Geschiedenis van Leeuwarden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Historische kaart en stadsgezicht van Leeuwarden uit 1664

De geschiedenis van Leeuwarden betreft de geschiedenis van de hoofdstad van de Nederlandse provincie Friesland.

Eerste bewoners[bewerken]

Het is onbekend wanneer mensen zich voor het eerst permanent vestigden op het grondgebied waar nu Leeuwarden zich bevindt. Sommige opgravingen duiden erop dat al in de ijzertijd, de 1e eeuw v.Chr., Leeuwarden bewoners kende, al bestaat hierover nog wel enige discussie tussen archeologen. Wel staat vast dat al in de eerste of tweede eeuw n. Chr. Leeuwarden bewoners had. Bij archeologische opgravingen aan de voet van de Oldehove[1] werden verschillende vondsten gedaan die duiden op bewoning tijdens de Romeinse tijd in Friesland. Houten palen die gevonden werden maakten onderdeel uit van een gebouw van zo'n drie meter breed. Het pand, van plaggen of hout, was ongeveer drie meter breed en werd waarschijnlijk gebruikt als schuur of woning.[2] Andere paalresten uit de tweede of derde eeuw na Christus maakten onderdeel uit van een huis van zo'n vijf meter lang.[3] Uit deze Romeinse tijd zijn verschillende voorwerpen aangetroffen. Een twaalftal fibula's tonen aan dat de stad relatief rijke inwoners had. Vondsten als Romeinse haarspelden en verschillende Romeinse munten bevestigden het vermoedden van archeologen dat in het oude Leeuwarden handel werd gedreven met de Romeinen.[4] Daarnaast waren landbouw en vissen het voornaamste middel van bestaan. De vroege bewoning was niet gecentreerd op één terp, maar bestond voornamelijk uit verschillende boerderijen op een eigen terp.[5] In de derde eeuw. n. Chr. verlieten de vroege bewoners het gebied dat later Leeuwarden zou heten. De nederzetting verdween toen de stad overstroomd werd door de Middelzee.

Middeleeuwen[bewerken]

Vroege middeleeuwen[bewerken]

De drie delen die in 1435 samen Leeuwarden vormden, te zien op een kaart uit 1580 van Braun en Hogenberg, naar een model van J. R. G. Schuur uit 1979.[6] Nijehove (Oud-Leeuwarden) was volgens een oorkonde al in 1285 een stad
Vroeger lag Leeuwarden aan de Middelzee

Aardewerk uit de vijfde eeuw duidt erop dat er al snel mensen terugkeerden naar de voet van de Oldehove om zich er te vestigen.[7] Uit archeologisch onderzoek blijkt dat rond het jaar 500 weer huizen verschenen op de terp bij de Oldehove. Een wagenwiel dat werd gevonden stamt hoogstwaarschijnlijk uit deze tijd.[8] Een plaats van betekenis mag dat oude Leeuwarden zeker niet genoemd worden. In tegenstelling tot de Romeinse tijd zijn er geen enkele aanwijzingen voor handel of rijke inwoners. De vondsten die gedaan werden, duiden op simpele bewoning. Wegens gebrek aan hout werden veel huizen voor de helft in de grond uitgegraven. Daarnaast werden veel plaggen gebruikt. Pas later, in de negende eeuw ontwikkelde Leeuwarden zich tot een handelsnederzetting [4].

Ontstaan van Leeuwarden[bewerken]

De naam Leeuwarden duikt voor het eerst op in een schenkingsakte uit de 8e eeuw. In dit document van de Abdij van Fulda spreekt men van de villa Lintarwde.[9] Desondanks duurde het nog tot 1190 voor de stad ontstond uit Hoek, Nijehove (Oud-Leeuwarden) en Oldehove. De nederzetting was toentertijd nog een zeestad.[10] Het dichtslibben van de Middelzee maakte echter dat Leeuwarden in de loop van de middeleeuwen een landstad werd.[11] De historicus Wopke Eekhoff maakte melding van de kerstening van Leeuwarden rond het jaar 800. Hiertoe voerde Karel op zijne togten eene menigte Priesters en zendelingen met zich, die het Evangelie verkondigden, leerden, doopten en kerken en scholen op de gunstigste en volkrijkste plaatsen stichtten. (..) Omstreeks den jare 800, door Karel den groote of een zijner zendelingen of evangeliepredikers, dáár eene Christenenkerk en eene Leeuwschool zal zijn gesticht.[12][bron?] Oldehove, dat van oudsher een uithof van de Abdij van Corvey in Duitsland was, had in het midden van de twaalfde eeuw al een kerk, gewijd aan de heilige Vitus. In akten uit de veertiende eeuw komt de Sint-Vituskerk van Oldehove voor onder de naam Liiewardensis. In 1285 stond Leeuwarden al als stad te boek in een Duitse handelsakte.

