Gerard Bilders

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Gerard Bilders
Gerard Bilders.jpg
Persoonsgegevens
Volledige naam Albertus Gerardus Bilders
Geboren Utrecht, 9 dec 1838
Overleden Amsterdam, 8 mrt 1865
Nationaliteit Vlag van Nederland Nederland
Beroep(en) kunstschilder
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Haagse School
Bekende werken Geitenhoedster, Koeien bij een plas, Koeien in de weide, Jacob van Ruisdael, een watermolen schetsend
RKD-profiel
Portaal:  Kunst & Cultuur

Albertus Gerardus (Gerard) Bilders (Utrecht, 9 december 1838Amsterdam, 8 maart 1865) was een Nederlands kunstschilder, tekenaar, aquarellist en etser.

Jeugd en opleiding[bewerken]

Bilders kreeg zijn eerste tekenlessen van zijn vader, de landschapschilder Johannes Warnardus Bilders. Gedurende een groot deel van Gerards jeugd woonde het gezin Bilders eerst in Utrecht en later in Oosterbeek, waar hij al vroeg financieel werd ondersteund door zijn mecenas Johannes Kneppelhout. Deze bracht in 1856 de 17-jarige Bilders onder bij H. J. Dirksen, een docent aan het stedelijk gymnasium in Den Haag, waar hij anderhalf jaar verbleef. Daar moest het volgens Kneppelhout 'onbedorven natuurkind en de jeugdige woesteling' voorbereid worden op het leven. De docent Simon van den Berg gaf hem daarnaast lessen in tekenen en schilderen. Volgens Kneppelhout twijfelde de jonge Bilders al snel aan het gezag van diens woord en onttrok zich aan zijn invloed; ook bij Haagsche Teekenacademie zou hij zelden zijn verschenen in de lessen naar gekleed en naakt model, aldus zijn mecenas.[1] In brieven uit dat jaar beschrijft de jonge Bilders uitvoerig hoe hij schetsen maakte in het Mauritshuis, naar o.a. de vee-schilderijen van Paulus Potter; toen wist hij al dat hij dierenschilder wilde worden. Hij werd ook lid van Pulchri Studio.

In Mei 1858 vertrok Gerard naar Genève - door zijn mecenas gefinanciëerd - waar hij de gehele zomer lang begeleiding in zijn schilderen kreeg van de landschaps- en dierenschilder Charles Humbert; helaas trof hij er een natten zomer. Hij woonde te Genève met enkele jonge Franse schilders waaronder de jonge graaf de Pourtalès die even oud was als hij. De Pourtalès was amateurschilder en kreeg graag adviezen van Gerard; er ontwikkelde zich een hechte vriendschap tussen de twee.[1] Enkele van zijn daar gemaakte schilderijtjes kon Gerard in Genève exposeren, waar een paar gunstige recensies over verschenen.[2]

Leven en werk[bewerken]

In het najaar van 1858 vestigde hij zich in Leiden, waar hij een klein jaar zou verblijven. Hij had eer uitzicht op een werf en maakte lange wandelingen naar Stompwijk en Zoeterwoude, waar hij schetsen maakte. Hij schreef Kneppelhout: '..er zijn nogal aardige hoekjes. Er zijn veel kreken en plassen, zoals bij Nijmegen, doch te Nijmegen zijn die poelen mooier met wilgen omzoomd.' Ook werd Gerard in deze periode door zijn vader te hulp geroepen om een besteld landschap te stofferen; hij moest de geiten schilderen in een groot formaat bosgezicht van J.W. Bilders; binnen een dag was zo'n klus gedaan. Het schilderij was vanuit Sint-Petersburg besteld en zijn vader had er meteen twee doeken van zoon Gerard bij gedaan, die samen werden aangekocht voor 225 gulden.[2]

Bilders verhuisde 3 november 1859 van Leiden naar Amsterdam waar hij een kamer huurde bij de bejaarde Deense mevrouw Jörgenson aan de Warmoestraat, met vrij uitzicht over het water van het Damrak en veel en helder licht. Eén van de eerste dingen die hij bezocht was de 'Nachtwacht' van Rembrandt in het Trippenhuis; hij meldde zijn mecenas: 'Men kan zich in dat schilderij verliezen; het is ál afgrond, diep en hemelhoog..' Al gauw werd hij lid van de kunstenaarsvereninging Felix Meritis. Hoewel hij het financieel moeilijk had omdat Kneppelhout hem niet langer financieel ondersteunde, ging het sociaal gezien beter met hem dan in Leiden. Hij raakte bevriend met de kunstenaars August Allebé (1838-1927) en Adolph Artz, en bezocht heel regelmatig de kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae, waar hij zich erg thuis voelde en waar hij ook vrij snel een schilderij had verkocht voor 120 gulden. Hij probeerde kunsthandels als Wisselingh en Pappelendam voor zijn werk te interesseren, wat niet echt wilde lukken; ze hielden hem lang op sleeptouw en ketsten hem uiteindelijk af.. Toen hij zijn voormalige mecenas om geld vroeg voor zijn dagelijkse kosten werd ook dat resoluut geweigerd.

