Gebruiker:Evil berry/Notities/Klad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Constantijn de Grote
ca. 280[1] - 337
dominaat
Kolossale buste van Constantijn in het Chiaramontimuseum (4e eeuw).
Kolossale buste van Constantijn in het Chiaramontimuseum (4e eeuw).
Tijdvak Tetrarchie
Licinius
Constantius I
307-337 Constantius II
Octavius (Britannië?)
Medekeizer Galerius (306-311)
Maximinus II Daia (310-313)
Licinius (308-324)
tegen Valens (316-317)
tegen Martinianus (324)
Persoonlijke gegevens
Naam bij geboorte Constantinus
Naam als keizer Gaius Flavius Valerius Aurelius Constantinus
Bijnaam Magnus
Zoon van Constantius I Chlorus
Helena
Vader van Crispus (I)
Constantijn II (II)
Constantius II (II)
Constans (II)
Gehuwd met Minervina (gestorven of gescheiden voor 307)
Fausta
Oom van Iulianus Apostata
Licinius II
Hannibalianus
Nepotianus
Portaal Romeinse Rijk - Keizers van Rome

Flavius Valerius Aurelius Constantinus[2] (27 februari ca. 280[1], Naissus - 22 mei 337, Ancyrona), bekend als Constantijn I, (in de Rooms-Katholieke Kerk) Constantijn I de Grote, of Sint-Constantijn (in de Oosters-Orthodoxe Kerk), was Keizer van Rome. In juli 306 door zijn troepen uitgeroepen tot imperator en Augustus, maar pas vanaf 308 als zodanig erkend, zou hij door zijn militaire overwinningen een steeds groter deel van het Romeinse Rijk gaan regeren om te sterven als alleenheerser over het uitgestrekte Romeinse Rijk (vanaf 324). Hij is het best gekend als de eerste Romeinse keizer die zich zou hebben uitgesproken voor het christendom (de zogenaamde Constantijnse wende rond 313), want door zijn ondertekening van het edict van Milaan maakte hij een eind aan de geïnstitutionaliseerde christenvervolgingen in het rijk.

De Byzantijnse liturgische kalender, gevolgd door de Oosters-Orthodoxe Kerk en Oosters-Katholieke Kerken met Byzantijnse ritus, neemt zowel Constantijn als zijn moeder Helena op als heiligen. Hoewel hij niet is opgenomen in de Latijnse lijst van heiligen, dewelke wel een heel aantal andere Constantijnen als heiligen erkend, wordt hij geëerd met de titel "de Grote" voor zijn bijdrage aan het christendom.

Om de verandering die zijn regering betekende kracht bij te zetten, kondigde Constantijn in 324/326 aan Byzantium om te vormen tot een Nova Roma (Nieuw Rome) en op 11 mei 330 riep hij de stad officieel uit tot nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk (hiermee het oude, heidense Rome achter zich latend). Na Constantijns dood in 337 werd de stad naar hem omgedoopt tot Constantinopel (Constantijns stad). Het zou nog een duizend jaar de hoofdstad blijven van het Byzantijnse Rijk, slechts kortstondig onderbroken door de val van Constantinopel in 1204 tijdens de Vierde kruistocht, om in 1453 tenslotte weer te vallen en de nieuwe hoofdstad te worden van het Ottomaanse Rijk.

Leven[bewerken]

Geboorte, jeugd en "troonsbestijging"[bewerken]

Constantijn werd op 27 februari van een onbekend jaar geboren te Naissus in de provincia Moesia[1]. Hij was de zoon van de Romeinse officier Constantius I Chlorus en Helena. Deze laatste was waarschijnlijk van zeer bescheiden afkomst, want onder andere Ambrosius vermeldt dat ze in een herberg werkte[3]. Waarschijnlijk was de relatie tussen de jonge officier en Helena een concubinatus[4]. Hoe lang de relatie tussen Constantius en Helena standhield, is onbekend. Toch zou zijn moeder een belangrijke rol hebben gespeeld in zijn opvoeding. Hij zou haar na zijn vaders dood de titel "Augusta" te verlenen[5]. Constantijn had drie halfbroers en drie halfzussen uit het ten laatste in 289 gesloten huwelijk van zijn vader met Flavia Maximiana Theodora, een (stief)dochter van de West-Romeinse keizer Maximianus: Julius Constantius, Flavius Dalmatius, Flavius Hannibalianus, Constantia, Eutropia en Anastasia[6]. Voor de rest is er maar weinig over zijn kindtijd en jeugd bekend. Zijn vader was waarschijnlijk onder de keizers Aurelianus en Probus officier geweest en trad pas onder Diocletianus op het politieke toneel.

De jonge Constantijn ontving een zeer goede opvoeding, werd geleerd hoe hij vloeiend Grieks moest spreken en was gefascineerd door filosofie[7]. Nadat Constantius in 293 als Caesar was opgenomen in Diocletianus' tetrarchie, leefde Constantijn eerst aan het hof van Augustus Diocletianus in Nicomedia en begeleidde dan Galerius in de oorlog aan de Donau. In 305 abdiceerden beide Augusti, Diocletianus en Maximianus, end Constantius volgde Maximianus op als Augustus in het westen. Hoewel er in de families van de toenmalige keizers twee zonen waren die de juiste leeftijd hadden (Constantijn en Maxentius, zoon van Maximianus), werden beiden uitgesloten bij de machtsoverdracht. Het waren Severus en Maximinus Daia die tot Caesares werden gepromoveerd. Daarop verliet Constantijn Nicomedia om zich bij zijn vader te vervoegen in Gallië. Maar Constantius werd ziek tijdens een veldtocht tegen de Picten van Caledonia, en stierf op 25 juli 306 in Eburacum (York). Generaal Chrocus, van Alamaanse oorsprong, en de troepen loyaal aan Constantius' nagedachtenis riepen Constantijn onmiddellijk uit tot Augustus[8]. Hoewel Constantius binnen het opvolgingssysteem van de tetrarchie uit 305 als Augustus een nieuwe Caesar kon aanduiden, was Constantijns (of diens troepen) claim op de titel van Augustus in strijd hiermee. Daarom vroeg Constantijn aan Galerius, de Augustus van het oosten, om te worden erkend als opvolger van zijn vader. Galerius stond hem de titel van Caesar, waarmee hij Constantijns heerschappij over het grondgebied van zijn vader erkende, en promoveerde Severus tot Augustus van het westen[9].

Caesar in het westen[bewerken]

Bronzen (modern) standbeeld van Constantijn I in York, Engeland, nabij de plaats waar hij werd uitgeroepen tot Augustus in 306.

