voor het Institut Royal d'horticulture inGentbrugge, in het tuinbouwbedrijf van Van Houtte. In Vilvoorde komt er in dat jaar het Koninklijke Instituut voor horticultuur nabij de plantenkwekerij De Bavay.[23]

.

In Ruiselede komt een instelling voor jongens in 1849, in Beernem komt een instelling voor meisjes in 1853 en in Wingene komt er in 1855-56 een opleiding voor scheepsjongens. Ruiselede wil 500 jongens, Beernem wil 400 meisjes en een aantal kinderen tussen de twee en zeven. Wingene wil honderd jongens en bouwt voor hen een schoolschip. Het matrozenbestaan lijkt even avontuurlijk als aanlokkelijk. De eerste schoolhoeve start op het Sint-Pietersveld in Ruiselede (in gebouwen bedoeld als suikerfabriek) en wordt tot in het buitenland beroemd. Helaas: de tucht is repressief militair en het personeel bestaat uit ex-militairen: veel opvoedkundige kwaliteiten zijn er niet. Doorgaans gaat het om jonge kinderen: één op drie is jonger dan twaalf en de meesten zijn bij aankomst analfabeet. De instelling beoogt een complete vorming: sport, gymnastiek, muziek (eigen fanfare). In 1859 is 186 hectare gecultiveerd, met een groentetuin en boomgaard. De productie komt de jongeren, het personeel en gevangenissen ten goede. Vanaf 1910 leidt de instelling op tot andere beroepen dan landwerker: kleermaker, schoenmaker, schrijnwerker, smid... 

.

4. De revolutie buiten houden

.

Nederland in België: Gent
In Gent kan Willem II rekenen op een kleine, fanatieke orangistische kern. Gedurende het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, tussen 1815 en 1830 ontpopt Gent zich  tot een universiteitsstad, havenstad en industriestad. Dankzij Willem II - de man kreeg in Gent onlangs zijn standbeeld - komt er een zeehaven met het Kanaal Gent-Terneuzen en de katoenweefsels vinden een ongezien afzetgebied in Nederlands-Indië. Niettegenstaande de Gentse orangisten liefst Frans spreken, verklaren deze drie elementen waarom de stad de Belgische Omwenteling niet toejuicht. Na 1848 vernevelen die orangisten en gaan ze op in de Liberale Partij.

.

5. Risquons-Tout'
In Frankrijk dromen sommigen van een nieuwe republiek waar ook België deel van uitmaakt. Dankzij de inlichtingendienst slaagt het Belgisch leger er in om deze tweeduizend revolutionairen bij Risquons-Tout en Quiévrain tot staan te brengen. 

.

Het is in die context dat de regering België omvormt tot een politiestaat. Het is in die context dat de Liberale regering van Charles Rogier de sinds 1831 in slaap gedommelde Burgerwacht nieuw leven inblaast en hen op zondagmorgen (tot ongenoegen van de kerk) laat oefenen. Dat leidt niet tot militaire expertise noch tot discipline onder deze bewapende mannen. De bevolking noemt hen een 'operetteleger' en sommige van hun interventies lopen uit de hand. Eind februari, na de Parijse revolte, roept de Justitieminister de gemeenten op om paspoorten streng te controleren, danszalen voor middernacht te sluiten en samenscholingen van meer dan vijf personen te verbieden. En er volgen preventieve uitzettingen van vreemden die de 'publieke rust in gevaar brengen'. De politie of de staatsveiligheid arresteren Karl Marx en zijn vrouw, Jenny von Westphalen die sinds 1845 in Brussel verblijven. In de nacht van 1 op 2 maart zetten ze hen het land uit. 

.

Kijken

.

.

De tweede fase van de Industriële Revolutie: 1849-1890[bewerken | brontekst bewerken]

.

In Parijs stelt Napoleon III deze Georges-Eugène Haussmann aan tot stadsarchitect. Het stratenpatroon en de woonkwaliteit in de stad zijn een ramp, verkeer raakt nauwelijks vooruit. Het koningshuis verliet in de zeventiende eeuw om die reden Parijs en ruilde het Louvre in voor Versailles. Bovendien hebben de stegen en de eeuwenoude bebouwing drie revoluties laten gedijen: de Franse Revolutie, die van 1830 en die van 1848. De revolutionaire opstanden waren nauwelijks onder controle te krijgen: kronkelige krotstegen zijn ideale vluchtwegen en smalle straten laten toe om barricades op te werpen. Politie en het leger raken niet in de opstandige wijken en bij het bombarderen van barricades worden die alleen maar sterker. De boulevards die Haussmann aanlegt rekenen af met deze nadelen. De stad diende niet langer van buitenaf verdedigd te worden tegen vreemde troepen, maar tegen zijn eigen inwoners, het proletariaat. Tegelijk verwezenlijken de boulevards een sociale en economische functie. Flaneergedrag zorgt voor een nieuw soort geconsumeer. De woningen die Haussmann er optrekt zijn bedoeld voor burgers die hun huisraad liever niet als barricade gebruiken. En hoe hoger de verdieping, hoe lager de welvaart van de bewoners. De ruimtes onder de dakpannen zijn gereserveerd voor het huispersoneel. Arbeiders komen er niet in, daar zijn smerige buurten voor. Richard Sennett, een pijprokende en oude stadssocioloog drukt het zo uit: 'De economische ecologie van de nieuwe stad had veel weg van vuil ondergoed onder een baljurk.'[24] De burgerij, een klasse die ontstaan met de Industriële Revolutie trok van bij het begin al de neus op voor het 'gewone volk'. Cholera en andere ongeneesbare ziektes vormden daar een goede reden toe. Op de boulevard maken de ruime, gemeenschappelijke houten tafels (waar onbekenden samenzitten) plaats voor de kleine, metalen ronde tafeltjes voor een koppeltje of kleine gezelschappen. Kortom, het meubel biedt een hygienische (en sociale) bescherming. Stadsbewoners houden er niet langer van om door wildvreemden aangesproken te worden. In oudere tijden was het gebruikelijk op onbekenden af te stappen, die bij de arm of de hand te nemen en discussies of gesprekken aan te gaan. Dit gedrag evolueert van de herberg waar alle sociale standen door elkaar discussiëren naar de ingetogenheid van het café (een plaats waar sinds de ontdekkingsreizen koffie gedronken wordt) waar het sociaal gedrag in bubbels wordt beleefd. Voltaire was zo'n vroege cafébezoeker: in zijn visie diende de derde stand toch wel op afstand gehouden. In het openbaar vervoer gaat het er net zo aan toe. Waar alle reizigers in een zeventiende-eeuwse postkoets onbekommerd om hun stand de reis en hun leven met elkaar delen, worden de omnibus (het openbaar vervoer dat de metro voorafgaat) en de (paarden)tram het toonbeeld van zwijgzaamheid.
1850

.

  • De armoede in België bereikt ongekende hoogtes: in de steden is 1 op 4 arm, op het platteland 1 op 5.

.

  • Architect Joseph Jonas Dumont ontwerpt de gevangenis van Verviers en het Justitiepaleis te Verviers. In 1851 tekent hij de gevangenis van Leuven, die van Dinant en Charleroi. De idee van het Belgische gevangeniswezen gaat terug op de ideeën van Ducptétiaux uit 1830, na de revolte van 1848 komt alles in stroomversnelling.