Andere oude bronnen van Oud-Leeuwarden zijn de munten die er in grote hoeveelheid geslagen zijn in de 11e eeuw. Verder zijn er in buitenlandse archieven oorkonden teruggevonden van een 12e- en 13e-eeuwse Leeuwarden, waarin wordt gesproken over de scheepvaart en handel. Sommige van deze oorkonden hebben echter betrekken op Oldehove. Hier stond de oudste parochiekerk van Leeuwarden. Vandaar dat Oud-Leeuwarden ook wel Nijehove werd genoemd, vanwege de nieuwere kerk.

Toeloop naar samenvoeging[bewerken]

Tussen 1200 en 1300 slibde de Middelzee dicht en nam de handel af vanwege het ontbreken van een haven. De nadruk van de handel werd toen meer gelegd op de nabije streek. In 1392 stonden de omringende grietenijen (gemeenten) de magistraat van de stad hoge rechtspraak toe.

In een oorkonde van 1333 blijkt dat oud-Leeuwarden kerkelijk zelfstandig geworden was. Hoek lag langs de Middelzee en daar liep destijds een van de voornaamste handelswegen. De Friese adellijke familie Cammingha had een deel van Hoek in haar bezit. Aan deze kant van Leeuwarden stond later ook de Camminghaburg, waar nu de wijk Camminghaburen nog aan herinnert. De nederzetting van de familie bestond uit een stins met hofstede. Verder hadden ze er een kerk voor de heilige St. Catharina gesticht.[13]

In 1392 werd een deel van Leeuwarden bij een stadsbrand verwoest.

Al was er op 3 augustus 1426 al een oorkonde met het officiële besluit tot samenvoeging. Dit besluit werd door het landsbestuur van Oostergo en Westergo genomen. Dat Leeuwarden er al voor 1435 als een stad uit zag blijkt uit het feit dat er al voor 1435 een stadsgracht was, rondom Nijehove, oftewel Oud-Leeuwarden, ook wel aangeduid in de oudere bronnen als Liowerd.[6]

Vereniging van Leeuwarden[bewerken]

Op 21 januari 1435 werden Oldehove, dat ten westen van Oud-Leeuwarden lag, en Hoek, dat ten oosten van Oud-Leeuwarden lag toegevoegd met Oud-Leeuwarden. Tussen 1484 en 1498 werd de gracht uitgebreid naar het zuiden, en die vormt tot op heden de grens van de binnenstad, hierdoor ontstond ook het Zaailand. De vereniging van Leeuwarden werd in twee afzonderlijke verdragen met de toenmalige machthebbers vastgelegd, door de pastoor van Oldehove, en de edelman Pieter van Cammingha uit Hoek. Door deze vereniging kreeg Leeuwarden in 1435 stadsrechten, als een van de laatste steden in Friesland. Oud-Leeuwarden, ook wel Nijehove, werd overigens al in 1285 in een oorkonde als stad genoemd.

Schieringers en Vetkopers[bewerken]

De vijftiende eeuw werd beheerst door de strijd tussen Schieringers en Vetkopers. In het algemeen schaarden de steden en het platteland zich achter de Schieringers. Leeuwarden was het bolwerk van de Vetkopers. De partijstrijd leidde tot de bouw van nieuwe verdedigingswerken. De partijstrijd in het verdeelde Friesland doet de Schieringers besluiten met Albrecht van Saksen samen te gaan werken om de Vetkopers te verslaan.

