Naar inhoud springen

Geoffrey Howe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Sir
Baron Howe van Aberavon

Geoffrey Howe
Richard Edward Geoffrey Howe
Richard Edward Geoffrey Howe
Geboren 20 december 1926
Port Talbot, Wales
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Overleden 9 oktober 2015)
Idlicote, Engeland
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk
Politieke partij Conservative Party
Partner Elspeth Shand Howe (1953–2015)
Beroep Politicus
Advocaat
Jurist
Religie Anglicaanse
Vicepremier
Aangetreden 24 juli 1989
Einde termijn 1 november 1990
Premier Margaret Thatcher
Voorganger Rab Butler (1964)
Opvolger Michael Heseltine (1995)
First Secretary of State
Aangetreden 24 juli 1989
Einde termijn 1 november 1990
Premier Margaret Thatcher
Voorganger Willie Whitelaw (1988)
Opvolger Michael Heseltine (1995)
Lord President of the Council
Aangetreden 24 juli 1989
Einde termijn 1 november 1990
Premier Margaret Thatcher
Voorganger John Wakeham
Opvolger John MacGregor
Leader of the House of Commons
Aangetreden 24 juli 1989
Einde termijn 1 november 1990
Premier Margaret Thatcher
Voorganger John Wakeham
Opvolger John MacGregor
Minister van Buitenlandse Zaken
Aangetreden 11 juni 1983
Einde termijn 24 juli 1989
Premier Margaret Thatcher
Voorganger Francis Pym
Opvolger John Major
Minister van Financiën
Aangetreden 4 mei 1979
Einde termijn 11 juni 1983
Premier Margaret Thatcher
Voorganger Denis Healey
Opvolger Nigel Lawson
Onderminister voor Handel
Aangetreden 5 november 1972
Einde termijn 4 maart 1974
Premier Edward Heath
Voorganger Michael Noble
Advocaat-generaal
Aangetreden 19 juni 1970
Einde termijn 5 november 1972
Premier Edward Heath
Voorganger Elwyn Jones
Opvolger Michael Havers
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Geoffrey Howe
Geoffrey Howe
Lid van het Hogerhuis
Aangetreden 30 juni 1992
Einde termijn 20 mei 2015
Lid van het Lagerhuis
voor Oost-Surrey
Aangetreden 20 september 1974
Einde termijn 9 april 1992
Voorganger William Clark
Opvolger Peter Ainsworth
Lid van het Lagerhuis
voor Reigate
Aangetreden 18 juni 1970
Einde termijn 20 september 1974
Voorganger John Vaughan-Morgan
Opvolger George Gardiner
Lid van het Lagerhuis
voor Bebington
Aangetreden 15 oktober 1964
Einde termijn 31 maart 1966
Voorganger Hendrie Oakshott
Opvolger Edwin Brooks
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Richard Edward Geoffrey (Geoffrey) Howe, Baron Howe van Aberavon (Port Talbot, Wales, 20 december 1926Idlicote, Engeland, 9 oktober 2015) was een Brits politicus van de Conservative Party. Howe was trots op zijn geboortestreek, maar leerde tot zijn latere spijt nooit de taal van Wales.[1][2] Geoffrey Howe was een van de belangrijkste ministers in de Kabinetten Thatcher I, II, III. Howe en de langstzittende bewindspersoon in Thatcher-periode. Hij was opeenvolgend minister van Financiën, minister van Buitenlandse Zaken en tot slot Leader of the House of Commons, Lord President of the Council, First Secretary of State en vicepremier. Zijn ontslag op 1 november 1990 wordt algemeen gezien als de eerste stap in een reeks van gebeurtenissen die drie weken later tot de val van Thatcher zelf leidden. Howe had als minister van Financiën belangrijke monetaire hervormingen op zijn naam staan, maar zijn tragiek is geworden dat hij voornamelijk herdacht wordt als de Nemesis van Margaret Thatcher. Howe ging met zijn afscheidsspeech binnen het Britse Lagerhuis openlijk publiek de confrontatie aan met Thatcher waar het ideeëngoed over de Europese Gemeenschap betrof.[3][4][5] In de Britse krant The Times werd hij na zijn dood herdacht als de man zonder wie Thatcher nooit haar politieke doelen had kunnen bereiken. Onder een andere Prime Minister had Howe waarschijnlijk meer publieke krediet voor zijn belangrijke hervormingen gekregen.[3]