Vanaf nu was Constantijn als Caesar verantwoordelijk voor Britannia, Gallia en Hispania. Hierdoor had hij het bevel over een van de grootste Romeinse legers, dat gelegerd was aan de belangrijke Rijngrens. Hoewel Gallia een van de rijker regio's van het rijk was, had het erg te leiden gehad onder de crisis van de derde eeuw. Vele gebieden waren ontvolkt en steden tot ruïnes vervallen. Tijdens zijn verblijf in Gallia, van 306 tot 316, zette Constantijn zijn vaders politiek voort om de Rijngrens te versterken en de Gallische provinciae er terug bovenop te krijgen. Zijn voornaamste residentie was rond die tijd Augusta Treverorum (Trier)[10].

Onmiddellijk na zijn promovering tot Caesar, gaf Constantijn zijn vaders veldtocht in Britannia op en keerde terug naar Gallia om een opstand van de Franken te onderdrukken. Een andere expeditie tegen de Franken volgde in 308. Na zijn overwinning begon hij met de bouw van een brug over de Rijn in Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen) om een permanente vestiging te stichten aan de rechteroever van de rivier. Een nieuwe campagne in 310 moest worden afgeblazen omwille van Maximianus' opstand (cf. infra). De laatste van Constantijns oorlogen aan de Rijngrens was die van 313, na zijn terugkeer uit Italia, en eindigde opnieuw in een overwinning voor Constantijn[11].

Constantijns hoofddoel was stabiliteit, wat hij trachtte te bereiken door onmiddelijke, vaak brutale, strafexpeditie tegen opstandige stammen, aldus zijn militaire macht tonend door de vijanden aan hun kant van de Rijngrens te verslaan en vele gevangen af te slachten bij de spelen in de arena. Deze strategie bleek haar vruchten af te werpen, daar de Rijngrens relatief rustig bleef gedurende de rest van zijn regering.

In de interne conflicten van de tetrarchie trachtte Constantijn neutraal te blijven. In 307 zocht ex-Augustus Maximian (die recentelijk was teruggekeerd op het politieke toneel na zijn (gedwongen) abdicatie in 305) Constantijn op om zijn steun te krijgen in de oorlog van zijn zoon Maxentius tegen Severus en Galerius. Daarop liet Constantijn zich van zijn eerste vrouw Minervina scheiden, de moeder van zijn zoon Crispus (305–326), om met Maximianus' daughter Fausta te huwen om hun bondgenootschap te bezegelen. Daarenboven werd hij door Maximianus gepromoveerd tot Augustus, hoewel deze daarvoor niet de bevoegdheid had. Toch kwam hij niet tussen het conflict van Maxentius met de andere twee tetrachen[12].

Maximianus keerde in 308 terug naar Gallia nadat hij er niet in was geslaagd zijn zoon te onttronen. Later dat jaar, tijdens de keizersconferentie van Carnuntum gehouden onder Diocletianus, Galerius en Maximianus, werd Maximianus - die opnieuw naar het purper had gegrepen - opnieuw gedwongen te abdiceren en Constantijn moest zich terug tevreden stellen met de titel van Caesar. In 310 geraakte Maximianus betrokken in een samenzwering tegen zijn schoonzoon toen Constantijn terugkwam van een campagne tegen de Franken. Eens Constantijn er achter kwam, werd de opstand al snel neergeslagen. Maximianus, die naar Massilia (Marseille) was gevlucht, werd uitgeleverd door zijn eigen troepen en gedood of gedwongen zelfmoord te plegen. Zowel Constantijn als Maximinus Daia waren niet tevreden met hun terugkeer naar de positie van Caesar en Licinius' aanstelling, en tarten vervolgens diens aanstelling door zichzelf Augustus te noemen, wat hen door Galerius in 310 was toegestaan, waardoor er dus officieel vier Augusti waren. Maar met Galerius' dood in 311 stierf de laatste tetrarch met genoeg autoriteit en interesse om de tetrarchie voort te zetten, waardoor het systeem al snel daarop begon in elkaar te storten. In de strijd om de macht die daarop volgde, verbond Constantijn zich met Licinius, terwijl Maximinus Maxentius benaderde, die toen nog steeds officieel werd beschouwd als een usurpator die Severus had verslagen en gedood[13]. Een andere usurpator - minder succesvolle usurpator - was Domitius Alexander (308–309) in Africa.

westen oosten
Periode Augustus Caesar Augustus Caesar
293-305 Maximianus Constantius Chlorus Diocletianus Galerius
305-306 Constantius Chlorus Severus Galerius Maximinus Daia
306-307 Severus Constantijn
307/308-310 Licinius
310[14]-311 [15]
311-313
313-324 Constantijn Licinius
324-337 Constantijn

Heerser over het westen (312-324)[bewerken]

Begin 312, nadat hij Hispania aan zijn grondgebied had toegevoegd, stak Constantijn met zijn leger de Alpen over en viel Maxentius, die de macht in Italia had gegrepen, aan. Maxentius’ troepen waren in aantal sterker dan die van Constantijn; volgens een onbekend panegyricus beschikte Maxentius over een veronderstelde 100.000 man, waarvan zich een deel in het noorden van Italia in de regio van Turijn, Verona en Segusio had verzameld[16]. Constantijn kon daartegen volgens diezelfde Panegyricus tengevolge van de constant bedreigde Rijngrens slechts een vierde van zijn gehele legermacht meenemen, wat neerkwam op ongeveer 40.000 man[17]. Dit leger bestond uit eenheden die in Britannia, Gallia en Germania waren gelegerd en hierdoor meer ervaren waren in de strijd dan de eenheden uit Italia. Constantijn wist al snel deze laatste te verslaan bij Turijn, bij Brescia en bij Verona. In deze laatste slag viel ook de praefectus praetorio van Maxentius, Ruricius Pompeianus.

Constantijn trok nu op naar Rome en versloeg op 28 oktober 312 Maxentius in de slag bij Pons Milvius, wat van hem de onbetwiste Augustus in het westen maakte. Tijdens de strijd om de Pons Milvius liet Constantijn zijn soldaten een symbool aanbrengen op hun schilden, waarvan de christen geloofden dat het het labarum-symbool was, hoewel er discussie is onder historici of dit teken een zuiver christelijke, heidense (verwijzend naar de zonnegod) of astronomische betekenis had[18]. Zo bracht Constantijn ook na zijn overwinning bij Pons Milvius offers aan de Romeinse goden. De verslagen bij Eusebius – wiens versie waarschijnlijk op uitlatingen van Constantijn berusten, die deze echter pas jaren later zou hebben gedaan – en Lactantius spreken elkaar deels tegen, maar de kern van de zaak blijft echter, dat Constantijn zijn overwinning meende te danken aan de god van de Christenen[19]. Het labarum en het ermee geassocieerde motto In Hoc Signo Vinces (in dit teken zal je overwinnen) werden gezegd aan Constantijn te zijn verschenen in een visioen toen hij in Saxa Rubra was, wat zou hebben geleid tot zijn uiteindelijke bekering tot het christendom[20]. De daarop volgende jaren zou hij zijn militaire overmacht op zijn rivalen in de uiteenvallende tetrachie consolideren. Hij rekende ook voorgoed af met de Praetoriaanse Garde, die zijn voorganger Maxentius hadden gesteund en waarvan de leiders vaak een bedreiging vormden voor de keizer.