Leeuwarden onder de Saksen[bewerken]

Op 5 juli 1498 staan de Schieringers onder leiding van Albrecht van Saksen voor de poort van de stad. Na twee dagen geeft de stad zich gewonnen tegenover de grote overmacht, maar niet onvoorwaardelijk. Het stadsbestuur weet te bedingen dat er geen wapens in de stad gebracht mogen worden en dat de bezetting uit niet meer dan zestien man mag bestaan. Graaf Willebrord von Schaumburg, die door Albrecht van Saksen wordt aangesteld als Stadhouder, krijgt het zo wel erg moeilijk om de orde te bewaren. Als een poging om wapens de stad binnen te smokkelen mislukt, slaat opnieuw de vlam in de pan. Von Schaumburg vlucht en opnieuw belegert een Saksisch leger de stad. Dit keer houdt Leeuwarden het negen weken vol voordat de stad wordt ingenomen. Albrecht van Saksen doet zijn intrede in de stad in 1499, het jaar dat traditioneel gezien wordt als einde van de Friese Vrijheid. Voorlopig houdt Albrecht het rustigere Franeker aan als hoofdstad. Om de orde in de stad te garanderen begint hij in 1500 wel met de bouw van een dwangburcht, de Blokhuispoort.

Toen de rust was weergekeerd maakte Albrecht van Saksen Leeuwarden tot zetel van het Hof van Friesland dat zich bezighield met bestuur en rechtspraak. Dit college kreeg in 1571 een eigen onderkomen, de Kanselarij. In dezelfde tijd werd in Leeuwarden ook het kerkelijk gezag gevestigd. De Sint-Vituskerk werd de zetel van de deken en de belangrijkste kerk van Friesland.

De Saksische tijd eindigde voor de Leeuwarders in 1515 toen Georg Schenck van Toutenburg de stad veroverde voor keizer Karel V. Op 19 mei 1515 verkocht George van Saksen definitief zijn aanspraken op Groningen en Friesland toen hij deze voor 100.000 gulden verkocht aan keizer Karel V. Net als de rest van Nederland en zelfs een groot gedeelte van de wereld viel Leeuwarden nu onder de Habsburgers. Dat bracht een tijd van voorspoed met zich mee. Leeuwarden was een bestuurscentrum met stevige wallen en een burcht die over de stad waakte. Dat werd eens te meer bevestigd toen de stad in 1524 hoofdstad van de Heerlijkheid Friesland werd. Het enige dat er nog aan ontbrak was een grote kerk. Dat was het symbool dat nodig was om de kracht en de welvaart van de stad en de provincie uit te dragen. Jacob van Aaken kreeg op 28 mei 1529 opdracht van het stadsbestuur om te bouwen aan een kerk die de vitaliteit van de stad vertegenwoordigde: de Oldehove die op de plek van de oude Sint-Vituskerk moest verschijnen. Het mislukken van de bouw hield niet tegen dat in 1559 Leeuwarden tot bisschopszetel verheven werd van het nieuw opgerichte Bisdom Leeuwarden.

Tijd van de Friese stadhouders[bewerken]

Tachtigjarige Oorlog[bewerken]

De Beeldenstorm, voorbode van de Tachtigjarige Oorlog, bereikte Leeuwarden op 6 september 1566. Desondanks bleef de stad koningsgezind tijdens Oranjes tweede invasie, terwijl bijvoorbeeld Franeker en Stavoren enkele maanden calvinistisch bestuur kenden tot Spaanse soldaten het koninklijk gezag herstelden. In februari 1579 maakten opstandelingen zich meester van de blokhuizen van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren, waardoor Friesland aan de zijde van de Opstand komt; in maart sluiten de Friese steden zich aan bij de Unie van Utrecht. Cuneris Petri, de enige bisschop van het Bisdom Leeuwarden, die aangesteld was in 1569, belandde bij de calvinistische machtsovername korte tijd in het gevang en vertrok daarna voorgoed uit Friesland. De Sint-Vituskerk werd in de jaren 1595 en 1596 wegens verregaande bouwvalligheid afgebroken.

