Gelijkenis van de zaaier

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gelijkenis van de zaaier

De gelijkenis van de zaaier is een parabel die werd verteld door Jezus volgens Matteüs 13:3-8, Marcus 4:1-8 en Lucas 8:4-8. Daarnaast wordt deze gelijkenis ook genoemd in het apocriefe evangelie van Thomas en de eerste brief van Clemens.

Inhoud[bewerken | brontekst bewerken]

Jezus zei dat de zaaier het woord zaait. Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt. Het woord wordt wel gezaaid, maar als ze het hebben gehoord, komt Satan en graait het woord weg. Anderen zijn als het zaad dat op rotsachtige bodem is gezaaid. Ze nemen het woord direct met vreugde aan, maar omdat het geen wortel schiet, is dat van korte duur. Als ze worden vervolgd vanwege het woord, vallen ze direct. Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels wordt gezaaid. Ze hebben het woord gehoord, maar zorgen om het dagelijks bestaan, de verleiding van rijkdom en verlangens naar andere dingen komen ertussen. Deze verstikken het woord, zodat het zonder vrucht blijft. Tenslotte zijn er ook mensen die zijn zoals het zaad dat op goede grond is gezaaid. Ze horen het woord, aanvaarden het en dragen vrucht, de ene dertigvoud, de ander zestigvoud en weer een ander honderdvoud.

Uitdrukking[bewerken | brontekst bewerken]

De uitdrukking 'in goede aarde vallen' is ontleend aan de gelijkenis van de zaaier. Het betekent dat een boodschap positief wordt ontvangen.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]