Naar inhoud springen

Geschiedenis van Nijmegen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Nijmegen sinds wat algemeen als het ontstaan van deze stad wordt beschouwd.

De aan de huidige stad Nijmegen toegeschreven geschiedenis begint in de oudheid. Een eerste echte nederzetting op deze plek moet er al in de Romeinse tijd zijn geweest, waarschijnlijk net voor het begin van de christelijke jaartelling. Hoewel er alleen indirecte aanwijzingen voor zijn, lijkt deze plaats omstreeks het jaar 100 van de Romeinse keizer Hadrianus voor de eerste keer stadsrechten te hebben gekregen. Nijmegen is daarom – naast Maastricht, Voorburg en Heerlen – een van de vier steden in Nederland die aanspraak maken op het predicaat "oudste stad".

Oudste sporen (prehistorie)

[bewerken | brontekst bewerken]
Gezichtsurn uit de 1e eeuw n.Chr. Museum Het Valkhof

De alleroudste sporen van bewoning in en bij het gebied dat nu Nijmegen is, zijn bekend uit het neolithicum, de midden en late bronstijd en – ten noorden van de Waal – uit de midden en late ijzertijd. Sporen hiervan zijn teruggevonden in het gebied dat nu overeenkomt met Nijmegen-Oost. Het gaat daarbij onder meer om teruggevonden grafheuvels en urnenvelden.[1] In de late bronstijd en vroege ijzertijd groeide dit gebied namelijk uit tot een echt grafveld. Bij sommige van deze graven zijn wapens gevonden zoals ijzeren speren en de resten van een strijdwagen, zodat met enige zekerheid gesteld kan worden dat de strategische ligging al in de prehistorie werd ingezien.

Ook aan de noordzijde van de Waal, bij Lent en Oosterhout, zijn bewoningssporen gevonden. Deze gaan terug tot in de achtste eeuw voor Christus: aardewerken spinklosjes, kuilen en paalkuilen, een vuurstenen sikkel en een urnenveld. Waarschijnlijk zijn dit de resten van een kleine nederzetting. Ook uit de midden-ijzertijd zijn hier sporen gevonden: onder andere "De man van Lent", een goed bewaard gebleven skelet van een man van middelbare leeftijd (naar huidige begrippen) die met oor- en vlechtringen werd begraven. Tevens zijn kadavers van diverse huisdieren gevonden, waarvan sommige zonder kop.

Omstreeks 50 v.Chr. lijken de eerste Bataven zich aan de Waal te hebben gevestigd. De Waterstraat (in het huidige Waterkwartier) moet toen al in gebruik zijn geweest, dit is een van de alleroudste nog bestaande wegen in het huidige Nederland.[2]:1

De teruggevonden sporen van bewoning sinds de midden-bronstijd tot na de Romeinse tijd zijn soms op meerdere manieren te duiden. Er is onder meer uit opgemaakt dat de Bataven voornamelijk ten noorden van de Waal en ten zuiden van de Rijn moeten hebben gewoond. Of er sinds de oudste tijd daadwerkelijk sprake is geweest van continue bewoning, blijft echter – op grond van wat er tot op heden aan archeologisch materiaal voorhanden is – nog steeds een open vraag. Migratie zal zeker een demografische factor zijn geweest. Verschillen in begrafenisrituelen (crematie versus begraven) en stilistische kenmerken van aardewerk kunnen echter ook culturele invloeden van buitenaf zijn, zonder dat grootschalige migratie hier ook een rol hoeft te spelen.