.

.

.

1851

.

.

  • België verplicht de gemeenten om de doodsoorzaak van een overledene bij te houden.

.


Kijken

.

.

1852

.

.

.

.

1853

.

.

.

  • De cholera-epidemie duurt tot 1854.

.

.

1856
Bois-du-Luc bij La Louvière is een van de oudste steenkoolmijn in België. Op de site is er nu een museum. De mijn functioneerde volgens het sociaal-paternalistische concept. Leopold I bezoekt Bois-du-Luc in 1856. Bevoorrechten vragen zich af waarom het proletariaat verarmt in tijden van een 'aanzienlijke stijging' der welvaart. Zo meent een zekere Emile Lion dat die welvaart niet alleen ten goede komt van de bovenste bevolkingslagen. Het lage morele peil, haar bandeloosheid en haar gebrek aan sparen trekt het proletariaat de dieperik in. Lion is niet de enige die tot deze conclusie komt. In vrijwel alle getuigenissen klinkt hetzelfde oorzakelijke lied: cafébezoek en verbeesting, wangedrag, luiheid.

.

  • De meubelmaker Michael Thonet verbetert constant zijn productiemethode en opent een fabriek in Koritschan, een Moravisch stadje met een spoor. Zijn fabriek ligt te midden de beukenbossen die het houdt leveren voor zijn stoelen. Thonet kookt het hout niet langer in lijm, maar hij buigt het met stoom. In 1859 slaagt hij erin massieve staven te buigen: het massa meubel is geboren. De stoelen zijn met schroeven te monteren en zijn in kleine pakketten naar de consument te versturen. Van dit product zouden er meer dan 50 miljoen - tja, niet van de band rollen, daar is het te vroeg voor - gemaakt worden. In de goedkope versie bestaat die lichte stoel uit zes stukken hout, evenveel schroeven en twee moeren. Als Thonets patent afloopt in 1869, wordt de stoel eindeloos gekopieerd.

.

.

1857

.

  • In de V.S. verkoopt Joseph Gayetty het eerste machinale toiletpapier als losse vellen gedrenkt in aloë vera. De eerste rollen komen vermoedelijk van de Amerikaanse Scott Paper Company in Philadelphia in 1871. Het toiletpapier gaat terug op het 14e eeuwse China, een luxeproduct voor de keizer. Elders worden wol, hennep, gras, water, de spons of de handen gebruikt en vanaf de zeventiende eeuw komen de kranten.

.

  • Auguste Comte (°1798), de grondlegger van de sociologie (hij formuleert het begrip in 1838) overlijdt. Hij is geen zestig en heeft enkele zelfmoordpogingen, een tragisch en een depressief leven gekend. Rond zijn persoon is een cultus ontstaan. Zijn positivisme en sociologie zijn een reactie op en een nuance in het verlichtingsdenken die de chaos (het bloedvergieten en de malaise) van de Franse Revolutie lijken te verklaren. De maatschappij evolueert (verbetert) volgens Comte via orde en vooruitgang, niet via de chaos die de verlichte denkers vooropstellen. Comte beëindigt zo de Franse Revolutie met een intellectuele verklaring. Hij ziet de geschiedenis dus niet als een proces waarbij de mens het heft in handen neemt (zoals de Verlichting dat ziet) maar als een proces dat verloopt volgens vaste sociale wetten. Deze determinatie bepaalt het denken, het lot en de moraal van de mens. In tegenstelling tot wat de verlichtingsfilosofen stellen, kan de mens deze wetten niet veranderen, wat Comte tot een inspirator van het naturalisme en een voorloper van het pessimisme van het Fin de Siecle maakt. Toch is het denken van Comte doordrongen van een zeker optimisme, de wetten zijn te bestuderen en zo zijn veranderingen te verklaren en kan de mens zich voorbereiden op wat komt: 'Savoir pour prévoir' is zijn leuze. De omgeving, de afstamming en de omstandigheden zijn de variabelen die het lot van elke mens bepalen. Positivistisceh wetenschappers achten observatie, feiten, wetmatigheden en analyse hoger dan astracte redeneringen. Of met andere woorden ze prefereren Aristoteles boven Plato: wijsgerige bespiegelingen zetten geen zoden aan de dijk. Comte kende Saint-Simon (1760-1825), Alexander von Humboldt (1769-1859) en John Stuart Mill (1806-1873). Op de Place de la Sorbonne in Parijs staat een monumentje.

.

.

.

1858

.

.

.

1859
1859. In een Brussels zolderkamertje, op de hoek van de Arenberg- en de Bergstraat in het pension Au Prince Belge schrijft Edward Douwes Dekker, bekend als Multatuli een antikoloniaal pamflet dat de slavenhandel aanklaagt: Max Havelaar. Wat Multatuli niet weet, is dat terwijl hij dit schrijf, de laatste Afrikaanse slaven aan boord gaan voor hun oversteek waarbij ze alles verliezen: hun naam, hun familie, hun hut, hun land, hun waardigheid. Ze verliezen alles behalve hun kleur. Zora Neale Hurston interviewde in 1927 de laatste overlevende van die slavenhandel. Nooit eerder had iemand dat gedaan. Slavenhandelaars en hun tegenstanders haalden met hun opinies de geschiedenisboeken, de stem van de slaaf zelf, bleef tot dan toe onbeschreven. Hurston zou dit veranderen door de intussen 86-jarige Cudjo Lewis (zijn Afrikaanse naam was Oluale Kossola) aan het woord te laten. Toen hij negentien was nam de beruchte slavenhandelaar, de koning van Dahomey hem gevangen. Vrouwen met machetes onthoofden de ouderlingen van zijn dorp. Bij de barracoons op het strand keuren witte mannen 'de waar' en selecteren ze 116 slaven om met de Clotilda, een cargo de overtocht te maken. Zonder kleren, zonder ruimte, bijna zonder drinkwater dobberen ze in zeventig dagen naar Amerika. 'De zee gromde als duizend beesten in de bush.' Hij gaat aan land in Alabama. Bijna zes jaar werkt hij op plantages, laadt en lost hij schepen, tot de Amerikaanse burgeroorlog de slavernij afschaft. Zora Neale Hurston titelde haar boek Barracoon Oluale Kossola, overlevende van het laatste slavenschip. Geen uitgever wou het publiceren. Het duurde tot 2018 vooraleer het verscheen. In het Nederlands kennen we het dankzij een vertaling van Robert Dorsman.

.

♠ BEELDMATERIAAL MULTATULI.

.

  • Een cholera-epidemie

.

  • De Evolutietheorie van Charles Darwin verschijnt en wekt opschudding omdat ze de verlichtingsideeën en de maakbaarheid van de wereld (impliciet) in vraag stelt. Het positivisme van Auguste Comte die twee jaar geleden overleed, deed dit al eerder.

.

.

Kijken

.

.

1860

.

.

.

.

.

1861

.

.

.


1862

.

.

.

  • In 1860 maakte Thonet schommelstoel nr. 1. Die is nu op de Londense wereldtentoonstelling geëxposeerd. Na zijn fabriek in Koritschan opent Thonet fabrieken in Bistritz (1861), Groß-Ugrócz [1865) en Wsetin (1868) en stelde 6.000 arbeiders te werk die 4.000 stukken (stoelen, tafels, bedden, bloembakken, kapstokken en tennisrackets...) per dag maakten. Rond elke fabriek bouwt hij een stadje om arbeidskrachten aan te trekken.