Geoffrey Howe was afkomstig uit de gegoede middenklasse. Zijn vader, Benjamin Edward Howe (1889-1958) was advocaat en coroner. Howe's moeder, Eliza Florence (Lili) Howe-Thompson (1894-1976) was een plaatselijke magistraat. Zijn ouders stelde zich strikt apolitiek op inzake lokale en nationale aangelegenheden. Pas nadat hun zoon Geoffrey politiek actief was geworden, werd binnen de familie in partijpolitieke zin over politiek gesproken.[6]

Sociaal en intellectueel werd Geoffrey vooral gevormd door zijn scholing in Engeland: Winchester (een kostschool) en Trinity Hall, Cambridge University. Hij doorliep zijn militaire dienstplicht, maar ontdekte daar dat zijn hart bij de politiek lag. In Cambridge sloot hij zich aan bij de Cambridge University Conservative Association en vormde daar levenslange vriendschappen met latere Conservatieve politici, waaronder Douglas Hurd, die hem in 1990 zou opvolgen als Foreign Secretary, Minister van Buitenlandse Zaken.[7]

Howe begon zijn carrière als advocaat. Hij probeerde al jong een parlementszetel te bemachtigen, maar was daarin niet altijd even succesvol. Uit politieke pamfletten, geschreven in de periode voor 1970, blijkt dat hij een van de vroege architecten was van het gedachtegoed dat als "thatcherisme" bekend is geworden.[1]

Vroege carrière

[bewerken | brontekst bewerken]

Binnen de Conservatieve partij, hoewel in de partij in oppositie was, werkte Howe mee aan twee belangrijke vormen van wetgeving. Als gevolg daarvan kreeg hij als junior minister een plaatsje in het Conservatieve kabinet geleid door Edward Heath (1970-1974). Na de val van Heath deed Howe een poging om Heath als Conservatief voorman op te volgen. In twee rondes verloor hij van Margaret Thatcher, maar werd wel benoemd tot Shadow Chancellor of the Exchequer. Het was het begin van vijftien jaar waarin zijn fortuinen sterk verbonden waren met die van Margaret Thatcher, zijn bondgenoot in tegen wil en dank met wie hij sterk van persoonlijkheid en politieke stijl verschilde.

Chancellor of the Exchequer (Minister van Financiën)

[bewerken | brontekst bewerken]

Als "schaduw minister in politieke oppositie", ontwierp Howe diverse plannen die hij in de praktijk kon gaan brengen zodra Margaret Thatcher in 1979 de verkiezingen won. Howe werd onder haar premierschap Chancellor of the Exchequer, minister van Financiën. In zijn periode als Chancellor trachtte Howe de publieke uitgaven onder controle te krijgen in een periode van stijgende werkloosheid en industriële neergang. De politieke spanningen in met name de eerste twee beleidsjaren waren groot, zeker nadat gewelddadige rellen in Londen en andere steden waren uitgebroken die dagenlang zouden aanhouden. Thatcher reageerde hierop door wijzigingen in haar kabinet door te voeren. Diverse leden werden ontslagen en een paar ideologische bondgenoten kregen promotie. Howe bleef Chancellor, en kreeg de talentvolle Nigel Lawson als ondergeschikte. Uiteindelijk zou Howe nog 18 maanden blijven zitten. Dit was een minder dramatische periode omdat de Conservatieve fortuinen zich begonnen te herstellen nadat het economisch vertrouwen aan het toenemen was en Margaret Thatcher via de Falkland-oorlog zich een heldenrol wist aan te meten. Howe wist in de tweede helft van zijn termijn belastingverlagingen tot stand te brengen en speelde een belangrijke rol in internationale financiële discussies, zowel binnen Europa als binnen het Internationaal Monetaire Fonds (IMF). Gedurende deze periode begon hij serieus na te denken over deelname van het Verenigd Koninkrijk aan de ERM - de European Exchange Rate Mechanism, maar wachtte op het juiste moment tot deelname. Als gevolg van zijn inspanningen en prestaties wordt Howe gezien als een van de meest opmerkelijke naoorlogse Chancellors die het Verenigd Koninkrijk gehad heeft.[1]

