Geintje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Gein is een oorspronkelijk Hebreeuws ("chen") woord, dat via het Jiddisch (chein) en het Bargoens in het Nederlands terecht kwam. Gein betekent pret of plezier. Het Hebreeuwse woord waar het van afgeleid is betekent lieftalligheid. Oorspronkelijk werd het ook wel geschreven als gijn.

De overgang van woorden uit het Jiddisch via het Bargoens naar Nederlands gebeurde vooral in steden waarin veel joden woonden, zoals in Amsterdam. Het woord is in het Amsterdams dan ook veel te horen. De eerste schriftelijke bronnen wijzen op een Amsterdamse oorsprong.

Zoals veel Jiddische woorden wordt gein vooral in verkleinde vorm gebruikt, als geintje. Analoog werd ook het woord smoes verkleind tot smoesje. In verkleinde vorm betekent het geintje grapje. Een soortgelijk woord, maar niet etymologisch verwant, is gebbetje, het verkleinwoord van gebbe (van het Hebreeuwse chiebba dat liefde betekent).

Vaak wordt het woord in positieve zin gebruikt: hij houdt wel van een geintje. Maar ook in meer negatieve zin kan het voorkomen: nog een keer zo'n geintje, en er zwaait wat.

Afgeleide woorden van gein zijn: geinponem (letterlijk een "geingezicht", een grapjas), ongein (flauwekul, iets wat beslist niet leuk is), geinig (grappig).

Bron[bewerken]