.

.

1863

.

.

.

1865

.

  • Nog maar eens een cholera-epidemie. Ze maakt 43.000 doden in het land, dat zijn er negen per duizend Belgen. In Europa gaat het om 1 miljoen slachtoffers.

.

.

1867

.

.

.

Het Justitiepaleis in Brussel in 1890. De werken beginnen in 1866 en in 1867 maken de bewoners van de wijk Bovendael en de Marolle plaats voor de werken. Hun verhuis loodst hen naar de voet van de heuvel, waar de Marolle tot op heden ligt. Tegenwoordig spreekt de buitenlandse toeristische informatie liever over de Breughelwijk, omdat dit meer dan een achtergestelde wijk, toeristen aantrekt. De boosheid die in de jaren achttien-zestig ontstaat omwille van de onteigeningen bezorgt Joseph Poelaert de spotnaam de "schieven architekt", een ondubbelzinnig scheldwoord in het Marols. Het gebouw, groter dan het de Sint-Pietersbasiliek in Rome, staat op een symbolische plaats: op de vroegere galgenberg waar de beul misdadigers opknoopte en de oude Marollewijk wat het paleis tot symbool van de klassenjustitie maakt. Hitler was weg van dit gebouw. Inmiddels verbindt een lift hoog en laag, elite met volk.


.

1868

.

.

.

1869

.

.

.

Kijken

.

.

1870

.

  • Frans-Duitse oorlog, de jonge Duitse natie bezet Parijs, ter vernedering van de Fransen. Hier ontstaat de revanchegedachte. Frankrijk wil wraak, dat zal hen in 1914 overhaast doen deelnemen aan de oorlog.

.

  • Vanaf nu is ingevroren verscheping mogelijk. Dit zorgt voor een wereldwijde export van vlees.


Het land dat te laat kwam

Duitsland – in de literatuur bekend als het land dat te laat kwam – industrialiseert na 1870 zo gezwind dat de pas verenigde staat niet de tijd heeft om zich te modelleren naar het panoptisme. Onder leiding van Otto von Bismarck blijft de feodaal agrarische machtspiramide het machtsmodel. Begin negentiende eeuw is de regio één van de armste in Europa. In 1830 woont tachtig procent van de bevolking landelijk, in 1895 is dit twintig procent. Berlijn telt in 1848 geen half miljoen inwoners. In 1914 is het een wereldstad. In 1861 werken 50.000 Duitsers in de machinebouw, in 1900 is dit een twaalfvoud. In de chemie is het aantal arbeiders vertwintigvoudigd. De kolenproductie loopt van 1875 tot 1900 op van 34 tot 150 miljoen ton. De Frans-Duitse oorlog levert het land een buit die het bankwezen doet bloeien en het keizerrijk de evenknie van Engeland maakt. Aan de vooravond van 1914 overtreft de Duitse productie de Engelse. Het absolute gezag van de Pruisische koning-keizer en de rijkskanselier als topambtenaar beperken partijpolitieke invloeden en militariseren de maatschappij. Militaire termen doen hun intrede in het bedrijfsleven: investeringscampagnes, strategische visie, resultaatsanalyse. Max Weber ziet dit als jonge man met gemengde gevoelens tegemoet en is er de kroniekschrijver van. 

Machtspiramide
In de Weberiaanse machtspiramide hebben gezag en controle een andere aard dan in het panopticum van [[Jeremy Bentham.[25] Hoe hoger in de hiërarchie, hoe minder mensen iets te zeggen hebben. Hoe dieper, hoe machtelozer, met helemaal onderaan de kerker, de lijfstraf en de repressie. Als in een legerstructuur krijgt in het laat negentiende-eeuwse Duitsland iedereen een vaste plaats en bij elke plaats hoort een taakomschrijving.[26] In de piramide functioneer je door enkel te doen wat je is voorgeschreven. In het liberale model van Adam Smith ben je succesvol door meer te doen dan verwacht. Het militaire model straft als je je boekje te buiten gaat. De communicatie in het panoptisch model is rechtstreeks, in een piramide veranderen bevelen naarmate ze afdalen: het bevel van de generaal, past de staf aan en vertaalt het bevel in praktische uitvoeringbesluiten. Op het slagveld proberen sergeants, korporaals en soldaten er op hun beurt iets zinnigs van te maken. Allen gehoorzamen én interpreteren. Hoe groter het leger, hoe meer interpretatie.

.

.

1871

.

.

.

1872

.

.

.

1873

.

  • De Beurskrach in Wenen luidt het begin in van een depressie die tot 1896 duurt. Deze crisis wordt gezien als de eerste crisis van de 'rijken'. Crisissen van de armen (hongersnoden) zijn zo goed als voorbij en dateren uit de jaren 1848.


.

  • In Engeland is de helft van alle grond in het bezit van 2250 personen door opheffing van kleine boerderijen en de omheining van woeste of gemene gronden (enclosures). Aristocratische grondbezitters en het parlement stimuleren deze beweging tot ééngemaakte percelen via ruil, samenvoeging en afkoop. De grootste verliezer is de landarbeider die geen aanspraak meer maakt op zijn huis, tuin noch gemene gronden. De nieuwe percelen zijn omheind om duidelijk te maken dat de traditionele rechten niet meer gelden.

.

.

1875
Frederick Winslow Taylor

.

  • Frederic Winslow Taylor (°1856 – +1915) een Amerikaans ingenieur en de grondlegger van de wetenschappelijke bedrijfsorganisatie breekt na een handicap en een oogziekte met zijn rechtenstudie en wordt fabrieksarbeider in de Midvale Steel Compagny waar hij carrière maakt. Hij stelt vast dat de arbeiders minder presteren dan hun vermogen. De stijgende productiviteit die hij wil creëren moet ten goede komen aan de arbeiders en de werkgever, anders werkt het systeem niet. Het Taylorisme kreeg een slechte bijklank door het louter focussen op de verhoging van de productiviteit, bovendien waren zowel werkgevers en syndicaten tegen het principe. Het Taylorisme kenmerkt zich door vijf principes: 1. Overleg tussen werkgever en werknemer (systematische verbeteringen en technische vernieuwingen zijn dan mogelijk); 2. Het werk wordt in verschillende handelingen opgesplitst en gemeten in tijd) (arbeidsanalyse); 3. Voor elke taak de geschikte man; 4. Een systeem van premies en harde sancties; 5. Rust opnemen is noodzakelijk.

.

.

1876

.

  • In Parijs strijden vrouwen voor stemrecht.

.

.

.

1877

.

.

.

.

  • Tijdens een debat om kinderarbeid in de mijnen onder de twaalf jaar te verbieden, vindt de katholiek Charles Woeste het een Belgische eretitel, dat dit het enige Europese land is dat vrouwen- en kinderarbeid niet bij wet regelt in naam van de individuele vrijheid.[27]

.

.

1879

.

  • In de Barakken, een gehucht in Menen is er een volksopstand tegen de hoge voedselprijzen.

.