Herschikking kabinet

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1983 won Margaret Thatcher met een ruim mandaat de algemene verkiezingen. Zij ging over tot herschikking van haar kabinet. Howe werd benoemd tot Foreign Secretary. Nigel Lawson werd zijn opvolger als Chancellor of the Exchequer.

Tweespalt over de deelname aan de EMR

[bewerken | brontekst bewerken]

Geoffrey Howe was in zijn periode als Foreign Secretary (minister van Buitenlandse Zaken) net als Nigel Lawson (zijn opvolger als Chancellor) een voorstander van deelname van Groot-Brittannië aan de EMR, het vaste wisselkoerssysteem binnen de toenmalige Europese Gemeenschap. In de praktijk betekende dit het schaduwen van de Duitse Mark. Thatcher was daar echter op tegen en werkte haar ministers tegen die anders over het onderwerp dachten. Howe en Lawson wilden een economische samenwerking zoals Nederland al sinds 1979 had met Duitsland: een vast systeem van wisselkoersen. Thatcher was echter tegen: zij wilde het Britse Pond niet de Duitse Mark laten schaduwen.

Mini-top overeenkomst met Nederlandse ministers

[bewerken | brontekst bewerken]

Geoffrey Howe verzon een list: hij zocht naar een outsider die Thatcher op andere ideeën kon brengen. Ruud Lubbers, de Nederlandse minister-president, was daarvoor de kandidaat met de beste kaarten. Conservatief, intelligent, knap uiterlijk en vasthoudend zonder fanatiek te worden was hij een van de Europese staatslieden wiens gezelschap Thatcher (bijna) op prijs stelde. Ook had Lubbers in Howes visie de juiste pro-markt, Atlantische ideeën. Het leek een goed idee om een "mini-top", primair bedoeld ter voorbereiding op een NAVO-bijeenkomst, te organiseren en deze te combineren met ideeënuitwisseling over monetaire zaken.[8] Op de achtergrond speelde het ideeëngoed van Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. Delors koerste af op méér dan een vast systeem van wisselkoersen. Hij streefde naar een economische en monetaire unie met een Europese eenheidsmunt. In april 1989 bracht de Commissie-Delors een rapport uit: in drie fasen wilde de commissie de eenheidsmunt bewerkstelligen.[9] Delors had ook een invoerdatum in gedachten: 1992.[10] Dat betekende concreet dat tijdens Nederlands voorzitterschap in de tweede helft van 1991 een verdrag zou moeten worden gesloten om deze economische en monetaire unie, de EMU, vast te leggen.