Romeinse tijd

[bewerken | brontekst bewerken]
Schematische weergave van Oppidum Batavorum/Batavodurum (1e eeuw)
Schematische weergave van Ulpia Noviomagus Batavorum (2e eeuw)

Ten tijde van het Romeinse Rijk moet het gebied van het huidige Nijmegen en omstreken tot het noorden van Germania Inferior, een van de noordelijke provincies van het rijk, hebben behoord. De oudste teruggevonden resten die getuigen van Romeinse aanwezigheid alhier hoorden bij een groot legerkamp op de Hunnerberg. Deze overblijfselen worden gedateerd op 16 of 15 v.Chr.. Hier waren twee Romeinse legioenen gehuisvest, die in totaal uit zo'n 12.000 man bestonden. Dit castrum lijkt slechts enkele jaren te zijn gebruikt, waarna het werd vervangen door een commandocentrale op de Kopse Plateau. Er is geopperd dat de veldheer Drusus hier tijdens zijn laatste levensjaren nog zou hebben verbleven, hoewel rechtstreeks bewijs daarvoor ontbreekt.[3] :42-43

Oppidum Batavorum

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Oppidum Batavorum voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tacitus vermeldt in diens Historiae een nederzetting als Oppidum Batavorum ("stad/vesting van/voor de Bataven"), die kort voor het begin van de christelijke jaartelling door de Romeinen aan de Waal moet zijn gesticht. Deze nederzetting wordt dan ook vaak gezien als de vroegste voorloper van de huidige stad Nijmegen. Tevens is dit een belangrijk argument dat men opvoert om Nijmegen aan te merken als de oudste Nederlandse stad.[noten 1][4]

Op grond van aangetroffen restanten van aardewerk (terra sigillata dat oorspronkelijk uit Italia kwam) en munten uit deze tijd heeft men geconcludeerd dat Oppidum Batavorum al vóór 10 v. Chr. moet zijn gesticht. De nederzetting bereikte een maximale omvang van 20 hectare.[5] De plek waar de nederzetting lag werd vermoedelijk begrensd door het gebied vanaf het tegenwoordige Valkhof tot net ten oosten van waar nu het keizer Traianusplein is, en in het westen tot de Korte Nieuwstraat. De nederzetting moet ook omringd zijn geweest door een gracht, al werd die naar het zich laat aanzien pas enige decennia later door de Romeinen aangelegd; wellicht gebeurde dit in verband met de Bataafse Opstand.[3]:99-100 Ten westen van de nederzetting zou ongeveer een eeuw later de Romeinse stad Noviomagus verrijzen (ongeveer waar nu de wijk Waterkwartier is), terwijl in het oosten de Romeinse castra (legerkampen) op de Hunnerberg en de Kopse Plateau lagen. De nederzetting lag zodoende voor de Romeinen strategisch mooi ingeklemd.[6]

Nadat met de verpletterende Romeinse nederlaag in het Teutoburgerwoud (9 n.Chr.) de Romeinse verovering van Germanië was stukgelopen, werd duidelijk dat de Rijn voorlopig de noordgrens van het Romeinse Rijk zou blijven. Oppidum Batavorum werd hiermee een belangrijke Romeinse grenspost, die verder versterkt moest worden. Er werd een permanent legerkamp op de Kopse Plateau opgezet, kleiner dan het oorspronkelijke Hunnerbergse castrum.

Aanvankelijk was Oppidum Batavorum vooral een Romeins bestuurlijk centrum. Tussen 10 n.Chr. en 69 n.Chr. ontwikkelde het zich tot een nederzetting van en voor Gallo-Romeinse handwerkslieden, handelaren, ambtenaren en magistraten. Er bevonden zich nog meer Bataafse nederzettingen ten noorden van de Waal bij Lent en Oosterhout, waar vele vondsten uit de Romeinse tijd zijn gedaan. Het bekendst is de Nijmeegse Godenpijler, waar in 1980 restanten van zijn teruggevonden. Keizer Tiberius moet hier in de periode 14-17 na Christus deze erezuil hebben laten neerzetten, ter herinnering aan een geslaagde strafexpeditie tegen de Germanen.[7] De Maastrichtse stadsarcheoloog Titus Panhuysen dateerde dit op 17 n.Chr., wat overeenkomt met het beëindigen van de campagnes van Germanicus tegen de Cherusken. Uit deze zuil en de vondsten op het Kopse Plateau kan worden geconcludeerd dat er zich in het gebied waar nu Nijmegen ligt, toentertijd een belangrijke Romeinse commandocentrale heeft bevonden.