In maart 1860 was hij intensief bezig met het schilderen van een landschap met schapen en een doek met kalfjes, waar interesse voor bestond bij een mogelijke klant; uiteindelijk werd het niet aangekocht. Tot zijn grote verrassing werd hij eind maart wèl tot lid benoemd van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Ook Ruysdael werd in deze periode door hem als inspiratie ontdekt; hij zag een klein werk hangen in Museum Van der Hoop en schrijft: 'Ik zie hem dwalen, in zichzelf gekeerd, het hart geopend voor de schoonheden der natuur, in overeenstemming met zijn gemoed, aan de oevers van die donkere, grauwe stroom die ritselt en plast langs het riet. En die luchten! Zij spreken vooral de gedachten des schilders uit. In de luchten is men geheel vrij, ongebonden, geheel zichzelf. Ruysdael, die altijd dezelfde geest ademt.. ..welk een genie is hij! Hij is mijn ideaal en bijna iets volmaakts.' . Over zijn eigen werk vroeg hij zich in zijn dagboek af: 'Van waar zou het toch komen, dat ik in mijn schilderijen altijd iets vrolijks en gezelligs, de zonnige zijde van het leven, zoek voor te stellen, terwijl toch de meer ernstige, sombere schilderijen mij meer bevallen en oneindig inniger toespreken?' [2]

In hetzelfde jaar reisde hij met zijn vader naar Brussel om er de Salon van Brussel te bezoeken; daar zag hij voor het eerst schilderijen van de schilders van de Franse School van Barbizon die veel indruk op hem maakten.[2] Bilders was erg onder de indruk en schreef erover aan Kneppelhout: 'Ik heb er schilderijen gezien, waar ik niet van droomde en al datgene in vond wat mijn hart begeert. Eenheid, rust, ernst en vooral eene onverklaarbare intimiteit met de natuur troffen mij in die schilderijen' . Terug in Amsterdam sloeg zijn enthousiasme echter om en voelde hij zich ontmoedigd, ziekelijk en lusteloos. Het begeleiden van zijn stervende moeder - die toen ook in Amsterdam woonde, samen met zijn vader - deed Gerard bepaald geen goed. Vanaf die tijd al kreeg Gerard zware hoestbuien die de toen ongeneeslijke tuberculose voor hem aankondigden.[3]

De zomer van 1861 besloten Kneppelhout en Bilders samen in Oosterbeek door te brengen. Bilders betrok er een huisje in de Uiterwaarden. Geïnspireerd door het werk van de Franse landschapsschilders die hij in Brussel had gezien schilderde Bilders het Gelderse landschap als nooit te voren. Het schilderij de 'Uiterwaarden bij Oosterbeek' stamt uit deze periode. De bomen in dit doek werden als het ware als een repoussoir gebruikt, een vaker gebruikte techniek bij landschapsschilders. Door Bilders' gebruik van licht- en schaduwpartijen richt de aandacht van de kijker zich op de rustende en grazende rood- en zwartbonte koeien. Hij schilderde dit werk in de open lucht en werkte het later in zijn atelier uit. Opvallend aan Bilders' werk is de luchtige en lichte sfeer, heel anders dan tijdgenoten als Anton Mauve toen, die eerder een voorkeur voor grijze landschappen had.[3]

In november 1864 moest Gerard weer bij zijn vader intrekken aan de Prinsengracht 492, omdat hij nagenoeg stervende was. Zijn zus Caroline verzorgde hem.[4] Hij overleed in 1865 op de jonge leeftijd van 26 jaar aan t.b.c. in Amsterdam - in het huis van zijn vader. Zijn nalatenschap bestaat vermoedelijk uit 200 werken, waarvan er nu 120 definitief bekend zijn; veel werk is echter naar het buitenland gegaan. Het zijn met name olieverfschilderijen en tekeningen[2]Zijn onderwerpen waren landschappen, berglandschappen, portretten, stillevens, dieren, vee, en boslandschappen, waarbij het hem meer om de totaalindruk ging dan om de afzonderlijke objecten. Hij wordt als voorloper van de Haagse School beschouwd; een eerste overzichtstentoonstelling van zijn werken vond pas plaats in 1938-39. In 1947 verscheen een groot album van zijn werken en leven, onder redactie van mr. H.F.W. Jeltes.[2]

Dagboek en brieven[bewerken]

Bilders' mecenas Kneppelhout redigeerde en publiceerde c. 1875-76 op bescheiden schaal de eerste publicatie van hun wederzijdse brieven en een selectie dagboeknotities van Gerard Bilders. Deze was niet zozeer als publieke uitgave bedoeld, schreef hij in zijn 'Vorberigt van de eerste uitgave: 'Dit is geen boek voor iedereen. Het was ook niet voor eene openbare uitgave geschikt. Doch ik meende, dat deze bladen voor een zeker publiek, dat der schilders, der opvoedkundigen en niet het minst voor de weinige vrienden des vroeg weggenomen kunstenaars eenige waarde konden hebben..' [5] Volgens eigen zeggen had Kneppelhout de brieven niet in hun geheel weergegeven; het alledaagse liet hij weg, maar wellicht ook kritische uitingen van Bilders over hem of zaken die hem dierbaar waren.

Galerij van werken[bewerken]

Externe Links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een verzameling Engelstalige citaten gerelateerd aan - Gerard Bilders - óók in de originele versie: nederlands.