Ook Nigel Lawson wist dat Thatcher een hoge dunk had van Ruud Lubbers. Lubbers was conservatief en voor zoverre Thatcher een bondgenoot had binnen de Europese Gemeenschap, dan was dat in de persoon van Lubbers. Zij voelde zich fysiek ook aangetrokken tot het knappe uiterlijk en de persoonlijke charme van Lubbers. Volgens Lawson had Thatcher onmiskenbaar een zwakke plek voor Lubbers, hoewel zijn politieke stijl sterk verschilde van haar confronterende wijze van opereren. Normaliter voerden de Britten alleen bilaterale overleggen met de Duitsers, Fransen en Italianen. Thatcher stemde in met het idee om Lubbers uit te nodigen voor een overleg op Chequers, het buitenverblijf van de Britse Prime Minister. Lubbers aanvaardde de uitnodiging. Hij liet zich vergezellen door Hans van den Broek, de minister van Buitenlandse Zaken, en Onno Ruding, de Nederlandse minister van Financiën. Thatcher liet zichzelf tijdens de bijeenkomst - gehouden op 29 april 1989 - flankeren door hun Britse evenknieën, Geoffrey Howe en Nigel Lawson. Het grootste deel van de sessie ging op aan besprekingen over de NAVO, maar uiteindelijk kwam ook het rapport-Delors aan bod. Helaas voor Thatcher werd door de Nederlandse ministers medegedeeld dat zij niet alleen een voorstander waren de ERM, maar ook van de beoogde economische en monetaire unie. Onno Ruding legde het Nederlandse standpunt in detail uit. Lubbers kwam daarna met een metafoor: je kunt in een auto rijden zonder veiligheidsgordel, maar het is verstandiger om dat wél te doen. Hij waarschuwde dat indien Groot-Brittannië buiten de ERM zou blijven, het voor zowel de Britse als de Nederlandse regering veel moeilijker zou worden om in de toekomst samen te werken in zaken samenhangend met de beoogde economische en monetaire unie. Tijdens de bijeenkomst bleef Thatcher zich continue onaangenaam gedragen. Lawson was blij dat hij op een gegeven ogenblik met een goed excuus kon wegkomen. Hij had naar eigen zeggen de bijeenkomst als afgrijselijk en beschamend ervaren.[11]

Geoffrey Howe merkte in zijn memoires op dat Nigel Lawson ontzet was door de opstelling van Thatcher, maar dat hij zelf inmiddels gewend was dergelijk gedrag - en dat waren de Nederlanders ook als gevolg van hun ervaringen met Margaret Thatcher tijdens Europese raden. De poging van Howe en Lawson om Thatcher via Lubbers en Ruding tot rede te brengen was mislukt, maar Howe was blij dat hij het initiatief tot de bijeenkomst had genomen. Hij was zijn Nederlandse vrienden bijzonder dankbaar dat zij in ieder geval met goede argumenten getracht hadden om Margaret Thatcher te beïnvloeden.[12]

Ontslag als minister

[bewerken | brontekst bewerken]

Krap een half jaar later, op 26 oktober 1989, nam Nigel Lawson ontslag als minister van Financiën. Hij voelde zich met name ondermijnd door Alan Walters, de economisch adviseur van Thatcher. Walters adviseerde Thatcher dringend om tegen Lawsons strategie aangaande het Europese monetaire beleid in te gaan. Er ontstond een situatie van 'hij eruit of ik eruit'. In zijn ontslagbrief deelde Lawson mee dat een succesvol economisch beleid alleen mogelijk was met volledige overeenstemming tussen Prime Minister en Chancellor of the Exchequer. Dat was niet het geval. De omstandigheden van Lawsons ontslagname werden een voorbode voor de politieke val van Margaret Thatcher.[13][14][15]

Het was Geoffrey Howe die een jaar later deze politieke val onvermijdelijk maakte. Howe was door Thatcher inmiddels ontslagen als Foreign Secretary, minister van Buitenlandse Zaken, en benoemd in een aantal (ere)functies die hem binnen de kring van belangrijke besluitnemers hield zonder dat hij zelf een departement te leiden had. Thatcher had hem eigenlijk als Home Secretary (minister van Binnenlandse Zaken) willen benoemen, maar Howe had zelf een beter idee nadat hij serieus had overwogen om de eer aan zichzelf te houden: Deputy Prime Minister.[16] Thatcher kon daarmee instemmen omdat het in haar ogen slechts een zoethoudertje was, een functie zonder constitutionele relevantie.[17]

In oktober 1990 achtte Howe wél de tijd rijp om ontslag te nemen. Thatcher had tijdens een debat in het Britse parlement in oktober 1990 de aanval geopend op Jacques Delors. Delors had - in haar interpretatie - tijdens een persconferentie gezegd dat hij streefde naar drie dingen: (1) het Europese Parlement moest het democratische lichaam van de Europese Gemeenschap worden, (2) de Europese Commissie moest het uitvoerende lichaam worden en (3) van de Europese Raad van Ministers wilde hij een Senaat maken. 'No. No. No!'. De invoering van een Europese eenheidsmunt zou volgens Thatcher door Delors worden gebruikt om via de achterdeur te komen tot een politieke federatie. De volgende dag diende Howe zijn ontslag in. Hij gebruikte echter een vergadering van het Britse Lagerhuis om dit aftreden publiek te maken en uitgebreid te motiveren via een speech.[18]