  • Vincent van Gogh begint zijn proef als lekenprediker tussen mijnwerkers in Petit-Wasmes in de Borinage van Henegouwen. De armoede maakt hem depressief en zijn verdere leven tekenen. Het 'koortsige, vermoeide en uitgemergelde' uiterlijk van de mijnwerkers treft hem, zo schrijft hij naar zijn broer Theo. De mijnwerkersgezichten zijn 'uitgehold' en 'verouderd'. Om zijn solidariteit te betonen daalt hij in een schacht af, in de Charbonnage de Marcasse. Niettemin blijft hij, ook na het verplegen van de slachtoffers van een gasontploffing, een buitenstaander.

.

.

1880

.

.

  • De V.S. is de aantrekkingspool voor een nieuwe migratiegolf.

.

.

1883

.

  • Op 17 maart zijn er op de begrafenis van Karl Marx elf mensen present. Friedrich Engels spreekt hen toe: ‘Zijn naam en werk zullen de eeuwen doorstaan.’

.

  • De cholera-epidemie die dit jaar uitbreekt duurt tot 1885.

.

.

.

1884

.

.


.

.

1885
In dit huis op de Brusselse grote markt wonen Karl Marx en Friedrich Engels bijeenkomsten bij van de Association Démocratique, ayant pour but l’union et la fraternité de tous les peuples en wordt in 1885 de Belgische Werklieden Partij opgericht. Op 26 september 1898 stelt het parket van Brussel een dossier samen 'De Brabançonne uitgefloten door socialisten op de Grote Markt'. Een concert van de grenadiers is vanuit De Zwaan onthaald op gefluit en het zingen van de Carmagnole en de Marseillaise. De eigenaar schreef een open brief aan de kranten geen socialistisch lokaal te zijn.

.

.

.

  • De Britse Koninklijke Commissie onderzoekt de huisvesting van de werkende klasse.

.

.

  • Tijdens de Congo-conferentie verwerft Leopold II Congo. Het koloniewerk heeft mensen nodig om de christelijke zending te volbrengen, missieposten op ter richten, ziekenhuizen en scholen te stichten… Het is de eeuw van de dierentuinen. Die moeten de belangstelling voor het Afrikaanse binnenland opwekken en de koloniale boodschap uitdragen.

.

♥ BEELDFRAGMENT KONGO EN LEOPOLD II (110 Min.).

.

.

1886

.

  • Onlusten in Wallonië wegens sociale wantoestanden; de Burgerwacht maakt doden in Charleroi. Dit leidt ertoe dat op het einde van het jaar de eerste sociale wetten ontstaan. Arbeiders zullen niet langer met levensmiddelen betaald worden maar in baar geld. Wetten op de vrouwen- en kinderarbeid en de arbeidsongevallen zullen volgen. De inspiratie krijgen de Belgische parlementairen bij Bismarck in Duitsland. Maar alles heeft zijn tijd nodig, in 1903 komt de wet op de arbeidsongevallen.

.

.

  • In Gent wordt de Antisocialistische Katoenwerkersbond opgericht.

.

.

1887

.

.

  • België verbiedt het trucksysteem. Na de sociale onlusten onderzoekt een ‘Commissie van de Arbeid’ de oorzaken ervan. Dit onderzoek leidt – niet zonder moeite - tot de eerste, bescheiden, sociale wet op de bescherming van het loon: het verbod op lonen in natura, het verbod op de uitbetaling van lonen in herbergen en de subsidiëring van werkmanswoningen.

.

.

Kijken

.

1889

.


  • Een werfstaking in Londen leidt tot loonsverhogingen.

.

  • Otto von Bismarck voert het staatspensioen in. Nieuw-Zeeland doet het als eerste land al bijna twee decennia.

.

  • In België legt in een wet vrouwen- en kinderarbeid aan banden.

.

  • Op de honderdste verjaardag van de Franse Revolutie is de Eiffeltoren klaar. Het is het toppunt van het optimisme: hoger, hoger, hoger. De toren is 324 meter hoog. Tot nu toe bouwden architechten hoogstens zes of zeven verdiepingen hoog, denk aan de beluiken en het panopticon. Vanaf nu gaat het bergop en begint de tijd van de wolkenkrabber. Dit stalen skelet is het interieur, de binnenkant van de wolkenkrabber (ter vergelijking de Empire State Building uit 1931 is 386 meter hoog). Het is een eerbetoon van Gustave Eiffel aan een eeuw Franse Revolutie. Een jaar na dit toppunt van kunnen spijnpelt het pessimisme stilaan de maatschappij binnen.

.

DEEL 3A HET FIN DE SIèCLE EN DE EERSTE WERELDOORLOG (1890 tot 1918)[bewerken | brontekst bewerken]

.

Het huis van Victor Horta in Elsene.

♠ Klik hier voor de ppt die bij deze laatste les hoort.

.

In tegenstelling tot het optimisme van de negentiende eeuw, ontstaat in het welzijnswerk en in de algemene cultuur onder intellectuelen een pessimisme in de periode 1890-1914. In kunstenaarsmilieus en onder de intelligentsia rijpt het gevoel dat het optimisme van de Franse Revolutie - dat in de negentiende eeuw gestalte kreeg in het Liberalisme, het Socialisme en het Katholicisme - tot niets leidde en dat de wereld afstevent op een einde der tijden. De roesmiddelen Opium en absint zijn erg populair en de technologische ontwikkelingen hebben allen een keerzijde: kinderen lopen onder auto's, de onzinkbare Titanic haalt de kranten. Dat pessimisme moge paradoxaal heten, want net nu merken sommige Belgische arbeiders een relatieve verbetering van hun levensstandaard. De wet op de openbare onderstand uit 1891 en het algemeen meervoudig stemrecht van 1893 zijn stapjes in de richting van een hun emancipatie. Zelfs de oude Friedrich Engels merkt in 1892 (hij is 72), in een nieuw voorwoord van een boek dat hij een halve eeuw eerder schreef, dat 'de herhaaldelijke bezoekingen van cholera, tyfus, pokken en andere epidemieën de Britse bourgeoisie de dwingende noodzaak inscherpten om de steden gezond te maken.'[28] De misstanden van een halve eeuw eerder lijken hem 'opgeheven' of minstens 'onopvallend.' Engels is buitengewoon optimistisch als hij dit schrijft. In Vlaanderen staat een furieuze Adolf Daens te prediken...

.

De initiatieven van priester Adolf Daens (intussen een vijftiger) onderstrepen dat de noden erg hoog blijven onder de kwetsbare bevolking. Een aantal feiten wijst daar op. In 1892 staken de Franse arbeiders 261 keer en wordt Ellis Island de plek waar alle immigranten de Verenigde Staten binnenkomen: de emigratie uit Europa is ongezien. De geschiedenis, de Europese maatschappij lijkt op een terminale patiënt die van zijn arts te horen kreeg dat hij nog enkele dagen te leven heeft. In die context hoeft het niet te verwonderen dat het decadentisme (ook symbolisme genoemd) - met de dood van Vincent van Gogh in 1890 - zijn intrede doet. Omstreeks dat jaar zet André Antoine (1858-1943) met meer succes dan zijn voorganger Emile Zola het naturalistisch theater op de kaart. In 1887 geeft hij zijn baan als arbeider op om een theater te openen voor werk dat zijn inspiratie vindt bij Zola, Victor Hugo, het positivisme van Auguste Comte, Taines inspirerende lessen L'Histoire de l'Art. Ook de Paradoxe sur le comédien van de verlichte Denis Diderot is een (paradoxale) inspiratiebron voor het sociale theater waarin Antoine de dagdagelijkse ellende ensceneert.

