Gebruiker:Notum-sit/klad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De goederenlijst van de graaf van Dale is een eigendomsregister waarvan de kern teruggaat tot 1188. De lijst is echter alleen bewaard gebleven in een laat-dertiende-eeuws afschrift waarin latere toevoegingen zijn verwerkt.

Het afschrift bevindt zich in het diversorium van bisschop Frederik van Blankenheim in het archief van de Utrechtse bisschoppen in het Provinciaal Archief van Utrecht.

De graaf van Dale[bewerken]

De graaf van Dale uit de titel is Hendrik van Dale (ovl. 1166). Hij was de eigenaar van onder andere Huis Dahl aan de Lippe bij Bork. Door zijn huwelijk met Regenwize van Diepenheim was hij bovendien eigenaar van de heerlijkheid Diepenheim en de onderhorige goederen.

Goederen[bewerken]

De lijst begint met de goederen die hun pacht direct aan de graaf zelf betaalden. Dit betrof vooral goederen rond het Huis Dahl in de kerspelen Bork en Ottmarsbocholt in Westfalen, rond Ankum en Bersenbruck, rond Huis Diepenheim in Twente en goederen in de Dodewaard, de Tielerwaard en de Bommelerwaard.

Pachten werden hoofdzakelijk betaald in graan: tarwe, rogge, haver en gerst. Daarnaast is er incidenteel sprake van bonen, erwten en vlas. Andere soorten pacht waren hoenders, eieren, rammen, kaas, boter. Ook werd vaak een deel van de pacht in geld betaald. Eén boerderij betaalde met aardewerk. Andere erven betaalden de (waarschijnlijk derde of vierde) garve.

Daarna volgt een lijst van de leengoederen en de dienstmangoedgoederen. Het gebied waar deze goederen lagen was zeer uitgestrekt: in het huidige Nederland waren er goederen in de Nederbetuwe, op de Veluwe, in de graafschap Zutphen, bij Deventer en Zwolle, in de Achterhoek, Twente en kasteel Heumen. In het huidige Duitsland lagen er goederen rond Xanten en Osnabrück en het gehele gebied ertussen.

Aan het slot volgt een lijst van de borgmanslenen, de bona castellanye van Huis Diepenheim die overwegend in Twente en de Achterhoek lagen.

Herkomst van de goederen[bewerken]

Het goederenbezit van graaf Hendrik van Dale en Regenwice valt goeddeels te herleiden tot de bezittingen van hun verschillende voorouders.

Graaf Hendrik van Dale was een zoon van Gerard van Henegouwen en een kleinzoon van Boudewijn III van Henegouwen en Yolanthe van Gelre. Uit Yolanthes erfgoed kwam het bezit van de comitatus Dodenwaard en Dahl. [1]

Hendriks moeder was Hadewich van Ravensberg. Ook van haar kwamen waarschijnlijk de goederen bij Bersenbrück en Vechta.

Regenwice was de erfdochter van de heerlijkheid Diepenheim na het overlijden van haar vader Wolbertus van Diepenheim waardoor de uitgebreide goederen in Twente en de Achterhoek in handen van de graven van Dale kwamen.

Oorspronkelijke schrijver en datering[bewerken]

Volgens de inleiding van de goederenlijst zelf is deze in 1188 opgeschreven door Everardus, de kapelaan van graaf Hendrik van Dale, voor graaf Hendrik en diens vrouw Regenwize van Diepenheim met als doel het voor de graaf en zijn nazaten makkelijker te maken inkomsten, goederen en contracten terug te vinden.

Uit hetzelfde jaar is ook een akte betreffende de verdeling van de goederen Wecelinus geheten Spakebich opgenomen.

De lijst is later van toevoegingen voorzien. De namen van de weinige leenmannen die met name worden genoemd worden in de dertiende eeuw geplaatst. Algemeen wordt echter aangenomen dat de kern van de lijst daadwerkelijk uit 1188 dateert.

Verkoop Diepenheim[bewerken]

In 1331 verkochten Kunegunde van Dale en haar tweede echtgenoot Willem van Boxtel de heerlijkheid Diepenheim aan de bisschop van Utrecht. Naar aanleiding hiervan is de goederenlijst in bezit van de bisschop gekomen.

Uitgaven[bewerken]

In de achttiende eeuw publiceerde de Overijsselse rechtsgeleerde Jan Willem Racer de goederenlijst in zijn Overijsselsche Gedenkstukken. [2] Zijn transcriptie was echter niet foutloos. Friedrich Philippi (1853-1930) en W.A.F. Bannier publiceerden in 1904 een verbeterde transcriptie. Hieraan gaat een inleiding van Philippi vooraf.