De resten van het – voor zover tot nu toe bekend – oudste stenen huis in Nederland zijn in 2005 eveneens hier in de ongeving gevonden: aan de St. Josephhof. Dit huis dateert naar schatting uit het jaar 40 en hoorde bij Oppidum Batavorum.[8]

Tijdens de Bataafse Opstand onder Julius Civilis in 69 n.Chr. werd Oppidum Batavorum door de opstandige Bataven zelf in brand gestoken. Hetzelfde gebeurde met het Romeinse hoofdkwartier op het Kopse Plateau (de praetorium).

Tiende Legioen vanaf 71 n.Chr.

[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Opstand van de Bataven werd op de Hunnerberg vanaf 71 n.Chr Legio X Gemina pia fidelis (ofwel het Tiende Legioen) gevestigd, dat vanuit Hispania kwam en Legio II Adiutrix op deze plek verving.[9] Het Tiende Legioen zou hier ongeveer dertig jaar lang blijven. Van dit legioen zijn relatief veel archeologische sporen teruggevonden.[10]:28

Romeinse stad (2e-3e eeuw)

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Ulpia Noviomagus Batavorum voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Langs de Waal, deels op de plek waar nu het Waterkwartier is, moet al snel na de Bataafse opstand een nieuwe nederzetting zijn ontstaan, die eveneens vooral door Bataven werd bewoond. Deze plaats kreeg vermoedelijk enkele tientallen jaren later van de Romeinse keizer Trajanus eerst marktrechten en vervolgens ook Romeinse stadsrechten.

De naam "Noviomagus"
[bewerken | brontekst bewerken]
Een stuk van de overgeleverde kopie van de Tabula Peutingeria waarop o.a. Noviomagus is te zien; naar men algemeen aanneemt is dit Romeins Nijmegen. Ook zichtbaar zijn hier Ceuclum (vermoedelijk Cuijk) en Blariacum (vermoedelijk Blerick)

De naam Noviomagus of Noviomagi is van oorsprong Keltisch, en werd in gelatiniseerde vorm aan meerdere steden binnen het Romeinse Rijk gegeven. Deze naam moet via allerlei tussenvormen ten grondslag hebben gelegen aan de huidige naam Nijmegen. De plaats zelf staat vermoedelijk aangegeven op de Tabula Peutingeriana, een overgeleverde kopie (zelf uit de 13e eeuw) van een 3e- of 4e-eeuwse Romeinse reiskaart.[11]

Op basis van vooral indirecte aanwijzingen is geconcludeerd[noten 2] dat de volledige naam van de Romeinse stad Ulpia Noviomagus Batavorum was.[12] Als belangrijke aanwijzing hiervoor geldt een gedenktekst op een stenen altaar, dat in de 19e eeuw is teruggevonden in de Duitse plaats Pfünz (Beieren). De tekst in kwestie luidt: (Genio castror)um T. Fl(avius) Rom(a)nus Ulpia Noviomagi Bataus dec(urio) al(ae) I Flaviae praepositus.[noten 3] Het lijkt hier duidelijk om de gensnaam van keizer Trajanus te gaan, die op deze manier met het stichten van de stad Ulpia Noviomagus in verband kan worden gebracht. De betreffende tekst lijkt geschreven door een Bataafse ritmeester.[13]

Bloeiperiode (2e eeuw)

[bewerken | brontekst bewerken]

Trajanus zou, naar men aanneemt, ergens tussen 98 n.Chr. (het begin van zijn keizerschap) en 104 n.Chr. (toen het Tiende Legioen hier wegtrok, en de stad dus blijkbaar voldoende economische zelfstandigheid bezat) de stadsrechten aan Ulpia Noviomagus Batavorum hebben toegekend.[3]:107[14] In dezelfde tijd lijken ook de eerste stadsmuren te zijn gebouwd. Het aantal inwoners moet op dat moment ongeveer 5000 hebben bedragen. Het toentertijd bebouwde oppervlak wordt geschat op ca. 35-40 hectare, het aantal tot op heden teruggevonden graven op ca. 12.500.[noten 4][15][3]:102-103