.

In de Europese architectuur doet de Art Nouveau zijn intrede. De stijl krijgt naar gelang het gebied waarin die zich ontwikkelt een andere naam. Duitsland spreekt over de Jugendstil, Oostenrijk over de Wiener Secession, Italië heeft het over de Liberty, Spanje over de Modernismo. De Glasgow style of de Arts and crafts movement is de benaming van de beweging in Engeland. De schilderkunst en de literatuur hebben genoeg van de romantiek en het classicisme: het realisme dat na de revoluties van 1848 zijn intrede doet gaat nu over in een naturalisme. .

Voorlopers en inspirators voor het fin de siecle zijn onder meer de dandy's (noem ze de instagrammers en influencers van vandaag): Edgar Allan Poe, Charles Baudelaire en dokter Samuel Jean Pozzi.[29] Dat decadentisme kenmerkt zich door twee elementen: het streven naar het schone enerzijds (de Belle époque) en de omgang, het geflirt met de dood anderzijds. Deze koortsachtige tijd is decadent, hectisch, hysterisch, vol van politieke instabiliteit, vol van schandalen en crises en nationale angst. Helemaal ongelijk krijgen de decadenten niet: in 1914 slaat het symbolische noodlot voor velen definitief toe. Misschien is het mooi om die periode te laten eindigen met de bouw van de de Menenpoort in Ieper (als poort naar het hiernamaals), de IJzertoren in Diksmuide (dat een gigantische soldaten-grafzerk symboliseert) of met het Albertmonument in Nieuwpoort dat de kroon van de overleden vorst voorstelt nadat hij na de oorlog bij de rotsen in Marche-les-Dames aan zijn einde kwam. .

.

Echo and Narcissus van John William Waterhouse uit 1903 toont de op zichzelf verliefde en beeldschone jongeling. Narcissus Het werk is te zien in Liverpool en kwam tot stand in de jaren waarin Sigmund Freud zijn psychoanalyse ontwikkelt. Kort na dit schilderij, in 1910 en in 1914 publiceerde Freud zijn idee over de narcist in twee essays en typeert die als 'gepreoccupeerd met zichzelf', vol grootheidswaan, behoefte aan bewondering en een gebrek aan empathie. De narcis, de paasbloem, haalt haar naam uit de Griekse mythologie. Als Narcissus spiegelt zichzelf in het water blijft hij er zitten om naar zichzelf te kijken, in bewondering voor zijn eigen krullend haar, zijn ronde gezicht, zijn heldere ogen, de ranke hals. Hij is vol van zichzelf, zijn uitstraling. Als hij vooroverbuigt om zichzelf te kussen, rimpelt het wateroppervlak en verdwijnt het spiegelbeeld, telkens opnieuw. Narcissus is onbereikbaar voor zichzelf en hij wordt zittend ziek van verdriet. In het ene verhaal verdrinkt hij, toen hij te ver vooroverbuigt in een ultieme poging zichzelf te kussen, in een ander sterf hij van liefdesverdriet. Eten noch drinken deed hij, hij kwijnt treurend weg. En in een derde verhaal is er de nimf Echo die tot haar eigen woede zijn aandacht niet krijgt. Echo - verliefd op Narcissus - roept herhaaldelijk zijn naam, maar Narcissus wil niet horen, is enkel met zichzelf bezig. Uit woede betovert zeg hem in een bloem, de Narcis, een bloem die van nature graag aan de waterkant groeit en een hangend hoofdje heeft voor ze verwelkt. De tuin van Narcissus staat symbool voor een maatschappijtype waarin decadentisme, symbolisme en estheticisme centraal staan. Dit Fin de siècle dat geperiodiseerd wordt van 1890 tot en met de Eerste Wereldoorlog kreeg veel etiketten: in de schilderkunst duikt het naturalisme op, het is een periode vol levensmoeheid, cultuurpessimisme, moreel verval, onzekerheid, zwaarmoedigheid... Er is een intense aandacht voor de Middeleeuwen en de mystici, de alchemie en sadistische toverpraktijken. De tuin wordt hun vluchtoord zonder behoefte aan een verheven ideaal of een diepe overtuiging zoals het liberalisme of het socialisme. De maakbaarheid van de wereld is geen optie meer. De hoofdzaak is het leven zo aangenaam mogelijk te maken, door een sierlijke omgeving waarin kunst en wetenschap, cultuur en natuur in één geordende, esthetische kosmos zijn. De tuin is geen paradijs 'voor de genot zoekende homo ludens', maar een plaats om 'zelfbewust en gedisciplineerd' schoonheid en nut te ontlenen aan de natuur. Decadenten halen hun neus op voor de sociale realiteit en creëren een plaats waar de uitverkorenen zich zonder inspanning en zich voornaam terugtrekken. De Tuin van Narcissus laat hen vluchten uit het leven in de kunstmatigheid, zonder nut en functie, in volmaakt contrast tot de sociaal-utopische tuin.

.

1890[bewerken | brontekst bewerken]

(...)

.

.

.

.

.

1891[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • De hoogste kerkelijke autoriteit neemt met de encycliek Rerum Novarum een ‘voorzichtig en diplomatisch’ standpunt in, inzake de sociale kwestie. De paus formuleert voor de arbeidersklasse een sociale leer en benadrukt de waarde van een rechtvaardig loon, het eigendomsrecht en de solidariteit met minder bedeelden. Om dit te bereiken noemt de encycliek tussenkomsten door de overheid, vorming en vakbondswerking. Leo XIII leidt zo de Kerk het industriële tijdperk (dat al een eeuw bezig is) binnen. De encycliek is tegelijk een kritiek tegenover het ongeremde kapitalisme of het economisch liberalisme, het sociaal darwinisme en het socialisme en leidt tot een samenwerking tussen arbeid en kapitaal via vakbonden en corporatisme.

.

.

  • De cholera-epidemie die dit jaar uitbreekt duurt tot 1895.

.

Kijken

.

.

1892[bewerken | brontekst bewerken]

Tot in 1943 blijft de Internationale het volkslied van de Sovjet-Unie. Die nodigt in 1927 de bijna tachtig jarige Pierre De Geyter­ uit in Moskou om de tiende verjaardag van de Oktoberrevolutie te vieren. Als eregast staat Pierre op het Rode Plein in gezelschap van Käthe Kollwitz. Als het Rode Leger op de tonen van de Internationale voorbij marcheert, rollen volgens de legende de tranen van zijn wangen. Pierre krijgt van Stalin een staatspensioen. In 1932 overlijdt de componist in nabij Parijs. Zijn begrafenis is prinselijk: een massa van 50.000 arbeiders groet hem. De Gentse de socialistische krant de Vooruit wijdde een piepklein artikeltje aan het overlijden.

.

.

.

1893[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1894[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1895[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Daens ontboden in het Vaticaan met de waarschuwing de politiek te verlaten.

.

  • Jean Jaurès klaagt de koloniale oorlogen aan in naam van het imperialisme en zegt 'Het kapitalisme draagt de oorlog in zich zoals de wolk het onweer in zich draagt.' Anderen schamen er zich niet voor dit soort oorlogen te voeren 'om de markten van de wereld open te stellen ten bate van onze handelaars', aldus Douglas Haig.

