Gebruiker:Eg-T2g/Kladblok

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gtk-paste.svg
Dit is het persoonlijke kladblok van Eg-T2g.
Een kladblok is een subpagina van iemands gebruikerspagina. Het dient als testruimte voor de gebruiker en is geen artikel in de encyclopedie. Wel is het, net als de artikelen in de encyclopedie, voor iedereen zichtbaar en dient het geen onoorbare dingen te bevatten.
Het is, ook in een kladblok, uitdrukkelijk niet toegestaan om zonder toestemming auteursrechtelijk beschermd materiaal van derden te publiceren.
Enkele handige links: Spiekbriefje | Snelcursus
Andere testplaatsen: De algemene zandbak | De probeerpagina van de snelcursus | De sjabloonzandbak

https://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Gebruiker:Eg-T2g/Kladblok&action=edit

The programmable calculator TI-57 with LED display
The programmable calculator TI-57 with liquid crystal display

The TI-57 was a programmable calculator made by Texas Instruments between 1977 and 1982. There were three machines by this name made by TI, the first was the TI-57 with LED display released in September 1977 along the more powerful TI-58 and TI-59. It had 50 program steps and 8 memory registers. Two later versions named TI-57 LCD and TI-57 LCD-II have a LCD display, but were less powerful (ran much slower) and had much less memory: 48 bytes to be allocated between program 'steps' and storage registers.

The TI-57 lacked non-volatile memory, so any programs entered were lost when the calculator was switched off or the battery ran out.

The LED display version of the TI-57 had a rechargeable Nickel-Cadmium battery pack BP7 which contains two AA size batteries and electronics to raise the voltage to the 9V required by the calculator. A popular modification is to power it from a 9V battery and use the battery cover of a LED TI-30 or a part of the dismantled battery pack. This modification provides a better battery life than the original battery pack.

Included, with at least the original version was a book entitled "Making Tracks Into Programming". It was self described as "A step-by-step learning guide to the power, ease and fun of using your TI Programmable 57".

Radio Shack also marketed this calculator, rebranded as the EC-4000.

Een stikstofoxide is een binaire verbinding van zuurstof en stikstof, zoals een verbinding uit het rijtje:

Vaak worden willekeurige stikstofoxiden, of mengsels van willekeurige stikstofoxiden, aangeduid met NOx. Merkop dat lachgas (N2O) niet tot de stikstofoxiden gerekend wordt.

Oerknal-nucleosynthese is de vorming van lichte atoomkernen tussen 10 seconden en 20 minuten na de oerknal.[1] Dit moet niet verward worden met nucleosynthese, dat pas 200 miljoen jaar later begon in sterren.

Toen het heelal nog klein en heet was, ontstonden uit een kwantumfluctuatie in vacuüm fotonen. Bij uitzetting en de daarmee verbonden afkoeling ontstonden daaruit eerst quarks en dan daaruit protonen en neutronen. Protonen zijn stabiel, maar een neutron vervalt met vervaltijd 886 seconden door de zwakke kernkracht met bètaverval tot een proton, een elektron en een elektron-antineutrino. Zo ontstond een verhouding protonen:neutronen 7:1. Toen het heelal door uitzetting kouder werd, gingen neutronen zich binden aan protonen, waardoor die verhouding 7:1 ingevroren werd. Die verhouding is nu nog terug te vinden in de massaverhouding waterstof:helium 3:1. Inderdaad: dit betekent 12 waterstofkernen met massa 1 van 1 proton tegen 1 heliumkern met massa 4 van 2 protonen en 2 neutronen, dus 12 + 2 = 14 protonen : 2 neutronen of 7:1. Eerst werd gedacht, dat de optredende reactie enkel vorming van deuterium was: n + p → D. Latere metingen en berekeningen toonden aan, dat in dit vroeg stadium ook al tritium, helium-3, helium-4 en lithium-7 ontstaan moeten zijn. Alle zwaardere elementen zijn pas later door nucleosynthese in sterren ontstaan.

halfgel[bewerken | brontekst bewerken]

Band gap bij metalen, halfgeleiders en isolatoren
structuur van geleidings- en valentiebanden

Een halfgeleider is een stof die qua elektrische geleiding het midden houdt tussen een goede elektrische isolator, zoals kwarts of aluminiumoxide, en matige elektrische geleiders zoals halfmetalen als tin en lood. Qua elektronenstructuur is een halfgeleider eigenlijk een isolator, met een forse bandkloof van tussen de 1 eV tot 5 eV tussen de bovenkant van de valentieband en onderkant van de geleidingsband. Maar hij is veel gemakkelijker tot geleiding te krijgen dan een goede isolator, waarbij bovendien de elektrische eigenschappen goed manipuleerbaar zijn, bijvoorbeeld door sporen van andere stoffen toe te voegen, de temperatuur te wijzigen of door de stof al dan niet bloot te stellen aan direct zonlicht of voldoende daglicht.

Halfgeleiders als silicium, germanium en galliumarsenide kunnen, afhankelijk van de ligging van het fermi-niveau binnen de bandkloof en de toegevoegde sporen van andere chemische elementen, van het n-type of van het p-type zijn. Een n-type halfgeleider heeft zijn fermi-niveau vlak onder de valentieband van de halfgeleider liggen. Bij een p-type halfgeleider ligt het fermi-nivo vlak onder de bovenkant van de geleidingsband van de halfgeleider. Door een spoortje aluminium of fosfor aan silicium toe te voegen kunnen p- of n-type silicium halfgeleidermaterialen gemaakt worden. Met halfgeleiders kunnen allerlei elektronische componenten worden gemaakt. Elektronici noemen dergelijke halfgeleidercomponenten meestal kortheidshalve „halfgeleiders”.

Vanuit het standpunt van de toepassingen in de elektronica zijn de vier kenmerkende eigenschappen van halfgeleiders:[2]

  • fotogeleiding: toenemende elektrische geleidbaarheid onder invloed van licht; en nauw hiermee verwant, het led-effect.
  • fotovoltaïsch effect: creatie van een elektrische spanning door lichtinval;
  • thermistor-effect: verandering van de elektrische weerstand bij toenemende temperatuur;
  • gelijkrichting: verschillende geleidbaarheid naargelang van de richting van de elektrische stroom.

Onwetendheid en veranderlijkheid[bewerken | brontekst bewerken]

Van de Amerikanen die met hiv besmet zijn bleek in 2015 1 op de zeven niet te weten dat ze drager van het virus waren.[3] Dat is ongeveer was 15 % van de ruim 120.000 Amerikanen die in 2015 seropositief waren. Een kleine 39.000 Amerikanen, voornamelijk homoseksuelen, raakten in 2017 met hiv besmet. In de periode van 2012 tot 2016 was het aantal nieuwe infecties redelijk stabiel. Het aantal nieuwe infecties is niet gelijk over heel Amerika verspreid. Van de kleine 39.000 infecties in 2017 werden bijna 20.000 infecties in het zuiden van de VS gemeld.

Een gevolg van de onwetendheid in 2015 kan geweest zijn dat de onwetenden te grote risico's genomen hebben waardoor ze anderen in hun omgeving hebben besmet. De Amerikaanse overheid raadt haar burgers aan om in elk geval PrEP te gebruiken om besmetting met hiv te voorkomen. De verdere verspreiding van hiv op langere termijn kan blijkbaar niet meer alleen met veilig vrijen en het gebruik van condooms gestopt of voldoende vertraagd worden.

In 2015 was ruim 50 % van de Amerikanen in de risicogroep in de leeftijd van tussen 13 en 24 jaar, zich niet bewust dat ze een besmetting met hiv hadden opgelopen.[3]

Bovendien zijn de grootste risicogroepen veranderlijk. De statistieken van nieuwe infecties over de afgelopen tien en twintig jaar hebben laten zien dat de risicogroepen regelmatig van samenstelling veranderen en elkaar afwisselen.[3]

Programming[bewerken | brontekst bewerken]

The programming capabilities of the TI-57 were similar to a primitive macro assembler. Any keystroke could be stored, along with some simple program flow control commands and conditional tests. These included:

GTO (GoTO): Causes program pointer to jump immediately to a Label (0-9) or to a specific program step (00 to 49).

SBR (SuBRoutine): Causes a program to jump to a Label, and on encountering an Inv SBR command, continue executing at the instruction immediately following the original SBR.

DSZ (Decrement and Skip on Zero): Decrements storage register zero, and skips the next instruction if the result is zero. There was also an inverse form, Decrement and Skip if Not Zero.

Tests for equality/inequality could be performed against a value on the display (the x register) and a dedicated test register, t. The result of the test would cause the next instruction to be conditionally skipped.

Programs could be edited by inserting, deleting, or overwriting a program step. A NOP (No OPeration) function was provided to allow a program step to be ignored. Due to the hard limit of 50 program steps, use of NOP was infrequent. The TI-57 used the "one step, one instruction" principle, regardless of whether one instruction required one or up to four keypresses.

Sample program[bewerken | brontekst bewerken]

The following program generates pseudo-random numbers within the range of 1 to 6.

Step Code Key(s) Function Comment
00 30 2nd yx π Pi
01 75 + +
02 33 0 RCL 0 RCL 0 Recall register 0
03 85 = =
04 35 yx yx
05 08 8 8
06 65
07 49 2nd ) Int Integer function
08 85 {{{1}}} =
09 32 0 STO 0 STO 0 Store result in register 0
10 55 x x
11 06 6 6 Upper bound of the random number
12 75 + +
13 01 1 1
14 85 = =
15 49 2nd ) Int Integer function
16 81 R/S R/S Stop (Pause)
17 71 RST RST Reset (back to step 00)

External links[bewerken | brontekst bewerken]



[[Category:Texas Instruments programmable calculators]]

Alkaloïden en hun zouten[bewerken | brontekst bewerken]

Vaak zijn alkaloïden gebonden aan organische zuren zoals appel-, melk- en azijnzuur. Farmaceuten binden alkaloïden doorgaans aan HCl omdat een hydrochoride-zout van een alkaloïde in het laboratorium gemakkelijk te hanteren is.

Teeltaarde[bewerken | brontekst bewerken]

Teeltaarde is ... Het bestaat doorgaans uit een mengsel ... schimmels en virussen. bollenteelt . fungicide ... begassing met methylbromide.

pz[bewerken | brontekst bewerken]

Moderne etherpiraten en stoorzenders op de FM-band ...

gr rev[bewerken | brontekst bewerken]

De groene revolutie is de laatste, grote (of "derde") landbouwrevolutie die zich voor een groot deel tussen 1960 en 1980 voornamelijk in de Aziatische landbouw voltrok.

Man aan het werk in een rijstveld in Bangladesh

Door de bevolkingsexplosie in Azië kon de rijstteelt de stijgende vraag naar rijst maar moeilijk bijhouden. Rijst is in Azië het basisvoedsel, zoals aardappels in de meeste Europese landen. Er moest een oplossing komen voor de tekorten, want er dreigde hongersnood. Door gebrek aan met name voor de rijstbouw geschikte nieuwe gronden, zocht men verhoging van de opbrengsten vooral in verbetering van gewassen en een verhoging van de productie.

Men vergrootte de productie door de introductie van nieuwe variëteiten, kunstmest, pesticiden, nieuwe irrigatietechnieken, verbeterde zaden en het verstrekken van landbouwkredieten. De nieuwe landbouwmethoden werden geïntroduceerd in Mexico door de 'vader van de groene revolutie' Norman Borlaug, een Amerikaanse plantbioloog die daar vanaf 1944 werkzaam was. De toepassing bleek zeer succesvol. Van veel landen waaronder China, Indonesië en India kan worden gezegd dat ze door deze revolutie zelfvoorzienend zijn geworden. Het verbouwen van nieuwe soorten en het toepassen van bovengenoemde maatregelen leidde namelijk tot een drie maal hogere opbrengst dan voorheen. Borlaug ontving voor zijn inspanningen in 1970 de Nobelprijs voor de vrede.

Interacties en omgevingsinvloeden[bewerken | brontekst bewerken]

De omgeving kan verschillende interacties met het enzym, het substraat of met het enzym-substraat-complex hebben, zoals inhibitie of competitie. In het geval van inhibitie of remming heeft een inhibitor invloed op de waarden van KM en Vmax. De waarde van kcat blijft gelijk omdat inhibitors alleen de processen voor de laatste dissociatiestap beïnvloeden. Er zijn verschillende mechanismen mogelijk waarbij de inhibitor bijvoorbeeld een competitieve of een non-competitieve interactie met de binding van het substraat aan het enzym kan hebben. Door reactiesnelheden bij verschillende inhibitorconcentraties te meten kan het mechanisme van deze interactie tussen inhibitors en enzym achterhaald worden.

Competentie[bewerken | brontekst bewerken]

Reaction scheme competitive enzyme inhibition.svg
Lineweaver-Burkplot van competitieve inhibitie

In het geval van competitieve remming vormt de inhibitor een complex met het enzym waarbij het enzym geblokkeerd wordt en zich niet meer aan het substraat kan binden. Het reactieschema is rechts afgebeeld. Er stellen zich twee evenwichten in:

  • een evenwicht tussen enzym en substraat,
  • een evenwicht tussen enzym en inhibitor,
.

Er zijn twee balansen, die van de totale hoeveelheid enzym en die van de totale hoeveelheid inhibitor:

De Michaelis-Mentenvergelijking voor competitieve inhibitie wordt:

De maximale reactiesnelheid blijft bij alle inhibitorconcentraties gelijk. Het substraat onttrekt bij een hogere concentratie meer enzym aan het inhibitor-enzymcomplexevenwicht. Bij een hogere substraatconcentratie "wint" het substraat door numeriek overwicht de competitie om het enzym van de inhibitor. Als de substraatconcentratie laag is dan "wint" de inhibitor de competitie om het enzym waardoor de reactiesnelheid verlaagd wordt.

Non-competitieve remming[bewerken | brontekst bewerken]

Reaction scheme non-competitive enzyme inhibition.svg
Lineweaver-Burkplot van non-competitieve inhibitie

In het geval van non-competitieve inhibitie vormt de inhibitor complexen met zowel het enzym als het enzym-substraatcomplex waarbij de dissociatie van het substraat-enzymcomplex niet door de inhibitor geblokkeerd wordt. Het reactieschema is rechts afgebeeld. Er stellen zich drie evenwichten in:

  • tussen enzym-substraatcomplex, enzym, substraat en enzym-substraat-inhibitorcomplex,
  • tussen enzym-inhibitorcomplex, enzym, inhibitor en enzym-inhibitor-substraatcomplex,
.
  • tussen enzym-inhibitorcomplex, enzym-substraatcomplex en enzym-inhibitor-substraatcomplex,
.

De evenwichtsconstanten worden gegeven door:

Er zijn twee balansen; die van de totale hoeveelheid enzym en die van de totale hoeveelheid inhibitor:

De Michaelis-Mentenvergelijking voor non-competitieve inhibitie wordt:

De reactiesnelheid daalt bij elke inhibitorconcentratie. De inhibitor onttrekt bij toenemende concentratie meer enzym en enzym-substraatcomplex aan het proces. Daardoor nemen de reactiesnelheid V en maximale reactiesnelheid Vmax af bij elke substraatconcentratie. De waarde van KM blijft gelijk omdat het evenwicht tussen substraat en enzym met het enzym-substraatcomplex niet beïnvloed wordt.

Andere multi-substraat mechanismen[bewerken | brontekst bewerken]

Naast de twee hierboven genoemde mechanismen bestaan er nog talloze andere multi-substraat mechanismen, zoals verschillende ping-pong mechanismen. Om stijve vingers en fouten in de algebra zoveel mogenlijk te voorkomen verdient het aanbeveling om de symbolische wiskunde uit te werken met behulp van een computeralgebrasysteem zoals Maple, Maxima of Mathematica.

mel[bewerken | brontekst bewerken]

Mellitine (van het Grieks melitta, bij[bron?]) is het hoofdbestanddeel (50-70%) van het toxine van de honingbij (Apis mellifera). Er zijn homologen van het mellitine te vinden bij andere soorten van de aculeata, de onderorde van de angeldragers binnen de orde der vliesvleugeligen, waartoe naast de honingbij ook de limonadewesp behoort. Mellitine is een dimeer bestaande uit twee polypeptiden met vrij korte peptide ketens met een lengte van 26 aminozuren. Het mellitine in bijengif maakt het celmembraan van rode bloedcellen in het lichaam kapot. Daarnaast zorgt het gif ervoor dat de bloeddruk daalt en het lichaam het stresshormoon cortisol vrijmaakt. Het mellitine is de hoofdveroorzaker van de pijn bij een bijensteek. Mellitine wordt door bijen als verdediging gebruikt, sommige wespen gebruiken het ook om een prooi te verlammen.

Mellitine wordt samen met andere toxines in de gifklier van bijen geproduceerd en bij gevaar door de angel in een vijand ingespoten. Bij mensen komt het gif na een bijensteek onder de opperhuid, in de onderhuidse weefsels, terecht.

Mellitine hoort bij de poriënvormende groep van toxines.[4]

pk[bewerken | brontekst bewerken]

Psilocine is een heterocyclische verbinding en een alkaloïde met als brutoformule C12H16N2O. Het is een hallucinogeen die in paddenstoelen van het geslacht Psilocybe voorkomt, meestal samen met zijn precursor en fosfaatderivaat psilocybine. Deze stof werd in 1959 voor het eerst door de Zwitserse chemicus Albert Hofmann en diens assistent Hans Tscherter uit paddenstoelen geïsoleerd.

Synthese[bewerken | brontekst bewerken]

Psilocine kan bereid worden door de defosforylering van psilocybine onder basische omstandigheden.

Eigenschappen[bewerken | brontekst bewerken]

Psilocine zelf is wegens de vrije fenolische hydroxylgroep een stuk minder stabiel dan de gefosforyleerde variant. De stabiliteit kan echter wel verhoogd worden door gebruik te maken van het basische karakter van het amine: de zouten van alkaloïden, zoals psilocinehydrochloride, zijn een stuk stabieler.

Farmacie, ... en biochemie[bewerken | brontekst bewerken]

Farmaceuten en (bio)chemici zullen psilocybine, psilocine en psilocinehydrochloride doorgaans als een zout of een fosfaat van dezelfde werkzame alkaloïde beschouwen. Verschillen in het aantal watermoleculen in kristalwater of de kleur van een zout wordt door chemici evenmin tot een verschil in ... adenosine en AMP

C12H16N2O.HCl

C12H17N2O4P

Toedieningsvorm[bewerken | brontekst bewerken]

bla bla bla ...

Smartdrugs[bewerken | brontekst bewerken]

De paddenstoel wordt gebruikt als smart drug vanwege zijn psychoactieve eigenschappen, waardoor LSD-achtige effecten kunnen optreden.

Mexicaanse en Nederlandse paddo's[bewerken | brontekst bewerken]

In Nederlandse smartshops werd tot eind 2008 de Mexicaanse paddo (Psilocybe cubensis) verkocht, het grotere Mexicaanse broertje van het Nederlandse puntige kaalkopje en de Mexicaanse Psilocybe mexicana. Het doorslikken van verse paddo's en puntige kaalkopjes levert doorgaans heftige antiperistaltische bewegingen van de slokdarm op.

Bij sommigen treden geruime tijd na inname regelmatig terugkerende braakneigingen en een gevoel van misselijkheid op. In enkele gevallen gaat de misselijkheid na verloop van tijd gepaard met obstipatie, kolieken en een verhoogde flatulentie. De pechvogels onder de paddo-eters kunnen het eind van de mystieke paddoreis afsluiten met buikpijn en diarree. Van de beloofde spirituele ervaringen merken de pechvogels onder de onervaren gebruikers niet zoveel.

Omdat de handel in verse paddo's en de potjes met verse kweekaarde en mycelium voor de thuiskweek,[5] geen hoge vlucht nam werd het gebruik van psilocine en psilocybine aan het eind van het vorige millennium toegestaan. Naar aanleiding van enkele incidenten met vakantiegangers van voor het jaar 2007, werd de verkoop van verse paddo's en van kweekaarde met mycelium, door Ab Klink en Ernst Hirsch Ballin, in periode van het kabinet-Balkenende IV, vanaf eind 2008 verboden.

Paddo's en alcohol[bewerken | brontekst bewerken]

De kweek en de legale verkoop van paddo's is in Nederland, naar aanleiding van een paar incidenten in 2007, verboden. Over de details van de farmacodynamiek en de farmacologische interacties tussen alcohol en andere secundaire plantenstoffen in paddenstoelen, is meestal weinig of niets bekend.

Van de grote kale inktzwam is bijvoorbeeld bekend dat hij giftig is wanneer hij met alcohol genuttigd wordt, terwijl de nauw verwante geschubde inktzwam deze farmacologische interactie mist.

... metabolieten van ...

Weersomstandigheden[bewerken | brontekst bewerken]

Paddenstoelen kunnen onder verschillende weersomstandigheden flink van uiterlijk veranderen.

De onderstaande foto's laten zien dat Nederlandse puntige kaalkopjes, afhankelijk van de weersomstandigheden, sterk van kleur kunnen veranderen.

Op de onderstaande foto's hebben de Mexicaanse puntige kaalkopjes (Psilocybe mexicana) een donkere steel. De Psylocybe cubensis is veel groter en lichter van kleur dan de Nederlandse en de Mexicaanse puntige kaalkopjes en bovendien heeft de Psilocybe cubensis geen puntige hoed.

apo[bewerken | brontekst bewerken]

Eg-T2g/Kladblok
Databanken
ATC-code G04BE07 N04BC07
PubChem 6005
DrugBank DB00714
Chemische gegevens
SMILES OC1=C(O)C(C2=CC=CC3=C2[C@@H](C4)N(C)CC3)=C4C=C1
Portaal  Portaalicoon   Geneeskunde

Apomorfine (merknamen Apokyn, Ixense, Spontane, Uprima) is een aporfine die als een non-selectieve dopamine agonist werkt which activates both D2-like and, to a much lesser extent, D1-like receptors.[1] Apomorfine werkt ook als receptor antagonist of 5-HT2receptoren en gevoelige α-adrenaline receptoren. The compound is historically a morphine decomposition product made by boiling morphine with concentrated acid, hence the -morphine suffix. Contrary to its name, apomorphine does not actually contain morphine or its skeleton, nor does it bind to opioid receptors. The apo- prefix relates to it being a morphine derivative ("[comes] from morphine").

Historically, apomorphine has been tried for a variety of uses, including as a way to relieve anxiety and craving in alcoholics, an emetic (to induce vomiting), for treating stereotypies (repeated behaviour) in farmyard animals, and more recently in treating erectile dysfunction. Currently, apomorphine is used in the treatment of Parkinson's disease. It is a potent emetic and should not be administered without an antiemetic such as domperidone. The emetic properties of apomorphine are exploited in veterinary medicine to induce therapeutic emesis in canines that have recently ingested toxic or foreign substances.

