Naar inhoud springen

Gelede tram

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Een gelede tram van een ontwerp van Duewag in Wenen

Een gelede tram is een tram die uit meerdere onderling beweegbare delen bestaat, die verbonden zijn door een of meer geledingen. Bij trams worden deze delen meestal (wagen)bakken genoemd.

De ontwikkeling van de gelede tram ontstond uit de behoefte om met grotere eenheden te gaan rijden. Voordeel van grotere trams is dat meer passagiers met dezelfde hoeveelheid personeel vervoerd konden worden. De eerste generatie gelede trams bestond uit tweeassige of vierassige motorwagens die door middel van een harmonica direct met elkaar werden verbonden. Dit model werd vanaf de jaren twintig voor korte tijd gangbaar. Omstreeks 1930 werd het model twee-kamers-met-bad ('two rooms-with-a-bath') ontwikkeld: twee tweeassige motorwagens werden met een zwevende middenbak met elkaar verbonden. Ook uit dezelfde tijd dateren de eerste enkelgelede trams op draaistellen, waarbij de beide wagenbakken op een gemeenschappelijk jacobsdraaistel rustten.

Het eerste gelede type van Urbinati.

Omstreeks 1940 kwamen de eerste gelede trams met kokergeleding, een ontwerp van de Italiaanse ingenieur Urbinati, die in Rome en in Milaan trams van dit type introduceerde. Dit tramtype werd vanaf de jaren vijftig in Europa op grote schaal toegepast. Ook in andere landen, met name in Duitsland, maakte de gelede tram een grote ontwikkeling door. Daar kwamen naast de veel voorkomende zesassers en achtassers ook tienassers en zelfs twaalfassers voor, deze laatste trams hadden vijf wagenbakken. Ook gelede bijwagens werden op enkele plaatsen toegepast. De sinds de jaren negentig ontwikkelde lagevloertrams zijn alle gelede trams, maar de geledingen rusten hierbij niet meer op draaistellen, maar zijn uitgevoerd als oplegger of met zwevende geledingen.

Directe geleding

[bewerken | brontekst bewerken]

Bij directe geleding worden twee- of vierassige wagenbakken door midden van een balg (harmonica) of kokerscarnier met elkaar verbonden. Elke bak wordt hierbij door zijn eigen assen gedragen. De eerste succesvolle serie was gebouwd en in dienst gesteld in Bremen, daardoor staat in Duitsland het concept bekend als type Bremen. Daarbij gaat het nog om versies met een hoge vloer. Bij lagevloerstrams gaat het veelal om bakken met elk vier wielen die met elkaar verbonden zijn.

Jacobsdraaistel

[bewerken | brontekst bewerken]

Bij een Jacobsdraaistel rusten twee wagenbakken op één draaistel. De tram scharniert boven dit jacobsdraaistel. Aan de uiteinden van de trams is vaak nog wel een regulier draaistel. Hierdoor kunnen de beide (of bij langere trams: meerdere) wagenbakken geheel onafhankelijk scharnieren waardoor de ene bak geen hinder ondervindt van de bewegingen van de andere bak.

De eerste trams met jacobsdraaistellen werden in Duisburg in 1926 in dienst werden gesteld. De NZH volgde in 1932 met tien stuks (serie A600) voor de lijn Haarlem-Leiden. Het materieel was geleed uitgevoerd omdat de gemeente Haarlem geen trams met bijwagens toestond.[1] Bij de beide voorgaande tramtypes bleef de geleding zelf problematisch, totdat ir. Urbinatti (directeur van trambedrijf STEFER in Rome) een oplossing ontwikkelde. Ter plaatste van de geleding werd een rechtopstaande gedeelde cilinder geplaatst die in bochten wordt aangestuurd door stangen. Hierbij ontstaat over de hele lengte van de tram —ook bij de geleding— een brede doorgang.[2] In 1939 werden proefwagens 401 en 402 afgeleverd en omdat ze goed bevielen volgde een serie van tien stuks, plus in 1953 een iets gewijzigde vervolgserie (501-508). Voor het stadstrambedrijf ATAC werden vanaf 1947 een serie van 50 vergelijkbare zesassers geproduceerd.[3] Veel andere Italiaanse steden met trams volgden ook.

Opgelegde bak

[bewerken | brontekst bewerken]
Een tram met korte middenwagenbak op twee assen plus twee opleggers
Een tram in Bremen met opgelegde eindbak
Het Weense type F met opgelegde eindbak
De eerste achtasser met twee opgelegde bakken reed in Freiburg

Bij een opgelegde bak heeft één wagenbak twee of vier assen en zijn er een of meer wagenbakken die daar deels op steunen. Bij extra lange trams kan een opgelegde wagenbak zelf ook steunen op een opgelegde bak zoals bij de Citadis Dualis.

In Duitsland verschenen de eerste experimentele trams met deze opbouw. In 1928 werd in Dresden een driedelige tram (wagen 2501)[4] geleverd. De middelste bak had twee vaste assen, de beide opleggers elk één instelbare as.[5]

In Genua bouwde men in 1940 oude trams om tot een serie van 31 opleggertrams. Deze trams bestonden uit twee bakken: een bak met twee vaste assen waaraan een korte bak met één vaste as was gekoppeld.[6] In de jaren 1960 werden in Genua en Wenen grote hoeveelheden trams met een bak met twee assen en een oplegger met een een tweeassig draaistel gebouwd. Dit hielp het concept aan betere rijeigenschappen dan de eerder genoemde twee series.[6][7] In Augsburg kwam zelfs een variant hierop met vijf assen.

Vanaf de jaren 1990 wordt deze constructie veel toegepast bij lagevloertrams. Hierdoor hoeven de gecompliceerde jacobsdraaistellen niet toegepast te worden.