Constantijn, die reeds voordien eerder tot monotheïsme was geneigd (zoals zijn vader had hij de zonnegod Sol Invictus vereerd) en het christendom reeds sinds zijn jeugd kende, begon het monotheïsme steeds meer te begunstigen. Nochtans kan men daaruit niet met zekerheid afleiden, of en in welke mate hij zich met het geloof identificeerde. Wanneer hij zijn overwinning op zijn vijanden terug voerde op goddelijke bijstand, volgde hij gewoon een traditie van Romeinse keizers (bv. de toeschrijving van de overwinning bij Actium door Augustus aan Apollo). Men kan hem minstens zien als een vereerder van de god van de christenen, echter niet per se als christen in de daadwerkelijke betekenis van het woord, ook al zijn er verscheidene onderzoekers deze mening toegedaan[21].

De triomfboog van Constantijn in Rome, opgericht na zijn overwinning op Maxentius.

Constantijn zelf bekende zich bovendien niet openlijk tot het christendom: op de triomboog van Constantijn in Rome, die zijn overwinning aan Pons Milvius herdacht, ontbreken de meest heidense symbolen met uitzondering van de godin Victoria en de zonnegod, maar evenzeer ontbreken alle eenduidig christelijke symbole. Dit alles laat zich op verschillende wijze interpreteren, zodat het lijkt alsof Constantijn de overwinning niet met zekerheid aan de god van de christenen toeschreef, maar wel aan een hoogste godheid. Het is echter ook mogelijk, dat Constantijn rekening hield met zijn heidense onderdanen[22]. Het edict van Milaan hield bovendien godsdienstvrijheid in voor alle godsdiensten. Het bevorderde echter ook het christendom, daar het de positie van de bisschoppen versterkte. Eveneens bedeelde hij de Kerk met landerijen en beval volgens Eusebius het schrijven van vijftig bijbelkopiën voor de kerken in Constantinopel, omdat vele bijbels tijdens de vervolgingen waren vernietigd. Bovendien liet Constantijn zijn zoons in het christelijk geloof onderwijzen. Na 324 verdwenen ook heidense muntemblemen, en bovendien worden steeds meer christenen belangrijke ambten toevertrouwd, waarmee ook het belang van de traditionele culten meer en meer verdween. Daarnaast kwam het soms toe alleenstaande gevallen van plundering van heidense tempels en een verbod op private haruspiciae[23]

In 313 ontmoet Constantijn Licinius in Milaan om hun alliantie te verzekeren door het huwelijk van Licinius en Constantijns geliefde halfzus Constantia. Tijdens deze ontmoeting kwamen beide Augusti overeen om het zogenaamde edict van Milaan uit te vaardigen, hierdoor officieel de volledige godsdienstvrijheid in het Rijk uitroepen (in het bijzonder voor het christendom, dat echter pas onder Theodosius tot staatsgodsdienst zou worden verheven)[24]. De conferentie werd echter ingekort, toen Licinius het nieuws bereikte dat zijn rivaal Maximinus Daia de Bosporus had overgestoken en Licinius' grondgebied was binnengevallen. Licinius vertrok en wist uiteindelijk Maximinus te verslaan, waardoor hij nu heerser werd over het hele oostelijk deel van het Romeinse Rijk. De relaties tussen de twee overgebleven Augusti verslechterden echter al snel en ofwel in 314 of 316, stonden Constantijn en Licinius tegenover elkaar. De oorzaak voor hun strijd was een samenzwering tegen Constantijn, mogelijk op aanstoken van Constantijns halfzus Anastasia en haar echtgenoot Bassianus, wiens broer Senecio, een officier van Licinius was[25]. Nadat het complot was ontdekt, weigerde Licinius echter Senecio uit te leveren. Dit moet Constantijn in zijn vermoeden hebben gesterkt, dat Licinius in meer of mindere mate was betrokken geweest in de samenzwering. Constantijn rukte op met zijn Gallisch-Germaanse troepen, ongeveer 20.000 man sterk, en trok Illyricum binnen, waar Licinius hem met 35.000 man zou treffen bij Cibalae (huidige Vinkovci). Licinius verloor echter de slag en moest in aller ijl naar Thracia vluchten, waar hij nog troepen had gelegerd. In de buurt van Adrianopolis kwam het tot een veldslag, die echter onbeslist bleef. Uiteindelijk kwamen Constantijn en Licinius tot een overeenkomst, waarbij de laatste feitelijk de hele Balkan moest ontruimen en Constantijn Illyricum kon toevoegen aan zijn machtsgebied.

Ze kwamen opnieuw in conflict in de slag bij Campus Ardiensis in 317, en kwamen tot een overkomst waarbij Constantijns zonen Crispus en Constantijn samen met Licinius' zoon Licinianus als Caesares werden aangesteld[26].

Een solidus van Constantijn, geslagen in Thessalonica (327).

In 320 ging Licinius in tegen de godsdienstvrijheid die was vastgelegd in het edict van Milaan uit 313 door een nieuwe christenvervolging te beginnen[27]. Dit werd een uitdaging voor Constantijn in het westen, wat zou uitlopen in de grote burgeroorlog van 324. Vanaf 321 dateerden beide rijksdelen niet meer gezamenlijk naar de gemeenschappelijke consuls, en in 322 resideerde Constantijn in Thessalonica, aldus haast aan de grens van hun beider machtsbereik, wat Licinius zeker moet hebben geprovoceerd. Rond 323 versloeg Constantijn Licinius' vloot van 200 schepen. Licinius, geholpen door Gothische huurlingen, stond voor het verleden en het oude Romeinse paganisme, terwijl Constantijn en zijn Franken optrokken onder de christelijke standaard van het labarum. Langs beide kanten zag men de strijd in religieuze termen. Hoewel ze in de minderheid leken te zijn, kwam Constantijns leger dat 170.000 man sterk was als overwinnaar uit de slag bij Adrianopolis, de Hellespont, en Chrysopolis[28].