Apomorphine was also used as a private treatment of heroin addiction, a purpose for which it was championed by the author William S. Burroughs. Burroughs and others claimed that it was a "metabolic regulator" with a restorative dimension to a damaged or dysfunctional dopaminergic system. There is more than enough anecdotal evidence to suggest that this offers a plausible route to an abstinence-based model; however, no clinical trials have ever tested this hypothesis. A recent study indicates that apomorphine might be a suitable marker for assessing central dopamine system alterations associated with chronic heroin consumption.[2] There is, however, no clinical evidence that apomorphine is an effective and safe treatment regimen for opiate addiction.[3]

Apomorphine (brand names Apokyn, Ixense, Spontane, Uprima) is a type of aporphine having activity as a non-selective dopamine agonist which activates both D2-like and, to a much lesser extent, D1-like receptors.[1] It also acts as an antagonist of 5-HT2 and α-adrenergic receptors with high affinity. The compound is historically a morphine decomposition product made by boiling morphine with concentrated acid, hence the -morphine suffix. Contrary to its name, apomorphine does not actually contain morphine or its skeleton, nor does it bind to opioid receptors. The apo- prefix relates to it being a morphine derivative ("[comes] from morphine").

In het verleden is apomorfine getest voor verschillende toepassingen, waaronder als angstremmer en als kalmeringsmiddel in alcoholisme, een emeticum, for treating stereotypies (repeated behaviour) in farmyard animals, and more recently in treating erectile dysfunction. Currently, apomorphine is used in the treatment of Parkinson's disease. It is a potent emetic and should not be administered without an antiemetic such as domperidone. The emetic properties of apomorphine are exploited in veterinary medicine to induce therapeutic emesis in canines that have recently ingested toxic or foreign substances.

Apomorphine was also used as a private treatment of heroin addiction, a purpose for which it was championed by the author William S. Burroughs. Burroughs and others claimed that it was a "metabolic regulator" with a restorative dimension to a damaged or dysfunctional dopaminergic system. There is more than enough anecdotal evidence to suggest that this offers a plausible route to an abstinence-based model; however, no clinical trials have ever tested this hypothesis. A recent study indicates that apomorphine might be a suitable marker for assessing central dopamine system alterations associated with chronic heroin consumption.[4] There is, however, no clinical evidence that apomorphine is an effective and safe treatment regimen for opiate addiction.[3]

Uses[bewerken | brontekst bewerken]

Apomorphine is used in advanced Parkinson's disease intermittent hypomobility ("off" episodes), where a decreased response to an anti-Parkinson drug such as L-DOPA causes muscle stiffness and loss of muscle control.[5][6] While apomorphine can be used in combination with L-DOPA, the intention is usually to reduce the L-DOPA dosing, as by this stage the patient often has many of dyskinesias caused by L-DOPA and hypermobility periods.[7][8] When an episode sets in, the apomorphine is injected subcutaneously, and signs subside. It is used an average of three times a day.[7] Some people use portable mini-pumps that continuously infuse them with apomorphine, allowing them to stay in the "on" state and using apomorphine as an effective monotherapy.[8][9]

Contraindications[bewerken | brontekst bewerken]

The main and absolute contraindication to using apomorphine is the concurrent use of adrenergic receptor antagonists; combined, they cause a severe drop in blood pressure and fainting.[7][6] Alcohol causes an increased frequency of orthostatic hypotension (a sudden drop in blood pressure when getting up), and can also increase the chances of pneumonia and heart attacks.[7] Dopamine antagonists, by their nature of competing for sites at dopamine receptors, reduce the effectiveness of the agonistic apomorphine.[7][6]

IV administration of apomorphine is highly discouraged, as it can crystallize in the veins and create a blood clot (thrombus) and block a pulmonary artery (pulmonary embolism).[7][6]

Side effects[bewerken | brontekst bewerken]

Nausea and vomiting are common side effects when first beginning therapy with apomorphine;[10] antiemetics such as trimethobenzamide or domperidone, dopamine antagonists,[11] are often used while first starting apomorphine. Around 50% of people grow tolerant enough to apomorphine's emetic effects that they can discontinue the antiemetic.[6][7]

Other side effects include orthostatic hypotension and resultant fainting, sleepiness, dizziness, runny nose, sweating, paleness, and flushing. More serious side effects include dyskenesias (especially when taking L-DOPA), fluid accumulation in the limbs (edema), suddenly falling asleep, confusion and hallucinations, increased heart rate and heart palpitations, and persistent erections (priaprism).[6][7][12] The priaprism is caused by apomorphine increasing arterial blood supply to the penis. This side effect has been exploited in studies attempting to treat erectile dysfunction.[13]

Pharmacology[bewerken | brontekst bewerken]

Mechanism of action[bewerken | brontekst bewerken]

Apomorphine's R-enantiomer is an agonist of both D1 and D2 dopamine receptors, with higher activity at D2.[7][11] The members of the D2 subfamily, consisting of D2, D3, and D4 receptors, are inhibitory G protein–coupled receptors. The D4 receptor in particular is an important target in the signaling pathway, and is connected to several neurological disorders.[14] Shortage or excess of dopamine can prevent proper function and signaling of these receptors leading to disease states.[15]

Apomorphine improves motor function by activating dopamine receptors in the nigrostriatal pathway, the limbic system, the hypothalamus, and the pituitary gland.[16] It also increases blood flow to the supplementary motor area and to the dorsolateral prefrontal cortex (stimulation of which has been found to reduce the tardive dyskinesia effects of L-DOPA).[17][18] Parkinson's has also been found to have excess iron at the sites of neurodegeneration; both the R- and S-enantiomers of apomorphine are potent iron chelators and radical scavengers.[11][19]

Apomorphine also reduces the breakdown of dopamine in the brain (though it inhibits its synthesis as well).[20][21] It is a powerful upregulator of certain neural growth factors,[22] in particular NGF and BDNF, epigenetic downregulation of which has been associated with addictive behaviour in rats.[23][24]

Apomorphine causes vomiting by acting on dopamine receptors in the chemoreceptor trigger zone of the medulla; this activates the nearby vomiting center.[16][21][25]

Pharmacokinetics[bewerken | brontekst bewerken]

While apomorphine has lower bioavailability when taken orally, due to not being absorbed well in the GI tract and undergoing heavy first-pass metabolism,[19][9] it has a bioavailability of 100% when given subcutaneously.[7][16] It reaches peak plasma concentration in 10–60 minutes. Ten to twenty minutes after that, it reaches its peak concentration in the cerebrospinal fluid. Its lipophilic structure allows it to cross the blood–brain barrier.[7][16]

Apomorphine possesses affinity for the following receptors (note that a higher Ki indicates a lower affinity):[26][27][28]

Dopamine
Receptor Ki (nM) Action
D1 484 (partial) agonista
D2 52 partial agonist (IA = 79% at D2S; 53% at D2L)
D3 26 partial agonist (IA = 82%)
D4 4.37 partial agonist (IA = 45%)
D5 188.9 (partial) agonista
aThough its efficacies at D1 and D5 are unclear, it is known to act as an agonist at these sites.[29]
Serotonin
Receptor Ki (nM) Action
5-HT1A 2,523 partial agonist
5-HT1B 2,951 no action
5-HT1D 1,230 no action
5-HT2A 120 antagonist
5-HT2B 132 antagonist
5-HT2C 102 antagonist
Norepinephrine/Epinephrine
Receptor Ki (nM) Action
α1A-adrenergic 1,995 antagonist
α1B-adrenergic 676 antagonist
α1D-adrenergic 64.6 antagonist
α2A-adrenergic 141 antagonist
α2B-adrenergic 66.1 antagonist
α2C-adrenergic 36.3 antagonist

It has a Ki of over 10,000 nM (and thus negligible affinity) for β-adrenergic, H1, and mACh.[1]

Apomorphine has a high clearance rate (3–5 L/kg/hr) and is mainly metabolized and excreted by the liver.[16] It is likely that while the cytochrome P450 system plays a minor role, most of apomorphine's metabolism happens via auto-oxidation, O-glucuronidation, O-methylation, N-demethylation, and sulfation.[7][16][21] Only 3–4% of the apomorphine is excreted unchanged and into the urine. The half-life is 30–60 minutes, and the effects of the injection last for up to 90 minutes.[7][8][16]

Toxicity depends on the route of administraion; the LD50s in mice were 300 mg/kg for the oral route, 160 mg/kg for intraperitoneal, and 56 mg/kg intravenous.[30]

Chemistry[bewerken | brontekst bewerken]

Properties[bewerken | brontekst bewerken]

Apomorphine has a catechol structure similar to that of dopamine.[20]

Synthesis[bewerken | brontekst bewerken]

Several techniques exist for the creation of apomorphine from morphine. In the past, morphine had been combined with hydrochloric acid at high temperatures (around 150 °C) to achieve a low yield of apomorphine, ranging anywhere from 0.6% to 46%.[31]

More recent techniques create the apomorphine in a similar fashion, by heating it in the presence of any acid that will promote the essential dehydration rearrangement of morphine-type alkaloids, such as phosphoric acid. The method then deviates by including a water scavenger, which is essential to remove the water produced by the reaction that can react with the product and lead to decreased yield. The scavenger can be any reagent that will irreversibly react with water such as phthalic anhydride or titanium chloride. The temperature required for the reaction varies based upon choice of acid and water scavenger. The yield of this reaction is much higher: at least 55%.[31]

Conversion of Morphine (I) to Apomorphine (II) in the presence of acid following the example of the morphine skeleton dehydration rearrangement, outlined by Bentley.[32]

History[bewerken | brontekst bewerken]

The pharmacological effects of the naturally-occurring analog aporphine in the blue lotus (N. caerulea)[33] were known to the ancient Egyptians and Mayans,[34] with the plant featuring in tomb frescoes and associated with entheogenic rites. It is also observed in Egyptian erotic cartoons, suggesting that they were aware of its erectogenic properties.

The modern medical history of apomorphine begins with its synthesis by Arppe in 1845[35] from morphine and sulfuric acid, although it was named sulphomorphide at first. Matthiesen and Wright (1869) used hydrochloric acid instead of sulfuric acid in the process, naming the resulting compound apomorphine. Initial interest in the compound was as an emetic, tested and confirmed safe by London doctor Samuel Gee,[36] and for the treatment of stereotypies in farmyard animals.[37] Key to the use of apomorphine as a behavioural modifier was the research of Erich Harnack, whose experiments in rabbits (which do not vomit) demonstrated that apomorphine had powerful effects on the activity of rabbits, inducing licking, gnawing and in very high doses convulsions and death.

Treatment of alcoholism[bewerken | brontekst bewerken]

Apomorphine was one of the earliest used pharmacotherapies for alcoholism. The Keeley Cure (1870s to 1900) contained apomorphine, among other ingredients, but the first medical reports of its use for more than pure emesis come from James Tompkins[38] and Charles Douglas.[39][40] Tompkins reported, after injection of 6.5 mg ("one tenth of a grain"):

In four minutes free emesis followed, rigidity gave way to relaxation, excitement to somnolence, and without further medication the patient, who before had been wild and delirious, went off into a quiet sleep.

Douglas saw two purposes for apomorphine:

[it can be used to treat] a paroxysm of dipsomania [an episode of intense alcoholic craving]... in minute doses it is much more rapidly efficient in stilling the dipsomaniac craving than strychnine or atropine… Four or even 3m [minim – roughly 60 microlitres] of the solution usually checks for some hours the incessant demands of the patient… when he awakes from the apomorphine sleep he may still be demanding alcohol, though he is never then so insistent as before. Accordingly it may be necessary to repeat the dose, and even to continue to give it twice or three times a day. Such repeated doses, however, do not require to be so large: 4 or even 3m is usually sufficient.

This use of small, continuous doses (1/30th of a grain, or 2.16 mg by Douglas) of apomorphine to reduce alcoholic craving comes some time before Pavlov's discovery and publication of the idea of the "conditioned reflex" in 1903. This method was not limited to Douglas; the Irish doctor Francis Hare, who worked in a sanatorium outside London from 1905 onwards, also used low-dose apomorphine as a treatment, describing it as "the most useful single drug in the therapeutics of inebriety".[41] He wrote:

In (the) sanatorium it is used in three different sets of circumstances: (1) in maniacal or hysterical drunkenness: (2) during the paroxysm of dipsomania, in order to still the craving for alcohol; and (3) in essential insomnia of a special variety... [after giving apomorphine] the patient’s mental condition is entirely altered. He may be sober: he is free from the time being from any craving from alcohol. The craving may return, however, and then it is necessary to repeat the injection, it may be several times at intervals of a few hours. These succeeding injections should be quite small, 3 to 6 min. being sufficient. Doses of this size are rarely emetic. There is little facial pallor, a sensation as of the commencement of sea-sickness, perhaps a slight malaise with a sudden subsidence of the craving for alcohol, followed by a light and short doze.

He also noted there appeared to be a significant prejudice against the use of apomorphine, both from the associations of its name and doctors being reluctant to give hypodermic injections to alcoholics. In the US, the Harrison Narcotics Tax Act made working with any morphine derivatives extremely hard, despite apomorphine itself not being an opiate.

In the 1950s the neurotransmitter dopamine was discovered in the brain by Kathleen Montagu, and characterised as a neurotransmitter a year later by Arvid Carlsson, for which he would be awarded the Nobel Prize.[42] A. N. Ernst then discovered in 1965 that apomorphine was a powerful stimulant of dopamine receptors.[43] This, along with the use of sublingual apomorphine tablets, led to a renewed interest in the use of apomorphine as a treatment for alcoholism. A series of studies of non-emetic apomorphine in the treatment of alcoholism were published, with mostly positive results.[44][45][46][47][48] However, there was little clinical consequence.

Parkinson's disease[bewerken | brontekst bewerken]

The use of apomorphine to treat "the shakes" was first suggested by Weil in France in 1884,[49] although seemingly not pursued until 1951.[50] Its clinical use was first reported in 1970 by Cotzias et al.,[51] although its emetic properties and short half-life made oral use impractical. A later study found that combining the drug with the antiemetic domperidone improved results significantly.[52] The commercialization of apomorphine for Parkinson's disease followed its successful use in patients with refractory motor fluctuations using intermittent rescue injections and continuous infusions.[53]

Aversion therapy[bewerken | brontekst bewerken]

Aversion therapy in alcoholism had its roots in Russia in the early 1930s,[54] with early papers by Pavlov, Galant and Sluchevsky and Friken,[55] and would remain a strain in the Soviet treatment of alcoholism well into the 1980s. In the US a particularly notable devotee was Dr Voegtlin,[56] who attempted aversion therapy using apomorphine in the mid to late 1930s. However, he found apomorphine less able to induce negative feelings in his subjects than the stronger and more unpleasant emetic emetine.

In the UK, however, the publication of J Y Dent's (who later went on to treat Burroughs) 1934 paper "Apomorphine in the treatment of Anxiety States"[57] laid out the main method by which apomorphine would be used to treat alcoholism in Britain. His method in that paper is clearly influenced by the then-novel idea of aversion:

He is given his favourite drink, and his favourite brand of that drink... He takes it stronger than is usual to him... The small dose of apomorphine, one-twentieth of a grain [3.24mg], is now given subcutaneously into his thigh, and he is told that he will be sick in a quarter of an hour. A glass of whisky and water and a bottle of whisky are left by his bedside. At six o'clock (four hours later) he is again visited and the same treatment is again administered... The nurse is told in confidence that if he does not drink, one-fortieth [1.62mg] of a grain of apomorphine should be injected during the night at nine o'clock, one o'clock, and five o'clock, but that if he drinks the injection should be given soon after the drink and may be increased to two hourly intervals. In the morning at about ten he is again given one or two glasses of whisky and water... and again one-twentieth of a grain [3.24mg] of apomorphine is injected... The next day he is allowed to eat what he likes, he may drink as much tea as he likes... He will be strong enough to get up and two days later he leaves the home.

However, even in 1934 he was suspicious of the idea that the treatment was pure conditioned reflex – "though vomiting is one of the ways that apomorphine relives the patient, I do not believe it to be its main therapeutic effect." – and by 1948 he wrote:[3]

It is now twenty-five years since I began treating cases of anxiety and alcoholism with apomorphine, and I read my first paper before this Society fourteen years ago. Up till then I had thought, and, unfortunately, I said in my paper, that the virtue of the treatment lay in the conditioned reflex of aversion produced in the patient. This statement is not even a half truth… I have been forced to the conclusion that apomorphine has some further action than the production of a vomit.

This led to his development of lower-dose and non-aversive methods, which would inspire a positive trial of his method in Switzerland by Dr Harry Feldmann[58] and later scientific testing in the 1970s, some time after his death. However, the use of apomorphine in aversion therapy had escaped alcoholism, with its use to treat homosexuality leading to the death of a British Army Captain Billy Clegg HIll in 1962,[59] helping to cement its reputation as a dangerous drug used primarily in archaic behavioural therapies.

Opioid addiction[bewerken | brontekst bewerken]

In his Deposition: Testimony Concerning a Sickness in the introduction to later editions of Naked Lunch (first published in 1959), William S. Burroughs wrote that apomorphine treatment was the only effective cure to opioid addiction he has encountered:


He goes on to lament the fact that as of his writing, little to no research has been done on apomorphine or variations of the drug to study its effects on curing addiction, and perhaps the possibility of retaining the positive effects while removing the side effect of vomiting.

Despite his claims throughout his life, Burroughs never really cured his addiction and was back to using opiates within years of his apomorphine "cure".[60] However, he insisted on apomorphine’s effectiveness in several works and interviews.[bron?]

Society and culture[bewerken | brontekst bewerken]

  • Apomorphine has a vital part in Agatha Christie's detective story Sad Cypress.
  • The 1965 Tuli Kupferberg song "Hallucination Horrors" recommends apomorphine at the end of each verse as a cure for hallucinations brought on by a humorous variety of intoxicants; the song was recorded by The Fugs and appears on the album Virgin Fugs.

Research[bewerken | brontekst bewerken]

There is renewed interest in the use of apomorphine to treat addiction, in both smoking cessation[61] and alcoholism.[62] As the drug is old, out of patent, and safe for use in humans, it is a viable target for repurposing.

Flow chart depicting the role of apomorphine in Alzheimer's disease.

Apomorphine has been researched as a possible treatment for erectile dysfunction and female hypoactive sexual desire disorder, though the arousal effects were found not to be reliable enough. One large study found that only 39.4% got erections (compared to baseline 13.1); another found that apomorphine was successful 45–51% of the time, but the placebo also worked 36% of the time.[13][63] Nonetheless, it was under development as a treatment for erectile dysfunction by TAP Pharmaceuticals under the brand name Uprima. In 2000, TAP withdrew its new drug application after an FDA review panel raised questions about the drug's safety, due to many clinical trial subjects fainting after taking the drug.[64]

Alzheimer's disease[bewerken | brontekst bewerken]

Apomorphine is reported to be an inhibitor of amyloid beta protein (Aβ) fiber formation, whose presence is a hallmark of Alzheimer's disease (AD), and a potential therapeutic under the amyloid hypothesis.[65] While it promotes oligomerization of the Aβ40 group of molecules, it inhibits more advanced fibril formation; this is thought to be due to the autoxidation that occurs at the hydroxyl groups. Once this functional group was altered, the inhibitory effect could be seen to decrease, reducing either the indirect or direct interference of the fibril formation.[65]

The protective effects of apomorphine were tested in mouse models with mutations in genes related to AD, such as the amyloid precursor protein gene. Apomorphine was seen to significantly improve memory function through the increased successful completion of the Morris Water Maze. The levels of the aberrant proteins that lead to neuronal disruption were also tested in the brains of mice. Treatment was seen to decrease the intraneuronal levels of the more aggressive Aβ42 molecule when compared to the control mice. This result is consistent with the finding that another protein linked to AD, tau protein, was seen to decrease with apomorphine treatment.[66]

Veterinary use[bewerken | brontekst bewerken]

Apomorphine is used to inducing vomiting in dogs the after ingestion of various toxins or foreign bodies. It can be given subcutaneously, intramuscularly, intravenously, or, when a tablet is crushed, in the conjunctiva of the eye.[67][68] The oral route is ineffective, as apomorphine cannot cross the blood–brain barrier fast enough, and blood levels don't reach a high enough concentration to stimulate the chemoreceptor trigger zone.[67] It can remove around 40–60% of the contents in the stomach.[69]

One of the reasons apomorphine is a preferred drug is its reversibility:[70] in cases of prolonged vomiting, the apomorphine can be reversed with dopamine antagonists like the phenothiazines (for example, acepromazine). Giving apomorphine after giving acepromazine, however, will no longer stimulate vomiting, because apomorphine's target receptors are already occupied.[67] An animal who undergoes severe respiratory depression due to apomorphine can be treated with naloxone.[67][68]

Apomorphine does not work in cats, who have too few dopamine receptors.[67]

See also[bewerken | brontekst bewerken]