.

.

1896[bewerken | brontekst bewerken]

In de Brusselse Sint-Hubertusgalerijen vertonen de gebroeders Lumière deze film. Is het toevallig dat deze mijlpaal uit de technologiegeschiedenis, met name de allereerste film, zich in een tuin afspeelt?

.

  • Wet op het werkplaatsreglement.

.

.

.

1897[bewerken | brontekst bewerken]

L'innovation in Brussel voor de rampzalige brand.

.

.

  • In Brussel opent (het eerste?) warenhuis, l'innovation zijn deuren.

.

  • Op de wereldtentoonstelling opent Leopold II het Paleis der Koloniën. Met deze tento wil hij de publieke opinie over Congo bijsturen en het kolonialisme rechtvaardigen. 270 'wilden' reizen per schip naar Tervuren om er traditionele gebruiken na te spelen en met prauwen te varen. Zeven Congolezen overleven hun Belgische avontuur niet, de winterkou is hen fataal. Ze liggen begraven in Tervuren.

.

.

1898[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1899[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

New York aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.

In 1999 vertrekt Geert Mak uit Amsterdam. Achter hem aan sleept hij een koffer met een zware laptop en een gsm, de Encyclopaedia Britannica en kilo's boeken. In opdracht van het NRC Handelsblad zal hij dagelijks een stukje plegen over de laatste dagen van het millennium. Een eindinspectie noemt hij het zelf, met als hamvraag: 'Hoe is het gesteld met het continent aan het slot van de twintigste eeuw?' Het wordt een historische reis in de sporen van de geschiedenis, lezen we op de achterflap van het boek ‘In Europa, Reizen door de twintigste eeuw.’ In 2004 verscheen dit reisverslag in een boekwerk van meer dan twaalfhonderd bladzijden. De getuigenis vertelt wat het verleden met ons, nu nog doet. 'Het gaat over verscheurdheid en onwetendheid, over historie en angst, over armoede en hoop, over alles wat ons nieuwe Europa scheidt en bindt.' De afleveringen zijn uitleenbaar in de schoolbibliotheek en de hyperlinks naar de afleveringen zijn in de tekst opgenomen. Wie wil, kan deze podcasts beluisteren. Mak vertelt er de essentie en hoe zijn project tot stand kwam.

.

♠ In Europa, PODCAST HOOFDSTUK 1: 1900-1914

.

1900[bewerken | brontekst bewerken]

Gründerzeit Bij de eeuwwisseling wonen er in Berlijn twee miljoen mensen. Tussen 1850 en 1870 verdubbelt de Berlijnse bevolking tot 800.000 inwoners. Duitsland staat in de literatuur bekend als het land dat te laat kwam, waarmee men aangeeft dat het land en haar grootsteden te laat industrialiseren. Beluikvorming is Berlijn vreemd. Tijdens deze Gründerzeit is het woningbouwmodel - het bepaalt tot op heden altijd het stadsbeeld - van een onderkelderde flat met vier tot vijf verdiepingen binnen een maximum hoogte van de dakgoot op 22 meter (Traufhöhe). Aan de voorkant van het gebouw, beneden is er ruimte voor winkels, bedrijfsruimtes en restaurants. Doorgaans woont de eigenaar op de eerste verdieping, hogerop zijn de ambtenaren en de bedienden te vinden. De bejaarden en de arbeiders hokken aan de achterkant van het pand. James Hobrecht, de staatsarchitect is vol lof over deze formule tot hij inziet dat de grootindustrie sneller groeit dan de stad. Waar Berlijn - omwille van zijn moerassige ondergrond, in tegenstelling tot New York - geen wolkenkrabbers toelaat, verbiedt de stad geen achterbouw. Bouwen in de hoogte kan niet, bouwen in de diepte kan des te meer. Om het fabrieksproletariaat en de massa bedienden te huisvesten voegen architecten achter de eerste binnenplaats een vijftal appartementencomplexen toe met evenveel extra binnenplaatsen. Het resulteert in een kazerneachtige stadsstructuur, vol gangen en enge, treurige binnenplaatsen, niet groter dan de tol-as van een brandspuit: 5,5 meter. Dat ook hier, net als in de beluiken het zonlicht nooit doordringt maakt niet uit. Zon, licht, lucht en een vrij uitzicht tellen niet mee in de achterkamers van de opkomende Pruisische metropool. Peter Schneider drukte het zo uit: 'In het centrum van de stad zijn appartementsgebouwen als vestingen op elkaar gepakt. Ze zijn grotendeels gebouwd in vierkante blokken rond een binnenplaats, elk met een kastanjeboom in het midden. Wanneer de top van zo'n kastanje zachtjes begint te wuiven, kunnen de bewoners ervan uitgaan dat er buiten op straat een storm raast van windkracht zes tot acht.[30] De Gründerzeit (of de Oprichtertijd) duidt de periode aan die begint met de Maartrevolutie van 1848 tot de beurscrash van 1873 gekozen, waarna de bloeiperiode omslaat in een stagnatie van twee decennia: de Gründerkrise (anderen noemen 1890 en 1914 als eindpunt). Christopher Isherwood omschreef de typerende binnenplaats als een 'rechtopstaande doodskist' en een 'bergkloof' waar het zonlicht nooit binnendringt. In Kreuzberg en nabij de Hackescher Markt zijn deze typerende woonblokken nog te zien.


BEELDFRAGMENT HET BEGIN VAN EEN EEUW, 1900.

.

  • Wet op de arbeidsovereenkomst voor werklieden.

.

.

1901[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • August De Winne schrijft de reportage Door Arm Vlaanderen voor het Franstalige, socialistische dagblad Le Peuple. Het verscheen in boekvorm in 1902: A travers les Flandres

.

.

1902[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

  • Cuba onafhankelijk van de V.S.

.

.

1903: het jaar van de snelheid bereidt het futurisme voor[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • AUTO: Henry Ford (°1863-+1947) richt in Detroit de Ford Motor Company op. Hij gaat enkele keren failliet vooraleer hij wereldfaam maakt. In 1904 rijdt Henry Ford in zijn (zelf gemaakte) race-auto op het bevroren ijs van het meer van St. Clair (Detroit) en haalt een wereldrecord van 147 kilometer per uur.

.

.

  • VLIEGTUIG: De gebroeders Orville en Wilbur Wright maken gebruik van zweefvliegkennis uit Duitsland en besluiten er een motor in te plaatsen. Op 17 december demonstreren ze de eerste geslaagde motorvlucht.

.

.

.

.

1904[bewerken | brontekst bewerken]

.