Visualisatie van de Romeinse tijd aan het Maasplein, waar de twee tempels moeten zijn geweest

Gedurende het eerste driekwart van de 2e eeuw maakte Ulpia Noviomagus Batavorum een bloeiperiode door. Er kwamen goede verbindingen met belangrijke Romeinse steden in de buurt, zoals Colonia Ulpia Traiana (Xanten) en Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen). De bevolking van de Romeinse stad groeide gaandeweg tot 10.000 à 15.000.[15] Daarmee was het in deze tijd de grootste stad op het grondgebied van het huidige Nederland. Het zou hierna duizend jaar duren voordat een andere Nederlandse stad (Utrecht) datzelfde inwonertal haalde. De oppervlakte bedroeg volgens schattingen 40 hectare.

In het gebied dat nu Nederland is bevonden zich meer Romeinse nederzettingen van een zekere omvang, waaronder Traiectum (Utrecht), Lugdunum (Katwijk aan Zee) Mosa Trajectum (Maastricht), Coriovallum (Heerlen) en nog meer plaatsen.[16] De enige andere Romeinse stad in het huidige grondgebied van Nederland was Forum Hadriani (Voorburg).[noten 5][17] Noviomagus was in deze tijd tevens de hoofdstad van wat de Romeinen de Civitas Batavorum ("het Bataafse stamgebied") noemden.[18] Na het vertrek van het legioen werd op de Hunnerberg voorlopig een klein detachement soldaten gelegerd.

Het castrum werd rond 175 definitief ontruimd, en dit leidde uiteindelijk tot stagnatie en verval. Omstreeks dezelfde tijd eindigde de zogeheten "Gouden Eeuw van Rome". Het Romeinse Rijk ging nu een moeilijkere periode in. Rond het jaar 180 moeten er grote branden hebben gewoed in meerdere Romeinse steden, waaronder Noviomagus. Mogelijk hielden deze branden verband met de interne onrust binnen het Romeinse Rijk, die culmineerde in de opstanden onder Maternus.[3]:110

Archeologische vondsten van Ulpia Noviomagus

[bewerken | brontekst bewerken]

Bekende archeologische vondsten die worden toegeschreven aan Ulpia Noviomagus Batavorum zijn vooral de twee naast elkaar gelegen Gallo-Romeinse tempels aan het huidige Maasplein in het Waterkwartier. Ook zijn er restanten aangetroffen van wat mogelijk een Romeins badgebouw was. Verder is er nog het Amfitheater van Nijmegen, dat in de eerste plaats bedoeld lijkt te zijn geweest voor de Romeinse legionairs; voor zover bekend is dit het enige Romeinse amfitheater op het grondgebied van het huidige Nederland.[18] Een aardewerken olielamp en een haarspeld met een christelijke versiering zijn mogelijke aanwijzingen dat het Romeinse christendom ook Nijmegen heeft bereikt, ook het feit dat overledenen toen met hun hoofd naar het westen werden begraven zou daarop kunnen duiden.[noten 6][19][20]:32

De naam Noviomagus (afgekort tot NOVIOM) lijkt in 1993 ook te zijn aangetroffen in Nijmegen zelf. Bij opgravingen naar de twee hiervoor genoemde tempels werd een zilveren ring gevonden, waarvan het opschrift is ontcijferd als: "Aan Salus heeft Rusticus voor de schoenmakers uit Noviomagus, uit het genootschap van Esseravus, [deze ring] geschonken en gewijd". De inscriptie bevat tevens de afkorting 'C", wat lijkt te staan voor curia. Dit lijkt een aanwijzing dat er in deze tijd ook beroepsverenigingen bestonden. De ring dateert, volgens speculaties, nog van vóór de tijd dat de Romeinse stadsrechten werden verworven.[3]:111[21]