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. a b c (November 2002). Differential actions of antiparkinson agents at multiple classes of monoaminergic receptor. I. A multivariate analysis of the binding profiles of 14 drugs at 21 native and cloned human receptor subtypes. The Journal of Pharmacology and Experimental Therapeutics 303 (2): 791–804. PMID: 12388666. DOI: 10.1124/jpet.102.039867.
  2. (October 2002). The apomorphine test: a biological marker for heroin dependence disorder?. Addiction Biology 7 (4): 421–6. PMID: 14578019. DOI: 10.1080/1355621021000006206.
  3. a b c (1949). Apomorphine Treatment of Addiction. British Journal of Addiction to Alcohol & Other Drugs 46 (1): 15–28. DOI: 10.1111/j.1360-0443.1949.tb04502.x.
  4. (October 2002). The apomorphine test: a biological marker for heroin dependence disorder?. Addiction Biology 7 (4): 421–6. PMID: 14578019. DOI: 10.1080/1355621021000006206.
  5. Apomorphine Uses, Side Effects & Warnings. Drugs.com. Geraadpleegd op 27 February 2018.
  6. a b c d e f Basic Pharmacology for Nurses – E-Book. Elsevier Health Sciences (2016), 210–211. ISBN 978-0-323-37697-6.
  7. a b c d e f g h i j k l m Apomorphine Hydrochloride Monograph for Professionals. Drugs.com. Geraadpleegd op 26 February 2018.
  8. a b c (February 1998). Subcutaneous apomorphine in Parkinson's disease. BMJ 316 (7132): 641. PMID: 9522772. PMC: 1112674. DOI: 10.1136/bmj.316.7132.641.
  9. a b Principles of Treatment in Parkinson's Disease, illustrated. Elsevier Health Sciences (2005), p. 35. ISBN 978-0-7506-5428-9.
  10. (de) (June 2005). [Apomorphine in the treatment of Parkinson's Disease]. Der Nervenarzt 76 (6): 681–9. PMID: 15592807. DOI: 10.1007/s00115-004-1830-4.
  11. a b c Advances in Research on Neurodegeneration, illustrated. Springer Science & Business Media (2000), “Iron chelating, antioxidant and cytoprotective properties of dopamine receptor agonist; apomorphine”, 83–96. ISBN 978-3-211-83485-5.
  12. Apomorphine. Medline Plus. US National Library of Medicine (15 June 2017). Geraadpleegd op 26 February 2018.
  13. a b Standard Practice in Sexual Medicine. John Wiley & Sons (2008), p. 77. ISBN 978-1-4051-7872-3.
  14. (September 2011). Dopamine D4 receptor gene DRD4 and its association with psychiatric disorders. Medical Science Monitor 17 (9): RA215–20. PMID: 21873960. PMC: 3560519. DOI: 10.12659/MSM.881925.
  15. (2008). Apomorphine for the acute treatment of "off" episodes in Parkinson's disease. Parkinsonism & Related Disorders 14 (2): 85–92. PMID: 18083605. DOI: 10.1016/j.parkreldis.2007.07.016.
  16. a b c d e f g U.S. National Library of Medicine, Apomorphine. PubChem. Geraadpleegd op 26 February 2018.
  17. Parkinsons's Disease: The Treatment Options. CRC Press (1999), p. 22. ISBN 978-1-85317-379-0.
  18. (2008). Dorsolateral prefrontal cortex: a possible target for modulating dyskinesias in Parkinson's disease by repetitive transcranial magnetic stimulation. International Journal of Biomedical Imaging 2008: 372125. PMID: 18274665. PMC: 2233877. DOI: 10.1155/2008/372125.
  19. a b Galvez-Jimenez, Nestor, Scientific Basis for the Treatment of Parkinson's Disease, Second Edition. CRC Press (2013), p. 195. ISBN 978-0-203-33776-9.
  20. a b Iversen, Leslie, Biogenic Amine Receptors. Springer Science & Business Media (2012), pp. 238. ISBN 978-1-4684-8514-1.
  21. a b c Advances in Pharmacology and Chemotherapy, Volume 15, Silvio Garattini, A. Goldin, F. Hawking, Irwin J. Kopin. Academic Press (1978), 27, 93, 96. ISBN 978-0-08-058106-4.
  22. (May 2000). Apomorphine up-regulates NGF and GDNF synthesis in cultured mouse astrocytes. Biochemical and Biophysical Research Communications 272 (1): 18–22. PMID: 10872797. DOI: 10.1006/bbrc.2000.2732.
  23. (October 2011). Effects of nerve growth factor (NGF), fluoxetine, and amitriptyline on gene expression profiles in rat brain. Neuropeptides 45 (5): 317–22. PMID: 21820738. DOI: 10.1016/j.npep.2011.06.002.
  24. (May 2013). Epigenetic down regulation of nerve growth factor during alcohol withdrawal. Addiction Biology 18 (3): 508–10. PMID: 21392176. DOI: 10.1111/j.1369-1600.2010.00307.x.
  25. Veterinary Pharmacology and Therapeutics. John Wiley & Sons (2009), p. 318. ISBN 978-0-8138-2061-3.
  26. PDSP Ki Database. Psychoactive Drug Screening Program (PDSP). University of North Carolina at Chapel Hill and the United States National Institute of Mental Health (12 January 2011). Geraadpleegd op 1 July 2014. Note: Values for humans are used. If there is more than one value listed for humans, their average is used.
  27. (November 2002). Differential actions of antiparkinson agents at multiple classes of monoaminergic receptor. II. Agonist and antagonist properties at subtypes of dopamine D(2)-like receptor and alpha(1)/alpha(2)-adrenoceptor. The Journal of Pharmacology and Experimental Therapeutics 303 (2): 805–14. PMID: 12388667. DOI: 10.1124/jpet.102.039875.
  28. (November 2002). Differential actions of antiparkinson agents at multiple classes of monoaminergic receptor. III. Agonist and antagonist properties at serotonin, 5-HT(1) and 5-HT(2), receptor subtypes. The Journal of Pharmacology and Experimental Therapeutics 303 (2): 815–22. PMID: 12388668. DOI: 10.1124/jpet.102.039883.
  29. (January 2004). Central mechanisms regulating penile erection in conscious rats: the dopaminergic systems related to the proerectile effect of apomorphine. The Journal of Pharmacology and Experimental Therapeutics 308 (1): 330–8. PMID: 14569075. DOI: 10.1124/jpet.103.057455.
  30. Sax's Dangerous Properties of Industrial Materials., 11. Wiley, John & Sons, Incorporated (2004), p. 287. ISBN 978-0471476627.
  31. a b Process for making apomorphine and apocodeine.
  32. The Isoquinoline Alkaloids: A Course in Organic Chemistry. Elsevier, 2014 (24 april 2014), 118–120. ISBN 978-1483152233.
  33. (July 2017). The Blue Lotus Flower (Nymphea caerulea) Resin Used in a New Type of Electronic Cigarette, the Re-Buildable Dripping Atomizer. Journal of Psychoactive Drugs 49 (3): 175–181. PMID: 28266899. PMC: 5638439. DOI: 10.1080/02791072.2017.1290304.
  34. (February 2004). Nymphaea cults in ancient Egypt and the New World: a lesson in empirical pharmacology. Journal of the Royal Society of Medicine 97 (2): 84–5. PMID: 14749409. PMC: 1079300. DOI: 10.1177/014107680409700214.
  35. (en) (2013). Erich Harnack (1852-1915) and a short history of apomorphine. European Neurology 69 (6): 321–4. PMID: 23549143. DOI: 10.1159/000346762.
  36. Gee, Samuel (1869). On the action of a new organic base, apomorphia. Transactions of the Clinical Society of London 2: 166–169.
  37. (1873). Die in neuester Zeit in Anwendung gekommen Arzneimittel: 1. Apomorphinum hydrochloratum.. Z Prakt Veterinairwiss: 302–306.
  38. Tompkins, James (1899). Apomorphine in Acute Alcoholic Delirium. Medical Record.
  39. (1900). Apomorphine as a hypnotic. The Lancet 155 (3998): 1083. DOI: 10.1016/s0140-6736(01)70565-x.
  40. Douglas, Charles J (1899). The withdrawal of alcohol in delirium tremens. The New York Medical Journal: 626.
  41. Hare, Francis, On alcoholism; its clinical aspects and treatment. Churchill, London (1912).
  42. (January 2001). Carlsson and the discovery of dopamine. Trends in Pharmacological Sciences 22 (1): 46–7. PMID: 11165672. DOI: 10.1016/S0165-6147(00)01607-2.
  43. (May 1965). Relation between the action of dopamine and apomorphine and their O-methylated derivatives upon the CNS. Psychopharmacologia 7 (6): 391–9. PMID: 5831877. DOI: 10.1007/BF00402361.
  44. (1965). The Treatment of Alcoholism in General Practice. Practitioner: 223–7.
  45. (May 1977). A double-blind cross-over study: apomorphine/placebo in chronic alcoholics. International Journal of Clinical Pharmacology and Biopharmacy 15 (5): 211–3. PMID: 326687.
  46. (April 1978). Apomorphine revived: fortified, prolonged, and improved therapeutical effect. The International Journal of the Addictions 13 (3): 475–84. PMID: 352969. DOI: 10.3109/10826087809045262.
  47. (December 1977). Apomorphine in outpatient treatment of alcohol intoxication and abstinence: a double-blind study. The British Journal of Addiction to Alcohol and Other Drugs 72 (4): 325–30. PMID: 341937. DOI: 10.1111/j.1360-0443.1977.tb00699.x.
  48. (June 1972). Treatment of alcoholism with Dent's oral apomorphine method. Quarterly Journal of Studies on Alcohol 33 (2): 430–6. PMID: 5033142.
  49. (fr) (1884). De l'apomorphine dans certain troubles nerveux.. Lyon Med 48: 411–419.
  50. (1951). Apomorphine in Parkinson's disease. Transactions of the American Neurological Association 56: 251–3. PMID: 14913646.
  51. (January 1970). Similarities between neurologic effects of L-dopa and of apomorphine. The New England Journal of Medicine 282 (1): 31–3. PMID: 4901383. DOI: 10.1056/NEJM197001012820107.
  52. (May 1979). Therapeutic efficacy of apomorphine combined with an extracerebral inhibitor of dopamine receptors in Parkinson's disease. Lancet 1 (8123): 954–6. PMID: 87620. DOI: 10.1016/S0140-6736(79)91725-2.
  53. (1988). Subcutaneous apomorphine in parkinsonian on-off oscillations. Lancet 331 (8582): 403–406. DOI: 10.1016/S0140-6736(88)91193-2.
  54. Conditioning behavior and psychiatry. AldineTransaction, New Brunswick [N.J.] (2008). ISBN 978-0-202-36235-9.
  55. Raikhel, Eugene A, Governing habits : treating alcoholism in the post-Soviet clinic, Ithaca (2016). ISBN 9781501703133.
  56. (June 1950). An evaluation of the aversion treatment of alcoholism. Quarterly Journal of Studies on Alcohol 11 (2): 199–204. PMID: 15424345.
  57. (en) Dent, John Y. (1934-10-01). Apomorphine in the Treatment of Anxiety States, with Especial Reference to Alcoholism*. British Journal of Inebriety 32 (2): 65–88. ISSN:1360-0443. DOI: 10.1111/j.1360-0443.1934.tb05016.x.
  58. (1952). [Apomorphine therapy of alcoholism; report of 500 cases]. Schweizer Archiv für Neurologie und Psychiatrie. Archives Suisses de Neurologie et de Psychiatrie. Archivio Svizzero di Neurologia e Psichiatria 70 (2): 434–40. PMID: 13075975.
  59. (en) "Gay injustice 'was widespread'", 2009-09-12.
  60. Birmingham, Jed, William Burroughs and the History of Heroin. RealityStudio (2 november 2009).
  61. (December 2015). A Critical Review of Repurposing Apomorphine for Smoking Cessation. Assay and Drug Development Technologies 13 (10): 612–22. PMID: 26690764. DOI: 10.1089/adt.2015.680.
  62. (en) Apomorphine – A forgotten treatment for alcoholism. apomorphine.info. Geraadpleegd op 24 januari 2018.
  63. IsHak, Waguih William, The Textbook of Clinical Sexual Medicine. Springer (2017), p. 388. ISBN 978-3-319-52539-6.
  64. "Abbott Withdraws Application for an Impotence Pill", Bloomberg News via The New York Times, 1 July 2000.
  65. a b (November 2002). New class of inhibitors of amyloid-beta fibril formation. Implications for the mechanism of pathogenesis in Alzheimer's disease. The Journal of Biological Chemistry 277 (45): 42881–90. PMID: 12167652. DOI: 10.1074/jbc.M206593200.
  66. (February 2011). Apomorphine treatment in Alzheimer mice promoting amyloid-β degradation. Annals of Neurology 69 (2): 248–56. PMID: 21387370. DOI: 10.1002/ana.22319.
  67. a b c d e Bill, Robert L., Clinical Pharmacology and Therapeutics for Veterinary Technicians – E-Book. Elsevier Health Sciences (2016), p. 94. ISBN 978-0-323-44402-6.
  68. a b Common Toxicologic Issues in Small Animals, an Issue of Veterinary Clinics: Small Animal Practice – E-Book. Elsevier Health Sciences (2012), p. 310. ISBN 978-1-4557-4325-4.
  69. Plumb, Donald C., Plumb's Veterinary Drug Handbook, 7th. Wiley, Stockholm, Wisconsin (2011), “Apomorphine”, 77–79. ISBN 978-0-470-95964-0.
  70. Small Animal Toxicology. Elsevier Health Sciences (2006), p. 131. ISBN 978-0-7216-0639-2.

pst[bewerken | brontekst bewerken]

De wereldwijde verspreiding van de pest onder verschillende knaagdieren en de verspreiding van de ziekte in de periode 1970 - 1998.

De pest is een infectieziekte die van de 14e tot en met de 19e eeuw in Europa veelvuldig, bij vlagen epidemisch en zelfs pandemisch voorkwam en enorme aantallen slachtoffers maakte. De ziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis, bij sommigen ook bekend als pestbacil. De meest voorkomende vormen van de pest zijn builenpest en longpest. Men schat dat door de Zwarte Dood van 1347-1351 een derde deel van alle Europeanen, destijds enkele tientallen miljoenen, het leven liet.

In Nederland valt de ziekte onder categorie B1 van de infectieziektenwet. Dat betekent dat binnen 24 uur na constatering door een arts of bij een gegrond vermoeden ervan, er melding moet worden gedaan bij een GGD. De pest vormt voor medici geen probleem meer omdat de ziekte over het algemeen snel en effectief bestreden kan worden met behulp van verschillende goedkope antibiotica, zoals tetracycline en doxycycline.

Behalve op Antarctica, in Australië, rond de Noordelijke IJszee en het Noordpoolgebied en in het noordwesten van Europa, komt de pest nog steeds op alle continenten voor onder zwarte en bruine ratten en onder een aantal andere voor de pest vatbare zoogdieren. Die laatste verspreiders van de pest zijn met name de cultuurvolgers onder de knaagdieren, zoals de gedomesticeerde huiscavia. Incidenteel raken mensen via het contact met deze knaagdieren of hun vlooien met de pest besmet. Daarbij gaat het voornamelijk om arme landarbeiders en hun gezinnen, die in afgelegen dorpen in de Andes of in het zuiden van Afrika wonen, bijvoorbeeld in landen als Peru, Zambia, Madagaskar of Malawi. Ook mensen die in afgelegen en dunbevolkte delen van Azië wonen lopen soms een verhoogd risico met de pest besmet te raken, bijvoorbeeld de bevolking in landen als Kazachstan, Kirgizië, Binnen-Mongolië en Nepal. Zie de kaart aan de rechterkant voor een overzicht van de wereldwijde verspreiding van de pest.

Verspreiding aan het begin van de 21e eeuw[bewerken | brontekst bewerken]

De pest is nog niet uitgeroeid. In India is rond de millenniumwisseling (2000) nog een kleinschalige epidemie geconstateerd. De ziekte is - bij tijdige diagnose - met antibiotica tegenwoordig goed te behandelen.

Wilde knaagdieren zijn nog steeds drager van pestbacillen en van 1978 tot 1992 vielen er volgens de Wereldgezondheidsorganisatie 1451 doden ten gevolge van de pest in 21 landen. In het Indische Surat was er van augustus tot oktober 1994 een epidemie met 6344 vermoede en 234 bewezen gevallen met 56 doden. De bacil die verantwoordelijk was voor deze nieuwe uitbraak bleek een gemuteerde versie die minder virulent was.

Op de onderstaande kaart is de correlatie tussen gebieden met knaagdierpopulaties waar de pestbacterie endemisch is en het optreden van pestuitbraken onder mensen aangegeven. De pest komt op alle continenten voor behalve Australië, en Antarctica waar geen knaagdieren zijn. Endemisch is de pest in zowel gematigde als tropische gebieden. Men vindt grote besmette knaagdierpopulaties in de grote savanne, prairies en halfwoestijnen waar deze holengravende knaagdieren zich thuis voelen.

De kaart is gebaseerd op rapportages van pestuitbraken en opgaven die aan de Wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties (WHO) zijn gedaan door lokale overheden. Het is niet uitgesloten dat men in sommige landen uitbraken niet heeft gemeld omdat deze slecht zijn voor het toerisme.

Pestgebieden[bewerken | brontekst bewerken]

Verspreiding van de pestveroorzakende knaagdieren (geel) en pestuitbraken (rood)

In de Russische Federatie, Colombia, Bolivia, Soedan, Sao Thomé en Principe, Indonesië en Jemen zijn pestgevallen gemeld. Deze kunnen samenhangen met menselijke migratie. In het Noordwesten van Europa en de Europese Unie komt de pest al geruime tijd niet meer voor. Het voorkomen van besmettingen met de pest is verbonden met enerzijds leefstijl, hygiëne en menu, zoals in Peru waar men knaagdiertjes als huisdieren in de woning laat rondlopen en deze dieren ook slacht en eet, en anderzijds met het klimaat en het nauwe contact met besmette wilde dieren. In noordelijke en zuidelijke streken die te dicht bij de poolcirkels of te ver van de evenaar en te ver voorbij de keerkringen liggen, komt de pest niet voor.

Kometen[bewerken | brontekst bewerken]

De inslag van een deeltje uit de meteorenzwerm 55P/Tempel-Tuttle.

Een komeet is een klein zonnestelsellichaam dat doorgaans voor het grootse gedeelte uit ijs bestaat. Een komeet beweegt doorgaans in een elliptische baan rond de Zon die wordt beschreven door de Wetten van Kepler. Als een komeet door het getijdenveld rond een zwaar object scheert, en uit elkaar valt, dan kan er een meteorenzwerm ontstaan.

De Komeet Tempel-Tuttle[bewerken | brontekst bewerken]

De leoniden vormen de meteorenzwerm 55P/Tempel-Tuttle, die afkomstig is van de periodieke of Halley-type komeet Tempel-Tuttle. De zwerm is genoemd naar de ontdekkers van komeet 55P, de astronomen Wilhelm Tempel en Horace Parnell Tuttle.[1] Het jaarlijkse aantal zichtbare "vallende sterren" tijdens de passage van de leoniden vertoont periodiek een maximum met periodiciteit van ongeveer 33 jaar. De baan van de deeltjes kruist elk jaar in november gedurende een aantal dagen de baan van de Aarde. De deeltjes passeren de Aardbaan met een snelheid van rond de 72 km/s. Tijdens een passage van de Aardbaan verliest de meteorenzwerm van Tempel-Tuttle naar schatting ruim 12 ton aan materie.

De vallende sterren, d.w.z. de kleine brokjes ijs en stof waaruit de komeet bestaat, lijken uit de richting van het sterrenbeeld Leeuw te komen. Elke keer als de planeten Aarde, Mars en Jupiter de baan van de deeltjes in de meteorenzwerm Temple-Tuttle kruisen wordt de meteorenzwerm door het getijdenveld van deze planeten over een groter gebied uitgesmeerd, d.w.z. de zwerm wordt iets lichter en iets diffuser. Mogelijk is Tempel-Tuttle lang geleden als een veel compacter stuk ijs dicht langs de Aarde, Mars of een ander zwaar astronomisch object gevlogen waarbij de komeet voor de eerste keer door het getijdenveld van een van deze zware objecten tot een meteorenzwerm verpulverd is.

Zon, Aarde en Maan[bewerken | brontekst bewerken]

Het Zon-Aarde-Maan-systeem kan, zowel voor de gravitatievelden als voor de getijdenvelden, opgesplitst worden in een Zon-Aarde-systeem en een Aarde-Maan-systeem. De gravitatievelden, d.w.z. de massa's, van de Zon en de Aarde bepalen de banen die de Aarde en de Maan rond de Zon beschrijven. De getijdenvelden rond de Aarde en de Maan bepalen de rotaties en de grootte van de koppels die tussen de Aarde en de Maan werken.

De Zon-Aarde- en Aarde-Maan-sytemen[bewerken | brontekst bewerken]

Voor het Zon-Aarde-Maan-systeem kunnen voor de onderlinge verhoudingen tussen de afstanden binnen de Zon-Aarde- en de Aarde-Maan-systemen, de volgende benaderingen gebruikt worden:

Dit betekent dat de banen van de Aarde, de Maan en de andere planeten vrijwel rond zijn en geheel door de massa van de Zon worden bepaald door hun gemiddelde afstand tot de Zon.

Bovendien geldt voor ...:

.

Door het grote verschil in de onderlinge afstanden en de grote massa van de Zon, kan ervan worden uitgegaan dat gravitatie- en getijdenvelden van de Zon op de Aarde en de Maan ongeveer gelijk zijn.

Getijdenvelden op Aarde[bewerken | brontekst bewerken]

Toepassing van de formule voor de invloed van de getijdenvelden op Aarde laat zien dat het getijdenveld van de Maan ruim 2x zo groot is als het getijdenveld van de Zon, immers:

.

Dit verschil verklaart waarom eb en vloed op Aarde hoofdzakelijk door de stand van de Maan bepaald worden en dat de dagen waarop springtij en doodtij optreedt hoofdzakelijk bepaald worden door de stand van de Zon t.o.v. de Maanstand.

Getijdenvelden op de Maan[bewerken | brontekst bewerken]

Vergelijking van de invloed van de getijdenvelden van Aarde en Zon op de Maan laat zien dat het getijdenveld van de Aarde ongeveer 178x zo groot is als het getijdenveld van de Zon, immers:

.

Dit grote verschil geeft de verklaring voor de synchrone rotatie van de Maan en waarom de Maan zich in het verleden van de Aarde heeft verwijderd en zich met één kant naar de Aarde heeft toegekeerd.

Getijdenvelden vs gravitatievelden[bewerken | brontekst bewerken]

Vergelijking van de invloed van de gravitatievelden op Aarde laat zien dat de sterkte van het gravitatieveld van de Maan minder dan 1% is van de sterkte van het gravitatieveld van de Zon, immers:

.

De onderlinge vergelijking van de invloed van de gravitatievelden op de Maan laat zien dat de sterkte van het gravitatieveld van de Aarde minder dan de helft is van de sterkte van het gravitatieveld van de Zon, immers:

.

rh[bewerken | brontekst bewerken]

... rashond ...

Beveiligingstesten en netwerkscans[bewerken | brontekst bewerken]

Het IPv4-adres van de gateway van het huisnetwerk op internet is vanaf een computer op een privénetwerk te vinden via verschillende websites.[2][3][4][5] Op internet zijn ook legio websites te vinden met tools waarmee portscans uitgevoerd kunnen worden.[6][7][8] Een portscan van de gateway/router vanaf internet kan bijvoorbeeld ook met behulp van een scanner als nmap uitgevoerd worden vanaf een computer die zich op een ander computernetwerk bevindt.

IP-adressen en domeinnaam[bewerken | brontekst bewerken]

Huisnetwerken zijn doorgaans klasse C privénetwerken (RFC 1918) met een router waarop ruim 250 computers aangesloten kunnen worden. De IPv4-adressen binnen een 8-bits klasse-C adresblok lopen van 192.168.ccc.2 tot 192.168.ccc.255. Op computers met een Microsoft Windows besturingssysteem kunnen de IP-adressen van DHCP- en DNS-servers en de TCP/IP-configuratie met ipconfig-opdrachten opgezocht worden.[9] Op Unix-achtige platforms kunnen IPv4- en IPv6-adressen en de host- en domeinnaam van computers binnen een huisnetwerk onder andere met behulp van de standaard opdrachten /bin/hostname- en /bin/host opgezocht worden:[10][11][12][13]

$ hostname
laptop
$ host laptop
laptop.home.box has address 192.168.32.37
laptop.home.box has IPv6 address 2001:983:6498:1:d250:99ff:fe22:9c9e
laptop.home.box has IPv6 address 2001:983:6498:1:8ddc:86ac:90d2:277a
...

...

$ hostname
$ ls /bin | grep domainname
dnsdomainname
domainname
nisdomainname
ypdomainname

en de /sbin/ifconfig-opdracht:

$/sbin/ifconfig | grep "inet "
inet addr:192.168.32.37 Bcast:192.168.32.255 Mask:255.255.255.0
inet addr:127.0.0.1 Mask:255.0.0.0
...

De domeinnaam van de hostcomputer op het lokale netwerk is in dit voorbeeld laptop.home.box en de domeinnaam van de router/DHCP-server op het huisnetwerk is home.box met het IPv4-adres 192.168.32.1.

Portscans en zombiecomputers[bewerken | brontekst bewerken]

Het 8-bits 192.168.100.0/24-blok (in CIDR-notatie) telt de 256 IP-adressen. De poorten van computers op het netwerk kunnen snel gescand worden met behulp van de nmap-opdracht:

$ nmap 192.168.100.0/24

of mogelijk beter met de toevoeging van de -sn-optie waarmee een netwerkscan met ping wordt uitgevoerd, zonder een portscan.