Edouard Empain heeft bij zijn realisatie van een nieuwe stad in Caïro reeds andere projecten op zijn cv staan: de metro van Parijs, trein en tramlijnen in Rusland, China, Belgisch-congo en Turkije. Hij symboliseert het Belgische imperialisme.
Het tuinstad-concept 'is om de ruimtes waar wordt gewerkt, gewoond, onderwezen en gerecreëerd nauw met elkaar te verbinden en te omheinen met een beschermende strook groen. De "stad" bestaat in feite uit meerdere steden: als een tuinstad zijn optimale grootte heeft bereikt, moeten nieuwe tuinsteden worden gebouwd als een soort satellieten, waaruit vervolgens nadat ze tot optimale grootte zijn uitgegroeid weer nieuwe tuinsteden moeten ontstaan. Bij elke nieuwe tuinstad wordt de grootte bepaald door de reistijd tussen de verschillende activiteiten, waarbij de voorkeur uitgaat naar de benenwagen en het openbaar vervoer. Winkels, recreatie en onderwijs zijn dicht bij waar wordt gewoond, maar de industrie heeft een aparte locatie, zeker als die vervuilend is. Het leven in de cité moet samenhangend zijn: werk, gezin en burgerlijk leven moeten altijd ruimtelijk, en dus sociaal, nauw met elkaar verbonden zijn.'[31]

.

  • In Letchworth bij Londen realiseren Raymond Unwin en Barry Parker de eerste tuinstad. De tuinstad is een antwoord op de verloedering van de industriële sloppenwijk. Ebenezer Howard (1850-1928), een Brits journalist publiceerde in 1902 het boek Garden Cities of To-Morrow en ligt aan de basis van dit nieuw soort steden.

.

.

1905[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

In mijn omgang met werklieden heb ik inzicht gekregen en ondervinding kunnen opdoen over hun leven en bestaan, hun uithoudingsvermogen en werklust bewonderd ’t geen voor mij een echte openbaring heten mocht. Elke ochtend kwamen die kerels van een uur ver, en te zes uur aan op het werk, en toen hadden ze meestal een paar uur op hun eigen akker bezig geweest. Ze wrochten zonder verpozen tot de middag en van één uur tot ’s avonds acht. Dan hadden ze weer de lange weg af te leggen naar huis, waar ze altijd nog een of ander karwei te kalefateren hadden bij mensen uit de gebuurte; werk ten ontijde, zoals ze dat noemden. Als dagloon verdienden de metsers toen 30 centiemen per uur en de dienders 25 centiemen. Daarmede moesten ze hun gezin onderhouden.

Stijn Streuvels, Ingooigem I, 1904-1914

.

.

1906[bewerken | brontekst bewerken]

.

BEELDFRAGMENT BERLIJN-WENEN, 1906.

.

.

.

1907[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • Op 17 april stromen op Ellis Island 12.000 gelukszoekers toe, nooit eerder was hun aantal zo groot. In dit jaar pogen een miljoen Europeanen de Verenigde Staten binnen te komen.

.

.

1908[bewerken | brontekst bewerken]

Henri Farman.

.

  • Het succes van Henri Farman in Frankrijk rijkt over de grenzen. De Aero-Club des Flandres en Auguste de Breyne besluiten om Farman naar Gent te brengen om er zijn vliegkunst te tonen. Tussen 25 mei tot 2 juni 1908 onderneemt Farman vluchten met en zonder passagier op grote hoogte (1471 meter) en op lage hoogtes (ongeveer 7 meter). Zo is Gent de pionier der geslaagde vluchten. Daar waar Farman zijn demonstraties hield, is een straat naar hem genoemd.

.

.

1909[bewerken | brontekst bewerken]

Albert I volgt zijn oom, Leopold II op en zal op de troon blijven tot zijn val in Marche-les-Dames in 1934.

.

.

  • Philips start de bouw van haar lichttoren in Eindhoven. Huisarchitect Dirk Roosenburg (opa van Rem Koolhaas) ontwerpt de toren die nu een hotel is. De lichttoren test lampen op hun gebruiksduur en is de hele nacht en dag door een lichtbaken.

.

.

1910[bewerken | brontekst bewerken]

.

.

.

1911[bewerken | brontekst bewerken]

Maurice Maeterlinck; De lezing door Emile Verhaeren (detail), door Théo van Rysselberghe

.

.

1912[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • De ramp met de Titanic (schip, 1912) zorgt voor diverse maatregelen die dit soort rampen moet vermijden; Oprichting van de afdeling Landschappen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen; Jean Massart publiceert zijn Pour la protection de la Nature en Belgique. Het is een vroeg pleidooi voor natuurbescherming. Eerder schreef hij over 'Les aspects de la végétation en Belgique', een didactische platenverzameling die botanisch België aan een breed publiek voorstelt.

.

.

1913[bewerken | brontekst bewerken]

Fragment uit een melodrama van de fimregisseur D.W. Griffith voor de Biograph Company waarbij een fluitspeler oud-geliefden verenigt.
Henry Fords lopende bandsysteem brengt het werk tot bij de arbeider.

.

  • Wereldtentoonstelling van Gent, 'la Ville de Flore', aldus A. Buyssens in zijn biografische verhandeling uit 1913 over de Gentse plantenkweker Louis Van Houte.

.

  • Henry Ford neemt de lopende band in gebruik. Het Fordisme heeft dezelfde kenmerken als het Taylorisme, alleen voegt Ford daar enkele elementen aan toe: 1. de lopende band; 2. het ambassadeurschap van zijn werknemers en 3. de hogere lonen die zijn arbeiders aanzetten tot sparen en hen zo in staat stellen zelf een auto te kopen wat voor Ford leidt tot extra productiviteit.

.

.

1914-1918[bewerken | brontekst bewerken]

Begint de Eerste Wereldoorlog - zoals de meeste geschiedenisboeken beweren - met de moord/terroristische aanslag op Oostenrijk-Hongaarse kroonprins op 28 juli 1914 of met de inval van de Duitsers in België, begin augustus? Tussen beide feiten ligt meer dan een maand tijd. De Eerste Wereldoorlog, ook de Wereldoorlog of de Grote Oorlog genoemd duurt officieel tot 11 november 1918. In die vier jaar tijd worden er uitvindingen gedaan die we tot op de dag van vandaag kennen: het vaderlandertje, de gifgassen, de tank en de bommenwerper. Elf november is bekend gebleven als wapenstilstandsdag. Sommige historici zien de populariteit van het militarisme, de wapenwedloop in 1912 en 1913 en het radicaal-nationalisme in Europa als de oorzaak van de oorlog. Andere analyses leggen de oorzaken bij het imperialisme, de economische problemen en de rusteloze territoriale uitbreiding van de grootmachten. Uitzonderlijk zijn de analyses die de oorlog zien als een initiatief van de heersende klasse om een socialistische revolutie van het proletariaat te beteugelen.[32]

.

BEELDFRAGMENT EERSTE WERELDOORLOG 2 (24 Min.).

.


♠ BEELDFRAGMENT GEERT MAK OVER 1914, in Wenen en Sarajevo.

Geert Mak OVER 1917 IN FRANKRIJK

.

Geert Mak OVER 1917 RUSLAND

.

.

Periode 1920-2020[bewerken | brontekst bewerken]

Alles over deze periode is hier na te lezen.

Bronnen en referenties[bewerken | brontekst bewerken]

BIBLIOGRAFIE[bewerken | brontekst bewerken]

Verder lezen[bewerken | brontekst bewerken]

.

  • BEATRICE DE GRAAF. Tegen terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon, Prometheus, Amsterdam, 2018.

.

  • MARC ELCHARDUS Ea. De opstand van de intellectuelen. De Franse Revolutie als avant-première van de moderne cultuur, Pelckmans, Kapellen, 1989.

.

  • JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Overamstel, Schoten, 2015.

.

  • SIMON SCHAMA. Kroniek van de Franse Revolutie. Olympus, sp. 2000.

