George Frederik van Nassau-Siegen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
George Frederik van Nassau-Siegen
Prins George Frederik van Nassau-Siegen. Anoniem, 1636, Rijksmuseum Amsterdam.
DEU Rheinberg COA.svg Commandeur van Rijnberk
Regeerperiode 16481658
Voorganger ?
Opvolger ?
Bergen op Zoom wapen.svg Gouverneur van Bergen op Zoom
Regeerperiode 16581674
Voorganger ?
Opvolger Walraad van Nassau-Usingen
Militaire informatie
Land/partij Republiek der Verenigde Nederlanden
Onderdeel Staatse leger
Rang Kapitein 1627, majoor 1637, kolonel 1642
Algemene informatie
Huis Huis Nassau-Siegen
Vader Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen
Moeder Margaretha van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg
Geboren 23 februari 1606
Slot Dillenburg
Gestorven 2 oktober 1674
Bergen op Zoom
Begraven Terborg, later herbegraven in de Fürstengruft, Siegen
Echtgenote Mauritia Eleonora van Portugal
Religie Calvinistisch
Wapenschild
Het wapen van prins George Frederik van Nassau-Siegen.

Prins George Frederik van Nassau-Siegen (Slot Dillenburg, 23 februari 1606[1][2]Bergen op Zoom, 2 oktober 1674[1][2][noot 1][4][5]), volledige voornamen George Frederik Lodewijk,[2] roepnaam Fritz,[6][7] Duits: Georg Friedrich Ludwig Prinz von Nassau-Siegen (officiële titels: Prinz von Nassau, Graf zu Katzenelnbogen, Vianden und Diez, Herr zu Beilstein), was een graaf uit het Huis Nassau-Siegen, een zijtak van de Ottoonse Linie van het Huis Nassau. In 1664 werd hij verheven tot prins. Hij diende als officier in het Staatse leger, en was achtereenvolgens commandeur van Rijnberk en gouverneur van Bergen op Zoom.

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

George Frederik werd op 23 februari 1606 op Slot Dillenburg geboren als de tweede zoon van graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen en diens tweede echtgenote hertogin Margaretha van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg.[noot 2] Hij studeerde in 1622 in Kassel.[4]

In Staatse dienst[bewerken | brontekst bewerken]

George Frederik trad in dienst van de Republiek der Verenigde Nederlanden en werd in 1627 kapitein der infanterie, en in 1633 bovendien ritmeester der cavalerie. In 1637 werd hij majoor[4][8] en in 1642 kolonel.[1][4][8]

In 1638 werd George Frederik samen met zijn achterneef prins Emanuel Antony van Portugal[noot 3] bij Geldern door de Spanjaarden gevangengenomen,[4][8] in 1639 betaalden de Staten voor hem een losgeld van £ 1.000.[8]

In 1648 werd George Frederik commandeur van Rijnberk, en in 1658 werd hij gouverneur van Bergen op Zoom.[4][8]

George Frederik was samen met zijn broers Johan Maurits en Hendrik op 2 mei 1652 getuige namens het Huis Nassau bij het huwelijk van graaf Willem Frederik van Nassau-Diez, de stadhouder van Friesland, en gravin Albertine Agnes van Nassau in Kleef.[9]

In 1651 werd George Frederik ridder in de Orde van de Olifant, en in 1671 ook ridder in de Orde van de Dannebrog.[1] Op 6 mei 1664 werd hij verheven in de rijksvorstenstand.[2][4]

Strijd om het graafschap Nassau-Siegen[bewerken | brontekst bewerken]

Slot Siegen.