In de beeldrijke reconstructie van Andrew Marr - parlementair journalist, televisie-presentor en schrijver van historische boeken - greep een gerespecteerd, maar timide man zijn kans om wraak te nemen op de dominante Thatcher. Ruim tien jaar lang had Geoffrey Howe haar ongeduld, spot en gesnauw vernederend ondergaan als een geslagen echtgenoot waarvan verwacht werd dat hij nooit zou vertrekken. Als gevolg van Thatcher's vlammende anti-Brussel kruistocht, besloot Howe dat het genoeg was geweest.[19]

Op 13 november 1990 hield Howe in het Lagerhuis een toespraak naar aanleiding van zijn ontslag. Daarin uitte hij scherpe kritiek op Thatchers benadering van de Europese Gemeenschap en onthulde dat zowel hijzelf als Nigel Lawson al een jaar eerder hadden overwogen ontslag te nemen. Hij gebruikte een metafoor uit de cricketsport om te illustreren dat ministers volgens hem door de premier in een onmogelijke positie werden gebracht. Howe stelde dat haar Europese koers onjuist was en benadrukte dat partijleden voor een keuze stonden in wat hij omschreef als een “tragisch conflict tussen loyaliteiten”. Het was een van de eerste keren dat televisiecamera’s aanwezig waren bij een dergelijke rede, waardoor het optreden breed in het Verenigd Koninkrijk werd gezien. Lawson zat zichtbaar instemmend achter hem, terwijl Thatcher zelf gespannen toeluisterde.[20][21][22][23][24]

Howe benadrukte in zijn rede dat het Verenigd Koninkrijk al veel eerder lid had moeten worden van de ERM en verwierp hij Thatchers vrees voor een ‘Europese superstaat’.[25]

Anders dan Nigel Lawson bleef Geoffrey Howe pro-Europese gedachten koesteren. Hij gebruikte zijn positie binnen het Hogerhuis om de anti-Europa-denkbeelden van opeenvolgende Conservatieve partijleiders te betreuren.[3] In 2013 bekritiseerde hij David Cameron, de zittende Conservatieve Prime Minister, over zijn plan om een referendum uit te schrijven aangaande het lidmaatschap van de Europese Unie indien hij opnieuw verkozen zou worden tot Prime Minister. Hij was van mening dat het parlement daarover het laatste woord moest hebben.[26]

Einde carrière en dood

[bewerken | brontekst bewerken]

Geoffrey Howe nam in mei 2015 afscheid van het Hogerhuis.[27]

Hij overleed in oktober 2015 op 88-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.[28][29]

Titels en predicaten

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Richard Edward Geoffrey Howe (1926–1970)
  • Sir Richard Edward Geoffrey Howe (1970–1992)
  • Richard Edward Geoffrey Howe, Baron Howe van Aberavon (1992–2015)
Zie de categorie Geoffrey Howe van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Voorganger:
Denis Healey
Minister van Financiën
1979–1983
Opvolger:
Nigel Lawson
Voorganger:
Francis Pym
Minister van Buitenlandse Zaken
1983–1989
Opvolger:
John Major
Voorganger:
John Wakeham
Leader of the House of Commons
1989–1990
Opvolger:
John MacGregor
Voorganger:
John Wakeham
Lord President of the Council
1989–1990
Opvolger:
John MacGregor
Voorganger:
Willie Whitelaw
(1988)
First Secretary of State
1989–1990
Opvolger:
Michael Heseltine
(1995)
Voorganger:
Rab Butler
(1964)
Vicepremier
1989–1990
Opvolger:
Michael Heseltine
(1995)