Soms kan het tijdens een portscan of een netwerkscan, vanaf een willekeurig IP-adres op een lokaal netwerk, lijken alsof er een dode host, een zwart gat of een zombiecomputer op het netwerk aanwezig is. In sommige gevallen kan zich op het betreffende IP-adres een mobiel apparaat bevinden dat is uitgerust met een "slimme" en vrij "achterdochtige" stateful firewall die, om veiligheidsredenen, niet reageert op port- en netwerkscanners of op ICMP-pakketjes van andere "verdachte" netwerkapparatuur. Dode mobiele apparaten en computers die op zombiecomputers lijken kunnen eventueel getest worden met behulp van een -sI-optie en een tweede host, hoewel deze testmethode ook geen positief resultaat garandeert. (Zie de nmap-manual.)

Andere scans en beveiligingstesten kunnen uitgevoerd worden met onder meer Kismet, Wireshark, Aircrack-ng en met de tools op live-DVD's of USB-sticks met Kali Linux.

Militaire toepassingen[bewerken | brontekst bewerken]

De ontwikkeling van de eerste reeks civiele rupsvoertuigen verliep moeizaam. De ontwikkeling van de eerste militaire toepassingen draaide daarentegen op een reeks van totale mislukkingen uit.

Eerste Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

De tank die tijdens de Eerste Wereldoorlog, tijdens de Slag aan de Somme op 15 september 1916, als eerste op het slagveld ingezet werd was de Britse Mark I. De Slag aan de Somme liep voor de Britten uit op een drama. Na de introductie van de Mark I op het slagveld kwamen andere fabrikanten van militaire rupsvoertuigen met hun nieuwste modellen en technische oplossingen. De tanks van de eerste lichtingen waren meestal niet veel beter dan de bestaande, instabiele rijdende koektrommels van de eerste generatie. Voor het einde van de Eerste Wereldoorlog was het alle partijen duidelijk dat er aan de eerste generaties tanks nog veel verspijkerd moest worden voordat ze opnieuw op het slagveld ingezet konden worden.

Het Interbellum en de Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

De meeste ontwerpers kozen in het vervolg voor een tank met een geschutskoepel voor de schutter in het bovenste gedeelte van de tank met slechts een kanon in de geschutskoepel. De chauffeur zat in het onderste gedeelte van de tank tussen de rupsbanden, zoals te zien is bij het eerste ontwerp van de Renault FT uit 1917.

De ontwikkeling van de eerste generaties tanks kwam pas goed op gang in de periode na de beurskrach van 1929 en tijdens de daarop volgende economische crisis. Er hing in Europa een oorlogsdreiging in de lucht die na Adolf Hitlers verkiezingsoverwinning in 1933 steeds sterker werd. De ontwikkeling van de nieuwste tanks, en al het andere moderne oorlogsmaterieel, kwam in Europa in een verdere stroomversnelling tegen het eind van het Interbellum. Na Hitlers Poolse veldtocht en het begin van de Tweede Wereldoorlog werd de ontwikkeling en de productie van de modernste tanks door alle strijdende partijen steeds verder opgevoerd.

... woestijnoorlog in Noord-Afrika ...

... Slag om Stalingrad, in herfst van 1942 en de winter van 1943. ... Oeralvagonzavod ... Russen verschillende typen T34 tanks ...

... eerste slag om El Alamein in juli 1942 ... Het Duitse Afrikakorps Erwin Rommel ...

In de zomer van 1943 zetten de Duitsers hun nieuwe Tiger I en Panther tanks in tijdens de Slag om Koersk.

... De Russen ... T34

... M4 Sherman

Na de Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog ... pantserhouwitsers pantserinfanterievoertuigen ... de licht gepantserde Wiesel

1,4-dioxine[bewerken | brontekst bewerken]

1,4-Dioxine
Structuurformule en molecuulmodel
Structuurformule van 1,4-dioxine
Algemeen
Molecuulformule C4H4O2
IUPAC-naam 1,4-dioxine
Andere namen dioxine, p-dioxine
Molmassa 84.07 g/mol
SMILES
O\1/C=C\O/C=C/1
CAS-nummer 290-67-5
PubChem 78968
Beschrijving Kleurloze vloeistof
Vergelijkbaar met 1,2-dioxine
Waarschuwingen en veiligheidsmaatregelen
Ontvlambaar
Gevaar
H-zinnen H225
EUH-zinnen geen
P-zinnen P210
VN-nummer 1127
Fysische eigenschappen
Aggregatietoestand vloeibaar
Kleur kleurloos
Kookpunt 75 °C
Tenzij anders vermeld zijn standaardomstandigheden gebruikt (298,15 K of 25 °C, 1 bar).
Portaal  Portaalicoon   Scheikunde

1,4-dioxine, ook bekend als dioxine of p-dioxine, is een zeer giftige, instabiele, heterocyclische, anti-aromatische verbinding met de brutoformule C4H402. 1,4-dioxine heeft een isomeer, genaamd 1,2-dioxine, die instabieler en gevaarlijker is dan 1,4-dioxine omdat ze een peroxide is.

Synthese[bewerken | brontekst bewerken]

1,4-Dioxine kan worden bereid door de cycloadditie van furaan aan maleïnezuuranhydride, algemeen bekend als een Diels-Alder-reactie. Het gevormde adduct heeft een dubbele C-C-binding, die wordt omgezet in een epoxide. Het epoxide ondergaat vervolgens een retro-Diels-Alder-reactie, waarbij 1,4-dioxine wordt gevormd en maleïnezuuranhydride wordt geregenereerd[14]: Synthesis-of-1,4-dioxin-1994-2D-skeletal.png

Afgeleiden[bewerken | brontekst bewerken]

Dibenzo-p-dioxin-numbering-2D-skeletal.png
Het woord "dioxine" kan verwijzen naar een groep verbindingen met een skeletstructuur van een dioxinekern waar moleculaire groepen aan gehecht zijn. Dibenzo-1,4-dioxine is bijvoorbeeld een verbinding waarvan de structuur bestaat uit twee benzogroepen die gefuseerd zijn met een 1,4-dioxinering.

kismet[bewerken | brontekst bewerken]

wifi tracking ... SSID

De zonnetijd in het neolithicum[bewerken | brontekst bewerken]

zonnetijd ... zonnewende ... jager-verzamelaars ... neolithicum Stonehenge als een grote zonnewijzer op een afstand van een paar dagen of weken lopen.

ng[bewerken | brontekst bewerken]

Met een narcosegas wordt een gasvormig anestheticum bedoeld, zoals lachgas of de damp van diethyl ether of chloroform, dat voor algehele anesthesie is bedoeld. De term narcosegas is in de huidige anesthesiologie enigszins verouderd.

Klimaatalarm[bewerken | brontekst bewerken]

aan de bel trekken methaan methaanhydraat permafrost zee-ijs noordpool Groenland gletsjerijs poolzee[15]

Een aantal klimatologen en glaciologen zijn minder stellig over de betekenis en de waarde van een aantal klimatologische kantelpunten, die volgens "de alarmisten" onder de wetenschappers, over enkele decennia gepasseerd zullen worden. Anno 2018 werd de 2 graden opwarming van de gemiddelde mondiale temperatuur gezien als het point of no return en het meest gevreesde klimatologische kantelpunt.

Geo-engineering of klimaatengineering[bewerken | brontekst bewerken]

Sommige alarmisten geloven dat de huidige klimaatproblemen met technieken uit de geo-engineering, zoals chemtrails of contrails opgelost kan worden of zelfs verergerd wordt. Nuchtere klimaatwetenschappers rangschikken dit soort klimaatpaniek onder de complottheorieën.

Alarmisten en alarmsceptici[bewerken | brontekst bewerken]

Behalve de bekende klimaatsceptici zijn sinds kort een aantal alarmsceptici die de opwarming van de Aarde, en in een aantal mogelijke klimaatrampen en voedselcrises, nieuwe epidemieën naast ebola en aids, niet in twijfel trekken. ... de ontwikkeling van het Aardse ecosysteem ... Het betreft meestal natuurwetenschappers, ecologen en evolutiebiologen van naam, zoals James Lovelock, Lynn Margulis, ... en vele anderen, die er afwijkende opvattingen op nahouden maar niet in sprookjes geloven. Volgens grote groepen biologen is het onvermijdelijk dat de evolutie haar eigen weg gaat, waarbij de mens in de in komende evolutionaire of gologische perioden minder op de voorgrond treedt.

Zweef- en glijvluchten in vogelvlucht[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens zweefvluchten en glijvluchten laten vogels of vliegtuigen zich met gespreide vleugels op een thermiekbel of op een stijgwind omhoog voeren.

Thermiekvliegers[bewerken | brontekst bewerken]

Grote vogels als buizerds, arenden en ooievaars, zijn de typische passieve thermiekvliegers. Ze hebben grote, brede vleugels en ze zijn niet gebouwd om grote afstanden met een normale slagvlucht af te leggen. Zweefvliegtuigen en typische zeevogels als sterns, meeuwen en albatrossen hebben lange smalle vleugels. In thermiekbellen laten zweefvliegtuigen, typische zeevogels en grote roofvogels zich, met slechts nu en dan een vleugelslag, cirkelend omhoog voeren. Als de thermiekbel ten slotte zijn kracht verliest, glijden zweefvliegtuigen, zeevogels, ooievaars en grote rookvogels meestal langzaam omlaag, op zoek naar de volgende thermiekbel. Wordt er geen nieuwe thermiekbel gevonden dan moeten sommige vogels hun zweefvlucht afbreken.

Drie typen zweefvluchten[bewerken | brontekst bewerken]

Aan de hand van de vlucht van vogels kunnen drie soorten zweefvluchten van elkaar onderscheiden worden:

  • de hellingzweefvlucht
  • de thermiekzweefvlucht
  • de dynamische zweefvlucht

Tijdens een hellingzweefvlucht kunnen bijna alle vogels in verschillende richtingen in een hellingstijgwind afdalen of opstijgen. Zilvermeeuwen, deltavliegerpiloten en glijschermacrobaten laten op zonnige dagen boven de duinenrijen langs de Noord-Hollandse zeekust en boven de Waddeneilanden, met plezier zien hoe gemakkelijk zeilvliegen in een stijgende luchtstroom gaat en hoe leuk het is om acrobatische kunstjes uit te voeren.

Tijdens thermiekzweefvluchten kunnen veel vogels naar een willekeurige hoogte opstijgen, zoals een zweefvliegtuig. Thermiekzweven wordt als een gemakkelijke vorm van zweefvliegen beschouwd en daarom wordt het "gewoon zweefvliegen" genoemd. Alleen als het glijgetal van een vogel of een vliegtuig te klein is, zoals in het geval van een huismus, een deltavlieger of een glijscherm, en als er te weinig zon is dan lukt thermiekvliegen of gewoon zweefvliegen niet meer.

Specialisten[bewerken | brontekst bewerken]

Langdurig dynamisch zweefvliegen wordt alleen door specialisten beoefend, met name door gierzwaluwen en grote zeevogels als albatrossen tijdens hun bijna eindeloze glijvluchten boven de hoge golven op de Grote Oceaan. Het zwaartepunt van de vogel ligt tijdens het dynamisch zweefvliegen boven het aangrijpingspunt van de totale liftkracht. Langdurig dynamisch zweefvliegen vereist stuurmanskunst, ervaring en aerodynamisch inzicht.

Perlan-project doet atmosferisch onderzoek door hoogterecords te vestigen ... straalstromen boven bergruggen ... ruim 22 km hoogte in 2018

Met name onder de zeevogels ... zwaluwen ... aerodynamica

sandisk[bewerken | brontekst bewerken]

SanDisk Corporation
Logo
Eg-T2g/Kladblok
Beurs NASDAQ: WDC
Oprichting 1981
Sleutelfiguren Stephen D. Milligan (CEO)
Hoofdkantoor San Jose (Californië),
Verenigde Staten
Website SanDisk
Portaal  Portaalicoon   Economie

SanDisk is een Amerikaans-Israëlische producent van verschillende soorten semi-persistent computergeheugen zoals flashgeheugen en USB-sticks. Op 12 mei 2016 is SanDisk voor 19 miljard $ door Western Digital overgenomen.

Effect en rendement[bewerken | brontekst bewerken]

Bemesting zonder een installatie voor mestinjectie. De eerste uren na het uitrijden van de drijfmest vervliegt de grootste hoeveelheid ammoniak uit de mest.

Door de meeste milieuchemici wordt betwijfeld of mestinjectie de ammoniakuitstoot substantieel verlaagt. Op korte termijn lijkt mestinjectie de ammoniakuitstoot en de stankoverlast tijdens en kort na het uitrijden sterk te verlagen of op zijn minst te vertragen. Op een termijn van enkele weken tot een jaar heeft mestinjectie een veel kleinere of mogelijk bijna geen invloed op de ammoniakuitstoot of de belasting van het milieu.

Investeringen[bewerken | brontekst bewerken]

Landbouwers moeten meestal forse investeringen doen om hun bemester(s) aan de geldende normen aan te passen.

Rendement[bewerken | brontekst bewerken]

De hoeveelheid neerslag, de temperatuur tijdens het uitrijden, de pH van het regenwater en de concentraties van stikstofoxiden, koolstofdioxide, zwaveloxiden en andere zuren in het milieu zijn waarschijnlijk bepalend voor de ammoniakuitstoot op langere termijn. De ammoniak die na het uitrijden van de mest niet uitgestoten wordt verdwijnt waarschijnlijk dieper in de bodem. Daardoor raken als gevolg van de mestinjectie het grondwater en het drinkwater op langere termijn sterker met ammoniak vervuild.

wp[bewerken | brontekst bewerken]

Schematische tekening van een warmtepomp: 1 is de condensor, 2 de turbine (eventueel smoorventiel), 3 de verdamper, 4 is de compressor.

Een warmtepomp is een apparaat dat warmte verplaatst of zelfs "oppompt" door middel van arbeid. De meest bekende vorm is een koelkast. Maar als men het in de techniek of de bouw over een warmtepomp heeft wordt altijd een warmtepomp bedoeld die geïnstalleerd moet worden om gebouwen te verwarmen (of te koelen). Met een warmtepomp kunnen gebouwen met een goede thermische isolatie efficiënt worden verwarmd maar de capaciteit wordt beperkt door o.a. de kwaliteit van de warmtewisselaars, de omvang van de installaties en het teruglopend rendement bij een hogere noodzakelijke condensortemperatuur. Voor elk systeem geldt dan ook dat goede isolatie noodzakelijk is.

Een warmtepomp is het omgekeerde van een warmtemotor. Met een warmtemotor wordt warmte omgezet naar arbeid. carnotcyclus ideale warmtemotoren en warmtepompen omzettingen cyclus 4 stappen warmte arbeid

ps[bewerken | brontekst bewerken]

Plaksneeuw is verse sneeuw die meestal uit relatief grote sneeuwvlokken bestaat en die zich het best bij windstil weer en een relatief hoge temperatuur en luchtvochtigheid vormt. Plaksneeuw is de tegenhanger van poedersneeuw of fijne stuifsneeuw die zich het best bij strenge vorst vormt. Plaksneeuw is onder andere de ideale sneeuwsoort voor het maken van sneeuwpoppen of voor het houden van sneeuwbalgevechten. Als men een sneeuwbal van plaksneeuw stevig in elkaar drukt krijgt men een ijsbal.[16][17][18][19][20][21][22]

Op steile hellingen in berggebieden, in dicht beplante bosgebieden of op een gletsjer levert een dik pakket plaksneeuw meer gevaar op dan een laag losse stuifsneeuw omdat een dikke laag plaksneeuw zwaar is. Door het grotere gewicht kunnen gevaarlijke lawines ontstaan of kan de erosie van de toplaag op berghellingen versneld worden.

Omdat plaksneeuw sneller en makkelijker smelt dan een laag stuifsneeuw neemt de albedo van een laag plaksneeuw over het algemeen sneller af dan de albedo van een laag stuifsneeuw.

Als met voertuigen over een laag plaksneeuw wordt gereden of als over verse plaksneeuw wordt gelopen verandert de plaksneeuw gemakkelijk in een laag ijs. Op wegen en op wandel- en fietspaden kan na het vallen van een verse laag plaksneeuw snel gladheid optreden.

Statistieken en besmettingsrisico's[bewerken | brontekst bewerken]

De waarden van de getallen in bovenstaande tabel zijn schattingen die afgeleid zijn uit epidemiologische gegevens. In de praktijk kunnen de waarden van deze getallen bepaald worden met een nauwkeurigheid van slechts 1 significant cijfer. De positie in de tabel geeft dus een rangorde tussen de verschillende besmettingsrisico's aan. De waarden van de getallen geven geen informatie over het werkelijke risico op besmetting dat iemand tijdens het contact met een hiv-geïnfecteerde loopt. Met uitzondering van de verschillende vormen direct bloed-bloedcontact, zoals bloedtransfusie, is het risico om een hiv-besmetting op te lopen vrij klein.

Het risico op besmetting neemt eerder toe door frequente risicovolle contacten met verschillende hiv-geïnfecteerden, dan door een eenmalig seksueel contact met een enkele hiv-geïnfecteerde. Een medewerker op een consultatiebureau loopt bijvoorbeeld, door dagelijks meerdere keren bloed van hiv-geïnfecteerden af te nemen, een relatief hoog risico om besmet te raken.

Ontwikkelingen[bewerken | brontekst bewerken]

Aanvankelijk werden digitale netwerken vooral gebruikt voor het onderling verbinden van telefoons door digitale telefooncentrales. Later werden de netwerken vaker gebruikt voor het verbinden van computers door een router van een IPv4-privénetwerk. De gateway van de router werd door een modem met een telefoonlijn met een server van een internetserviceprovider (ISP) verbonden.

Inbellen[bewerken | brontekst bewerken]

Aanvankelijk werden modems voor analoge telefoonlijnen gebruikt waarmee door inbellen een SLIP- of PPP-verbinding tot stand gebracht kon worden. Daarna kon bijvoorbeeld een telnet-sessie op een server ingelogd worden, met .... of met ftp bestanden tussen computers uitgewisseld konden worden. Vergelijkbaar met een sessie tussen een pc en een BBS.

DSL[bewerken | brontekst bewerken]

Tot de introductie van ADSL kon de hoogst haalbare baudrate via ISDN-verbindingen bereikt worden. De eerste ISP die in Nederland aan inwoners van Amsterdam via een inbelverbinding toegang tot internet bood was dds.nl. XS4ALL bood haar klanten internettoegang voor lokaal telefoontarief die landelijk voor lokaal tarief ...

Tegenwoordig worden huisnetwerken echter meer gebruikt om computerapparatuur via Wi-Fi draadloos met elkaar te verbinden. Sinds de inburgering van Wi-Fi worden huisnetwerken vooral gebruikt voor het onderling verbinden van apparaten als spelcomputers, laserprinters, tabletcomputers en smart-tv's.

Sinds smartphones met Wi-Fi zijn uitgerust, en sinds 4G-netwerken en mobiel internet steeds gemakkelijker via tablet computers en laptops toegankelijk geworden zijn, raken veel huisnetwerken steeds verder met mobiele netwerken geïntegreerd. Daardoor kunnen gebruikers van een huisnetwerk tegenwoordig ook toegang krijgen tot smart grids, slimme meters, elektrische auto's of tot allerlei andere objecten op het internet der dingen.

thorium[bewerken | brontekst bewerken]

Beste Paul,
Bedankt voor je snelle reactie. Ik heb in het verleden een IAEA-rapport over thoriumreactoren van de site op iaea.org gedownload en doorgebladerd. Daarin stonden volgens mij veel verslagen over "gestaakte projecten" en slechts een paar verslagen over "slapende projecten" en "projecten in ontwikkeling". Ik denk dat ik die IAEA-rapporten na de kernramp in Fukushima doorgebladerd heb. Waarom de meeste projecten gestaakt waren werd mij niet duidelijk. Ik denk dat de kosten te hoog, de opbrengsten te laag en de kans op (een commercieel) succes als te laag beoordeeld werden. Zo te zien staat op Molten salt reactor iets duidelijker, maar ongeveer hetzelfde, als wat ik rond 2011 in een IAEA-rapport las.
Als ik me niet vergis zijn de meeste thoriumreactoren ontworpen als ... Ik kon me herinneren dat door de lange halveringstijd van protactinium-233 een "vertraging" of een "rem" in de thoriumcyclus is ingebouwd. Ik begrijp dat een "kweekreactor" die thorium-232 voor zijn brandstofcyclus gebruikt, en geen transuranen kan produceren, "intrinsiek stabiel" is en veilig zou (moeten? of) kunnen zijn. Een thoriumreactor is geen "gecontroleerde kernexplosie", zoals in het geval van een snelle kweekreactor.
Ik was even vergeten dat het "kweekproces", ondanks een eventuele vertraging, door blijft gaan zolang je de reactor thorium-232 blijft voeren en er nog uranium-233 in de reactor aanwezig is. De "overproductie" van spijtstof blijft doorgaan, al is het in een lager tempo. De reactor zou door een verlaging van de energieproductie nooit stil kunnen vallen.
Ik weet niet hoe de vlag er vandaag de dag bijhangt, maar ik heb begrepen dat China en India na de kernramp in Fukushima hun inspanningen om "intrinsiek stabiele, veilige" thoriumreactoren te ontwikkelen hebben opgevoerd.

meeloper[bewerken | brontekst bewerken]

Meelopers zijn individuen die zich zonder daadwerkelijke overtuiging inlaten met zekere handelingen, groeperingen of ideologieën en die meestal een passieve rol daarin spelen.

De term wordt meestal gebruikt in samenhang met bewegingen of handelingen die een negatieve connotatie kennen, zoals groepsgeweld of moorddadige ideologieën, maar ook kleinschaliger dingen, zoals pesten. Het begrip heeft zowel betrekking op de motivatie als de rol die vervuld wordt; een meeloper sluit zich niet uit een innerlijke overtuiging bij een groep aan of doet niet mee aan handelingen omdat die dat wil, maar doet dat vanwege groepsdrang, of vanuit de wens deel uit te maken van een bepaalde sociale omgeving. Een meeloper speelt geen dragende of drijvende rol in een groep. Iemand die dat doet kan, zelfs als deze zich zonder daadwerkelijke overtuiging bij een groep aangesloten heeft, niet als meeloper aangeduid worden.

In tegenstelling tot de meeloper bestaat er het begrip sympathisant, iemand die op basis van overtuiging aan een groep deelneemt.

Ideologieën, revoluties en grootschalig geweld[bewerken | brontekst bewerken]

Groepsdruk en groepsvorming spelen tijdens de ontwikkeling van een individu en een gemeenschap een belangrijke rol. Tijdens perioden van economische malaise kan een hoge groepsdruk ... tot en tijdens bepaalde perioden een belangrijke of ondergeschikte rol. Onder jonge adolescenten ... sociale onrust ... economische malaise ...

Denazificatie[bewerken | brontekst bewerken]

In het kader van de denazificatie in de drie westelijke bezettingszones van het naoorlogse Duitsland was de categorie meeloper (Mitläufer) de vierde van vijf categorieën waarin iemand in een Spruchkammerverfahren (de rechtbank die zich met de denazificatie bezighield) kon indelen. Meelopers in deze context waren individuen die niet in noemenswaardige mate bij de misdaden van het nationaalsocialisme betrokken waren, maar die ook geen verzet daartegen gepleegd hadden. Uiteindelijk werd 54% van alle gedaagden ingedeeld in deze categorie. Dit percentage komt aardig overeen met het percentage deelnemers aan het experiment van Milgram dat niet protesteert tegen de "straffen", die ze in opdracht van de "leider van het onderzoek", aan "proefpersonen" moeten geven.