Leeuwarden onder Willem Lodewijk[bewerken]

Toen Willem van Oranje in 1584 werd vermoord moest het stadsbestuur op zoek naar een nieuwe stadhouder. Die werd gevonden in de persoon van Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg. Deze neef van de Vader des Vaderlands was niet alleen een kundig bestuurder maar ook een goede strateeg. Samen met zijn zwager Maurits van Oranje was hij vaak op veldtochten, maar hij vergat nooit de belangen van Friesland in Holland te behartigen. Van de Leeuwarders kreeg hij de bijnaam 'Ús Heit'. Toen hij in 1620 overleed werd hij in de grafkelder van de Grote of Jacobijnerkerk bijgezet. Zijn jongere broer Ernst Casimir van Nassau-Dietz volgde hem op.

Zestiende en zeventiende eeuw[bewerken]

De zestiende en zeventiende eeuw vormden een gouden tijd voor Leeuwarden. Leeuwarden kreeg aanzien doordat het de verblijfplaats werd van de Friese Nassaus die stadhouder werden van de noordelijke provincies. In deze eeuwen kwam de stad tot grote bloei. Het aantal inwoners steeg van 5.000 rond het jaar 1500 tot 16.000 in 1650. Leeuwarden behoorde toen tot de tien aanzienlijkste steden van Nederland. Daarvan getuigen nu nog prachtige gebouwen als de Kanselarij (waar recht gesproken werd), het Stadhouderlijk Hof, de Waag (als centrum van de handel), en de scheve toren de Oldehove.

Tijd na 1750[bewerken]

Stadhouderschap van Willem IV[bewerken]

Patriottentijd[bewerken]

Leeuwarden onder Franse heerschappij[bewerken]

Van 1798 tot 1801 was Leeuwarden de hoofdstad van het Departement van de Eems, één van de acht departementen waarin Nederland was opgedeeld. Van 1801 tot 1815 vormde Leeuwarden de hoofdplaats van het Departement Friesland.

Negentiende eeuw[bewerken]

Nicolaas Baur: Schaatswedstrijd voor vrouwen op de Stadsgracht in Leeuwarden, 21 januari 1809. Deze wedstrijd werd verder voorlopig verboden, vanwege de onzedelijk geachte kledij der dames.

Op dit schilderij van Nicolaas Baur uit Harlingen zijn de 20-jarige Trijntje Pieters uit Poppingawier en de 16-jarige Joukje Wybes uit Damwoude afgebeeld die op 1 en 2 februari 1805 op de Stadsgracht in Leeuwarden na zeven ronden als laatste twee van de 128 gestarte vrouwen en meisjes overbleven, voor het oog van ruim 10.000 toeschouwers. Vier jaar later mochten de vrouwen op herhaling. Als enige beperkende bepaling gold nu dat alleen ongetrouwde vrouwen tussen de 16 en 27 jaar mee mochten doen. Houkje Gerrits uit Veenwouden won. Het aantal deelnemers was deze keer beperkt tot 64.

Twintigste eeuw[bewerken]

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Interbellum[bewerken]

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Inwoners van Leeuwarden verwelkomen soldaten van het Canadese leger, 16 april, 1945

Leeuwarder Joodse gemeenschap[bewerken]