Het testament van graaf Johan VII ‘de Middelste’ uit 1621 liet Johan Maurits en zijn jongere broers uit het tweede huwelijk van hun vader het ambt Freudenberg na, alsmede enkele dorpen in het Haingericht, plus een derde deel van het bestuur over de stad Siegen.[10][11] Voor de oudste zoon uit het eerste huwelijk, Johan ‘de Jongere’, was in dit derde testament dus slechts een derde van het graafschap Nassau-Siegen voorzien. Op 6 augustus 1621 werd hij hiervan op de hoogte gesteld met een nauwkeurige opgave van de redenen die zijn vader tot deze stap hadden bewogen. Pas op 9 mei 1623, dat wil zeggen twee jaar later, protesteerde Johan ‘de Jongere’ hiertegen met een brief vanuit Frankfurt aan de raadsheren van Siegen. Natuurlijk had hij intussen niet stilgezeten en had hij niet geschroomd om zijn vader bij de keizer aan te klagen. Ten tijde van zijn protestbrief was hij zeker al op de hoogte van het Poenale mandatum cassatorium, dat keizer Ferdinand II enige tijd later, op 27 juni 1623, officieel uitvaardigde en waarmee Johan ‘de Middelste’ meegedeeld werd dat hij ten tijde van het opmaken van zijn derde testament als medestrijder van de vogelvrij verklaarde Winterkoning niet gerechtigd was een testament op te maken. Hij moest dit testament dus intrekken en zich binnen twee maanden voor een keizerlijk gerechtshof verantwoorden. Het heeft er alle schijn van dat Johan ‘de Jongere’ er daarna voor teruggeschrokken is het keizerlijk decreet aan zijn ernstig zieke vader te laten bezorgen.[12]

Johan ‘de Middelste’ overleed op 27 september 1623 op Slot Siegen. Geen van de drie in het testament genoemde zoons was bij het overlijden van hun vader aanwezig. Op 13 oktober arriveerden Willem en Johan Maurits in Siegen, en op 26 oktober Johan ‘de Jongere’. Iedereen wist dat er ruzie zou komen bij de voorlezing van het testament op 11 december 1623. Johan ‘de Jongere’ liet het keizerlijke decreet voorlezen, en toen zijn broers daar niet erg van onder de indruk waren, zei hij bij het opstaan: ‘Der Kaiser wird uns scheiden!’. Hij had de voorzorg genomen om een volgend keizerlijk decreet van 20 november 1623 te verkrijgen tegen gravin-weduwe Margaretha en haar zoons, waarin de keizer ten strengste verbood om Johans regeringsaanvaarding, zijn inbezitneming van het land en zijn huldiging te belemmeren. Johan ‘de Jongere’ kon op 12 januari 1624 de huldiging van de stad Siegen aanvaarden, maar alleen omdat hij tevoren in een hevige sneeuwstorm heimelijk een eskadron geselecteerde ruiters door de kasteelpoort (dus niet door een stadspoort) de stad had binnengelaten, zodat zij door de stadswachten niet gezien of gehoord konden worden.[13]

Johan ‘de Jongere’ kreeg dus de hele erfenis. Maar op 13/23 januari 1624 stond Johan ‘de Jongere’ vrijwillig de soevereiniteit over het ambt Hilchenbach met de Burcht Ginsburg en enkele plaatsen die tot de ambten Ferndorf en Netphen behoorden, aan Willem af.[14] Met uitzondering van Johan Maurits en George Frederik namen de jongere broers genoegen met bescheiden apanages.[15][16] Voortaan had het graafschap Nassau-Siegen, tot 1645, twee regeringen, de ene in Siegen, de andere in Hilchenbach. Voor een korte periode (1632–1635) onderging deze situatie echter een tijdelijke verandering: tijdens de Dertigjarige Oorlog kwamen zijn broers, die aan protestantse zijde vochten, in opstand tegen Johan ‘de Jongere’.[17]