Een cameo die Constantijn gekroond door Constantinopel voorstelt.

Na de nederlaag en dood van Licinius een jaar later (hij werd beschuldigd van samenzweren tegen Constantijn en geëxecuteerd), werd Constantijn alleenheerser over het Romeinse Rijk[29]. Hij vierde zijn overwinning dan ook door het agnomen Victor (overwinnaar) aan te nemen en liet daarmee ook zijn vorige agnomen Invictus (onoverwinnelijke) vallen dat een heidense connotatie had, daar hij deze naam moest delen met Sol Invictus. De tetrarchie had definitief afgedaan.

Stichting van het nieuwe Rome[bewerken]

Licinius' nederlaag betekende het heengaan van het oude Rome, en de opkomst van het Oost-Romeinse Rijk als centrum van onderwijs, welvaart en culturele bewaring. Constantijn bouwde de oude Griekse kolonie Byzantion uit en hernoemde haar tot Nova Roma (Nieuw Rome) en liet in 330 speciale herdenkingsmunten uitbrengen ter ere van deze gebeurtenis. Hij gaf Nova Roma een eigen senaat en burgerlijke ambten zoals die van Rome. De herstichte stad werd beschermd door het vermeende Heilige Kruis, de staf van Mozes en andere relikwieën, hoewel een cameo die zich nu in het Hermitage museum bevindt Constantijn voorstelt terwijl hij wordt gekroond door de tyche van de nieuwe stad (zie afbeelding rechts). De figuren van oude goden werden vervangen en vaak geassimileerd tot christelijke symbolen. Op de plaats van een tempel van Aphrodite werd de nieuwe Kerk van de Heilige Apostelen. Enkel generaties later ging het verhaal de rond dat een visioen Constantijn naar deze plek bracht, en dat een engel die niemand anders kon zien hem over de loop van de nieuwe muren had geleid. Na zijn dood, werd zijn stad hernoemd tot Nova Roma Constantinopolitana (Constantinopel, van Κωνσταντίνου πόλις / Kōnstantínou pólis - « Constantijns stad »)[30]. Rome, reeds enkele decenia slechts noch pro forma hoofdstad, verloor daarmee verder aan belang, hoewel het nog altijd een belangrijk symbool van het "Eeuwige Stad"-idee bleef. Constantijns beslissing was verstandig, daar de nieuwe stad strategisch beter gelegen was (ze lag aan een belangrijk verkeersknooppunt en was van de vaak bedreigde Donau- en oostgrenzen ongeveer even ver verwijderd; bovendien was ze beter beschermd) en ook in het steeds belangrijker wordende oosten was gelegen. Hoewel in de nu vergrote stad ook talrijke keren werden gebouwd, waren ook noch talrijke heidense motieven voorhanden. De stad werd op velerlei wijzen gelijkgesteld en had bijvoorbeeld een eigen praefectus urbanus, alsook een senaat. Bovendien voorzag Constantijn compensatie, voor zij die zich in zijn nieuwe stad vestigden. Nochtans werd de stad slechts na enkele decennia de daadwerkelijke hoofdstad van het oostelijke rijksdeel, en werd ook de stadsontwikkeling pas in de 5e eeuw beëindigd.

Constantijns rijkspolitiek als alleenheerser (324-337)[bewerken]

Constantijn met een stadsmodel van Constantinopel (mozaïek in de Hagia Sophia, ca. 1000)

In 326 kwam het tot een familietragedie: Constantijn liet zijn oudste zoon Crispus en kort daarop zijn vrouw Fausta doden. Over de gebeurtenissen van deze zwarte pagina in de geschiedenis van Constantijns regerings kan echter weinig nog van worden achterhaald: de bronnen zijn onduidelijk en spreken elkaar deels tegen. Zo verschillen ook de moderne verklaringsmogelijkheiden. Fausta zou in elk geval volgens een overlevering in de bronnen Crispus hebben beschuldigd, een affaire met haar te hebben gehad, waarop Constantijn zijn zoon doodde. Toen hij dan – mogelijkerwijs op aanwijzingen van zijn moeder Helena – vaststelde, dat de aanklacht vals was, doodde hij ook de intrigante zelf. Mogelijk zijn echter ook geheel andere, aannemelijkere verklaringen, bijvoorbeeld dat Crispus misschien ontevreden was over zijn positie en (bewust of onbewust) in een intrige verwikkelt raakte, waarin mogelijk ook Fausta was betrokken[31]. In elke geval toont het aan, dat Constantijn in geval van twijfel (zoals zovele anderen keizers voor en na hem) niet aarzelde om naar geweld te grijpen.

In 332 versloeg Constantijn de Goten en stelde door een verdrag (foedus) de Donaugrenzen veilig[32]. In 334 werden de Sarmaten verslagen. Constantijn, die op militair gebied een van de succesvolste Romeinse keizers was, nam ook in andere gevallen talrijke maatregelen voor de stabilisering van de grenzen en beveiligde ook noch eenmaal de Rijn- en Donaugrenzen (in Brückenbau bij Oescus aan de Donau werd een versterkt bruggenhoofd ingericht) door extra vestigingen.

De reeds eerder door Diocletianus begonnen (of beter: verder doorgevoerde) legerhervorming werd onder hem verregaand afgesloten. Zo was er vanaf nu een echt bewegingsleger (Comitatenses) en een grensleger (Limitanei). Enkele bronnen uiten zware kritiek op deze beslissing, maar Constantijn zorgde hierdoor echter voor een duurzame stabilisatie van de grensgebieden, aangezien de vijandige legers nu na een grensinval gemakkelijker zouden kunnen worden opgevangen. Ook het ambt van legerleider (magister militum) werd door Constantijn ingevoerd, evenals nieuwe hofambten, zoals het ambt van quaestor sacri palatii (hoofd van de kanselarij) en magister officiorum (hoofd van het hoofd, dat echter reeds onder Licinius bestond). De drie posten van praefectus praetorio zouden worden omgevormd tot een leidinggevende functie over de civiele administratieve districten van het rijk[33]. Op binnenlands vlak hield Constantijn ook vast aan de door Diocletianus uitgezette koers (sacrale, nu weliswaar niet meer heidens, maar christelijk gefundeerde positie van het keizerschap; toenemende binding van boeren aan de grond (cf. lijfeigenschap)). Constantijns godsdienstpolitiek (cf. infra) toont een keizer die zijn best doet, maar die echter de vaak zeer ingewikkelde theologische beschouwingen nauwelijks kon natrekken.