In het natuurgebied tussen Nijmegen en Groesbeek – dat tot begin 19e eeuw bij het Nederrijkswald hoorde – liep in de Romeinse tijd een aquaduct, dat het Tiende Legioen op de Hunnerberg enkele kilometers verderop van water voorzag. Men leidt dit onder andere af uit het typische rechte verloop van de betreffende dalen, die door mensen zijn uitgegraven en dus geen geologische oorsprong hebben.[22][23] De eigenlijke waterleiding zou van hout zijn geweest, maar daarvan is niets teruggevonden.[24] Ten behoeve van dit aquaduct werden ook drie dammen aangelegd: de Cortendijk, Swartendijk en Broerdijk. De restanten zijn in 2021 aangemerkt als werelderfgoed.[25]

Verval en einde (vanaf ca. 260-270)

[bewerken | brontekst bewerken]

Een onrustige tijd – bekend als de crisis van de derde eeuw – betekende waarschijnlijk de doodssteek voor Romeins Nijmegen, dat in de loop van deze periode (ca. 260-270) verlaten werd. Aangenomen wordt dat deze stad omstreeks het jaar 300 geheel was opgegeven, waarna zowel de Romeinse soldaten als de gewone burgers zich weer aan en nabij het Valkhof vestigden.[10]:29 Omstreeks 325 moet er bij het latere Kelfkensbos weer een nieuwe Romeinse versterking zijn gebouwd: een castellum (Romeins fort) met grachten.[6] Ook mensen die vanuit westelijker streken waren gedreven of gevlucht, zouden hier toen zijn opgevangen. Rond 370 moet er ook een aarden wal of stenen muur met een dikte van ca. 1,5 meter zijn gebouwd, in opdracht van keizer Valentianus die er alles aan deed om de noordgrens van het rijk weer te herstellen.[26] Er werd ook een eenheid Frankische hulptroepen gelegerd.

Tijdens het Dominaat werd er in het Romeinse Rijk orde op zaken gesteld. Keizer Constantijn slaagde erin om het Romeinse gezag weer voor enige tijd te herstellen.[27][19]

Aan het begin van de vijfde eeuw trokken de Romeinen definitief weg uit het hele gebied. Het West-Romeinse Rijk was bezig ten onder te gaan.

Frankische tijd (5e-10e eeuw)

[bewerken | brontekst bewerken]

Over de eerste twee à drie eeuwen nadat de Romeinen het gebied in en rond het huidige Nijmegen definitief hadden verlaten is maar zeer weinig met zekerheid bekend, mede doordat er geen enkele geschreven bron hierover uit deze tijd zelf overgeleverd is. Archeologische vondsten die in deze tijd worden gedateerd zijn er anderzijds wel, al zijn ook die tot dusver vrij spaarzaam. Vermoedelijk resteerde er aanvankelijk weinig meer dan een kleine handelsnederzetting aan de Waal.[28] Vermoed wordt dat deze nederzetting zich vooral in het westelijk deel van de vesting aan het Valkhof bevond.[29]:28 Algemeen wordt aangenomen dat het nu verlaten Romeinse castellum, samen met het restant van de nabijgelegen nederzetting evenals de rest van de omgeving, in de loop van de 5e eeuw in Frankische handen zijn gekomen.[noten 7] De Merovingen lijken omstreeks 450 de bestuurlijke macht in het gebied te hebben overgenomen. Ook bij het Valkhof is een muntenschat aangetroffen, die als Merovingisch wordt beschouwd en is gedateerd rond het jaar 600; hoewel er over de precieze herkomst van deze muntstukken maar heel weinig duidelijk is, is er geopperd dat de toenmalige vorsten ze lieten vervaardigen als pronkstuk.[noten 8][30]

In en rond het Mariënburgplein zijn graven uit deze tijd gevonden, die men over het algemeen toeschrijft aan rijke Merovingen.[31] Begin 21e eeuw waren hier meer dan 2000 van dergelijke graven ontdekt, die zijn gedateerd vanaf de vierde eeuw tot ca. het jaar 700[32]:16; mogelijk is dit grafveld in werkelijkheid zelfs nog groter. Geschat wordt dat er in deze tijd in het gebied dat overeenkomt met de huidige Nijmeegse binnenstad in totaal zo'n 7.500 tot 10.000 begravingen geweest zijn; daarmee is dit het grootste teruggevonden grafveld uit die tijd in het gebied dat nu Nederland is.[29]:26 De begrenzing tussen het Romeinse en het vroegmiddeleeuwse grafveld komt min of meer overeen met de plek waar nu de Broerstraat is.