.

  • STAF SCHOETERS. De Wegen naar Ontvoogding. BMP Literair, Antwerpen, 2002.

.

  • JOOST WELTEN. In dienst voor Napoleons Europese droom. De verstoring van de plattelandsgemeenschap in Weert, Davidsfonds, Leuven, 2007.

.

.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. ALBERT CAMUS, vertaald door Jan Pieter van der Sterre. De pest. De Bezige Bij, Antwerpen, 1992, p. 304.
  2. ADAM ZAMOYSKI, (vertaald door Gerrit Jan Zwier). De fantoomterreur. Revolutiedreiging en de onderdrukking van de vrijheid 1789-1848, Balans, sp. 2015, p. 28.
  3. VICTOR HUGO. ''De Klokkenluider van de Notre Dame''. Skarabee, Utrecht 1982. p. 57-58.
  4. ANDREA WULF (Vertaald door MARIELLA DUINDAM & FENNIE STEENHUIS). De uitvinder van de natuur. Het avontuurlijke leven van Alexander Von Humboldt, Contact, Antwerpen, 2016, p. 151 ev.
  5. JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Horizon, Schoten, 2015, p. 62.
  6. DIRK VAN DAMME. ‘’Welzijnswerk en kapitalisme. Inleiding op de marxistische theorie en geschiedenis van het welzijnswerk in België’’, Masereelfonds, Gent, 1981, p. 152.
  7. ZUSTER BARBARA. ‘’Dagboek’’. Tentoonstelling naar aanleiding van Open Monumentendag, Kortrijk, 2018.
  8. P.F. BROECKAERT. ‘’Predikatie en arbeidersprobleem. Onderzoek naar de sociale opvattingen van de seculiere en reguliere clerus in Vlaanderen (1800-1914)’’, Uitgeverij Sint-Franciscus, Mechelen, 1963.
  9. Zie hiervoor JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Horizon, Schoten, 2015. Vgl. hiervoor p. 168 en 246.
  10. JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830. Horizon, , Schoten, 2015, p.169.
  11. JOHAN OP DE BEECK. Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830, Overamstel, Schoten, 2015.
  12. Op de Beeck, p. 196-197.
  13. JOHN W. ROONEY. Profil du combattant de 1830. In: Revue Belge d'Histoire Contemporaine, jg. 12, 1981.
  14. LIEN LAMMAR. Vertraging op de lijn Brussel-Mechelen. Te voet in het spoor van de eerste trein, in: DS Weekblad, 2.11.2019, p. 35.
  15. The Making of the English Working Class is een werk uit de Engelse sociale geschiedenis, geschreven door EP Thompson, een links historicus. Het werd gepubliceerd in 1963 en herzien 1968. Het concentreert zich op de Engelse ambachts- en arbeidermaatschappij in de 'vormende' jaren 1780 tot 1832. Het stond op de dertigste plaats in de honderd beste non-fictieboeken van de twintigste eeuw van het Modern Library Board.
  16. ALVIN TOFFLER. De derde golf. Veen, Antwerpen, 1989, p.35.
  17. MARY GABRIEL. Liefe en kapitaal. Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie. Bert Bakker, Amsterdam, 2012, p. 164.
  18. In 2005 viert de Veiligheid van de Staat haar 175ste verjaardag met de tentoonstelling, "Undercover" in het Rijksarchief en de publicatie van PONSAERS P., COOLS M., DASSEN K. &, LIBERT R. De Staatsveiligheid: essays over 175 jaar Veiligheid van de Staat, Politeia, Brussel, 2005. Op hetzelfde moment is de opleiding Bachelor in de Maatschappelijke Veiligheid één jaar jong en bezoekt ze met collega's uit Nederland de tentoonstelling die indruk maakt, des te meer omdat leden van de Staatsveiligheid de rondleiding geven.
  19. RADDATZ F.J. Karl Marx: A Political Biography. Little, Boston, 1978. Geciteerd in: GABRIEL M. Liefe en kapitaal. Karl en Jenny Marx en de geboorte van een revolutie. Bert Bakker, Amsterdam, 2012, p. 165.
  20. Of Marx of Engels het werk kennen, is niet geweten. Mary Wollstonecraft Shelley is achttien als ze Frankenstein schrijft. De kritieken in 1818 zijn slecht maar het werk vindt de weg naar het theater waar het verhaal uitgroeit tot symbool van de menselijke onmacht tegenover de industrie. Tot op heden brengt men Frankenstein in verband met het klonen en genetica.
  21. H.C.M. MICHIELSE. De burger als andragoog. Een geschiedenis van 125 jaar welzijnswerk (1848-1972), Meppel, Amsterdam, 1977, p. 11.
  22. VAN ISACKER KAREL. ‘’Mijn land in de kering 1830-1914. Deel I, Een ouderwetse wereld 1830-1914,’’ Nederlandse boekhandel, Antwerpen, 1984, p. 129.
  23. VAN DAMME SYLVIE. Landschapsontwerp in Vlaanderen. Landschap als narratief en integrerend medium in de ruimtelijke ontwerppraktijk, Garant, Antwerpen, 2013, p. 50. Verder schrijft ze: 'Het doel van deze scholen luidde kernachtig, maar enigszins eenzijdig: "door theorie en praktijk goed boomkwekers vormen die een volledige kennis hebben van alles wat hun beroep betreft". De scholen waren in hoofdzaak gericht op sierplantenteelt, waaronder ook uitheemse sierplanden. De goede reputatie van de scholen zorgde ervoor dat gaandeweg ook buitenlandse studenten naar Vlaanderen afzakten om er vakkennis en wetenschappelijke ervaring op te doen. egelijkertijd zorgde de internationale bekendheid van zowel de lesgevers als de afgestudeerden voor de wereldwijde vermaardheid van de Vlaamse tuinbouw. (...) Geen enkel vak richtte zich op de publieke ruimte.
  24. RICHARD SENNETT. Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst, Meulenhof, Amsterdam, 2018, p. 47.
  25. RICHARD SENNETT. De cultuur van het nieuwe kapitalisme. Meulenhof, Amsterdam, 2007.
  26. Het Franse en het Engelse nationale eenwordingsproces resulteert in de negentiende eeuwin een fundamenteel andere staat dan Duitsland. Het Pruisische leger is het efficiëntste leger ter wereld, dankzij haar strakke hiërarchie. Terwijl veel Europese legers officierenposities verkopen, ongeacht hun kwaliteit, en soldaten slecht opleiden, regelt Pruisen de zaken goed.
  27. KAREL VAN ISACKER. Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 1, 1830-1914, De Nederlandsche boekhandel, Antwerpen, 1978, p. 79-80.
  28. Geciteerd in RICHARD SENNETT, Stadsleven, p. 36.
  29. JULIAN BARNES, vertaald door Ronald Vlek. De man in de rode mantel. Atlas, 2019.
  30. PETER SCHNEIDER. Berlijn. Biografie van een nieuwe stad, Contact, Antwerpen, 2014, p. 105-113.
  31. RICHARD SENNETT, vertaald door Maarten van der Werf. Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst, Meulenhof, Amsterdam, 2018, p. 111.
  32. Voor deze laatste verklaring zie: JACQUES R. PAUWELS. De Groote Klassenoorlog 1914-1918. Epo, Berchem, 2014.