Gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De wijze en de dwaze maagd (Jan Adam Kruseman, 1848)

De gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes, ook wel gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden (in oudere vertalingen), is een parabel in het Nieuwe Testament van de Bijbel, verteld door Jezus.

Volgens het evangelie van Matteüs 25: 1-13, zijn de vijf meisjes die zijn voorbereid op de komst van de bruidegom beloond, terwijl de vijf die niet voorbereid zijn, verstoten worden. De gelijkenis heeft een duidelijk eschatologisch thema: voorbereid zijn op de wederkomst van Jezus.

De gelijkenis[bewerken | brontekst bewerken]

In deze gelijkenis vertelt Jezus hoe tien meisjes met hun olielampen de bruidegom tegemoet gaan. Vijf meisjes zijn wijs en nemen olie mee, vijf zijn dwaas en doen dit niet, ondanks het feit, dat ze niet weten hoe lang ze moeten wachten. Het duurt lang en de meisjes vallen in slaap. Midden in de nacht wordt geroepen: de bruidegom komt! De vijf wijze meisjes vullen hun lampen en de vijf dwaze hebben geen olie meer en moeten naar de markt om olie te kopen. Tijdens hun afwezigheid komt de bruidegom en neemt de wijze meisjes mee naar binnen. De deur wordt achter hen gesloten. Als de dwaze meisjes komen, worden ze niet meer binnengelaten. De leer hieruit is: wees waakzaam, want je kent noch de dag noch het uur waarop de bruidegom komt.

Interpretatie[bewerken | brontekst bewerken]

Jezus begint zijn gelijkenis met de mededeling dat het Koninkrijk der hemelen vergeleken kan worden met tien meisjes. Kenmerkend voor Matteus is dat hij schrijft over het 'Koninkrijk der hemelen' in plaats van het 'Koninkrijk van God', hoewel hiermee hetzelfde wordt bedoeld.[1] Op andere plaatsen vergeleek Jezus het Koninkrijk met een mosterdzaad (Matt.13:31), een schat in een akker (Matt.13:4), een koopman die mooie parels zoekt (Matt.13:45), een visnet (Matt.13:47).

De verdeling in twee keer vijf meisjes geeft aan dat de scheiding dwars door de groep loopt. Er is geen meerderheid waarachter men zich kan verschuilen of waartegen men zich kan afzetten. Ieder moet eigen verantwoordelijkheid kennen.[2] In Matteüs 24 vers 40 en 41 vertelt Jezus ook dat de scheiding dwars door groepen heen gaat. De dwaze meisjes verwachten de bruidegom snel, de wijze meisjes zijn voorbereid voor een vertraging. Deze dualiteit komt ook voor bij de vorige gelijkenis in Matteüs.[3]

Zoals God zich in het Oude Testament de 'Man' noemde (bijv. Jes. 54:4-6), zo noemt Jezus zichzelf hier een bruidegom. Eerder noemde Jezus zichzelf een bruidegom, toen de discipelen van Johannes de Doper vroegen waarom Jezus' discipelen niet vastten (Matt. 9:14-15). De verhouding van bruid en bruidegom beeldt Jezus relatie met zijn volgelingen uit, zoals God zijn relatie met Israël uitbeeldt in het Oude Testament (Jes. 54:4-6; Jer. 31:32, Ez. 16 en Hos. 2:16,19).[3]

Eerder had Jezus bekend gemaakt dat niemand weet wanneer hij wederkomt (24,36) en dat duidelijk gemaakt met de geschiedenis van Noach (Matt. 24:37-42), een verhaal vertelt over een dief (Matt. 24:43) en van goede en slechte slaven (Matt. 24:45-51). Deze gelijkenis illustreert de komst van de Jezus met een ander verhaal, een bruiloft. De bruidegom komt, maar blijft aanvankelijk uit.[4]

Uit het verhaal is niet op te maken waar de tien meisjes wachten en waar de vijf wijze meisjes met de bruidegom heengaan. Het feest kan gevierd worden in het huis van de bruid en bij de bruidegom. In ieder geval wachten de bruidsmeisjes op de bruidegom, waarna het feest begint.