Uit in de nabijheid van Grave gevonden muntstukken die uit dezelfde vroegmiddeleeuwse periode moeten dateren, maakt men op dat de naam van de stad omstreeks de 6e eeuw was geëvolueerd tot Niomago/Nionag.[19][33]

De huidige Burchtstraat (die pas vele eeuwen later deze naam zou krijgen, maar als zodanig al in de Romeinse tijd bestond) lijkt in de vroege middeleeuwen in gebruik te zijn gebleven; hier zijn voorwerpen zoals potten die zijn gedateerd in de 5e eeuw aangetroffen, evenals (op het terrein van de vroegere Scala-bioscoop) grafplekken die gezien de bijgiften uit dezelfde tijd lijken te dateren.[19][32]:18

Vooral op basis van de gedane grafvondsten wordt de bevolkingsomvang van de nederzetting in deze tijd geschat op 450 à 650. Ongeveer een eeuw eerder moet dit nog ca. 1200 zijn geweest; er was dus sprake van bevolkingskrimp. De meeste mensen woonden waarschijnlijk aan de huidige Waalkade; daar waar tegenwoordig het casino staat, zijn in de periode 1985-1987 restanten van een tufstenen muur gevonden.[20]:31 Op de plek van de Canisiussingel en Voorstadslaan zijn restanten van Frankische nederzettingen aangetroffen; de precieze omvang hiervan is tot op heden echter onduidelijk.[34]:37-38[35]

De stadsarchitect Jan Jacob Weve vond in 1910-1911 bij opgravingen op de plek van de Barbarossa-ruïne zes skeletten.[noten 9] Bij twee ervan werden ijzeren saxen aangetroffen, vermoedelijk grafgiften. Uiteindelijk is geconcludeerd dat deze graven moesten dateren uit de periode 620-680 n.Chr.[36] In het gebied tussen de huidige Lange Hezelstraat, de Bottelstraat, de Oude Haven en de Priemstraat is aardewerk uit de Merovingische tijd teruggevonden; ook zijn hier sporen van akkerbouw aangetroffen, die waarschijnlijk dateren uit dezelfde tijd.[29]:22

Bij graafwerkzaamheden aan de Pauwelstraat en Gruitberg zijn potten teruggevonden die gedateerd worden rond het jaar 700, waarschijnlijk afkomstig van een pottenbakkerij in het nabijgelegen Ubbergen.[noten 10] Vermoedelijk waren ook dit grafgiften.[29]:25

In deze tijd zou, volgens de overlevering, aan het Valkhof de allereerste parochiekerk van Nijmegen zijn gebouwd: de Gertrudiskerk, waarvan de oudst bekende vermelding bij de 15e-eeuwse geschiedschrijver Willem van Berchen is. Deze kerk werd mogelijk gebouwd in het kader van de grote kersteningscampagne van bisschop Kunibert van Keulen. Het Valkhof en Kelfkensbos waren, naar men aanneemt, door de koning aan de bisschop geschonken.[34]:77-78 Van de Gertrudiskerk aan het Valkhof is tot op heden echter geen enkel duidelijk archeologisch spoor gevonden.[noten 11]

Aan het eind van de 7e eeuw noemt de Kosmografie van Ravenna de plaats Noita, gesitueerd in het gebied dat op dat moment toebehoorde aan de Ripuarische Franken (Francia Rinensis). Dit wordt wel als Nijmegen geïnterpreteerd, en daarmee zou dit de eerste overgeleverde schriftelijke vermelding van Nijmegen zijn sinds de oudheid. Over de authenticiteit en betrouwbaarheid van de Kosmografie bestaat echter enige twijfel.[37]:73-77

Het Valkhof met de palts, zoals deze plek er omstreeks 800 uit zou kunnen hebben gezien. Dit schilderij uit 1862 is van Cornelis Springer. Het berust puur op fictie; over de palts te Nijmegen is niets feitelijks bekend afgezien van de overgeleverde geschriften hierover.