De voormalige synagoge van Leeuwarden

Voor de oorlog kende Leeuwarden een levendige Joodse gemeenschap. 800 Joodse vluchtelingen die vanuit Kamp Westerbork naar Leeuwarden werden gebracht werden dan ook aanvankelijk goed opgevangen. Eind mei werden ze alweer teruggestuurd door de bezetter. Spoedig na de Duitse inval werden ook in Leeuwarden, net als in de rest van Nederland, antisemitische maatregelen afgekondigd. Op 23 november 1940 werd de Leeuwarder wethouder J. Turksma, net als andere Joodse ambtenaren ontslagen. In oktober 1941 werden joodse leraren en leerlingen van de openbare scholen verwijderd en moesten ze naar een speciale joodse school[14] De eerste razzia in Leeuwarden was op 11 april 1942. Vrijwel alle opgepakte Joden konden vervolgd worden omdat ze in overtreding waren op de vele discriminerende maatregelen die genomen waren.[15] Niet veel later, op 29 april kregen de Leeuwarder Joden het nog moeilijker doordat zij een Jodenster moesten dragen. In ijltempo ontruimden de Duitsers de joodse wijk van Leeuwarden. Veel protesten waren er niet. In Friesland maakten Joden maar 1.5% uit van de totale bevolking. Daarnaast waren ze vaak erg op zichzelf en stonden de meeste Nederlanders sceptisch tegenover verhalen over vernietigingskampen.[16] Niet alle Joden wachtten de arrestatie van de Duitsers af. Zo ook de briljante Leeuwarder chemicus dr. George Stephan de Kadt, die een belangrijke rol speelde bij de ontwikkeling van de Coöperatieve Condensfabriek Friesland, de voorloper van Friesche Vlag. Hij vergiftigde zichzelf, zijn echtgenote Bertha Davids Polak en zijn vier kinderen om aan arrestatie te ontkomen. De laatste Joden van Leeuwarden werden in maart 1943 gedwongen verhuisd naar de overvolle getto's in de Randstad. Van de 852 Friese Joden overleefden maar 235 de oorlog. De meesten hiervan woonden in Leeuwarden, maar ook Harlingen, Gorredijk, Sneek en Lemmer kenden kleine Joodse gemeenschappen.[17] Na de oorlog keerde het joodse leven in de stad in afgezwakte vorm terug. De synagoge, gespaard in de oorlog, werd in 1948 opnieuw gewijd. Het bleek te groot voor permanent gebruik, en tegenwoordig zit er een dansschool gevestigd. Een deel van de rituele voorwerpen werd in 1964 geschonken aan het jeugddorp Kfar Batja, in Israël. De rest werd in 1986 overgedragen aan het Joods Historisch Museum. Tegenover de voormalige joodse school is in 1987 een monument onthuld. De plek is nog steeds het begin van de stille tocht voorafgaand aan de Leeuwarder dodenherdenking[14].

Fliegerhorst Leeuwarden[bewerken]

Bouw[bewerken]
Een ME 110, waarvan er verschillende te Leeuwarden gestationeerd waren

Ook voor de oorlog was er op de plek van de huidige Vliegbasis Leeuwarden al een vliegveld. In 1934 werd de Friesche Luchtvaartvereniging opgericht. Via een subsidie van 260.000 gulden kon er een vliegveld aangelegd worden. Tussen 24 en 27 juni in 1938 werd er een groot feest gevierd voor de opening van het vliegveld. Veel stelde het niet voor. Er was een vliegweide van 800 bij 880 meter, een stationsgebouwtje en een woning voor de havenmeester. Desondanks landde er elke dag een KLM Lockheed L-10 Electra. Met de mobilisatie werd er een peloton soldaten op het vliegveld gelegerd, met op elke hoek van het vliegveldje een mitrailleur. Op een Duitse Heinkel in 1939 na gebeurde er weinig enerverends voor de soldaten. Toen op 10 mei 1940 de oorlog voor Nederland begon lieten ze landbouwtrekkers het veld omploegen. Veel weerstand tegen de invasie kon nog niet geboden worden, en al op 11 mei meldde een Officier van de Luftwaffe zich bij het vliegveld. De Duitsers hadden grote plannen voor het vliegveld. In augustus 1940 werkten al ongeveer 7500 arbeiders aan het vliegveld. Voor veel Friezen was het een manier om na de economische recessie weer aan de slag te gaan. Barakken werden gebouwd, hangars opgericht en startbanen aangelegd. Voor de onderlaag van de startbaan werd onder andere puin gebruikt dat overbleef na het bombardement op Rotterdam. Toen in 1942 een centraal gebouw in gebruik werd genomen, met onder andere een grote overzichtskaart van zes bij vijf meter, kwam er een eind aan de grootste bouwactiviteiten. Bij luchtaanvallen werd altijd het werk stopgezet. De arbeiders verstopten zich dan prompt het liefst urenlang. Sabotage werd ook gepleegd door aannemers. Een van hen, Sjoerd Verhoeve, stierf in de gevangenis.