Kort voor de aanvang van een veldtocht tegen de Sassaniden, zogezegd ter bescherming van de christenen in Perzië (zie ook Romeins-Perzische oorlogen), net zo goed komt echter de Alexander-imitatio als motief in beeld[34], werd Constantijn erg ziek en stierf kort daarop tijdens Pinksteren 337 bij Nicomedia[35]. Zoals het toen gebruikelijk was, had Constantijn zich slechts kort voor zijn dood laten dopen door de Ariaanse bisschop Eusebius van Nicomedia. Ironisch genoeg werd hij na zijn dood vergoddelijkt door de senaat, zoals de gewoonte was om goede heidense keizers te eren.

Opvolging[bewerken]

Constantijn had een groot opvolgingsprobleem omdat hij vier zoons had, waarvan de oudste, Crispus, een andere moeder had dan de andere drie. Crispus werd op verdenking van overspel met zijn stiefmoeder ter dood gebracht. Zijn overige drie zonen, Constantijn II, Constantius II en Constans, had Constantijn reeds vroeg als Caesares benoemd en werden samen zijn opvolgers. Dit leidde, zoals hun vader al vreesde, tot veel strijd. Toch kwam het na de dood van Constantijn tot een bloedbad binnen de familie en een oorlog tussen de zonen van Constantijn. Deze titel had ook zijn neef Dalmatius in 335 ontvangen. Hij had ook nog twee dochters, Constantina en Helena, de echtgenote van Julianus Apostata[36].

Aspecten van zijn regering[bewerken]

Constantijn en het christendom[bewerken]

Constantijn is waarschijnlijk het best gekend als eerste christelijke Romeinse keizer. Zijn regering was een keerpunt voor de christelijke kerk. In 313 vaardigde Constantijn (samen met zijn collega) het tolerantieedict van Milaan uit, waarmee ook een einde werd gemaakt aan de straffen voor het praktiseren van het christelijke geloof (waarvoor velen de marteldood waren gestorven tijdens de christenvervolgingen) en gaf geconfisceerde kerkgoederen terug. Hoewel een gelijkaardig edict reeds in 311 was uitgevaardigd door Galerius, de toenmalige oudste Augustus van de tetrarchie[37], herdefinieerde Constantijns lange regering, bekering en patronage van de kerk de status van het christendom in het rijk.

Geleerden zijn het niet eens of Constantijn zijn geloof van zijn moeder Helena in zijn jeugd had meegekregen, of hij er langzaamaan toe kwam in de loop van zijn leven[38]. Constantijne was al over de 40 jaar toen hij zich uiteindelijk zelf bekendmaakte als christen[39]. Wanneer hij naar christenen schreef, maakte Constantijn het duidelijk dat hij geloofde dat hij zijn successen enkel en alleen aan de bescherming van de god van de christenen had te danken[40]. Throughout his rule, Constantine supported the Church financially, built various basilicas, granted privileges (e.g. exemption from certain taxes) to clergy, promoted Christians to high ranking offices, and returned property confiscated during the Great Persecution of Diocletianus[41]. Tevens stichtte hij enkele kerken, waaronder de Heilige Grafkerk in Jeruzalem en de oude Sint-Pietersbasiliek te Rome.

De regering van Constantijn zorgde voor een precedent voor de positie van de christelijke keizer in de kerk. Constantijn beschouwde zichzelf verantwoordelijk tegenover God voor de spirituele gezondheid van zijn onderdanen en dus was het zijn plicht om orthodox te blijven in zijn geloof[42]. In de visie van Constantijn, besliste de keizer niet over de te volgen doctrine - dat was de verantwoordelijkheid van de bisschoppen - maar was zijn rol om de navolging van deze doctrine af te dwingen, ketterijen uit te roeien en de kerkelijke eenheid te bewaren[43]. De keizer zorgde ervoor dat God op de juiste wijze werd vereerd in zijn rijk, maar het was aan de kerk om te bepalen waaruit deze gepaste verering bestond[44].

In 314 riep hij het concilie van Arles samen. In 316 trad Constantijn op als rechter in een godsdienstig dispuut in de provincia Africa en veroordeelde de ketterij van het Donatisme[45]. In 321 na Chr. stelde hij de zondag als rustdag in voor het gehele rijk. Hij stelde bisschoppen aan of zette ze weer af naar eigen goeddunken. Maar nog belangrijker was dat hij in 325 het eerste concilie van Nicaea bijeenriep, het eerst effectieve oecumenische concilie (tenzij het concilie van Jeruzalem als oecumenisch wordt beschouwd), tijdens hetwelke het Arianisme werd veroordeeld en de geloofsbelijdenis zoals die vandaag de dag bekend is werd vastgelegd. Het concilie van Nicaea wordt traditioneel beschouwd als het eind van de vroeg-christelijke periode.[bron?]

Een andere visie op Constantijns bekering tot het christendom is die van gemak. In Constantijns tijd schat men dat ongeveer twintig procent van Rome's bevolking christen waren en een groter aantal van de militairen het christelijke geloof aanhingen.

Constantijn en de joden[bewerken]

Constantijn voerde verscheidene legislatieve maatregelen in met betrekking tot de joden: het werd hen verboden christelijke slaven te hebben of hun slaven te besnijden. Bekering van christenen tot het jodendom werd verboden. Bijeenkomsten voor religieuze diensten werden beperkt, maar joden werd het toegelaten Jeruzalem te betreden op Tisha B'Av, de verjaardag van de vernietiging van de tempel. Constantijn dwong ook het verbod van het eerste concilie van Nicea tegen het vieren van Pasen op de dag voor de joodse Pesach (nisan xiv) af, d.i. Quartodecimanen[46].

Hervormingen[bewerken]

Constantijns iconografie en ideologie[bewerken]

Munten die voor keizers worden geslagen geven dikwijls informatie over hun persoonlijke iconografie. Zo verschijnen bij het begin van Constantijns regering eerst consequent voorstellingen van Mars en dan (vanaf 310) van Apollo als zonnegod op de keerzijde van munten.[bron?] Mars was geassocieerd met de tetrarchie en het gebruik van deze symboliek door Constantijn diende om de legitimiteit van zijn regering te benadrukken. Na zijn breuk met de oude collega van zijn vader Maximianus in 309–310, begon Constantijn een wettige afstamming van de derde eeuwse keizer Marcus Aurelius Claudius Gothicus (Claudius II), de held van de slag bij Naissus (september 268), te claimen[47].

Munt van Constantijn met een voorstelling van de zonnegod Sol Invictus, die een wereldbol vasthoudt en zijn rechterhand omhoog steekt. De legende op de keerzijde leest SOLI INVICTO COMITI.
Follis van Constantijn met op de keerzijde een labarum.

