Geschiedenis van Haarlem

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Kaart van Haarlem uit 1652

De geschiedenis van Haarlem gaat zeker tien eeuwen terug. De stad ontstond als geestnederzetting aan het Spaarne en de eerste vermeldingen dateren uit de tiende eeuw.

Prehistorie-Romeinse tijd[bewerken]

Haarlem ligt tot Schoten op een noordzuid lopende strandwal (de Grote Markt heette dan ook 'het Sand') tussen en niet ver van de veenrivier Spaarne en westelijke veengrond (vgl. de naam Overveen) waarachter de vroege duinen begonnen. Op deze wal werd al vroeg kleinschalige sedentaire akkerbouw bedreven in de laat-neolithische en volgende bronstijd. Het materiaal dat daar op wijst bestaat voornamelijk uit scherven aardewerk van kleinere vindplaatsen uit de stad zelf en uit de onmiddellijke omgeving (b.v. uit een gracht van de voormalige middeleeuwse woontoren Huis ter Kleef aan de Kleverlaan). Ook grondsporen als voren van eergetouw (keerploeg) op de zandgrond zijn aangetoond. In de Waarderpolder werden enkele Inheems-Romeinse aardewerkscherven uit de 1e-2e eeuw n.Chr. gevonden.

Middeleeuwen[bewerken]

Haarlem ontwikkelde zich op de verbindingsweg van zuid naar noord voorspoedig. Het werd de zetel van de Graaf van Holland.

Stadsrechten[bewerken]

Graaf Willem II verleende Haarlem in 1245 stadsrechten. In die tijd nam de graaf soms het initiatief tot de verlening van stadsrechten. Haarlem vroeg de stadsrechten op eigen initiatief aan. Daar de materie nieuw was, ging men te rade bij een stad die deze rechten al had: 's Hertogenbosch. Haarlem bedong in het eerste artikel vrijheid van tol voor haar handel over de rivieren en wegen in het graafschap. De schout was namens de graaf de aanklager, de schepenen van de stad waren de rechters en ook bestuurders. De straffen varieerden van boetes tot verbanning of de doodstraf. Dat vrouwen al een economische rol speelden blijkt uit de regel, dat een echtgenote geen schadevergoeding aan haar man verschuldigd was, als zij een volle oven brood of een brouwsel bier door ongeluk verloren had laten gaan.[1] De graaf bekrachtigde het charter op perkament en in het Latijn geschreven, in twee gedeelten, omdat de klerk met een vel niet uitkwam, met een zegel van groene was, een zogenaamd jachtzegel.[2] De graaf had hier toen een klein slot voor de jacht.

Economie[bewerken]

Haarlem lag gunstig voor de ontwikkeling van bedrijvigheid en handel. Op de landweg van Alkmaar naar Den Haag en aan het Spaarne, die de stad noordwaarts verbond met het IJ, de Zuiderzee, en zuidwaarts met Zuid-Hollandse meren en rivieren, tot aan de Zeeuwse delta. Het duinwater was zuiver genoeg voor het brouwen van bier. Met schuiten werd het aangevoerd naar de brouwerijen, die aan het Spaarne lagen. Meer dan honderd kleine familiebedrijven deden goede zaken. Later door concurrentie van andere steden en hogere kosten werden het, tegen 1500 een zeventig. Voor het bier werd behalve gerst, ook tarwe en vooral haver gebruikt, wat een dikker bier, het kuitbier, opleverde. De smaak en vooral ook de duurzaamheid werd verbeterd door toevoeging van een mengsel van kruiden, zoals gagel, moerasrozemarijn en laurierbes, gruit genoemd. Rond 1300 volgden de brouwers het Duitse idee na om hop, hopbelletjes, aan de het brouwsel toe te voegen, met hetzelfde doel maar met een beter resultaat. Bier was de dagelijkse drank van jong tot oud en werd dus veel verkocht. De stadsbelasting op bier zorgde voor de helft van de inkomsten van de stad. Voor de scheepvaart over de binnenwateren maakten de bouwers op hun werven langs de rivier jaarlijks een vijftiental schepen, waaronder gerepareerde. Vanaf de veertiende eeuw werd van Engelse wol laken bereid, een uitgebreid proces, van ongereinigde balen tot aan de fijn geweven gladde stof, in rode, groene of blauwe kleuren. Het duinwater en de duinen waren zeer geschikt om het gewaad vooraf te bleken. Ook sponnen wevers van de vlasplantvezels het lijnwaad.[3]