Mao's Culturele Revolutie[bewerken | brontekst bewerken]

Mao Zedong lanceerde in 1966 de Culturele Revolutie, die in de eerste plaats was bedoeld om zijn machtspositie binnen de Communistische Partij van China zeker te stellen en zich van [[]] ... en een aantal andere revisionisten te ontdoen. Daarvoor richtte hij de Rode Gardes van strijdvaardige jonge adolescenten op die goed in de gaten hielden of alle chinezen zich aan ... hielden. het fameuze Rode Boekje

dijk[bewerken | brontekst bewerken]

Dijkperioden na 1800[bewerken | brontekst bewerken]

Een modern zinkstuk in elkaar gevlochten uit waterloten van schietwilgen. Vermoedelijk is de zwarte folie sterk landbouwplastic.

Na de Franse Revolutie en door de invloed van de Verlichting, maakte de waterbouwkunde na de achttiende eeuw een steeds snellere ontwikkeling door.

Zeedijken, dijkdoorbraken en zinkstukken[bewerken | brontekst bewerken]

In de achttiende en negentiende eeuw werd de techniek om zeedijken met zinkstukken te versterken verder verbeterd.[23] De eerste generaties zinkstukken werden van wilgentenen en goedkope netten gemaakt, maar ze werkten even goed als moderne zinkstukken die uit wilgentenen en een sterke kunststoffolies gemaakt worden.

In deze periode leverden dijkdoorbraken door stormvloeden en overstromingen van polders langs de Zuiderzee voor de veiligheid van de bevolking het grootste probleem op. Het plan van waterbouwkundige Hendrik Stevin uit 1667, om de Zuiderzee met een zware zeedijk af te sluiten werd in de negentiende eeuw opnieuw uit de kast gehaald. Omdat door de bouw van een zware zeedijk de kwetsbare kustlijn langs de Zuiderzee aanzienlijk verkort werd zou het risico op overstromingen effectief gereduceerd worden.

De Afsluitdijk en de Zuiderzeewerken[bewerken | brontekst bewerken]

Na de stormvloed van 1916 nam de Nederlandse overheid het besluit om de toegang tot de Zuiderzee af te dammen door tussen het eiland Wieringen en de Friese westkust een zware dam of zeedijk te bouwen. De Afsluitdijk zou met behulp van de modernste, beproefde technieken gebouwd worden volgens een ontwerp van Cornelis Lely uit 1891. Het ontwerp van Lely werd kritisch bekeken en op enkele punten verbeterd door een commissie onder leiding van de natuurkundige Hendrik Lorentz. Met de bouw van de Afsluitdijk werd in 1927 begonnen en dijk werd op 28 mei 1932 gedicht.

Van de Zuiderzeewerken werden na de Afsluitdijk het eerst de IJsselmeerpolders de Wieringermeer en de Noordoostpolder ingepolderd, resp. in 1930 en 1942.

De situatie op Walcheren op 31 oktober 1944

In de Tweede Wereldoorlog werden tijdens de slag om de Schelde begin oktober 1944 door de geallieerden een aantal zeedijken op het Zeeuwse eiland Walcheren doorgestoken. De strijd om Walcheren begon op 3 oktober 1944 met het eerste zware bombardement op Westkapelle en de Westkappelse Zeedijk. Daarna volgde een reeks bombardementen op 7, 11, 17 en 29 oktober op Westkapelle, op Veere en op de Nolledijk bij Vlissingen, de bunkercomplexen van de Duitse Atlantikwall rond Fort Rammekens en op Ritthem in het Sloegebied. De inundatie van Walcheren moest voorafgaand aan de grootscheepse amfibische landingsoperatie op Walcheren uitgevoerd worden.

De slag om de Sloedam begon op 30 oktober met zware artilleriebeschietingen vanaf zee. Op 1 november waren Westkapelle en Vlissingen bevrijd, waarna Zoutelande en andere dorpen volgden. De Duitsers boden hevig weerstand, gebruikten in Vlissingen veel verdekt opgestelde scherpschutters en zetten regelmatig de tegenaanval in, waarbij het hen soms lukte verloren gebied terug te winnen. Middelburg, Koudekerke en Veere werden als laatsten op 6 en 8 november bevrijd. De schade die de nazi's hadden aangericht had was enorm. Het zou, mede door een gebrek aan materieel en hout voor het bouwen van zinkstukken, tot 5 februari 1946 duren tot alle gaten in de dijken definitief waren gedicht.[24][25][26]

Na de Tweede Wereldoorlog werd de uitvoering van de Zuiderzeewerken voortgezet en volgden de inpolderingen van de Flevopolders, waarvan de inpolderingen van Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland resp. in 1957 en 1967 gereedgekomen zijn.

De Deltawerken[bewerken | brontekst bewerken]

In het jaar 1953 zijn in het zuidwesten van Nederland veel dijken doorgebroken. Deze gebeurtenis wordt de watersnoodramp genoemd. Naar aanleiding van deze grootschalige overstroming is het Deltaplan opgesteld en zijn de deltawerken in Zeeland en Zuid-Holland aangelegd. De veiligheidsnormen voor de dijken zijn in Nederland bijgesteld en sindsdien wordt er meer aandacht besteed aan het dijkonderhoud.[27]

In Vlaanderen waren er in 1976 overstromingen doordat de Schelde buiten haar oevers trad. De rand van de stad Antwerpen en een deel van de provincie West-Vlaanderen kwamen onder water te staan. Om te voorkomen dat de Schelde nog eens buiten haar overs zou treden, heeft de Belgische overheid het Sigmaplan ontwikkeld. Het Sigmaplan moet ervoor zorgen dat de Scheldedijken opgewassen zijn tegen stormvloeden.[28]

lit[bewerken | brontekst bewerken]

  • Jan Kikkert (1992): De wereld volgens Luns, Het Spectrum, Utrecht

Verwilderde honden[bewerken | brontekst bewerken]

Een groepje hongerige straathonden in de Roemeense hoofdstad Boekarest
Een groep verwilderde honden in de omgeving van het Russische Tsjeljabinsk.
Een wolf-hondhybride in een Spaans dierenpark. Naast genen uit het genenpakket van de wolf zitten er ook genen van verschillende poolhonden in het genenpakket van deze hybride.

Een verwilderde hond is een in het wild geboren hond (Canis lupus familiaris) die zich door verwildering niet meer aan de menselijke samenleving kan aanpassen.

dingo

Zwerfhonden en verwilderde honden[bewerken | brontekst bewerken]

Tussen zwerfhonden, 'oude' of 'primitieve' hondenrassen, zoals de Karakachan, en verwilderde honden kunnen door de meeste biologen weinig of geen opvallende, onderlinge verschillen ontdekt worden. Zwerfhonden zijn, in tegenstelling tot verwilderde honden, voldoende in de menselijke samenleving geïntegreerd zodat ze binnen een menselijke samenleving kunnen functioneren en overleven. Zwerfhonden hebben zich aangepast aan de menselijke samenleving, bijvoorbeeld door als waakhond op te treden door het gedeelde territorium tegen boeven en indringers te beschermen voor voedsel als tegenprestatie.

Verwilderde honden en sterke bastaarden[bewerken | brontekst bewerken]

Verwilderde honden zijn relatief sterke bastaardhonden die in rurale gebieden kunnen overleven omdat ze niet door genetische afwijkingen verzwakt zijn. Verwilderde honden zijn bijvoorbeeld niet afhankelijk van de aanwezigheid van bebouwing als beschutting tegen weersinvloeden.

In rurale streken en aan de randen van grote steden, worden de laatste decennia, naast zwerfkatten en zwerfhonden, steeds vaker verwilderde honden waargenomen. Met name in het zuidoosten en oosten van Europa vormen groeiende populaties verwilderde honden een toenemend probleem. Door de verstedelijking en de ontvolking van het platteland en ...

Vergelijkbare verschijnselen deden zich in Nederland voor door de verwildering van eenden en ganzensoorten ... soepgans en de soepeend.

Wolfshonden en verwilderde honden[bewerken | brontekst bewerken]

In het zuiden, het zuidoosten en oosten Europa, zoals in Roemenië en Bulgarije, in delen van Italië, Polen en Duitsland, en in delen van Rusland hybridiseren verwilderde honden mogelijk steeds vaker met de wolf (Canis lupus).

Verwilderde honden uit rurale gebieden in Rusland kunnen zelfs gedeeltelijk uit wolf-hondhybriden of wolfshonden bestaan. Wolfshonden zijn meestal sterker en moeilijker te resocialiseren dan willekeurige bastaardhonden. Daarom kunnen verwilderde wolfshonden agressiever en voor mensen gevaarlijker zijn dan willekeurige verwilderde bastaardhonden.

Devuan[bewerken | brontekst bewerken]

Devuan GNU/Linux is een Linuxdistributie die ​​eind 2014 is ontstaan als fork van Debian.[29] Devuan heeft zich van Debian afgesplitst om haar gebruikers de mogelijkheid te bieden om zelf te bepalen welk "init" proces zij willen gebruiken in plaats van de controversiële systemd daemon. Devuan verwijdert systemd en biedt de gebruiker in plaats daarvan een ​​zo breed mogelijk scala van init systemen die Debian ondersteunen.[30] Zodoende onderscheidt Devuan zich van de grootste Linuxdistributies die na de invoering van systemd is doorgevoerd.

De naam is afgeleid van "Dev-one" of "Dev-1" en de afkorting "VUA", die staat voor de naam van het ontwikkelingsteam "Veteraan UNIX Admins". Het ontwikkelteam bestaat onder andere uit Franco "nextime" Lanza en de dyne:bolic ontwikkelaars Denis "Jaromil" Roio en Daniel "Centurion" Reurich. In de eerste twee jaar ontving het project ongeveer $ 10.000 aan donaties. Devuan wordt ondersteund door de Dyne Foundation.

Hintergrund[bewerken | brontekst bewerken]

Linux-Systeme wurden traditionell durch das SysVinit-System gestartet, das seinerseits essentielle Startprogramme und Hintergrunddienste des Systems startet und überwacht. Dies wird durch eine Reihe von Shell-Skripten bewerkstelligt, die der „init“-Prozess sequentiell abarbeitet. Dieses als überholt angesehene Konzept sollte der im Jahr 2010 veröffentlichte systemd-Daemon ablösen. In der Folge führte die Mehrzahl der Linux-Distributionen systemd ein. Eine weitere Benutzung des SysVinit-Konzepts war nicht oder nur mit erheblichem Aufwand möglich. Diese Umstellung bei führenden Distributionen stieß bei Entwicklern, Administratoren und Anwendern auf Kritik und teilweise massive Ablehnung.

Mit der 2014 erschienenen Version 8 (Codename „Jessie“) führte Debian als letzte große Distribution systemd ein. Dabei wurde den Debian-Entwicklern für künftige Entwicklungen die Unterstützung des SysVinit-Konzepts „empfohlen“, jedoch nicht mehr vorgeschrieben. Auch hier kam es unter Befürwortern und Gegnern zu hitzigen Auseinandersetzungen, die zum Jahresende 2014 zu einem Austritt von Entwicklern und der Gründung des Devuan-Projekts führten. Die Devuan-Entwickler kommentierten: „Wir glauben, daß die Situation auch das Ergebnis eines längeren Prozesses ist, der zur Übernahme von Debian durch das Gnome-Projekt führen wird.“

vert[bewerken | brontekst bewerken]

Unixachtige besturingssystemen worden traditioneel opgestart door het SysVinit-systeem, dat op zijn beurt de essentiële opstartprocedures van het besturingssysteem opstart en controleert. De opstartprocedure voert een reeks shellscripts uit die door het "init"-proces sequentieel worden verwerkt. Deze verouderde aanpak was bedoeld om de systemd daemon uit 2010 te vervangen. Dientengevolge, de meerderheid van Linux-distributies geïntroduceerd systemd. Een ander gebruik van het SysVinit-concept was niet mogelijk of slechts met aanzienlijke inspanning. Deze verandering in toonaangevende distributies heeft ontwikkelaars, beheerders en gebruikers ontmoet van kritiek en soms massale afwijzing. [3] [4]

In 2014 bracht Debian versie 8 uit (codenaam "Jessie") introduceerde Debian het laatste grote distributiesysteem. Debian-ontwikkelaars werden echter "aangemoedigd" om het SysVinit-concept te ondersteunen voor toekomstige ontwikkelingen, maar waren niet langer verplicht om dit te doen. Opnieuw waren er verhitte discussies tussen voor- en tegenstanders, wat leidde tot het einde van 2014 tot een vertrek van ontwikkelaars en de oprichting van het Devuan Project. [5] [6] [7] Ontwikkelaars van Devuan merkten op: "Wij geloven dat de situatie het resultaat is van een langdurig proces dat uiteindelijk zal leiden tot de acquisitie van Debian door het GNOME-project." [8]

grooming (seksueel misbruik)[bewerken | brontekst bewerken]

Grooming is het opbouwen van een vriendschapsrelatie met een minderjarige voor het plegen van verschillende vormen van seksueel misbruik of chantage.[31] Daarbij gaat het vaak om het aanzetten tot het verrichten van seksuele handelingen voor een webcam, maar het kan bijvoorbeeld ook gaan om het verzamelen van sexting, die door de dader verkocht of verspeidt kan worden als kinderporno. Het materiaal kan afpersing loverboy. ...[32] [33]

stick pc[bewerken | brontekst bewerken]

The idea behind the creator of the Gumstix (on the left), a PC around the size of a stick of gum. There is an extension module on the right

Een stick PC of een PC op een stick, ook wel kortweg PC stick of stickcomputer genoemd, is een singleboardcomputer in een kleine, langwerpige behuizing die doet denken aan een groot formaat USB-dongle of USB-stick.

De meeste stick PC's kunnen rechtstreeks, zonder HDMI-kabel, op de HDMI-videopoort van een beeldscherm worden aangesloten. Een stickcomputer beschikt over een eigen CPU en verwerkingschips zodat ze niet afhankelijk is van de ondersteuning door andere computerapparatuur. Stickcomputers mogen niet worden verward met passieve (opslag)apparaten zoals USB-sticks. Doorgaans wordt een stickcomputer vanaf het lichtnet door een eigen voeding van stroom voorzien.

Een stick PC kan meestal op verschillende randapparaten worden aangesloten, zoals een monitor en een toetsenbord of een videocamera, om beeldmateriaal of geluidsuitvoer te verwerken. Een stickcomputer kan ook met een ethernetkabel verbonden worden om bijvoorbeeld als webserver op een privénetwerk te dienen.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De Gumstix, die in 2003 uitkwam, gebruikte ARM processoren in een Systeem op een Chip (SoC) en draaide op een Linux 2.6 kernel. Windows CE kan ook op deze stick geïnstalleerd worden. De Gumstix werd ontwikkeld op basis van het idee dat PC's gebouwd konden worden van het formaat van een pakje kauwgom.[34]

De Stick PC werd voor het eerst geïntroduceerd rond 2003. Sommige voorbeelden van Stick PC's zijn: De Android Mini PC MK802-serie van Rikomagic, op Android- of GNU/Linux-distributies, zowel op basis van Linux als Allwinner Technology of Rockchip SoC, [35][36][37] Cotton Candy, met behulp van Samsung Exynos SoC,

[5]

en de Fire TV Stick zijn slechts enkele voorbeelden. 1e generatie Google Chromecast in 2013

Op 24 juli 2013 lanceerde Google de Google Chromecast. Een streaming-apparaat dat lijkt op functionaliteit en ontwerp op een stick-pc. [6] [7]

In april 2013 lanceerde Tronsmart de MK908, met behulp van de Rockchip RK3188 (met de vierkante ARM Cortex-A9 en ARM Mali-400MP GPU). [8]

In 2013 heeft een klein Chinese bedrijf genaamd "MeeGoPad" de eerste x86-gebaseerde Stick PC uitgegeven, met de Intel © Atom ™ Z3735F Processor. [9]

In maart 2015 introduceerde Asus en Google de Chromebit, een sticks PC gebaseerd op de Rockchip RK3288 SoC en draait Google Chrome OS. [10] De Intel Compute Stick

Vanaf 2016 wordt Intel Compute Stick beschouwd als een van de eerste Intel x86-gebaseerde Stick PC's. [11]

hist[bewerken | brontekst bewerken]

The Stick PC was first introduced around 2003. Some examples of Stick PCs are: The Android Mini PC MK802 series from Rikomagic, using Android or GNU/Linux distributions, both based on Linux and Allwinner Technology or Rockchip SoC, [38][39][40] Cotton Candy, using Samsung Exynos SoC,[41] and the Fire TV Stick are just some examples.

1st generation Google Chromecast in 2013

On July 24 2013, Google introduced the Google Chromecast., a streaming device similar in function and design to a stick PC.[42][43]

In April 2013, Tronsmart released the MK908, using the Rockchip RK3188 (featuring the quad-core ARM Cortex-A9 and ARM Mali-400MP GPU).[44]

In 2013 a small Chinese company called "MeeGoPad" released the first x86 based Stick PC, featuring the Intel© Atom™ Z3735F Processor.[45]

In March 2015, Asus and Google introduced the Chromebit, a stick PC based on the Rockchip RK3288 SoC and running Google's Chrome OS.[46]

The Intel Compute Stick

As of 2016, Intel Compute Stick is considered one of the first Intel x86 based Stick PCs.[47]

See also[bewerken | brontekst bewerken]

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

han[bewerken | brontekst bewerken]

Een schematische voorstelling van een typisch thuisnetwerk uit het begin van deze eeuw.

Een huisnetwerk, thuisnetwerk of HAN (van het Engels: Home Area Network) is een computernetwerk dat gebruikt wordt in een woning of in een klein bedrijf. In Nederland zijn huisnetwerken rond de eeuwwisseling doorgebroken, na de liberalisatie van de telecomsector en de introductie van ADSL en kabelmodems op de consumentenmarkt.

Oorspronkelijk werden huisnetwerken vooral gebruikt voor het verbinden van pc's met een breedbandmodem en lokaal geïnstalleerde netwerkapparatuur, zoals een laserprinter en een netwerkschijf, en ze werden door gamers gebruikt voor het spelen van games als Doom en Quake. De netwerkverbindingen tussen de router ... via (10BASE-T) ethernetkabels. via een router voor een klasse-C privénetwerk. De gateway van de router werd verbonden met het breedbandmodem van een internetserviceprovider (ISP).

Tegenwoordig worden huisnetwerken echter meer gebruikt om draadloze apparaten via Wi-Fi onderling te verbinden. Sinds de inburgering van Wi-Fi worden huisnetwerken vooral gebruikt voor het onderling verbinden van apparaten als spelcomputers, laserprinters, internet- en DECT-telefoons, tabletcomputers en smart-tv's.

Sinds smartphones met Wi-Fi en GPS zijn uitgerust, en sinds 3G- en 4G-netwerken via meer laptops toegankelijk worden, raken huisnetwerken steeds verder met mobiel internet geïntegreerd. Daardoor kunnen gebruikers van een huisnetwerk tegenwoordig toegang krijgen tot smart grids, slimme meters, elektrische auto's of tot allerlei andere objecten op het internet der dingen.

ca[bewerken | brontekst bewerken]

Processorarchitectuur[bewerken | brontekst bewerken]

In 1971 kwam de eerste microprocessorchip, de Intel 4004, op de markt die samen met de 4001 ROM, de 4002 RAM en de 4003 schuifregisters, de MCS-4 chipset vormde waarmee een computer gebouwd kon worden. In 1972 volgde de Intel 8008, in 1974 de Intel 8080, in 1975 de Intel 8085 en in 1978 de Intel 8086. Eerst werden de chips gebruikt om eenvoudige rekenmachines te bouwen, maar in de loop van de jaren zeventig volgden de eerste in opcode programmeerbare, wetenschappelijke rekenmachines, zoals de Texas Instruments TI-30, TI-55 en SR-50, en de duurdere Hewlett-Packard HP-25 en HP-16C en Casio fx-39 rekenmachines. Sommige programmeerbare rekenmachines konden programma's en gegevens opslaan.

Zilog de Z8 en de Z80 ZX Spectrum[1][2]


Motorola 6800[3] MOS 6502[4][5][6] Atari 2600 spelcomputer uit 1977. Commodore 64 Apple II Intel 1103 Mostek 4 Kbit DRAM MT4096 en 16 Kbit DRAM MT4116.[7]

Instructieverwerking[bewerken | brontekst bewerken]

Schematische weergave van de stappen tijdens de verwerking van een instructie door een eenvoudige MIPS-CPU:
1. Instruction Fetch
2. Instruction Decode
3. Execute
4. Memory Access
5. Write Back
Het halfgeleidermateriaal in de NEC VR5000 RISC-processor, een 64-bit R5000 MIPS-processor van NEC uit 1996.[8]

De eerste figuur rechts laat het processchema zien van de verwerking van een instructie door een MIPS RISC-processor. In de figuur daaronder is het halfgeleidermateriaal in een MIPS-R5000-processor, de zogenaamde die, afgebeeld. Het processchema geeft de stappen weer in de verwerking van een instructie door een eenvoudige CPU met een Von Neumann-processorarchitectuur.

Een eenvoudige MIPS-processor verwerkt elke instructie in een cyclus waarin vijf stappen onderscheiden kunnen worden:[9]

  1. de instructie en de gegevens worden tijdens de IF-stap (Instruction Fetch) uit de level1-cache van het cachegeheugen opgehaald en de Program Counter wordt verhoogd,
  2. de instructie, geheugenadressen en data worden tijdens de ID-stap (Instruction Decode) in het instructieregister en de adres- en dataregisters geplaatst,
  3. de instructie en de gegevens in de registers worden tijdens de EX-stap (EXecute) verwerkt,
  4. de resultaten in de registers worden tijdens de MEM-stap (MEMory access) in het cachegeheugen opgeslagen,
    1. als de instructie helemaal is uitgevoerd dan wordt de volgende instructie uitgevoerd (IF-stap, stap 1),
    2. als de instructie nog niet helemaal is uitgevoerd, dan volgt de WB-stap, stap 5,
  5. tijdens de de WB-stap (Write Back) wordt opdracht gegeven om de volgende ID-stap, stap 2 in de verwerkingscyclus, uit te voeren.

In het schema is de rol van functionele eenheden, zoals arithmetic logic units (ALU's) en multiplexers (MUX), in het verwerkingsproces met symbolen weergegeven.

De verwerking van elke instructie verloopt volgens een reeks stappen en cycli die begint bij stap 1 en uiteindelijk hoort te eindigen bij stap 4:

... -> 1 -> 2 -> 3 -> 4 (-> 5 -> 2 -> 3 -> 4)n -> 1 -> ...
(PC = PC + 1) ........ (PC = PC + 1)

waarbij n het aantal cycli is dat doorlopen moet worden om de operatie te voltooien.

Verwerkingscycli[bewerken | brontekst bewerken]

De waarde van het aantal verwerkingscycli n van een instructie is afhankelijk van het soort operatie en de waarden van de te verwerken gegevens in de registers. Voor het uitvoeren van een zogenaamde NOP-instructie, d.w.z. een "No OPeration"-instructie, is n gelijk aan 0. Tijdens het uitvoeren van een NOP-instructie worden geen gegevens uit het geheugen opgehaald of naar het geheugen weggeschreven, maar de waarde van de programmateller (Program Counter, PC) wordt voor het uitvoeren van een NOP-instructie wel verhoogd.