Graaf Lodewijk Hendrik van Nassau-Dillenburg trad op 1 december 1631 in dienst van koning Gustaaf II Adolf van Zweden, die op 24 juni 1630 in Duitsland was geland om ten gunste van de protestanten in te grijpen in de Dertigjarige Oorlog.[18] Gravin-weduwe Margaretha wendde zich door bemiddeling van Lodewijk Hendrik tot Gustaaf Adolf en vroeg om hulp tegen de machinaties van haar stiefzoon Johan ‘de Jongere’. Bijgevolg zond de Zweedse koning op 14 februari 1632 vanuit Frankfurt een bevel aan Lodewijk Hendrik om zijn verwant Johan Maurits militaire steun te verlenen. Lodewijk Hendrik bezette toen de stad Siegen met zijn regiment bestaande uit Nederlandse en Zweedse soldaten. Een dag later, op 29 februari, arriveerden Johan Maurits en zijn broer Hendrik in Siegen. Zoals acht jaar eerder Johan ‘de Jongere’ zijn ruiterij in reserve had gehouden, zo onderhandelden nu Johan Maurits en Hendrik, gesteund door de aanwezigheid van het Zweedse regiment, met de burgers, die zich gebonden voelden door de eed die zij aan Johan ‘de Jongere’ hadden gezworen. Op 4 maart, na lange en moeizame onderhandelingen, huldigden de burgers Johan Maurits en Hendrik.[19] Johan Maurits verkreeg voor zichzelf niet alleen het ambt Freudenberg, dat zijn vader in het testament van 1621 voor hem bestemd had, maar ook Netphen, dat in hetzelfde testament voor Johan ‘de Jongere’ bestemd was. Willem werd niet alleen bevestigd in het bezit van Hilchenbach, maar kreeg ook Ferndorf en Krombach, zoals het testament van zijn vader had bepaald. De stad Siegen bracht alleen hulde aan Willem en Johan Maurits, die pas in 1635 hun oudere broer Johan ‘de Jongere’ weer tot de mede-soevereiniteit toelieten. Deze herstelde echter spoedig de oude orde: in 1636 werd hij opnieuw de enige eigenaar van de bezittingen van zijn vader, met uitzondering van Hilchenbach, dat hij aan Willem liet, en bestuurde hij de stad Siegen weer alleen. Johan Maurits werd opnieuw uitgesloten van de soevereiniteit over het graafschap.[17] In 1642 erfde hij echter het grondgebied van zijn broer Willem, overeenkomstig het testament van zijn vader.[20]

Johan ‘de Jongere’ overleed op 27 juli 1638 in Ronse.[19] Zijn enige zoon Johan Frans Desideratus werd op 28 juli 1627 in Nozeroy geboren. Die stond tot zijn huwelijk in 1651 onder regentschap van zijn moeder. Hij deed verschillende pogingen om het gehele Siegerland te verkrijgen. In 1646 bezocht hij de keizer in Wenen om te protesteren tegen de inbezitneming van het graafschap door zijn oom Johan Maurits.[21] Die had, na zijn terugkeer uit Brazilië, op 22 januari 1645 met zijn broers George Frederik en Hendrik en met 80 man gevolg met geweld Slot Siegen bezet, en had op 15 februari de hernieuwde huldiging van de burgers ontvangen, zij het ditmaal slechts voor twee derde van het graafschap.[22] Johan Maurits wilde zich, om een einde te maken aan het voortdurende geruzie, strikt houden aan het testament van zijn vader uit 1621 en zijn neef Johan Frans Desideratus het hem toekomende derde deel laten. Reeds voor zijn vertrek naar Brazilië had Johan Maurits zijn onderdanen op 25 oktober 1635 uitdrukkelijk gemachtigd zijn toen nog levende oudste halfbroer Johan ‘de Jongere’ als medelandsheer te erkennen.[23] In 1645 deed Johan Maurits afstand van zijn rechten op het ambt Freudenberg, verleend bij het testament uit 1621, ten gunste van zijn broer George Frederik.[20] Johan Frans Desideratus had in Wenen bij de keizer geen succes, en twee jaar later bekrachtigde keizer Ferdinand III tijdens het Congres van Westfalen het zo heftig betwiste testament van Johan ‘de Middelste’ uit 1621. Daarmee bleef voor Johan Frans Desideratus alleen het katholieke derde deel over, dat nu nog bekend staat als Johannland. De beide andere derde delen verenigde Johan Maurits in zijn hand, omdat zijn broer Willem al was overleden en hem zijn derde deel had nagelaten,[23] en George Frederik in 1649 al zijn rechten aan Johan Maurits afstond. Het was dus deze laatste die het ambt Freudenberg bleef beheren.[20][24]