Gothicus had beweerd de goddelijke bescherming van Apollo-Sol Invictus te genieten. Constantijn bevorderde ook een vereenzelviging van zichzelf met Sol Invictus, die de laatste god was om op zijn munten te verschijnen[48]. De keerzijden van zijn munten werden verscheidene jaren gedomineerd door de legende SOLI INVICTO COMITI ("van Sol Invictus' metgezel"). De voorstelling beeldde Apollo af met een zonnehalo, zoals Helios, en de wereldbol in zijn handen. In de jaren 320 had Constantijn zelf een halo. Er zijn ook munten die Apollo voorstellen terwijl hij met zijn zonnewagen over een schild rijdt dat Constantijn vasthoudt.[bron?] Elementen van deze associatie bleven zelfs na Constantijns beroemde bekering tot het christendom in 312 voortbestaan. Daarna begon de christelijke symboliek, hoewel in sommige gevallen dubbelzinnig, op te duiken in de keizerlijke iconografie[49]. Een munt van rond 312, bijvoorbeeld, toont de chi-rho, de eerste twee letters van de naam Christus in het Grieks, op een helm die Constantijn draagt[50].

Een voorbeeld van de "starende ogen" op munten uit de latere regering van Constantijn.

AEen voortzetting van het iconografische precedent kan in het grotere oog van het muntportret worden gezien. Dit suggereert een fundamentelere verandering in de officiële beeldvorming. Vanaf de late derde eeuw, begonnen portretten minder realistisch en meer geïdealiseerd te worden.[bron?] De keizer als keizer, niet slechts als een individu, is van primair belang. De meest voorkomende kenmerken van deze stijl zijn de brede kaak en gespleten kin. De grote starende ogen zullen in de loop van de vierde eeuw steeds groter worden: vergelijk met de vroege vijfde eeuwse zilveren munten van Theodosius I.[bron?]

Constantijns hof[bewerken]

Constantijn had veel respect voor cultuur en christendom en zijn hofhouding bestond uit oudere, gerespecteerde en eerbare mannen[bron?]. Hoewel voorname Romeinse families die het christendom weigerden aan te nemen, de toegang tot machsposities werd ontzegd, bekeerde twee derde van zijn topambtenaren zich niet tot het christendom[51].

Constantijns juridische erfenis[bewerken]

Constantijn voerde wetten in die de beroepen van slager en baker erfelijk maakten, en, belangrijker nog, steunde het veranderen van het statuut van coloni (pachtboeren) naar dat van horigen — aldus de basis leggend voor de Europese maatschappij gedurende de middeleeuwen[52].

Constantijns wetten verbeterden in velerlei wijs die van zijn voorgangers, hoewel ze ook naar zijn meer geweldadige periode verwezen[53]. Enkele voorbeelden:

  • Voor het eerst konden meisjes niet worden ontvoerd (dit verwees waarschijnlijk naar wegloopsters, die werden beschouwd als kidnappen omdat meisjes de iure niet konden instemmen met weglopen).
  • De doodstraf kon worden vervangen door een goedgekeurde bedrag.
  • Een gevangen werd niet langer meer in totale duisternis gevangen gehouden, maar moest de open lucht en het daglicht worden gegund.
  • Een veroordeeld man werd toegelaten te sterven in de arena, maar hij kon niet worden gebrandmerkt op zijn "hemels verfraaid" gezicht, maar slechts op zijn voetne (omdat God de mens naar Zijn beeld maakte).
  • Slavinnen of chaperons die werden betrapt op toelaten dat de meisje voor wie ze verantwoordelijk waren werden verleid werd gesmolten lood in hun kelen gegoten.
  • Gladiatorenspelen werden bevolen te worden afgeschaft in 325, hoewel dit geen echt effect had[54].
  • De rechter van een meester over een slaaf werden ingeperkt, maar een slaaf kon nog steeds worden doodgeslagen.
  • Pasen kon in het openbaar worden gevierd.

Constantijns nalatenschap[bewerken]

Contemporain bronzen hoofd van Constantijn (4e eeuw, Musei Capitolini).

Hoewel hij zijn eretitel van "De Grote" lang na zijn dood van christelijke historici kreeg, had hij deze titel alleen al op basis van zijn militaire prestaties en overwinningen kunnen claimen. Naast het herenigen van het rijk onder één keizer, behaalde Constantijn belangrijke overwinningen op de Franken en Alamanni in 306–308, de Franken opnieuw in 313–314, de Visigothen in 332 en de Sarmaten in 334. In feit had Constantijn tegen 336 opnieuw het grootste deel van de reeds lang verloren gegane provincia Dacia heroveren, die Aurelianus in 271 noodgedwongen had moeten prijs geven. Kort voor zijn dood plande hij een grote expeditie om een einde te maken aan de overvallen op de oostelijke provinciae door het Perzische Rijk[55].

Het Byzantijnse Rijk beschouwde Constantijn als haar stichter en ook het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie rekende hem onder de eerbiedwaardige figuren uit haar geschiedenis. In zowel het oosten als het westen, werden keizers soms begroet als een "nieuwe Constantijn" (novus Constantinus)[56]. De meeste oosterse christelijke kerken beschouwen Constantijn als een heilige[57]. In het oosten wordt hij soms "isapostolos" of de "13de apostel" genoemd[58].

Legende en de Donatio Constantini[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Donatio Constantini voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In latere periodes geraakte historische feiten overtrokken door legendes. Omdat het werd ongepast geacht dat Constantijn pas op zijn sterfbed was gedoopt en dan nog door een bisschop van twijfelachtige orthodoxie, ontstond een legende dat paus Sylvester I (314-335) de "heidense" keizer zou hebben genezen van lepra. Volgens deze legende werd Constantijn na zijn genezing gedoopt en schonk hij gebouwen aan de paus. In de achtste eeuw dook voor het eerst een document genaamd de "Donatio Constantini" op, in dewelke de pas bekeerde Constantijn de wereldlijke regering over Rome, Italië en het westen overdroeg aan de paus. In de hoge middeleeuwen werd dit document gebruikt en aanvaard als bais voor de paus' wereldlijke macht, hoewel het werd afgedaan als een vervalsing door keizer Otto III en betreurd als de wortel van de pauselijke wereldlijkheid door de poëet Dante Alighieri. De 15e eeuwse filoloog Lorenzo Valla bewees uiteindelijk dat het document inderdaad een vervalsing was[59].