Hoeveel verwerkingscycli nodig zijn voor het uitvoeren van een instructie hangt af van de instructie, de processorarchitectuur en de aanwezigheid van coprocessoren. Een binaire bits-gewijze logische operatie kan over het algemeen in een enkele cyclus uitgevoerd worden. Voor het uitvoeren van een optelling van twee gehele getallen zijn meerdere cycli nodig. Het uitvoeren van een vermenigvuldiging vraagt om een veelvoud van het aantal verwerkingscycli dat voor een optelling nodig is.

Cachegeheugen en werkgeheugen[bewerken | brontekst bewerken]

Sinds de introductie van de Intel 80486 SX en de 80486 DX2/66, met 8 kB cachegeheugen en een cachecontroller in de CPU, werden steeds meer processoren voorzien van een ingebouwd cachegeheugen.[10] Bovendien had de DX2/66 versie een ingebouwde 80487 floating-point coprocessor en een interne klokfrequentie die twee maal zo hoog was als de 33 MHz klokfrequentie van de systeembus.[11]

Het gebruik van een relatief klein, duur, maar snel, SRAM-cachegeheugen is noodzakelijk omdat de CPU de meeste instructies sneller verwerkt dan ze via de systeembus uitgewisseld kunnen worden tussen de CPU en de grote, goedkope, maar trage DRAM-modules van het werkgeheugen. Het beheer van het cachegeheugen en de datacommunicatie met het werkgeheugen, wordt door speciale microcontrollers verricht die de geheugenhiërarchie van de computer beheren.

Het werkgeheugen bevindt zich in de RAM-modules op het moederbord, terwijl het cachegeheugen en de cachecontrollers sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw in de CPU-chip zijn geïntegreerd. In de schema's wordt met de rood gekleurde vakjes het cachegeheugen in de processor bedoeld. Als processoren sneller worden, waardoor het verschil in verwerkingssnelheid tussen CPU, uitgedrukt in MIPS of FLOPS, en werkgeheugen toeneemt, worden er meer levels of lagen cachegeheugen gebruikt. Het aantal lagen cachegeheugen kan tegenwoordig tot drie lagen oplopen, terwijl die lagen steeds groter worden en sneller werken.

Essentiële aminozuren[bewerken | brontekst bewerken]

Twee essentiële aminozuren bevatten een zwavelatoom, te weten de vrij schaarse aminozuren cysteïne en methionine. disulfidebrugen keratine hoornlaag van de huid, vogelveren en beharing

  • Kaarten met waarnemingen:

Leni Riefenstahl[bewerken | brontekst bewerken]

Naast Eva Braun was Leni Riefenstahl een vrouw die een vrij belangrijke rol in Hitlers leven gespeeld heeft. Tijdens het vijfde congres van de NSDAP op de Reichsparteitagsgelände in Neurenberg maakt ze de opnames voor Der Sieg des Glaubens. Triumph des Willens

vdw[bewerken | brontekst bewerken]

De kracht is relatief klein; de grootte ervan hangt sterk af van de polariseerbaarheid van de moleculen. De polariseerbaarheid is een maat voor het gemak waarmee de elektronenwolk van een edelgasatoom of een apolair molecuul door een elektrisch veld vervormd kan worden zodat tijdelijke dipolen gevormd worden. Grote atomen of moleculen zijn eenvoudig polariseerbaar: ze bezitten veel elektronen, waarvan een gedeelte zich ver van de atoomkern bevindt, en dus zijn de vanderwaalskrachten groter. De edelgassen en de halogenen en hun verbindingen zijn in dit opzicht interessante systemen om te beschouwen wat betreft de vanderwaalskrachten. Fluor (F2) bezit relatief weinig elektronen, ondervindt dus een vrij kleine kracht en is daarom gasvormig. Di-jood (I2) bezit relatief veel elektronen, ondervindt een veel grotere kracht en is bijgevolg een vaste stof. Chloorgas ligt dichter bij fluor en is ook gasvormig, maar heeft een hoger kookpunt (-34,0 °C voor Cl2; -188,13 °C voor F2). Het is bijgevolg ook gasvormig. Dibroom (Br2) ligt qua elektronendichtheid dichter tegen di-jood aan en is dus vloeibaar. Het kookpunt ligt dan ook lager dan dat van di-jood (58,8 °C voor Br2; 184,2 °C voor I2), maar hoger dan dat van dichloor.

Het metastabiele, licht ontvlambare en explosieve tetrafluoretheen vormt bij kamertemperatuur spontaan een laag teflon op een ijzeroppervlak.

Ook de vorm van het molecuul is van belang, indien er een goed (dicht) contact tussen de verschillende moleculen mogelijk is, dus als het molecuul erg regelmatig van vorm is en geen uitstulpingen bevat, is de vanderwaalskracht groter.

hybr[bewerken | brontekst bewerken]

Van de edelgasverbindingen is van krypton het instabiele kryptondifluoride bekend. Van xenon zijn verbindingen met verschillende coördinatiegetallen bekend waarvan een aantal xenonoxiden, xenonfluoriden en xenonfluoroxiden, zoals xenontrioxide, xenondifluoride en xenontetrafluoride. In xenonatomen kunnen de elektronen uit de buitenste 5p-orbitalen vrij gemakkelijk naar verschillende, energetisch iets hoger gelegen lineaire combinaties van de 5p-orbitalen met de onbezette 6s-orbitalen verhuizen:

Vrij xenon atoom: [Kr] 5s2 4d10 5p6
Gepolariseerde xenon hybride: [Kr] 5s2 4d10 5p4 6s2

Door de hybridisatie komen nieuwe, gedeeltelijk gevulde hybriden beschikbaar die moleculaire orbitalen kunnen vormen in combinatie met de gedeeltelijk gevulde 2p-orbitalen van omringende zuurstof- of fluoratomen. Omdat de elektronegativiteiten van fluor (~4,0) en zuurstof (~3,5) veel hoger zijn dan de elektronegativiteit van het gepolariseerde xenonatoom (~2,5) zijn de xenonverbindingen polaire verbindingen.

De xenonionen hebben een coördinatiegetal en een oxidatiegetal van 4 en +8 in xenontetraoxide en van 3 en +6 in xenontrioxide. De elektronenconfiguraties van de ionen kunnen weergegeven worden als:

Xe8+: [Kr] 4d10
Xe6+: [Kr] 5s2 4d10

IP-pakket[bewerken | brontekst bewerken]

00 01 02 03 04 05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 (bit position)
Versie IHL QoS Lengte  
ID   0  DF MF Fragment Offset  
TTL Protocol Controlesom  
Bronadres  
Bestemmingsadres  

two[bewerken | brontekst bewerken]

Machtswisselingen en bezettingslegers[bewerken | brontekst bewerken]

Het Britse publiek begreep dat de Duitse invallen in Denemarken en Noorwegen niet het gevolg waren van het falen van de geallieerden maar het resultaat waren van de vredespolitiek van Chamberlain en de foute inschattingen die de Franse en Engelse regeringsleiders in de voorgaande jaren van Hitlers bedoelingen gemaakt hadden. Toen de Duitsers operatie Weserübung starten raakte de regering Chamberlain in een crisis. Op 10 mei 1940, de dag waarop de Duitse aanvallen op de Lage Landen van start gingen, werd in Londen een nieuw oorlogskabinet onder leiding van Winston Churchill geïnstalleerd.

Koning Christiaan X van Denemarken mocht van Hitler op de troon blijven zitten als de Deense regering met de nazi's zou meewerken. Christiaan X en de Denen stemden officieel met Hitlers voorwaarden in maar frustreerden vervolgens elke maatregel die bezetter in Denemarken wilde doorvoeren. Koning Haakon VII van Noorwegen week uit naar Engeland om het verzet tegen de regering van de Noorse nationaalsocialist Vidkun Quisling te leiden. In Noorwegen en Denemarken moesten de nazi's een bezettingsleger van rond de 300.000 man stationeren om de rust onder de bevolking behouden en hun machtspositie te handhaven.

sb[bewerken | brontekst bewerken]

Schematische weergave van de functies van een computerbus

De systeembus is een verzameling van bussen die dienen voor de communicatie van de CPU met de andere delen van de computer.

De systeembus bestaat uit de volgende onderdelen:

Servers, pc's en laptops[bewerken | brontekst bewerken]

Intel LGA 1150-CPU-socket

De systeembus op het moederbord van een moderne server, pc of laptop is bijvoorbeeld een DMI-bus, een HT-bus of een front-side bus (FSB). De DMI-bus, de HT-bus of de FSB verbindt de CPU-socket op de printplaat van het moederbord met de chipset. De chipset is een geïntegreerde schakeling die de gegevensoverdracht verzorgt tussen de CPU, het werkgeheugen, de GPU, de harde schijf, de PCIe-bus, USB-poorten en alle andere perifere schakelingen. In de chipsets in moderne pc's zijn de northbridge microcontroller voor het werkgeheugen en de AGP-poort, en de southbridge microcontroller voor de I/O, geïntegreerd.

Bussnelheid[bewerken | brontekst bewerken]

De bussnelheid is het maximale aantal gegevenstransacties per seconde over een systeembus. Meestal wordt de bussnelheid uitgedrukt in MHz of GHz of in mega- of gigatransacties per seconde (MT/s of GT/s).

Bevrijding van Groningen[bewerken | brontekst bewerken]

[12]

Schade[bewerken | brontekst bewerken]

Verspreiding[bewerken | brontekst bewerken]

In 2004 raakten wereldwijd meer dan vijf miljoen mensen besmet met het virus. Dat was het hoogste aantal tot op dat moment. De directeur van het aidsprogramma van de Verenigde Naties, de Belg Peter Piot, stelt dat de epidemie zich pas in de aanloop bevindt. Hij verwacht een sterke stijging in de komende jaren. In 2012 steeg het aantal hiv ...[13]

Risicogroepen[bewerken | brontekst bewerken]

Hoog risico[bewerken | brontekst bewerken]

UNAIDS noemt in haar rapporten een aantal groepen met een hoog besmettingsrisico, vaak aangeduid als High Risk Groups (HRG):

  • spuitende drugsverslaafden (IDU - Injecting Drug Users),
  • seksueel actieve homoseksuelen (MSM - Man who have Sex with Men),
  • mannelijke of vrouwelijke prostituees (CSW of FSW - Commercial of Female Sex Workers).

Preventie van verdere verspreiding van hiv geschied door voorlichting, het verstrekken van injectienaalden aan verslaafden en het verstrekken van condooms.[14] In brede lagen van de bevolking in ontwikkelingslanden, zoals in het zuiden en zuidoosten van Azië, is weinig bekend over oorzaken van ziekten. In 2002 was in Mumbai rond 60% van de prostituees seropositief.[15] Door voorlichting en het verstrekken van condooms kon het percentage hiv-besmettingen onder prostituees in Calcutta in 2002 tot 10 % beperkt worden.

Verhoogd risico[bewerken | brontekst bewerken]

Daarnaast noemt UNAIDS verschillende kwetsbare minderheden met een verhoogd risico om een hiv-besmetting op te lopen. Daaronder vallen bijvoorbeeld:

Gemiddeld tot laag risico[bewerken | brontekst bewerken]

Tot slot zijn er groepen in de leeftijd tussen 15 en 49 jaar die een gemiddeld of relatief laag risico lopen met hiv besmet te raken. In veel publicaties van UNAIDS worden mensen met een laag of gemiddeld risico tot de general population gerekend. Tot deze groepen met een gemiddeld of relatief laag risico behoren onder andere:

  • hetero- en homoseksuele stellen met een vaste relatie,
  • alleenstaanden met een hoger of middeninkomen,
  • ...

India[bewerken | brontekst bewerken]

Kwetsbare groepen[15] 60 % van de prostituees in Mumbai was in januari 2002 seropositief, en 15 tot 35 % van de vrachtwagenchauffeurs

PPTCT[16]

Dhaka[17]

CSW[bewerken | brontekst bewerken]

FSW Vietnam[18]

Groep Jaar
2000 2001 2002 2004 2005 2006
Commercial
Sex Workers
8,33 % 15,26 % 23,78 % 32,4 % 16,8 % 33,9 %
Waitresses 0,3 % 1 % 0,5 % 0,78 % 0,49 % 2,6 %

Japan[19]

Bangladesh[20]

Zuid-Oost en Zuid Azie intieme relaties[21][22]

koptxt[bewerken | brontekst bewerken]

Een koptekst of header staat aan het begin van een computerbestand of datagram en beschrijft de eigenschappen van dat bestand of de structuur van het gegevenspakket.

Vóór het computertijdperk bestond het begrip hoofding al als aanduiding van "titel van hoofdstuk of paragraaf". Vooral Belgische scripties werden aldus ingedeeld. In Nederland gebruikt men daarvoor doorgaans het begrip "kop(je)".

Voorbeelden van gegevens die in de koptekst vermeld worden zijn:

en bij geluidsbestanden bijvoorbeeld ook de bitrate en bemonsteringsfrequentie. Soms wordt ook de versie van een bestandstype of datastructuur in de koptekst vermeld.

Ook websites kunnen in de <head>-secties van HTML-bestanden gebruikmaken van een koptekst met informatie die voor een bezoeker van de website onzichtbaar blijft. Deze header bevat belangrijke informatie (javascripts, CSS-opmaak, titel, metagegevens) die over de hele webpagina gebruikt zal worden. Een ander begrip bij websites is een grote afbeelding (die het logo en de naam van de website bevat) bovenaan de website. Een e-mailbericht begint steeds met een header. Aanvankelijk staat hierin weinig meer dan het onderwerp, de afzender en de geadresseerde, maar in de loop van de verzending wordt er steeds informatie aan de header toegevoegd, zodat de ontvanger kan zien langs hoe het bericht bij hem is gekomen. Bij normaal gebruik van een e-mailprogramma wordt de header niet getoond.

Braakbal[bewerken | brontekst bewerken]

Schematische weeggave van de verwerking van een query binnen de systeemarchitectuur van de Wikimedia Commons database.

Systeemarchitectuur[bewerken | brontekst bewerken]

Schematische weeggave van de verwerking van een query binnen de systeemarchitectuur van de Wikimedia Commons database.

In hedendaagse toepassingen worden vaak meerdere CPU's met grotere functionele eenheden, zoals FPU's, een GPU, DMA en een USB-hub, samen op een System on Chip of SoC ondergebracht.

voor de verschillende elektronische componenten en microchips waaruit een computer is opgebouwd. , zoals een CPU, SoC of microcontroller,

Computerarchitectuur kan in een breder verband ook gedefinieerd worden als de wetenschap en de kunst van het selecteren en verbinden van hardware-onderdelen om computers te bouwen die voldoen aan eisen van functionaliteit, prestatie en kostprijs. De term wordt bijvoorbeeld gebruikt voor:

De verzameling machine-eigenschappen moeten ontwikkelaars van besturingssystemen en toepassingen begrijpen om de computer te kunnen programmeren.

Computerarchitectuur wordt als vak op alle informaticascholen behandeld.

next[bewerken | brontekst bewerken]

Kernsplijting en radioactief verval[bewerken | brontekst bewerken]

In 1939 ontdekte Lise Meitner de kernsplijting ...

Kernfysica vs deeltjes-, atoom- en chemische fysica[bewerken | brontekst bewerken]

Tot in de jaren '60 van de twintigste eeuw bevond de kernfysica zich ... De kernfysica verschilt op een aantal punten van de deeltjesfysica aan de kant van de hogere energieën en vakgebieden als atoomfysica, vastestoffysica en kwantumchemie aan de lagere energieën:

  • het aantal nucleonen in een atoomkern is minstens twee maal zo groot als het aantal elektronen in de elektronenwolk rond de atoomkern,
  • de nucleonen hebben hoge energieën zodat berekeningen deels in relativistische ruimtetijd-stelsels uitgevoerd moeten worden,
  • de combinatie van QCD en QED maakt de wisselwerking tussen nucleonen ingewikkeld.

Omdat de wisselwerkingen tussen de nucleonen complexer zijn dan de elektromagnetische wisselwerkingen tussen elektronen in atomen, moleculen en vaste stoffen, is het lastig om voor atoomkernen eenvoudige rekenmodellen te ontwikkelen.

Magnetisch moment =[bewerken | brontekst bewerken]

De kern ...

Kernspin[bewerken | brontekst bewerken]

Het Pauliprincipe verbiedt dat twee gelijksoortige nucleonen met dezelfde spin dezelfde orbitaal bezetten. Daarom kan een nucleon alleen met een nucleon van dezelfde soort met tegengestelde spin dezelfde orbitaal bezetten. Gevulde schillen met gepaarde spins vormen een singlet.

Temperatuurs- en massaverhoudingen[bewerken | brontekst bewerken]

Bij standaardomstandigheden is de gemiddelde snelheid van een gasmolecuul met molecuulmassa M:

Gemiddelde snelheid van gasmoleculen
(km/s)
Gas M Temperatuur
-100 °C -50 °C -25 °C 0 °C 20 °C 40 °C
Helium 4,00 0,957 1,087 1,146 1,202 1,246 1,287
Methaan 16,04 0,477 0,543 0,572 0,600 0,622 0,643
Waterdamp 18,02 0,451 0,512 0,540 0,566 0,587 0,607
Neon 20,17 0,426 0,484 0,510 0,535 0,555 0,373
Stikstof 28,01 0,362 0,411 0,433 0,454 0,471 0,486
Zuurstof 32,00 0,338 0,384 0,405 0,425 0,440 0,455
Argon 39,95 0,303 0,344 0,363 0,380 0,394 0,407
Kooldioxide 44,01 0,289 0,328 0,345 0,363 0,375 0,388
Ozon 48,00 0,276 0,314 0,331 0,347 0,360 0,372
Krypton 83,80 0,210 0,237 0,250 0,263 0,272 0,281
Xenon 131,30 0,167 0,190 0,200 0,210 0,217 0,225

Voor helium ligt de meest gemiddelde snelheid onder standaardomstandigheden rond de 1,25 km/s.

De ontsnappingssnelheid is ongeveer 11,2 km/s.

ref[bewerken | brontekst bewerken]

Krane[26]

Statistische mechanica bij T = 0 K[bewerken | brontekst bewerken]

Fermi-verdeling voor verschillende temperaturen (rode lijn: T = 0 K)

De protonen en neutronen bezetten de beschikbare energieniveaus in een kern volgens de Fermi-Diracstatistiek:

De afstand tussen de energieniveaus in een kern is onder standaardomstandigheden groot in vergelijking met de energie van de temperatuurbeweging kB T.[27][28] Daarom zijn onder standaardomstandigheden de energieniveaus t/m het Fermi-niveau volledig bezet zoals bij een statistische verdeling bij het absolute nulpunt.

Over het algemeen is het thermodynamisch gunstig wanneer geen enkele orbitaal onbezet blijft en elektrische en magnetische velden zo klein mogelijk zijn. Daarom zijn radicalen en tripletzuurstof zo reactief en vervallen zware atoomkernen met een groot neutronenoverschot en een even aantal nucleonen vaak via α- en β-verval naar een singlet grondtoestand.

Kernfusie[bewerken | brontekst bewerken]

De temperatuur waarbij een bepaalde kernreactie kan verlopen hangt af van de activeringsenergie EA en ligt in de orde van grootte van T = EA / kB. De temperatuur in de kern van de Zon ligt rond de 15,7 × 106 K en is hoog genoeg om de kernfusiereacties van de CNO-cyclus te laten verlopen.

Nucleosynthese en bindingsenergie[bewerken | brontekst bewerken]

Bindingsenergie per nucleon als functie van het massagetal

De massa van een kern is niet gelijk aan de som van de massa's van de protonen en neutronen in de kern. Als de uitkomst van deze simpele optelsom met de werkelijke massa van de kern wordt vergeleken dan levert dat een verschil op dat het massadefect van de atoomkern wordt genoemd. Dit massadefect wordt veroorzaakt door de bindingsenergie tussen de nucleonen in de kern die tijdens de nucleosynthese is vrijgekomen.

In de afbeelding rechts is voor de meest stabiele isotopen de bindingsenergie per nucleon tegen hun massagetal uitgezet. Het valt direct op dat de bindingsenergie per nucleon voor kernen met een laag massagetal sterk stijgt als het massagetal toeneemt. Door de kernfusie van lichte kernen komt blijkbaar veel warmte vrij. De elementen met een massagetal lager dan 8 zijn waarschijnlijk tijdens de oerknal-nucleosynthese ontstaan, in een periode van 3 tot 20 minuten na de oerknal. Elementen zwaarder dan lithium en koolstof konden pas gevormd worden door de nucleosynthese in zware sterren.

Nucleosynthese van lichte isotopen[bewerken | brontekst bewerken]

De vorming van lichte isotopen kan in de proton-protoncyclus ... CNOF-cyclus en het triple-alfaproces ...

Iso Z A N NO M (u) spin BE (MeV) RA (%) VV VP
01n 0 1 1 1 1.008 664 915 88 1/2 0,0 β- 1H (100 %)
1H 1 0 -1 1,007 825 032 07 99,985
2H 2 1 0 2,014 101 777 85 1+ 1,112 283 0,015
3H 3 2 1 3,016 049 277 67 1/2+ β- 3He (100 %)
3He 2 1 -1 3,016 029 319 14 2,572 681 0,000137
4He 4 2 0 4,002 603 254 15 0+ 7,073 915 ~ 100,0
6He 6 4 2 6,018 889 1 0+ β- 6Li (99,99 %)
6Li 3 3 0 6,015 122 794 1+ 5,332 345 7,59
7Li 7 4 1 7,016 004 548 3/2- 5,606 291 92,41
9Li 9 6 3 9,026 789 5 3/2- β- 9Be (49,2 %)
9Be 4 5 1 9,012 182 201 6,462 758 100,0
10Be 10 6 2 10,013 533 818 0+ sporen β- 10B (100 %)
10B 5 5 0 10,012 936 992 3+ 6,475 071 19,9
11B 11 6 1 11,009 305 406 3/2- 6,927 711 80,1
12B 12 7 2 12,014 352 1 1+ β- 12C (98,4 %)
12C 6 6 0 12,000 000 000 0+ 7,680 144 98,89
13C 13 7 1 13,003 354 84 1/2- 7,469 849 1,109
14C 14 8 2 14,003 241 989 0+ sporen β- 14N (98,4 %)
14N 7 7 0 14,003 074 005 1+ 7,475 614 99,636

Meest stabiele isotopen[bewerken | brontekst bewerken]

De meest stabiele isotopen hebben een massagetal van rond de 60. Daarvan heeft nikkel-62 de hoogste bindingsenergie per nucleon. De kernen van deze zeer stabiele elementen hebben een klein neutronenoverschot, een negatief massa-overschot en een hoge bindingsenergie per nucleon. Het massa-overschot wordt gewoonlijk uitgedrukt in de eenheid MeV en is een maat voor de bindingsenergie tussen de nucleonen in de kern. Hoe lager het massa-overschot, hoe hoger de bindingsenergie per nucleon en hoe stabieler de kern. In de grafiek rechts staat de bindingsenergie per nucleon voor de meest voorkomende isotopen uitgezet tegen het massagetal.

neutronenvangst

Iso Z A N NO M (u) MO (MeV) BE (MeV]])
54Fe 26 54 28 2 53,939610501 -56,252456 8,736344
56Fe 56 30 4 55,934937475 -60,605352 8,790323
57Fe 57 31 5 56,935393969 -60,18013 8,770249
58Fe 58 32 6 57,933275558 -62,153418 8,792221
60Fe 60 34 8 59,934071683 -61,411832 8,755831
58Ni 28 58 30 2 57,935342907 -60,227694 8,732041
60Ni 60 32 4 59,930786372 -64,472079 8,780757
62Ni 62 34 6 61,928345115 -66,746096 8,794549
64Ni 64 36 8 63,927965959 -67,099277 8,777467
Iso Z A N NO M (u) MO (MeV) BE (MeV]])
232Th 90 232 142 52 232,038055325 35,448307 7,615026
235U 92 235 143 51 235,043929918 40,920456 7,590907
238U 238 146 54 238,050788247 47,308948 7,57012

IT[bewerken | brontekst bewerken]

Een isomerische transitie of IT is een kernfysisch vervalproces. Een aangeslagen toestand van een atoomkern vervalt door een IT naar de grondtoestand of een energetisch lager gelegen toestand.