Stadswapen[bewerken]

Het wapen van de stad zou terug te voeren zijn op deelname aan de Vijfde Kruistocht. De Haarlemse bijdrage aan deze tocht berust voornamelijk op een verhaal bedacht door Johannes a Leydis of Johannes van Leiden, prior van een klooster te Haarlem, in een kroniek over de Hollandse graven. De aanval van de kruisvaarders (1218) richtte zich niet op Jeruzalem zelf, stevig in handen van de moslims, maar op de stad Damietta (Damiate) aan de Nijlmonding, geen open haven maar ingericht als een fort. De Friezen in het gevolg van graaf Willem I slaagden er in de grote verdedigingstoren te veroveren en de zware ketting, waarmee de verdedigers de Nijl hadden afgesloten, los te maken. Het is natuurlijk niet mogelijk deze met een zaag onder een schip stuk te varen, zoals het verhaal wil. De feiten over dit gevecht zijn, op basis van een verslag van kardinaal-bisschop Olivier van Keulen, die namens de paus de leiding had, neergeschreven en geïllustreerd door de Engelse Benedictijner monnik Matthew Paris, in een kroniek uit die tijd. Het Wapen van Haarlem, bestaande uit vier sterren, dat bij deze gelegenheid door de Duitse keizer Frederik II zou zijn uitgebreid met een zwaard en een kruis, dateert eerst van 1391. Het legendarische van het verhaal blijkt uit de rol de keizer hier toegeschreven. Die had in deze periode namelijk geen bemoeienis meer met het Nederlands gebied. Het Motto ‘vicit vir virtus’ werd eerst na het Beleg van Haarlem toegevoegd.[4] De Damiaatjes, de klokjes die in de Grote of Sint-Bavokerk, elke avond tussen negen en halftien klingelen, oorspronkelijk om aan te duiden dat de stadspoorten gesloten werden, hebben niets met het beleg van Damietta van doen. De klokjes zijn aan de stad geschonken door de laatste bisschop van Haarlem, Nicolaas van Nieuwland, in 1562.

15e en 16e eeuw[bewerken]

Kaart van Haarlem omstreeks 1550

In 1429 kreeg de stad het tolrecht. Het laat-middeleeuwse Haarlem kende textielnijverheid, scheepsbouw en veel bierbrouwerijen. De welvaart werd nadelig beïnvloed door de Hoekse en Kabeljauwse Twisten, de Opstand van het Kaas- en Broodvolk en de Tachtigjarige Oorlog. Toch was Haarlem aan het begin van de 16e eeuw één van de zes grootste Hollandse steden met elk meer dan 10.000 inwoners (de andere waren Leiden, Amsterdam, Dordrecht, Delft en Gouda). In 1559 werd het bisdom Haarlem opgericht, met Nicolaas van Nieuwland als eerste bisschop.