Constantijn in Geoffrey van Monmouths Historia[bewerken]

Omwille van zijn faam en het feit dat hij tot imperator was uitgeroepen in het latere Groot-Brittannië, werd Constantijn later ook beschouwd als een Britse koning. In de 11e eeuw publiceerde de Engelse schrijver Geoffrey van Monmouth een fictief werk genaamd Historia Regum Britanniae, in hetwelke hij verhaalde over de vermeende geschiedenis van de Britten en hun koningen vanaf de Trojaanse Oorlog, koning Arthur en de Angelsaksische verovering. In dit werk beweerde Geoffrey dat Constantijns moeder Helena feitelijk de dochter van "King Cole", de mythische koning van de Britten en eponieme stichter van Colchester. Een dochter van King Cole was voordien nooit voorgekomen in de overlevering, ten minste niet in de geschreven overlevering, en deze afstamming kwam waarschijnlijk voort uit Geoffrey's verlangen om een ononderbroken koninklijke bloedlijn te creëren. Geoffrey meende dat het onwelvoeglijk was voor een koning om minder nobele voorouders te hebben. Geoffrey beweerde eveneens dat Constantijn werd uitgeroepen tot "koning van de Britten" te York, eerder dan tot keizer[60]

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b c Zijn geboortejaar is omstreden, maar recente encyclopediartikels plaatsen zijn geboorte rond 280 (cf. J.F. Matthews, art. Constantine, in Encyclopedia Britannica. Online edition (2007); U. Mattejiet, art. Konstantin I. (d. Gr.), röm Ks., in Lexikon des Mittelalters 5 (1991), klm. 1372. Oliver Schmitt pleit voor het jaar 275 (O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 84-85.).
  2. In het Latijn was Constantijns officiële keizerlijke titel IMPERATOR CAESAR FLAVIVS CONSTANTINVS PIVS FELIX INVICTVS AVGVSTVS, (Imperator Caesar Flavius Constantinus, de vrome, de gelukkige, de onoverwonnene, Augustus). Na 312, voegde hij er MAXIMVS ("de grootste") aan toe, en na 325 verving hij invictus ("de onoverwonnene") door VICTOR ("de overwinnaar"), daar invictus teveel herinnerde aan Sol Invictus.
  3. Ambrosius, de Obitu Theodosii 42, p. 295; cf. Anon. Valesii, Excerpta Valesiana 2.2: "matre vilissima".
  4. Hieron., Chron. anno. 2322; Orosius, VII 25; Chron. Pasch. A.D. 304, I, p. 516, ed. Bonn; Zos., II 8.
  5. Eusebius, Vita Const. III 47.
  6. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 12-13, 71, fig. 9.
  7. T.D. Barnes, Constantine and Eusebius, Cambridge - Londen, 1981.
  8. Precieze gegeven kan men niet uit het bronnenmateriaal halen. Maar zeer waarschijnlijk had Constantius zijn zoon systematisch als zijn opvolger naar voren geschoven, cf. O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 102–106.
  9. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 14-15.
  10. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 16-17.
  11. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 15-16; O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 117-118.
  12. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 15-16.
  13. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 15-16.
  14. Vanaf nu zijn er vier Augusti.
  15. Galerius' gebied werd verdeeld onder Licinius en Maximinus Daia.
  16. C.E. Nixon - B.S. Rodgers (introd. trad. com.), In Praise of Later Roman Emperors: The Panegyrici Latini, Berkeley - e.a., 1994, p. ?: Panegyricus Constantinii 12.3.
  17. De getalopgaven schommelen in de moderne literatuur, niet in het minst door de vaak onnauwkeurige aantallen gegeven in de bronnen, cf. J. Vogt, Constantin der Große und sein Jahrhundert, München, 19602, p. 158 (ca. 40.000 man) en E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, p. 39 (25.000 à 30.000 man). Voor het verloop van de veldtocht cf. ook de degelijke en gedetailleerde voorstelling bij O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 138ff.
  18. E. DePalma Digeser, The Making of A Christian Empire: Lactantius and Rome, Londen, 2000, p. 122.
  19. Eusebius, Hist. Eccl. IX 9; Eusebius, Vita Const. I 38; Lactantius, Mort. Pers. 44. Een „heidense variant“ biedt de Panegyricus van Nazarius uit het jaar 321. Cf. zie in verband met de overlevering van de bronnen E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 48ff.
  20. Men moet niet vergeten dat visioenen in de antieke historiografie niet zelden achteraf werden toegevoegd.
  21. Constantijn keerde zich waarschijnlijk ten laatste vanaf 312 tot het christendom, zie o.a. T.D. Barnes, Constantine and Eusebius, Cambridge, 1981; H. Brandt, Konstantin der Große. Der erste christliche Kaiser, München, 2006. In het onderzoek is dit punt echter omstreden: Jacob Burckhardt beschouwt de keuze van Constantijn voor het christendom als een zuiver politiek berekende daad, anderzijds geloven o.a. Andreas Alföldi en Joseph Vogt in een echte religieuze bekering van Constantijn. Het belangrijkste werk in verband met Constantijns bekering is K.M. Girardet, Die Konstantinische Wende, Darmstadt, 2006. Zie ook E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 42ff., O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 155ff.
  22. Cf. B. Bleckmann, Konstantin der Große, Reinbek, 1996, pp. 58ff.
  23. E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 164ff.
  24. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 24.
  25. M. DiMaio Jr., art. Anastasia (Daughter of Constantius I Chlorus), in DIR (1996).
  26. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 38-39.
  27. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 41-42.
  28. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 42-43.
  29. Eutropius, X 6.1; Hiëronymus, Chron. Olymp. 275 p. 313; Zosimus, II 28.2 (§ 50); R. MacMullen, Constantine, New York, 1969.
  30. R. MacMullen, Constantine, New York, 1969.
  31. Cf. o.a. E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007, pp. 141ff.; O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 221ff.
  32. Cf. J. Spielvogel, Die Gotenpolitik Kaiser Konstantins I. zwischen altrömischer Tradition und christlicher Orientierung, in T. Hantos - G.A. Lehmann (edd.), Althistorisches Kolloquium aus Anlaß des 70. Geburtstags von Jochen Bleicken, Stuttgart, 1998, pp. 225–238.
  33. Terwijl men vroeg de inrichting van de praetoriaanse prefecturen aan Constantijn toeschreef, gaat men er nu van uit dat deze pas in de jaren 360 hun uiteindelijk vorm vonden. Een overzicht van de onderzoeksgeschiedenis en een relatief actuele status quaestionis biedt J. Migl, Die Ordnung der Ämter. Prätorianerpräfektur und Vikariat in der Regionalverwaltung des Römischen Reiches von Konstantin bis zur Valentinianischen Dynastie, Frankfurt am Main, 1994.
  34. Zo bijvoorbeeld O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007, pp. 260 ff.
  35. Zie in verband hiermee ook de brief van Constantijn aan Shapur II: Eusebius, Vita Constantini IV 9–13; cf. M. Raub Vivian, Eusebius and Constantine’s Letter to Shapur: Its Place in the Vita Constantini, in Studia Patristica 29 (1997), pp. 164–169.
  36. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 77, fig. 9.
  37. Het edict schonk christenen het recht om hun religie uit te oefenen, maar gaf hen niet hun verloren eigendom terug; zie Lactantius, De Mortibus Persecutorum 35-34.
  38. R. Gerberding - J.H. Moran Cruz, Medieval Worlds: An Introduction to European History 300-1492, New York, 2004, p. 55.
  39. P. Brown, The Rise of Western Christendom: Triumph and Diversity, AD 200-1000, Oxford, 20032, p. 61.
  40. P. Brown, The Rise of Western Christendom: Triumph and Diversity, AD 200-1000, Oxford, 20032, p. 60.
  41. R. Gerberding - J.H. Moran Cruz, Medieval Worlds: An Introduction to European History 300-1492, New York, 2004, pp. 55-56.
  42. J. Richards, The Popes and the Papacy in the Early Middle Ages 476-752, Londen, 1979, pp. 14-15.
  43. J. Richards, The Popes and the Papacy in the Early Middle Ages 476-752, Londen, 1979, p. 15.
  44. J. Richards, The Popes and the Papacy in the Early Middle Ages 476-752, Londen, 1979, p. 16.
  45. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 34.
  46. Eusebius, Vita Constantinii III 18; Theodoretus, Hilotheos historia I 9 (het epistel van keizer Constantijn, omtrent de zaken afgehandeld op het concilie, gericht aan die bisschoppen die niet aanwezig waren).
  47. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 22, 62-63.
  48. N. Hannestad, Roman Art and Imperial Policy, Århus, 1988.
  49. P. Bruun, Studies in Constantinian numismatics: papers from 1954 to 1988, Rome, 1991.
  50. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 40-41, fig. 4.
  51. R. MacMullen, Constantine, New York, 1969, New Catholic Encyclopedia, 1908 Constantine
  52. A.H.M. Jones, The Later Roman Empire, 284-602: A Social Economic and Administrative Survey, II, Baltimore, 1964, p. 795.
  53. Z. Hazard Potter, Influence of Christianity on the Roman Law, in the American Church Review 30 (1878), p. 340.
  54. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 69.
  55. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, p. 72.
  56. Clovis: Gregorius van Tours, Historia Francorum II 31; Karel de Grote: Codex Carolin. epist. 49, III.II p. 195. Zie ook E.G. Grimme, Novus Constantinus. Die Gestalt Konstantins des Grossen in der imperialen Kunst der mittelalterlichen Kaiserzeit, in Aachener Kunstbläter 22 (1961), pp. 7-20.
  57. H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996, pp. 83-87.
  58. S.N.C. Lieu - D. Montserrat (edd.), From Constantine to Julian: Pagan and Byzantine views: a source history, Londen, 1996, p. 99.
  59. Lorenzo Valla, De falsa et ementita Constantini Donatione declamatio (1440). (link naar editie en Engelse vertaling uit 1922)
  60. Geoffrey van Monmouth, Historia Regum Britanniae, pp. 132-133.