Geschiedkundige betekenis[bewerken]

De lijst is van historische betekenis omdat het voor verscheidene plaatsen in Oost-Nederland de eerste vermelding betekent.

Nederlandse plaatsen vermeld in het goederenregister[bewerken]


Literatuur[bewerken]

  • Dr. F. Philippi en dr. W.A.F. Bannier, Das Güterverzeichnis Graf Heinrichs von Dale (1188), in: Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, 25 (1904), blz. 365-443.

Referenties[bewerken]

  1. Chronicon Hanoniense in: Monumenta Germaniae Historica, SS. XXI, blz. 507
  2. Jan Willem Racer, Overijsselsche Gedenkstukken, VII blz. 52ff en deels II, blz. 261ff


De Staten van Overijssel waren sinds 1528 tot het einde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1795 het hoogste bestuursorgaan van de heerlijkheid Overijssel. Tot 1578 waren zij onderworpen aan respectievelijk Karel V en zijn zoon Filips II, maar sindsdien soeverein.

De Staten van Overijssel werden gevormd door afgevaardigden van de Ridderschap van Overijssel en van de drie Grote Steden: Deventer, Zwolle en Kampen. De Ridderschappen van Salland, van Twente en van Vollenhove leverden elk een afgevaardigde, net als elke stad.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Overijssel ontstond pas in 1528. Daarvoor maakte het gebied van wat later Overijssel zou worden genoemd deel uit van het Oversticht. In dit gebied was de bisschop van Utrecht zowel geestelijk als wereldlijk heer. Onder het Oversticht vielen de landschappen Salland, Twente, Land van Vollenhove, Drenthe en de stad Groningen met het omringende Gorecht. Al in de 14e/15e eeuw trokken Salland, Twente en Vollenhove echter soms gezamenlijk op. In 1457 kregen deze drie landschappen een gezamenlijk landrecht. Elk van deze landschappen had een bestuur dat bestond uit de verschillende standen. Dit bestuur overlegde met de landheer, de bisschop, over allerlei belangrijke zaken. Niet alle standen waren in deze besturen vertegenwoordigd. De Ridderschappen trof men in elk landschap aan. De invloed van de boeren (die in Drenthe wel bleef bestaan) was al vroeg verdwenen. De drie IJsselsteden, Deventer, Zwolle en Kampen speelden een grote rol in Salland, terwijl de Twentse steden een geringere invloed hadden in hun gewest.

De Staten van 1528 tot 1578[bewerken]

Het begin van de zestiende eeuw werd gekenmerkt door een hevige oorlog die als de Gelderse Oorlog bekend staat. Hertog Karel van Gelre richtte enorme schade aan in het Oversticht en wist Drenthe en Groningen in zijn macht te krijgen. De bisschop van Utrecht en de Staten van Salland, Twente en Vollenhove waren niet in staat een einde aan de oorlog te maken. Daarom besloten ze keizer Karel V te vragen hun landsheer te worden. Karel V aanvaardde dit in zijn functie als graaf van Holland, niet als keizer van het Duitse Rijk. Hierdoor was het mogelijk dat Karel V de heerschappij over het Oversticht op zijn nageslacht kon doen vererven. Bij de machtsoverdracht in 1528 kreeg het gebied een nieuwe naam: de heerlijkheid Overijssel, waaronder toen ook het bezette Drenthe werd gerekend. Toen ook Drenthe in 1536 in Karel V's handen kwam, bleef dit echter een apart landschap.

Het bestuur door de Habsburgers was van een heel andere aard dan dat van de bisschop. De bisschop had weinig macht en was bovendien gekozen. Zijn bestuur was gebaseerd op overleg met de gewestelijke vertegenwoordigers. De Habsburgers gedroegen zich als soevereine vorsten die van bovenaf nieuwe wetten oplegden en oude voorrechten buiten werking stelden, tegen het verdrag van 1528 in. Dit leidde op den duur tot grote onvrede.

De Staten na 1578[bewerken]

In 1579 ondertekenden de Staten van Overijssel de Unie van Utrecht

De Bataafse Republiek[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • E.D. Eijken, A.J. Mensema, A.J. Gevers, W.J. Meeuwissen, R.M de Raat, C. van Heel, in alle STATEN. 400 jaar Provinciaal Bestuur van Overijssel, Uitgeverij Waanders, Zwolle, (1978) ISBN 9070072513

[[Categorie:Geschiedenis van Overijssel