In 1573 viel de vesting Haarlem na een maandenlange Spaanse belegering door Don Fadrique Alvarez de Toledo (Don Frederick), zoon van de gevreesde Hertog van Alva. Deze periode staat bekend als het Beleg van Haarlem, na de maandenlange belegering waren de Haarlemmers door honger gedwongen zich over te geven, Haarlem werd een Spaanse en dus katholieke enclave. Tijdens de Spaanse bezetting leed de bevolking onder honger, pest en Spaanse strafmaatregelen tegen aanhangers van de reformatie zoals ophanging en verbranding. De stadsbrand van 1576 legde een kwart van Haarlem in de as. Deze brand was veroorzaakt door een Duitse soldaat in Spaanse dienst. De Spanjaarden vertrokken in 1577 nadat het akkoord van Veere was gesloten. In dat akkoord stond dat de Spanjaarden Haarlem zouden verlaten op voorwaarde dat er gelijkheid zou zijn tussen de katholieken en de protestanten. Overigens namen de protestanten al snel de macht over alsof er nooit een verdrag was geweest.

In 1581 diende Haarlem een schadeclaim in bij de Staten van Holland voor de schade die het beleg en de stadsbrand hadden veroorzaakt. Als vergoeding kreeg Haarlem alle in beslag genomen bezittingen van de katholieke kerk, dat bracht een behoorlijk bedrag met zich mee want de stad stond vol kloosters en andere kerkelijke bezittingen. Zo kreeg Haarlem geld om de schade te herstellen. Nadat de rust in Haarlem was teruggekeerd kwamen er veel Vlaamse en Franse immigranten naar de stad, zij bezorgden de Haarlemse linnennijverheid een nieuwe bloeiperiode.

17e en 18e eeuw[bewerken]

Gerrit Adriaensz. Berckheyde: De Grote Markt in Haarlem (1696)

De bevolking van Haarlem groeide tot 40.000 inwoners in 1622 en 55.000 inwoners aan het einde van de 17e eeuw, waarmee Haarlem na Amsterdam en Leiden in grootte de derde stad was van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1631 werd Haarlem met Amsterdam verbonden via de trekvaart. Het systeem van trekvaarten en trekschuiten gaf Holland in de 17e eeuw een voor die tijd zeer efficiënt transportsysteem. Van 1635 tot 1637 woedde er in Haarlem een pestepidemie waaraan een kwart van de bevolking bezweek. In de 18e eeuw raakte de textielnijverheid in Haarlem - net als in Leiden - ernstig in verval. Tegen 1800 was het inwonertal teruggevallen tot ongeveer 20.000. In 1658 stichtte de Hollander Peter Stuyvesant Nieuw Haarlem aan de oostkust van Noord-Amerika. Later ging dit als de wijk Harlem deel uitmaken van de stad New York.

19e en 20e eeuw[bewerken]

In de 19e eeuw eeuw werden de vestingwerken ontmanteld en vervangen door plantsoenen (Jan David Zocher). In 1839 reed de eerste Nederlandse trein tussen Amsterdam en Haarlem. In 1843 werd de spoorlijn verlengd naar Leiden. Toen in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland werd hersteld (zie: Aprilbeweging), werd Haarlem bisschopszetel. Tussen 1895 en 1930 werd er aan de rand van de oude binnenstad een nieuwe kathedraal gebouwd, in neo-Byzantijnse stijl, de Kathedrale Basiliek Sint Bavo. Architect was Jos Cuypers, zoon van de beroemde Pierre Cuypers. Op 1 mei 1927 werd de gemeente Schoten deel van Haarlem. Na de uitvinding van de boekdrukkunst, die vroeger aan de Haarlemmer Laurens Janszoon Coster werd toegeschreven, kreeg Haarlem een blijvende reputatie als drukkersstad, en is de huidige zetel van de Staatsdrukkerij: Joh. Enschedé. Later is daar een reputatie als schrijversstad bijgekomen: veel bekende schrijvers zijn er geboren, of werkten er.

21e eeuw[bewerken]

Haarlem heeft een woningbouwopgave van het rijk, waardoor er op verschillende locaties bouwprojecten voor huizen, winkels en voorzieningen op stapel staan of uitgevoerd worden. Dit betreft onder meer de volgende locaties: Raaks, Spoorzone, Ripperda, Stadion Oostpoort (HFC Haarlem), Stadsschouwburg Haarlem.