Referenties[bewerken]

  • T.D. Barnes, Constantine and Eusebius, Cambridge - Londen, 1981.
  • B. Bleckmann, Konstantin der Große, Reinbek, 1996.
  • H. Brandt, Konstantin der Große. Der erste christliche Kaiser, München, 2006.
  • P. Brown, The Rise of Western Christendom: Triumph and Diversity, AD 200-1000, Oxford, 20032.
  • P. Bruun, Studies in Constantinian numismatics: papers from 1954 to 1988, Rome, 1991.
  • E. DePalma Digeser, The Making of A Christian Empire: Lactantius and Rome, Londen, 2000.
  • M. DiMaio Jr., art. Anastasia (Daughter of Constantius I Chlorus), in DIR (1996).
  • R. Gerberding - J.H. Moran Cruz, Medieval Worlds: An Introduction to European History 300-1492, New York, 2004.
  • K.M. Girardet, Die Konstantinische Wende, Darmstadt, 2006.
  • N. Hannestad, Roman Art and Imperial Policy, Århus, 1988.
  • Z. Hazard Potter, Influence of Christianity on the Roman Law, in the American Church Review 30 (1878), pp. 321-343.
  • E. Herrmann-Otto, Konstantin der Große, Darmstadt, 2007.
  • A.H.M. Jones, The Later Roman Empire, 284-602: A Social Economic and Administrative Survey, II, Baltimore, 1964.
  • S.N.C. Lieu - D. Montserrat (edd.), From Constantine to Julian: Pagan and Byzantine views: a source history, Londen, 1996. ISBN 0415093368
  • R. MacMullen, Constantine, New York, 1969. ISBN 0709946856
  • U. Mattejiet, art. Konstantin I. (d. Gr.), röm Ks., in Lexikon des Mittelalters 5 (1991), klm. 1372.
  • J.F. Matthews, art. Constantine, in Encyclopedia Britannica. Online edition (2007).
  • J. Migl, Die Ordnung der Ämter. Prätorianerpräfektur und Vikariat in der Regionalverwaltung des Römischen Reiches von Konstantin bis zur Valentinianischen Dynastie, Frankfurt am Main, 1994. ISBN 363147881X
  • H. Pohlsander, The Emperor Constantine, Londen - New York, 1996.
  • M. Raub Vivian, Eusebius and Constantine’s Letter to Shapur: Its Place in the Vita Constantini, in Studia Patristica 29 (1997), pp. 164–169.
  • J. Richards, The Popes and the Papacy in the Early Middle Ages 476-752, Londen, 1979. ISBN 0710000987
  • O. Schmitt, Constantin der Große (275–337), Stuttgart - e.a., 2007.
  • J. Spielvogel, Die Gotenpolitik Kaiser Konstantins I. zwischen altrömischer Tradition und christlicher Orientierung, in T. Hantos - G.A. Lehmann (edd.), Althistorisches Kolloquium aus Anlaß des 70. Geburtstags von Jochen Bleicken, Stuttgart, 1998, pp. 225–238.
  • J. Vogt, Constantin der Große und sein Jahrhundert, München, 19602.

Externe links[bewerken]

Logo Wikimedia Commons
Commons heeft mediabestanden op de pagina Constantine I (emperor).