Overlijden, begrafenis en opvolging[bewerken | brontekst bewerken]

George Frederik overleed op 2 oktober 1674 in Bergen op Zoom. Hij werd eerst begraven in Terborg[1] en later herbegraven in de Fürstengruft in Siegen.[1][7] Als gouverneur van Bergen op Zoom werd George Frederik opgevolgd door zijn verre verwant graaf Walraad van Nassau-Usingen.[25]

Huwelijk[bewerken | brontekst bewerken]

Prinses Mauritia Eleonora van Portugal. Portret door Gerard van Honthorst, 1636, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag.

George Frederik huwde op 4 juni 1647[noot 4] in Den Haag[1][4][noot 5] met zijn achternicht prinses Mauritia Eleonora van Portugal[noot 6] (gedoopt Delft, 10 mei 1609[3][4][26] – Bergen op Zoom, 15 juni 1674[27][noot 7]), de vijfde dochter van prins Emanuel van Portugal en gravin Emilia van Nassau,[noot 8] de jongste dochter van prins Willem I van Oranje en hertogin Anna van Saksen.[28][29] Het huwelijk bleef kinderloos.[noot 9]

Buitenechtelijk kind[bewerken | brontekst bewerken]

George Frederik had één buitenechtelijke dochter: Margaretha Sofia van Nassau († Den Haag, 24 april 1737[30]). Ze huwde op 30 juni 1669 in Terheide met Johan Fer uit ’s-Hertogenbosch,[4][30] secretaris van de prins van Oranje.[4][7][30] Hij werd begraven in Den Haag op 13 augustus 1696.[4][30]

Voorouders[bewerken | brontekst bewerken]

De voorouders van George Frederik van Nassau-Siegen
Betovergrootouders Johan V van Nassau-Siegen
(1455–1516)
⚭ 1482
Elisabeth van Hessen-Marburg
(1466–1523)
Botho VIII van Stolberg-Wernigerode
(1467–1538)
⚭ 1500
Anna van Eppstein-Königstein
(1481–1538)
Johan IV van Leuchtenberg
(1470–1531)
⚭ 1502
Margaretha van Schwarzburg-Blankenburg
(1482–1518)
Frederik V ‘de Oudere’ van Brandenburg-Ansbach
(1460–1536)
⚭ 1479
Sofia van Polen
(1464–1512)
Frederik I van Denemarken
(1471–1533)
⚭ 1502
Anna van Brandenburg
(1487–1514)
Magnus I van Saksen-Lauenburg
(?–1543)
⚭ 1509
Catharina van Brunswijk-Wolfenbüttel
(?–1563)
Filips I van Brunswijk-Grubenhagen
(ca. 1476–1551)
⚭ 1517
Catharina van Mansfeld
(1501–1535)
George I van Pommeren
(1493–1531)
⚭ 1513
Amalia van de Palts
(1490–1524)
Overgrootouders Willem I ‘de Rijke’ van Nassau-Siegen
(1487–1559)
⚭ 1531
Juliana van Stolberg-Wernigerode
(1506–1580)
George III van Leuchtenberg
(1502–1555)
⚭ 1528
Barbara van Brandenburg-Ansbach
(1495–1552)
Christiaan III van Denemarken
(1503–1559)
⚭ 1525
Dorothea van Saksen-Lauenburg
(1511–1571)
Ernst V van Brunswijk-Grubenhagen
(1518–1567)
⚭ 1547
Margaretha van Pommeren
(1518–1569)
Grootouders Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen
(1536–1606)
⚭ 1559
Elisabeth van Leuchtenberg
(1537–1579)
Johan ‘de Jongere’ van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg
(1545–1622)
⚭ 1568
Elisabeth van Brunswijk-Grubenhagen
(1550–1586)
Ouders Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen
(1561–1623)
⚭ 1603
Margaretha van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg
(1583–1658)

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie George Frederick, Count of Nassau-Siegen van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.