Vluchten[bewerken]

De geallieerden erkenden het strategische belang van de vliegbasis. Op 28 juli 1940 werd de basis voor de eerste keer gebombardeerd waarbij Theunis Stroop uit Berlikum omkwam. De volgende dag kwamen acht Friese arbeiders om het leven bij bombardementen op de luchthaven. Vanaf 29 juni 1940 werd er actief gevlogen vanaf de basis. Er werden 40 Messerschmitt Bf 109's en een aantal Messerschmitt Bf 110's gestationeerd. Daarnaast werden er vanaf 1941 40 Heinkel He 111 bommenwerpers geplaatst en een tijdje Focke Wulf 190's. Inclusief onderhoudsploegen waren er dan ook wel 1500 mannen gestationeerd op de Fliegerhorst. De piloten van de basis waren aanvankelijk actief in de Slag om Engeland. Later, toen de geallieerden actief Duitsland bombardeerden, kreeg de basis een meer defensieve functie. Vanaf juli 1941 behaalden de Duitsers die in Leeuwarden gestationeerd waren geregeld overwinningen op de geallieerden. In verschillende Friese begraafplaatsen liggen nog steeds geallieerde piloten. In totaal haalden de Duitse piloten zo'n 400 vliegtuigen neer. De helft daarvan boven zee.

Bombardementen[bewerken]

Gedurende de oorlog werden verschillende bombardementen op het vliegveld uitgevoerd. Op 25 januari 1944 werden 44 bommen gegooid, maar het zwaarste bombardement was op 24 februari van datzelfde jaar. 46 Martin B-26 Marauder bommenwerpers wierpen in totaal 1189 bommen af. 700 troffen hun doel op de luchthaven, maar enkele kwamen neer in het nabijgelegen Beetgum waarbij enkele burgers omkwamen. Op de luchthaven kwamen tien Duitsers om. Enkele hangars en jachtvliegtuigen gingen in vlammen op. Voor het herstel werden zelfs gevangenen ingezet als dwangarbeider. 's Ochtends op 17 september 1944 was het vliegveld wederom een doelwit. Toen wierpen 51 Lancaster bommenwerpers een bommenlading van 214,3 ton af. Een paar bommen vielen op Beetgumermolen waarbij zeven burgers omkwamen. Na de aanval verdwenen de nachtjagers uit Leeuwarden. In maart 1945 werd nog een poging ondernomen het vliegveld te repareren. Het gerucht ging dat een groep parachutisten achter de vijandelijke linies gedropt zouden worden. Het bleef bij geruchten. Het vliegveld werd ontmanteld en de belangrijkste onderdelen werden naar Duitsland verscheept. Twee dagen voor de geallieerden de stad binnen trokken werden de restanten opgeblazen.

Eind van de oorlog[bewerken]

Naarmate de oorlog vorderde werd het gebrek aan materiaal en manschappen nijpender. Op 10 juni 1944 werd het vliegveld bij Bergen gesloten, het materiaal werd naar Leeuwarden overgebracht. Vanaf september 1944 waren de geallieerden definitief de baas boven het luchtruim in het gebied van de Fliegerhorst Leeuwarden. In totaal sneuvelden van de vliegvelden Leeuwarden en Bergen 72 piloten. Een kwart kwam om door vijandelijk vuur, meer dan de helft stortte neer door motorpech of een ander ongeluk.[18]

Naoorlogs Leeuwarden[bewerken]

Kneppelfreed[bewerken]

Kneppelfreed (Fries voor 'knuppelvrijdag'), ook bekend als 'de slag op het Zaailand', vond plaats op 16 november 1951. Bij die gelegenheid raakte een groep demonstranten, nieuwsgierigen en journalisten voor het gerechtsgebouw aan het Zaailand in Leeuwarden slaags met de politie, toen die hen met knuppels en waterkanonnen uiteen probeerde te drijven. De menigte voor het gerechtsgebouw demonstreerde tegen het besluit om de journalist Fedde Schurer in de kleine in plaats van de grote zaal te berechten, waardoor zij de zaak niet konden bijwonen. De keuze voor de kleine zaal was volgens de rechtbank genomen om stookkosten te sparen. Het proces tegen Schurer was geruchtmakend, doordat het een machtsstrijd belichaamde tussen de Nederlandssprekende elite en de Friessprekende jonge garde.