Bij lagevloertrams is de kortste variant doorgaans een zesasser. Daarbij zijn er varianten met twee en met drie wagenbakken. De tweedelige trams hebben dan een opbouw als de RET ZGT: een wagenbak heeft twee tweeassige draaistellen, de oplegger één tweeassig draaistel. De driedelige zesasser heeft in het midden een wagenbak met twee assen met aan beide zijden een opgelegde bak met elk een tweeassig draaistel. De achtassers zijn vergelijkbaar opgebouwd maar hebben onder de middenbak dan vier assen verdeeld over twee draaistellen. Deze achtassers zijn te verlengen door ze uit te breiden met een vierde opgelegde wagenbak met een tweeassig draaistel. Een in grote aantallen geleverd model is de Flexity Classic van fusieconcern Bombardier/Alstom.

Een tram met zwevende wagenbak (Engels: two-rooms-and-bath tram)[8] heeft onder de zwevende bak zelf helemaal geen assen, deze rust via de geledingen aan beide kanten op een andere bak.

In de kortste uitvoering bestaat het uit drie wagenbakken waarbij de bakken aan de uiteinden elk twee assen hebben en de middelste bak —daar als een brug— tussen gehangen is. Hierdoor heeft deze bak geen ondersteuning door wielen nodig en lijkt daardoor te zweven.

Schema van een tram met zwevende bak in Boston
Dankzij tegenlicht zijn de zwevende bakken goed te zien.

Al in 1892 werd een patent aangevraagd om op deze manier langere trams te maken. De uitvinders (Brewer and Krehbiel) lieten het jaar erop voor het vervoersbedrijf van Cleveland een exemplaar bouwen. Het duurde nog tot 1912 voordat dit type tram op grote schaal werd toegepast, toen vooral in Boston.[9] Uit oude wagens werden in totaal 191 gelede en zogenaamde snake cars samengesteld.[10]

De primeur voor Europa had de stad Göteborg in 1922 waarbij er 10 in dienst werden gesteld. Andere steden volgden wel maar steeds met slechts 1 à 2 exemplaren: Oslo (1924), Dresden en Leipzig (beiden 1928) en Amsterdam en Milaan (beiden in 1932). In Milaan en later ook andere Italiaanse steden volgden weer wel series van tientallen trams. Waar in Amerika dit type alleen voor de Tweede Wereldoorlog werd gebouwd, werd dit in Europa wel een succes: met name in Duitsland.[9]

Voor lagevloertrams zijn er twee veel voorkomende varianten: de eindbakken kunnen elk door twee of vier assen ondersteund worden. Bij lagevloertrams is het eerder regel dan uitzondering dat er meer dan drie wagenbakken zijn. Trams met vijf bakken —waarvan drie met wielen en twee zwevend— komen het meest voor. In de Benelux alleen al rijden deze rond in Amsterdam, Antwerpen, Brussel, Gent, Luxemburg, Rotterdam en sinds eind 2019 ook Utrecht. Hoewel minder gebruikelijk, komt dit type tram ook voor met zeven en zelfs negen wagenbakken: dit laatste alleen in Boedapest.

Gelede trams worden vaak benoemd naar het aantal assen. Bij de hogevloers-gelede trams rustten de geledingen vaak op jacobsdraaistellen, met een klassiek tweeassig draaistel vooraan en achteraan. Een zesasser was dan een enkelgelede tram, een achtasser een dubbelgelede, tot vierdubbelgelede twaalfassers.

Uit het aantal assen is de configuratie van de tram niet direct af te leiden. Zeker bij lagevloerstrams bestaat er een veelheid aan configuraties.

Lagevloertrams hebben niet altijd doorgaande assen tussen de wielen. Toch worden twee wielen met elk een eigen, korte as, vaak als één as benoemd.

Vijfdelige, vierdubbel gelede, twaalfassige tram van de Rhein-Haardtbahn voor het Hauptbahnhof van Mannheim.

In de Benelux

[bewerken | brontekst bewerken]
Enkelgelede PCC-car in Brussel

In België werden in Brussel vanaf de jaren zeventig gelede trams geïntroduceerd, eerst zesassers en later ook achtassers. Bij de toenmalige NMVB kwamen vanaf 1981 de eerste enkelgelede trams in dienst. Deze trams van BN gingen aan de kust rijden en in/om Charleroi. Bij de Kusttram werd een deel hiervan inmiddels verlengd tot achtassers, met een middenbak met verlaagd vloergedeelte. Sinds eind jaren 90 rijden er ook in Antwerpen en Gent gelede trams: deze hebben echter een lage vloer.

Gelede lagevloer tram van Amsterdam

Een vroeg voorbeeld in Nederland van een geleding met Jacobsdraaistellen was het type A600-en van de Blauwe Tram uit 1932. De eerste enkelgelede trams van het type Urbinati verschenen in Amsterdam en Rotterdam in 1957. In 1958 werd in Amsterdam de eerste dubbelgelede tram geïntroduceerd, deze had een derde bak in het midden gekregen die ook op draaistellen rustte. Hiermee was een achtassige tram ontstaan. Dit tramtype werd in Amsterdam en Rotterdam in de jaren zestig en zeventig op grote schaal aangeschaft. In Amsterdam reden tot de komst in 2002 van de Combino-trams zo'n 250 dubbelgelede trams op draaistellen. Ook in Den Haag verscheen vanaf 1981 een dubbelgelede tram: van het type GTL8 werden 147 stuks geleverd. Utrecht volgde in 1983 met enkelgelede sneltrams.

Eind 2017 kwam de tram terug in Luxemburg (stad). Hier rijden moderne gelede lagevloertrams van CAF van het type Urbos. Het gaat hier om het sinds de jaren 1990 weer populaire concept met zwevende middenbakken.