Vervalprocessen, tijdschalen en open systemen[bewerken | brontekst bewerken]

De overgangen tussen de traditionele aggregatietoestanden (S (solid) = vast, L (liquid) = vloeibaar, G = gasvormig)

De halveringstijden en aggregatietoestanden van verschillende radionucliden kunnen sterk variëren binnen een vervalreeks. Binnen de lange vervalreeksen van actiniden komen naast reeksen met relatief lange halveringstijden ook reeksen voor met relatief korte halveringstijden. Behalve de vervaltijden kunnen ook de fysische en chemische eigenschappen van de nucliden binnen een vervalreeks sterk variëren. Onder standaardomstandigheden bevinden waterstof, stikstof, zuurstof, fluor, chloor en alle edelgassen zich in de gasfase terwijl de meeste chemische verbindingen en mengsels zich in de vloeistoffase, vaste fase of in een mengfase bevinden. Op plaatsen waar de omstandigheden sterk van de standaardomstandigheden verschillen, zoals onder de aardkorst of op het oppervlak van een andere planeet dan de Aarde, zijn de fasen van stoffen vaak anders onder standaardomstandigheden op Aarde.

Verkorte tabel van de uraniumreeks[bewerken | brontekst bewerken]

De tabel hieronder is een verkorte versie van de vervalreeks van uranium-238.

Vervalreeks van uranium-238
Iso Halveringstijd VV VE (MeV) VP
238U 4,468 × 109 j α 4,26975 234Th
234Th < 25 min 2 β- ~ 2,5 234U
234U 2,4566 × 105 j α 4,85773 230Th
230Th 75.438 j α 4,767 226Ra
226Ra 1.600 j α 4,781 222Rn
222Rn 3,825 d α 5,590 218Po
218Po ~ 30 minuten 2 α + 2 β- ~ 18 210Pb
210Pb 22,20 j β- 0,061 210Bi
210Bi ~ 150 dagen α + β- ~ 6,5 206Pb
206Pb stabiel

Drie vervalreeksen met korte vervaltijden zijn in deze tabel in een enkele rij samengevat:

  • de vervalreeks van thorium-234 naar uranium-234 van twee stappen,
  • de vervalreeks van polonium-218 naar lood-210 van vier stappen,
  • de vervalreeks van bismut-210 naar lood-206 van twee stappen.

De verschillen in vervaltijden zijn onder andere van belang voor radiometrische dateringen.

Geologische en archeologische tijdschalen[bewerken | brontekst bewerken]

Bij radiometrische datering Uranium-thoriumdatering Uranium-looddatering

Menselijke tijdschaal[bewerken | brontekst bewerken]

Biochemie en geneeskunde[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens radiochemisch onderzoek in de biochemie en de moleculaire biologie worden onder andere kleine hoeveelheden koolstof-11 en fosfor-32 als isotopisch label gebruikt.

In de nucleaire geneeskunde en de radiologie worden zeer kleine hoeveelheden van hoogradioactieve isotopen gebruikt, zoals technetium-99m, jodium-123 en fluor-18. De gebruikte isotopen hebben bijna altijd zeer korte vervalreeksen en korte vervaltijden. De isotopen worden onder andere gebruikt voor radiotherapie en diagnostiek, zoals het maken van PET- en SPECT-scans. De vervaltijden van de meeste isotopen die voor geneeskundige doeleinden worden toegepast liggen tussen enkele tientallen seconden tot enkele dagen. Jodium-123 en fluor-18 vervallen tot het stabiele telluur-123 en zuurstof-18. Technetium-99m vervalt tot het relatief licht radioactieve technetium-99.

Radioactief afval[bewerken | brontekst bewerken]

Radioactief afval afkomstig van bestraalde kernbrandstof bevat grote hoeveelheden nucliden met vervaltijden die variëren van enkele (tientallen) jaren tot miljoenen jaren, zoals cesium-134, cesium-137, cesium-135 en strontium-90. Als gevolg van thermolyse van splijtstofmateriaal kunnen tijdens een kernramp grote hoeveelheden hoogradioactieve isotopen hoog in de atmosfeer terechtkomen. Isotopen met een vervaltijd van enkele dagen tot een paar weken, zoals jodium-131, kunnen door een brand binnen een paar dagen over een groot gebied verspreid worden. Elementen als cesium en jodium hebben een relatief lage verdampingswarmte en laag kookpunt in vergelijking met andere materialen waaruit splijtstofstaven en andere onderdelen van een kernreactor zijn vervaardigd. Veel nucliden kunnen gemakkelijk verdampen bij de hoge temperatuur tijdens een reactorbrand waarbij een deel van het koelwater ontleedt in waterstofgas en zuurstof.

Radon en thoron[bewerken | brontekst bewerken]

Radon en thoron zijn edelgassen die gemakkelijk ontsnappen en vervolgens met de lucht ingeademd kunnen worden. Tijdens het verval van uranium-238 naar een lood-206 gaat het nuclide ongeveer een week in de gedaante van het edelgas radon-222 door het leven. Radon-220, dat tijdens het verval van thorium-232 naar lood-208 gevormd wordt, bestaat ongeveer een minuut maar het geeft in die korte tijd een relatief hoge dosis straling af. Radon en thoron zitten meestal vrij diep onder het aardoppervlak in harde, zware gesteenten als basalt en graniet opgeslagen. Sommige bouwmaterialen die in de woningbouw toegepast worden kunnen relatief hoge concentraties nucliden uit de vervalkeeksen van uranium-238 en thorium-232 bevatten.[29][30][31][32]

Het is verstandig om ruimten waarin radon of thoron ontsnapt goed te ventileren om te voorkomen dat een te hoge concentratie van het gas ingeademd wordt. Als radon of thoron in de longen naar polonium-218 of polonium-216 vervalt dan kan het in de longen achterblijven en in het lichaam opgenomen worden waar het verder vervalt.

Korte tijdschalen[bewerken | brontekst bewerken]

cesium-112 heeft een halveringstijd van 0,5 milliseconden en heeft een relatief lange vervalreeks met veel vertakkingen.[33] In de eerste stap vervalt cesium-112 door protonemissie naar de radio-isotoop xenon-111.

Radioactieve verontreinigingen[bewerken | brontekst bewerken]

Voor een nuclide die aan het begin van een van de drie ingekorte reeksen uit het systeem ontsnapt geldt het volgende:

  • Ongeveer 40 minuten nadat een bepaalde hoeveelheid radon-222 onder uitzending van alfastraling naar polonium-218 is vervallen, vervallen vergelijkbare hoeveelheden polonium-218, lood-214, bismut-214 en polonium-214 onder uitzending van alfa- en betastraling. De energie van deze straling is ruim drie keer zo hoog als de energie van de alfastraling van het vervallende radon-222.
  • Ongeveer een half jaar nadat een bepaalde hoeveelheid lood-210 onder uitzending van betastraling naar bismut-210 is vervallen, zijn vergelijkbare hoeveelheden bismut-210 en polonium-210 vervallen onder uitzending van alfa- en betastraling.

gme[bewerken | brontekst bewerken]

Hans Geiger en Ernest Marsden voerden van 1908 tot 1913, in samenwerking met Ernest Rutherford, een aantal verstrooiingsexperimenten uit met α-straling die bekend staan als Geiger-Marsden-experiment. De experimenten werden uitgevoerd met folies van verschillende metalen en van verschillende dikte. In 1908 had Geiger de resultaten gepubliceerd van een zeer eenvoudig verstrooiingsexperiment met α-straling en folies van goud en aluminium met twee verschillende dikten. Met dit eerste experiment toonde Geiger aan dat goud α-straling veel sterker verstrooit dan aluminium.[34]

Stralingsbron en scintillator[bewerken | brontekst bewerken]

Figuur 1. Stralingsbron en scintillator met microscoop uit 1913 voor het verstrooiingsexperiment.

Geiger gebruikte 226Ra als stralingsbron. Radium eindigt aan het eind van zijn vervalreeks, na uitzending van 5 α-deeltjes en 4 elektronen, als het stabiele 206Pb.

Om de verstrooide α-deeltjes zichtbaar te maken gebruikten Geiger en Marsden een laagje zinksulfide als scintillator. Met een microscoop konden de afzonderlijke α-deeltjes waargenomen en geteld worden.

Experiment van 1909[bewerken | brontekst bewerken]

Figuur 2. Apparaat van Geiger en Marsden voor reflectiemetingen uit 1909.

In 1909 publiceerden Geiger en Marsden de resultaten van een onderzoek waarvoor de intensiteiten van diffuse reflecties van α-straling door verschillende metaalfolies gemeten waren.[35] Voor dit onderzoek werd de meetopstelling gebouwd die schematisch afgebeeld staat in figuur 1. In de afbeelding is AB de met radium gevulde stralingsbron, RR is de metaalfolie, S is een scherm met zinksulfide, M is een microscoop en P is een loden scherm om S af te schermen voor storende straling uit de stralingsbron AB.

  • de intensiteit van de reflectie van lood, goud, platina, tin, zilver, koper, ijzer en aluminium werd gemeten,
  • de intensiteit van de reflectie van 1, 2, 4, 6, 10, 14 en 30 lagen goudfolie werd gemeten.

Uit het experiment kwamen de volgende resultaten naar voren:

  • de intensiteit van de reflectie nam toe voor de hogere atoomnummers van het metaal,
  • de intensiteit van de reflectie bleek lineair toe te nemen tot 6 lagen goudfolie
  • de toename van de intensiteit van de reflectie nam bij 10 en 14 lagen goudfolie af,
  • bij 30 lagen goudfolie was er geen toename meer van de intensiteit van de reflectie.

Voor de reflecties van β-straling bleek ongeveer dezelfde relaties tussen atoomnummer en intensiteit van diffuse reflecties te bestaan.

Experiment van 1913[bewerken | brontekst bewerken]

Figuur 3. Apparaat van Geiger en Marsden uit 1913 voor het verstrooiingsexperiment.
Figuur 4: (1) radium stralingsbron, (2) loden mantel, (3) stralingsbundel, (4) positie ZnS-scherm en microscoop, (5) metaalfolie, (6) getroffen gouddeeltjes, (7) doorgaande bundel en verstrooide deeltjes.

De verstrooiingsexperimenten van Geiger en Marsden uit 1913 werden uitgevoerd met twee verschillende meetapparaten.[36] De intensiteit van de verstrooide α-straling werd gemeten met de scintillatieteller die in figuur 2 afgebeeld staat.

Hoekafhankelijkheid van de verstrooiing[bewerken | brontekst bewerken]

De hoekafhankelijkheid van de verstrooiing werd gemeten aan goud en zilverfolies van verschillende dikte. Voor de metingen werd het in figuur 3 afgebeelde apparaat gebouwd.

Tijdens het experiment (zie schematische weergave in figuur 4) werden de metaalfolies, (5), bestraald met een nauwe bundel α-straling, (3), uit een radium stralingsbron, (1):

  • de metaalatomen in de folie, (6), verstrooien de α-straling in de bundel,
  • de verstrooide α-straling, (7), werden door een laagje zinksulfide voor een microscoop, (4), zichtbaar gemaakt.

De het meten van intensiteiten naar verstrooiingshoeken van 5° tot 30° werd met een dunnere folie gemeten dan voor verstrooiingshoeken van 30° tot 150°. Het experiment leverde een paar opmerkelijke resultaten op:

  • de meeste α-straling werden niet verstrooid door de goudatomen,
  • een klein deel van de α-straling werd sterk verstrooid door een positieve lading in de goudatomen.

De α-straling leek sterk verstrooid te worden door kleine, zware objecten in de goudfolie. Deze objecten hadden een kleine werkzame doorsnede en een differentiële werkzame doorsnede die als:

afneemt met de verstrooiingshoek θ.

Invloed van de dikte van de folie[bewerken | brontekst bewerken]

Om de relatie tussen intensiteit van de verstrooide straling en de dikte van verschillende metaalfolies te onderzoeken werd een apparaat ontworpen. Daarmee kon de intensiteit van de verstrooide α-straling onder een vaste verstrooiingshoek gemeten kon worden van een verzameling folies met zes verschillende dikten.

ruth[bewerken | brontekst bewerken]

klim[bewerken | brontekst bewerken]

Zie voor het hoofdartikel over dit onderwerp: Klimaatveranderingen in het geologische verleden.
All palaeotemps.png

In bovenstaande figuur is het temperatuurverloop op de Aarde weergegeven van het begin van het Cambrium, 542 miljoen jaar geleden, tot heden. De periode van eerste vier miljard jaar van het Precambrium ontbreekt in deze afbeelding. De tijdschalen in de figuur worden naar rechts steeds verder opgerekt naarmate het heden nadert.

Schematische weergave van de klimaatveranderingen sinds het ontstaan van de Aarde.

De figuur rechts geeft schematisch weer hoe de gemiddelde temperatuur en vochtigheid van de atmosfeer sinds het ontstaan van de Aarde veranderden. De figuur rechts laat zien dat warme en koude perioden en natte en droge perioden elkaar afwisselen. Hieronder staat een kort overzicht van vroegere warmere en koudere perioden. Voor een uitgebreide beschrijving zie het hoofdartikel: Klimaatveranderingen in het geologische verleden.

Warme perioden[bewerken | brontekst bewerken]

Tot 2500 miljoen jaar geleden, gedurende het Hadeïcum en het Archeïcum, is het erg warm geweest omdat er aanvankelijk veel warmte uit de jonge aardmantel vrijkwam en omdat de atmosfeer voor een groot deel uit broeikasgassen als CO2 bestond. Na het einde van de eerste ijstijd, aan het begin van het Proterozoïcum, bleef het relatief warm in de periode van 2100 miljoen jaar geleden tot het begin van het Cryogenium, ongeveer 850 miljoen jaar geleden. Na het Cryogenium was de chemische samenstelling van de aardatmosfeer ingrijpend veranderd. De gemiddelde temperatuur op Aarde was, ... in vergelijking met de perioden die aan het Cryogenium voorafgingen, aanzienlijk gedaald. bleef tijdens het Ediacarium van 635 miljoen jaar geleden tot het eind van het Precambrium, ongeveer 542 miljoen jaar geleden, relatief warm.

Tussen 541 en 252 miljoen jaar geleden, tijdens het Paleozoïcum kende een paar warme perioden. Het einde van het Cambrium en het Ordovicium waren warm en vochtig waarbij het zeeniveau hoog was. ... tot de Laat-Ordovicische massa-extinctie. ... midden Devoon ... Naar het einde van het Perm liep de temperatuur op ... Perm-Trias-massa-extinctie

In de periode van 252 tot 66 miljoen jaar geleden, tijdens het Mesozoïcum, waren het begin van het Trias en het Krijt relatief warm. De periode van de Perm-Trias-massa-extinctie, rond 251 miljoen jaar geleden, relatief warm. Aan het begin van het Maastrichtien, rond 72 miljoen jaar geleden, had zich al een temperatuurdaling ingezet, mogelijk als gevolg van een verhoogde vulkanische activiteit.. Waarschijnlijk daalde de temperatuur al voor de massa-extinctie op de Krijt-Paleogeengrens, rond 65 miljoen jaar geleden.

Vlak voor het begin van het Cenozoïcum waren de dinosauriërs uitgestorven.

Rond 65 miljoen jaar geleden, aan het begin van het Cenozoïcum, liep de temperatuur op Aarde op totdat 55,8 miljoen jaar geleden een grote hoeveelheid broeikasgas vrijkwam uit methaanhydraat dat zich op de zeebodem had opgehoopt. Door het vrijkomen van het broeikasgas liep de temperatuur in korte tijd sterk op tot het Paleocene-Eocene Thermal Maximum (PETM) bereikt was. Het PETM veroorzaakte een massa-extinctie en beëindigde het Paleoceen dat werd gevolgd door het warme en vochtige Eoceen.

Geologen beschouwen het Holoceen, het laatste interglaciaal sinds het begin van het Pleistoceen, als laatste relatief warme periode. De afgelopen 2,5 miljoen jaar is er een lange reeks interglacialen geweest.

Koude perioden[bewerken | brontekst bewerken]

IJstijden-nl.svg
O2 concentratie in de aardatmosfeer. Rode en groene lijnen geven de maximale en minimale waarden van de geschatte concentraties aan.
1 (3.85–2.45 Ga): Practisch geen O2 in de atmosfeer.
2 (2.45–1.85 Ga): O2 geproduceerd en geabsorbeerd door het oceaanwater en de rotsen op de zeebodem.
3 (1.85–0.85 Ga): O2 ontsnapt uit de oceanen maar wordt geabsorbeerd door gesteenten op land.
4 en 5 (0.85–heden): O2 accumuleert in de aardatmosfeer.[37]

Het Proterozoïcum begon met een langdurende ijstijd van de sneeuwbalaardecategorie. De Huronische ijstijd begon rond 2400 miljoen jaar geleden in het Siderium en duurde voort tot in het Rhyacium, 2100 miljoen jaar geleden. Deze ijstijd hangt samen met de evolutie van cyanobacteriën die door middel van fotosynthese meer zuurstof konden produceren. Na de oxidatie van het ijzer op de zeebodem kwam zuurstof in de atmosfeer terecht waaruit de zuurstof die de cyanobacteriën in zee produceerden door oxidatie broeikasgassen als methaan verdreef.[38] In het Neoproterozoïcum waren er ijstijden tijdens het Cryogenium van 850 tot 635 miljoen jaar geleden. Het optreden van de Sturtische ijstijd, van 760 miljoen jaar tot 700 miljoen jaar geleden, wordt in verband gebracht met het opbreken van het supercontinent Rodinia. Marinoische ijstijd duurde van 650 miljoen jaar tot 635 miljoen jaar geleden. Tijdens het Ediacarium is er rond 580 miljoen jaar geleden een korte ijstijd geweest waarvan sporen gevonden zijn bij de Gaskiers gletsjer in het oosten van Newfoundland.[39]

Na het Ediacarium en het einde van het Precambrium begon rond 541 miljoen jaar geleden de periode van het Paleozoïcum. Tijdens het Hirnantien, aan het eind van het Ordovicium en voor het begin van het Siluur, deed zich een temperatuurdaling van 5 graden voor. Deze koudeperiode wijst op een korte ijstijd die 0,5 tot 1,5 miljoen jaar geduurd heeft. De Laat-Ordovicische massa-extinctie, tussen 447 en 444 miljoen jaar geleden, heeft zich tijdens de Hirnantien-IJstijd voorgedaan. Aan het eind van het Devoon vond rond 360 miljoen jaar geleden de Laat-Devonische extinctie plaats. In die periode waren er ijskappen op Gondwana. In de periode van 326 tot 260 miljoen jaar geleden, die voor het einde Carboon begon en tot na het begin van het Perm voortduurde, vond de Laat-Paleozoïsche ijstijd plaats. Vermoedelijk is de ijstijd veroorzaakt door een combinatie van een verandering in de configuratie van de continenten en een daling van de CO2-concentratie in de atmosfeer door de weelderige plantengroei tijdens het Carboon.

Na het Perm begon 252,2 miljoen jaar geleden de periode van het Mesozoïcum. Tijdens de Trias-Jura-extinctie, ongeveer 202 miljoen jaar geleden, deed zich vermoedelijk een temperatuurdaling voor die mogelijk door vulkanisme of een meteorietinslag werd veroorzaakt.

Na het Krijt en het einde van het Mesozoïcum brak rond 66,0 miljoen jaar geleden de periode het Cenozoïcum aan. Tijdens het Eoceen vond 49 miljoen jaar geleden het Azolla event plaats die zich kenmerkte door een weelderige groei van Azolla-soorten. Daarna vond door de daling van de kooldioxideconcentratie in de lucht de Laat-Eocene afkoeling plaats. Het Eoceen eindigde rond 33,5 miljoen jaar geleden met de grande coupure, een afkoeling die mogelijk veroorzaakt werd door het ontstaan van de Circum-Antarctische zeestroming waardoor zich een grote ijskap op Antarctica kon vormen. De afkoeling van het wereldwijde klimaat zette zich gedurende het Oligoceen verder voort. Tot slot is het Pleistoceen, dat ruim 2,5 miljoen jaar geleden begon, de eerste ijstijd in het Cenozoïcum. Het Weichselien was tot op heden het laatste glaciaal tijdens het Pleistoceen, de laatste ijstijd uit de geschiedenis van de Aarde.

klim geo[bewerken | brontekst bewerken]

Geologische tijdschalen[bewerken | brontekst bewerken]

Steamboat Rock, Garden of the Gods, Colorado Springs, rotspartij met een geologische gelaagdheid.

Een geologische tijdschaal kan op verschillende manieren weergegeven worden, zoals door een geologische klok. De indeling van de tijdschaal is meestal gebaseerd op de stratigrafie van het geologisch archief. Sedimentair gesteenten en vondsten van fossielen en radiometrische dateringen daarvan. De ontwikkeling van fossiele flora en fauna in gesteente geeft aanwijzingen over hoe het klimaat zich ontwikkeld heeft. Directer bewijs wordt vergaard uit de verhouding van verschillende stabiele isotopen in gesteentelagen. Deze geven aan hoe de samenstelling van de atmosfeer in het verleden veranderde.

De evolutie van micro-organismen en de vegetatie op aarde speelt in onderzoek naar de veranderingen van de atmosfeer een belangrijke rol aangezien planten zuurstof produceren en het belangrijkste broeikasgas koolstofdioxide vastleggen. Planten spelen een belangrijke rol in de koolstofkringloop omdat ze de samenstelling van de atmosfeer beïnvloeden.

Precambrium[bewerken | brontekst bewerken]

Stromatolieten uit het Precambrium in de Siyeh Formatie, Glacier National Park (Montana V.S.)

Het Precambrium, tussen 4.560 en 542 miljoen jaar geleden, beslaat een periode van ongeveer vier miljard jaar, dat is meer dan 85 % van de tijd dat de Aarde bestaat. Aan het begin van het Precambrium werd de aardkorst gevormd. Deze periode kenmerkte zich, vooral aan het begin, door grote vulkanische activiteit en inslagen van meteorieten en kometen. Het eerste leven ontwikkelde zich na verloop van tijd waarna primitieve algen de koolstofdioxide, waaruit een groot gedeelte van de vroege atmosfeer bestond, door middel van fotosynthese begonnen om te zetten in zuurstof en organische verbindingen, zoals koolhydraten, vetzuren en aminozuren.