De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt vers 6 met: 'Midden in de nacht', terwijl de Herziene Statenvertaling vertaalt met 'te middernacht'. Het probleem is niet dat de meisjes sliepen toen de bruidegom uitbleef, maar dat ze niet voorbereid waren op een vertraging.

Het geroep is volgens Frederik Willem Grosheide afkomstig van de stoet van de bruidegom. Het geroep maakt hen wakker en ze beginnen hun lampen in orde te maken. De dwaze meisjes gaan weg om olie te halen, maar nu is het te laat, de tijd van voorbereiding is voorbij. De dwaze meisjes worden later niet meer toegelaten tot het feest. Dat kan ook niet, want om toegelaten te worden, moet men de bruidegom op de juiste wijze afwachten.[5]

Direct na het uitspreken van de gelijkenis waarschuwt Jezus zijn discipelen om waakzaam te zijn, omdat ze niet weten wanneer de 'Zoon des mensen' komen zal. Jezus zegt niet dat zijn komst laat zal zijn. Hij geeft slechts een open datum af. Wie verstandig is, verwacht hem dan ook vroeg én laat.[6]

In de vorige gelijkenis (Matt. 24:45-51) legt Jezus de nadruk op het tegenovergestelde. De slechte slaaf denkt dat zijn heer wegblijft en gedraagt zich slecht, maar wordt gestraft als zijn heer onverwacht terugkomt. In deze gelijkenis legt Jezus de nadruk op de vertraging van de terugkomst en het niet voorbereid zijn op deze vertraging. Christenen moeten waakzaam zijn, omdat ze niet weten wanneer Jezus, de bruidegom, terugkomt. Zij die niet constant waakzaam zijn, brengen niet alleen het dienen van Jezus in gevaar, maar ook hun eeuwige bestemming.[7]

De gelijkenis maakt duidelijk dat niet allen die tot het Koninkrijk van God gerekend worden, gereed zullen zijn. Als de Jezus, de bruidegom, terugkomt wordt duidelijk wie er wel en niet bij hem en zijn koninkrijk horen.[5]

In Jezus' nabeschouwing spreekt hij niet meer over zichzelf als de bruidegom, maar over de 'Zoon des mensen'. De titel 'Zoon des mensen' komt bijna uitsluitend voor in de vier Evangeliën, waarmee Jezus zichzelf aanduidt. Deze woorden komen uit het bijbelboek Daniël, waar gesproken wordt over de Zoon des Mensen (Dan. 7:13, 14). Daar komt iemand met de wolken van de hemel, die op een mens lijkt, maar die tevens van goddelijke origine is. Deze persoon is Wereldheerser, Redder en Rechter tegelijk. Jezus sprak met deze woorden dus over zichzelf in Messiaanse termen. De term 'Zoon des mensen' komt ook voor in 1 Henoch 37-71 en 4 Ezra 13.

Kunst[bewerken | brontekst bewerken]

Deze gelijkenis was een van de populairste gelijkenissen in de Middeleeuwen, met een enorme invloed op de Gotische kunst, beeldhouwkunst en de architectuur van de Duitse en Franse kathedralen.[bron?]

De gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes van Friedrich Wilhelm Schadow, 1838-1842 (detail), Städel Museum, Frankfurt am Main.

Muziek[bewerken | brontekst bewerken]

De volgende liederen zijn gedicht bij Matteus 25 vers 1 tot 13:

Verschillende religieuze muzikale composities zijn geïnspireerd op deze gelijkenis. De Duitse Philipp Nicola dichtte de hymne, "Wachet auf, ruft uns die Stimme", die Johann Sebastian Bach gebruikte voor zijn koraalcantate Wachet auf, ruft uns die Stimme, BWV 140.

In het lied "The Man Comes Around" van Johnny Cash uit 2002, dat sterk op de Bijbel is gebaseerd wordt naar deze gelijkenis verwezen.