Archeïcum[bewerken | brontekst bewerken]

Het klimaat tijdens het Archeïcum, aan het begin van het Precambrium tussen 4.560 miljoen jaar tot 2.500 miljoen jaar geleden, moet aanvankelijk, tijdens het Hadeïcum, zeer heet geweest zijn. Van de eerste 400 miljoen jaar na het ontstaan van de Aarde, het Crypticum, zijn tot op heden geen gesteenten gevonden. Tegen het eind van het Hadeïcum was de lithosfeer flink afgekoeld en relatief stabiel geworden. De atmosfeer bestond waarschijnlijk uit een mengsel van gassen waaronder waterdamp, stikstof, waterstof, methaan, waterstofsulfide, ammoniak, kooldioxide en koolmonoxide.

Continenten waren nog niet aanwezig en de dunne instabiele aardkorst bestond uit kratons die grotendeels onder water stonden. De wereldoceaan lag vol met kleine eilandjes. Het klimaat was daardoor waarschijnlijk relatief homogeen. De atmosfeer bevatte relatief hoge concentraties broeikasgassen als kooldioxide, methaan en ammoniak. Hoewel de zonneactiviteit relatief laag was was het mede door de aanwezigheid van deze broeikasgassen warm. De eerste vormen van leven zijn waarschijnlijk al rond 4,0 tot 3,6 miljard jaar geleden, halverwege het Archeïcum, ontstaan. Het betrof de eerste primitieve extremofiele soorten bacteriën die archaea genoemd worden. De oudste stromatolieten die op de aanwezigheid van leven wijzen zijn in West-Australië en Canada gevonden en zijn waarschijnlijk 3.500 miljoen jaar oud.

Paleoproterozoïcum[bewerken | brontekst bewerken]

IJzeroxidelagen in gesteente uit het Paleoproterozoïcum

Het Paleoproterozoïcum duurde van 2.500 tot 1.600 miljoen jaar (Ma) geleden. De Huronische ijstijd is de oudste bekende ijstijd die duurde van 2.400 tot 2.100 miljoen jaar geleden gedurende het Siderium en het Rhyacium aan het begin van het Paleoproterozoïcum. Deze ijstijd was waarschijnlijk het gevolg van de eerste zuurstofcrisis.

Aanvankelijk werd vrijwel alle door de primitieve cyanobacteriën geproduceerde zuurstof aan het ijzer gebonden dat tijdens deze periode nog aan het aardoppervlak aanwezig was. Nadat alle ijzer aan het aardoppervlak geoxideerd was steeg de zuurstofconcentratie in de atmosfeer. Daardoor verdween vrijwel alle methaan uit de atmosfeer. Omdat methaan een sterk broeikasgas is koelde de atmosfeer sterk af nadat dit broeikasgas door oxidatie met zuurstof verdwenen was.

Neoproterozoïcum[bewerken | brontekst bewerken]

Het omstreden supercontinent Pannotia

In de laatste periode van het Precambrium, het Neoproterozoïcum van 900 tot 542 miljoen jaar (Ma) geleden, kende de Aarde tijdens het Cryogenium twee ijstijden. Tijdens de laatste periode was vrijwel de hele Aarde met ijs bedekt, de zogenaamde sneeuwbalaarde van rond 650 Ma en mogelijk 710 of 750 Ma geleden. Het meeste kooldioxide was uit de atmosfeer verdwenen en opgeslagen in het ijs. Door de hoge reflectie was de inkomende warmte-energie van de Zon met ongeveer 8 % afgenomen. Tijdens deze periode zijn de eerste Metazoa en Bilateria, de voorouders van de meeste dieren, ontstaan.

De continentale massa was tussen 600 en 540 miljoen jaar geleden volgens sommige onderzoekers voornamelijk gelokaliseerd rond de huidige zuidpool op het supercontinent Pannotia. De ligging van een groot continent op of rond een van de polen, in combinatie met de sterk gedaalde kooldioxideconcentratie in de atmosfeer, kan het optreden van de ijstijden tijdens het Cryogenium verklaren.

Tijdens het Precambrium hebben zich grote en belangrijke klimatologische, geologische en evolutionaire veranderingen en ontwikkelingen voorgedaan waar nog niet veel van bekend is. In deze periode zijn de huidige olie- en gasvoorraden ontstaan.

Paleozoïcum[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens het Paleozoïcum, de eerste era van het Fanerozoïcum tussen 542 en 251 miljoen jaar geleden, vindt een grote evolutionaire ontwikkeling plaats. Voor de klimatologische ontwikkelingen is de verovering van het land door levende organismen van het grootste belang. Die verovering van het vaste land vond plaats in een periode tussen ongeveer 450 en 300 miljoen jaar geleden.

Cambrium tot Carboon[bewerken | brontekst bewerken]

Cambrianmap.svg

Toen aan het einde van het Precambrium, 542 miljoen jaar geleden, het ijs smolt kwam het kooldioxide uit het ijs vrij en veranderde het klimaat van een "koelkast" in een "broeikas". Aangenomen wordt dat deze geologisch gezien plotselinge klimaatverandering aan het begin van het Cambrium de Cambrische explosie heeft veroorzaakt. De zeebodem was begroeid met eenvoudige wieren en koralen en werd bevolkt door weekdiersoorten.

Na het Cambrium volgde 488 miljoen jaar geleden het Ordovicium dat warm begon met een hoog zeeniveau en na een afkoeling in een ijstijd eindigde tijdens het Hirnantien. Tijdens het Siluur, van 443,7 tot 416 miljoen jaar geleden, liep de temperatuur weer op en heerste er een warm en vochtig klimaat. De biodiversiteit in de wereldzeeën groeide sterk. Er zijn aanwijzingen dat het klimaat gedomineerd werd door stormen. De zee werd bevolkt door vissen die in een vegetatie van wieren rondzwommen. Op land ontstonden de eerste primitieve plantensoorten, zoals mossen en varens, en primitieve insecten zoals springstaarten.

In het midden van het Devoon, van 416 tot 359,2 miljoen jaar geleden, veranderde het klimaat van vochtig en warm naar droog en heet. Op land ontstonden de eerste primitieve bossen. Aan het eind van het Devoon doet zich de Laat-Devonische extinctie voor die vermoedelijk het gevolg geweest is van klimaatverandering ten gevolge van de daling van de kooldioxideconcentratie in de atmosfeer. Deze daling van de kooldioxideconcentratie zou het gevolg geweest zijn van de efficiënte fotosynthese door de nieuw geëvolueerde landplanten.

Carboon tot Perm[bewerken | brontekst bewerken]

Het supercontinent Pangea zoals het 250 tot 210 miljoen jaar geleden bestond

Het Carboon, van 359,2 tot 299 miljoen jaar geleden, werd bij aanvang gekenmerkt door een warm en vochtig klimaat. De plantengroei ontwikkelde zich explosief en er ontstonden uitgestrekte bossen en kustmoerassen met bomen tot zo'n 30 meter hoogte. Voor het eerst in de evolutie raakte een aanzienlijk deel van de continenten dicht begroeid met planten en bomen. Reptielen, amfibieën en insecten gedijden goed in deze omgeving. Het was in het Westfalien dat de in noordwest Europa en het noordoosten van Noord-Amerika uitgestrekte koolvoorkomens werden afgezet. Aan het einde van het Carboon was de Aarde aanzienlijk afgekoeld waarschijnlijk door de afname van de kooldioxodeconcentratie in de atmosfeer.

In het Perm, van 299 tot 251 miljoen jaar geleden, heerste er een droog klimaat met grote temperatuurverschillen en er zijn aanwijzingen gevonden voor gletsjers en ijstijden in deze periode. Op grote delen van de continenten heerste een klimaat dat waarschijnlijk te vergelijken met het huidige klimaat in delen van Centraal-Azië en Noord- en Oost-Afrika.

Perm-Trias-massa-extinctie en Trias[bewerken | brontekst bewerken]

De grens tussen het Perm en het Trias, 251 miljoen jaar geleden, werd bepaald door de Perm-Trias-massa-extinctie. Dat was de grootste massa-extinctie uit de Aardse geschiedenis die zich over een periode van ongeveer 80.000 jaar uitstrekte. Ze is waarschijnlijk veroorzaakt door een hoge vulkanische activiteit in de Siberische Trappen die voorafgegaan werd door een lange periode van verlaagde vulkanische activiteit. Volgens de huidige inzichten was er in de periode voor deze massa-extinctie een gestage klimatologische opwarming door de vertraging van geofysische processen die de vulkanische activiteit bepalen. De toename van de kooldioxideconcentratie in de atmosfeer die daarvan het gevolg was veroorzaakte een opwarming van het oceaanwater. Als er geen ijskappen op de polen zijn vertragen zeestromingen over het algemeen aanzienlijk. Bij een hogere temperatuur komt het oceaanwater vrijwel stil te staan omdat de temperatuur aan het oppervlak het hoogst is en afneemt op grotere diepte. De zuurstof verdween daardoor vrijwel geheel uit het oceaanwater waardoor hogere organismen verdwenen en er hoofdzakelijk anaerobe micro-organismen overbleven. Die micro-organismen produceerden methaan en waterstofsulfide dat op grotere diepte in gashydraten vastgelegd werd.

De zeer grote vulkanische activiteit tijdens de vorming van de Siberische Trappen had een verdere opwarming van het klimaat tot gevolg. Mogelijk heeft in dezelfde periode een meteorietinslag plaatsgevonden. Tijdens deze periode van extreme opwarming is een grote hoeveelheid van het zeer giftige waterstofsulfide in de atmosfeer terechtgekomen die eerder als gashydraat op de oceaanbodem opgeslagen was. Tijdens deze extreme klimaatverandering liep de gemiddelde temperatuur op Aarde met ongeveer 10 °C op.

Mesozoïcum[bewerken | brontekst bewerken]

Sharovipteryx BW.jpg

Het Mesozoïcum, de tweede era van het Fanerozoïcum, duurde van 251 tot 65 miljoen jaar geleden en omvat het Trias, de Jura en het Krijt. Het Mesozoïcum was vrij warm, er zijn gedurende de hele periode geen ijskappen op de polen geweest en er zijn evenmin aanwijzingen dat er veel gletsjers geweest zijn.

Het zeeniveau lag hoger dan tegenwoordig en het kooldioxide- en zuurstofgehalte van de atmosfeer waren veel hoger dan tegenwoordig. De lucht had een hogere dichtheid zodat vliegen gemakkelijker was dan tegenwoordig en planten en bomen konden sneller vlamvatten. De hele landmassa op Aarde lag op het supercontinent Pangea dat aan het begin van het Mesozoïcum aaneengesloten was en in de loop der tijd begon op te breken. Grote delen van Pangea stonden onder water en vormden warme ondiepe binnenzeeën.

Tijdens het Trias, van 251 tot 199 miljoen jaar geleden, was het klimaat relatief droog en warm met aan de polen een nat en gematigd klimaat. Pangea had waarschijnlijk voor het grootste deel een landklimaat met grote verschillen tussen de seizoenen en verschillende droge en natte moessons in de streken rond de evenaar. Aan het eind van het Trias vond over een periode van ongeveer 20.000 jaar de Trias-Jura-extinctie plaats waarvan de oorzaak niet duidelijk is. Mogelijk heeft klimaatverandering door vulkanisme of het vrijkomen van methaan uit gashydraat daarbij een rol gespeeld.

Tijdens de Jura, van 199 tot 145,5 miljoen jaar geleden, en vrijwel het gehele Krijt, 145,5 tot 65,5 miljoen jaar geleden, was het warm met een paar koelere perioden rond de overgang van Jura naar Krijt, zoals tijdens het Berriasien. Halverwege het Krijt was het weer zoveel warmer dat er palmen in het noordelijk poolgebied groeiden. De temperatuur van het zeewater in de huidige Noordelijke IJszee lag waarschijnlijk boven de 20°C zodat het gebied tijdens de poolnacht overdekt werd met een deken van dichte isolerende mist. Daardoor bleef de temperatuur in de poolgebieden ruim boven het vriespunt.

Macronaria scrubbed enh.jpg

Volgens sommige onderzoekers was de snelheid van de koolstofkringloop tijdens deze perioden hoog omdat grote groepen giraffe-achtige dinosauriërs de vegetatie afgraasden waarbij ze een enorme ravage aanrichtten. Deze dieren hadden een slechte spijsvertering waardoor ze weinig energie uit het slecht verteerbare voedsel konden halen. Daarom moesten ze veel eten waardoor ze veel feces met onverteerde plantenresten achterlieten. Deze resten werden door bacteriën en schimmels verder verteerd. Op deze manier bleef de kooldioxideconcentratie in de atmosfeer hoog zodat de temperatuur op Aarde ook hoog bleef. Door het hoge kooldioxidegehalte van de atmosfeer en de hoge temperaturen was de plantengroei zeer weelderig zodat de schade die de dinosauriërs aan de vegetatie toegebracht hadden relatief snel weer hersteld was.

Het einde van het Krijt wordt gekenmerkt door een afkoeling van het klimaat, die mogelijk werd versneld door de global dimming ten gevolge van de vulkanische activiteit van de Deccan Traps en de inslag van een meteoriet bij Chicxulub. De inslag van de meteoriet markeert de K-T-overgang, het begin van het Paleogeen, en maakte een eind aan de hegemonie van de dinosauriërs.

Cenozoïcum[bewerken | brontekst bewerken]

De verhouding van zuurstofisotopen in sedimentlagen uit de laatste 70 miljoen jaar. Deze verhouding is een proxy voor de temperatuur op Aarde.

Het Cenozoïcum, de laatste era van het Fanerozoïcum, begon direct na de massa-extinctie aan het einde van het Krijt 65 miljoen jaar geleden. Het klimaat was naar hedendaagse maatstaven vrij warm en veranderde aanvankelijk slechts weinig. In de eerste deel van het Paleogeen warmde het klimaat op om vervolgens naar het Kwartair af te koelen.

Paleogeen tot Kwartair[bewerken | brontekst bewerken]

Rond 50 miljoen jaar geleden werd het klimaat geleidelijk warmer, met het Azolla event en een kortstondige uitschieter rond 55 Ma, op de overgang tussen het Paleoceen naar het Eoceen. Deze snelle en kortstondige opwarming wordt het Paleocene-Eocene Thermal Maximum (PETM) genoemd. De grassen ontstonden waardoor grote oppervlakten met graslanden bedekt werden. De klimaatverandering ging samen met een stijging in de biodiversiteit van zoogdieren en de evolutie van grotere en complexere soorten. De klimaatverandering is vermoedelijk veroorzaakt door het vrijkomen van grote hoeveelheden methaan uit gashydraat op de bodem van de zee. Tijdens het Oligoceen was het iets koeler geworden met ijskappen op de polen. In de bossen ontstonden grotere open plekken met grasland waarop grote grazers graasden.

De gemiddelde temperatuur op Aarde lag tegen het eind van deze periode iets boven het hedendaagse niveau. Tijdens het Mioceen warmde het klimaat aanvankelijk op om halverwege deze periode weer af te koelen. Een meteorietinslag, waarbij de Nördlinger Rieskrater in het tegenwoordige zuiden van Duitsland gevormd werd, is hiervan de vermoedelijke oorzaak geweest. Door de afkoeling werd het aardse klimaat ook droger.

Tijdens het Plioceen werden klimaten wereldwijd droger en ongeveer 3 °C koeler. Het klimaat was daarmee nog iets warmer dan het huidige klimaat. Het zeeniveau daalde naar het einde van deze periode met ongeveer 50 meter doordat de ijskappen aan de polen aangroeiden.

Pleistoceen[bewerken | brontekst bewerken]

Ruim 2,5 miljoen jaar geleden brak aan het begin van het Kwartair het Pleistoceen aan, een ijstijd waarin koude glacialen en warmere interglacialen elkaar begonnen af te wisselen. Inmiddels hebben zich ongeveer vijftig van zulke grotere en kleinere ijstijden voorgedaan. De laatste 1 miljoen jaar waren er ongeveer tien grotere interglacialen tussen de glacialen in.

Verandering van de zuurstof-18 isotoop concentraties in sediment die wijst op een periodieke zeeniveau- en temperatuurdaling in de afgelopen 5,5 miljoen jaar.

Veel water was tijdens het laatste glaciaal als sneeuw en ijs op de poolkappen en in gletsjers gebonden. De zeespiegel lag 120 meter lager dan nu, de kustlijn van de Noordzee bevond zich enkele honderden kilometers noordwaarts en het deel tussen Noord-Nederland en Groot-Brittannië lag boven water. Mammoeten en andere dieren trokken over deze drooggevallen vlakte. Er lagen ook menselijke nederzettingen over het hele gebied verspreid.

De periodieke omslag van koude glacialen naar warmere interglacialen is volgens sommige evolutiebiologen van cruciaal belang geweest voor de ontwikkeling van de hersenen van Hominiden als de neanderthaler en de mens.[40] Het Pleistoceen eindigde met de Jonge Dryas.

Holoceen[bewerken | brontekst bewerken]

Het Holoceen is het huidige interglaciaal, dat 11.700 jaar geleden begon, met een klimaat zoals dat de afgelopen 10.000 jaar geheerst heeft. Het is niet helemaal duidelijk wanneer het huidige interglaciaal afloopt.

blabla center
blabla center

Volgens sommige onderzoekers was er tussen 7.000 en 3.000 jaar geleden een klimatologisch temperatuuroptimum en hebben de landbouwactiviteiten die de mens ontplooid heeft de laatste 2.000 jaar invloed gehad op het klimaat op Aarde. Over de effecten van de uitstoot van broeikasgassen op het klimaat bestaat in wetenschappelijke kringen brede overeenstemming. Wat de invloed van de mens op de verdere ontwikkelingen zal zijn is onderwerp van onderzoek en discussie (zie Opwarming van de Aarde en IJstijden en Milankovitch cycli).

Historische extremen[bewerken | brontekst bewerken]

In de recente geschiedenis hebben zich een aantal malen voor langere of kortere tijd wereldwijd extreme weersomstandigheden voorgedaan die waarschijnlijk door grote natuurrampen, bepaalde cycli of spontane fluctuaties veroorzaakt zijn.[41][42][43][44]

Het voormalige hospitium van de abdij van Aduard
Vulkaan bij de Lakispleet op IJsland
Kaart van de Tambora die het jaar zonder zomer in 1816 veroorzaakt heeft
  • In de jaren 535-536 na Chr. heersen wereldwijd hongersnoden wegens misoogsten. Er zijn in China, Europa, het Midden-Oosten en Peru historische bronnen ontdekt die melding maken van een jarenlange malaise. Veel historici zijn van mening dat er na 535 wereldwijd een langdurige culturele crisisperiode aangebroken is. Er is dendrologisch bewijs voor global dimming rond deze tijd en ijskernen uit zowel Groenland als Antarctica bevatten in dat jaar een hoge zwavelzuurconcentratie. Er zijn veel theorieën over de oorzaak van de extreme weersomstandigheden in omloop die meestal wijzen naar vulkanisme in de omgeving van de evenaar.[45]
  • Van ongeveer 800 tot 1300 na Chr. breekt een warme periode aan die het Middeleeuws klimaatoptimum genoemd wordt. De temperatuurstijging tijdens deze periode bleef waarschijnlijk beperkt tot (een deel) van het Noordelijk halfrond. In ijskernen uit Antarctica zijn daar geen sporen van terug te vinden. In tegenstelling tot de periode na 535 kenmerkt deze periode zich door culturele bloei. Het Christendom vestigt zich definitief in Europa. Overal worden kloosters, kerken en kathedralen gebouwd, zoals de Notre-Dame van Parijs, gebouwd van 1163 tot 1345. Vanuit de Abdij van Aduard werd na 1192 het kwelderlandschap in de omgeving van Aduard door honderden monniken ingepolderd.[46] Rond dezelfde tijd breekt er in Midden-Amerika en het huidige Californië een periode van droogte aan waardoor onder anderen de precolumbiaanse culturen van de Maya's en de Pueblo's verdwenen.[47]
  • Van ongeveer 1350 tot ongeveer 1800 was er een daling in de gemiddelde temperatuur op Aarde. Dit wordt de kleine ijstijd genoemd. De winters waren kouder en duurden langer, de zomers minder warm en duurden korter. Er waren meer misoogsten, hongersnoden, economische crises, er braken pestepidemieën uit en er was vooral in de 14e eeuw regelmatig een substantiële bevolkingskrimp. De gletsjers over de hele wereld groeiden. De Alpen lagen vol sneeuw. Het lijkt er sterk op dat dit geen eenmalig verschijnsel is.[48] De Kleine IJstijd wordt door veel zonneonderzoekers gezien als een gevolg van het Maunderminimum, een periode waarin er weinig zonnevlekken waren en waarin de zonneactiviteit waarschijnlijk verlaagd was. De zonnewind die in 1859 de Aarde trof werd volgens sommige onderzoekers veroorzaakt door zonnevlammen die het begin van een periode met een hogere zonneactiviteit zouden markeren.
  • In juni 1783 begon een serie van tien uitbarstingen van de Laki op IJsland die een maand of acht duurde en waarbij ongeveer honderdmiljoen ton SO2 in de hogere lagen van de atmosfeer uitgestoten werd. Na deze uitbarsting traden drie jaar lang extreme weersverschijnselen op over het gehele noordelijk halfrond met zeer strenge winters. Daarbij zou het ijs in de Mississippi tot New Orleans gedreven zijn, in India veranderde de windrichting voor een groot deel van het jaar waardoor grote droogte optrad en in Japan was het weer ongewoon nat en koud. Over het hele noordelijk halfrond waren misoogsten en hongersnoden. Volgens sommige onderzoekers waren de resulterende economische malaise en maatschappelijke onrust en wanorde de oorzaak van de Franse Revolutie en de toestand van anarchie en banditisme die de laatste decennia van de 18e eeuw kenmerkte.
  • In 1815 barst na 1600 jaar rust in het toenmalige Nederlands-Indië de vulkaan de Tambora uit. Deze uitbarsting met een kracht van VEI-7 veroorzaakt het trieste jaar zonder zomer in 1816.[49] Later, in 1883, zou de Krakatau uitbarsten met minder ernstige gevolgen dan de uitbarsting van de Tambora. De Krakatau zou volgens historische bronnen ook in 535 uitgebarsten zijn.[50] De uitbarsting van Mount Pinatubo in 1991 op de Filipijnen veroorzaakte een wereldwijde temperatuurdaling van gemiddeld 0,5 °C. Dat is niet extreem en nauwelijks direct merkbaar, maar evenmin verwaarloosbaar en bovendien goed meetbaar.



2000 Year Temperature Comparison.png


Uit o.a. metingen in 2004 in de Groenlandse ijskap is vastgesteld dat na het laatste glaciaal er verschillende kortere perioden van klimaatverschillen zijn vast te stellen. De kleine ijstijd zou een verschijnsel zijn dat zich regelmatig herhaalt na ongeveer 1470 tot 1480 jaar. Dit zijn de zogenaamde Dansgaard-Oeschger-cycli.