Vanaf de 8e eeuw lijkt de bosontginning in het Ketelwoud sterk te zijn toegenomen. De samenleving was in deze tijd vooral agrarisch, en landbouwgronden stonden vooral in dienst van de kerk en adel.[34]:75

Karel de Grote, die in 768 was gekroond tot koning der Franken, moet omstreeks 770 aan het Valkhof een van de paltsen in zijn Reisekönigtum hebben laten bouwen: de Valkhofpalts. Als een van de rechtstreekse aanwijzingen daarvoor geldt een aantekening van Karel de Grotes persoonlijke biograaf, Einhard. In diens Vita Karoli Magni heeft Einhard het over "een palts in Noviomagus boven de rivier de Waal" (tegelijk met de in dezelfde tijd gebouwde paltsen in Mainz en Ingelheim).[noten 12][38][39] Karel de Grote lijkt hier zelf vooral omstreeks de Paasdagen herhaaldelijk te zijn geweest, om dan plaatselijke bestuurlijke kwesties te regelen.[40]:6 Uit een overgeleverde oorkonde van Karel de Grote, gedateerd 8 juni 777 en getekend te Numaga, valt op te maken dat de hier bedoelde plaats een bestuurszetel was. Karel de Grote doet in deze oorkonde onder meer een schenking aan de plaats Trajectum (dit zou de latere stad Utrecht zijn) in de gouw Flethite.[41][42]

Aan dit deel van zijn geschiedenis dankt Nijmegen de populaire bijnaam "Keizerstad". Ook andere vernoemingen – zoals het Keizer Karelplein en het Karel de Grote College – herinneren tegenwoordig nog aan de Karolingische tijd.[43] Bij de oprichting van de Katholieke Universiteit (nu de Radboud Universiteit) in 1923 vond medeoprichter Jos Schrijnen dat deze Keizer Karel Universiteit moest gaan heten.[44] De oudste Nijmeegse studentenvereniging heet N.S.V. Carolus Magnus.

Archeologische vondsten uit Nijmegen, ca. 800-1100

De locatie van de nederzetting aan de Waal in de 9e en 10e eeuw lijkt ruwweg overeen te komen met het huidige gebied tussen de Grotestraat, Priemstraat en Nonnenstraat.[45]

Lodewijk de Vrome zou tijdens zijn regeringsperiode in totaal zes keer een landdag in de palts aan het Valkhof gehouden hebben. In 827 voerde hij hier vredesbesprekingen met de Deense koning Horik I. Elf jaar later echter werd de plaats voor het eerst door Deense Vikingen aangevallen, zo maakt men op uit de kronieken.[46] In 870 sloot Karel de Kale er een verbond met Rorik, een Viking uit Jutland. Dit kon niet verhinderen dat er tien jaar later een beleg plaatsvond, waarbij de aanvallende Vikingen de palts innamen en deze enige tijd als onderkomen gebruikten.[34]:75 Bij hun vertrek staken zij de palts in brand. In 925 plunderden de Noormannen hier, voor zover bekend, voor het laatst.[40]:8[47]

Omstreeks 840 werd het Frankische rijk verdeeld tussen Lotharius I en Karel de Kale. Het Valkhof met de nederzetting en omgeving kwamen daarbij aan Midden-Francië: een vrij smalle, maar wel langgerekte strook land die zich uitstrekte vanuit een deel van de Lage Landen tot aan Midden-Italië.[32]:29 Deze geopolitieke situatie heeft maar enkele tientallen jaren geduurd.[48] De plaats wordt in deze tijd in annalen vermeld als N(i)umaga.[19] De plaats stond vanaf de tweede helft van de 10e eeuw onder Rooms-Duits bestuur. Veel koninklijke en keizerlijke hofdagen van de Ottoonse en Salische dynastie vonden dan ook in de palts aan het Valkhof plaats. Otto I, Otto III, Hendrik II, Koenraad II en Hendrik III moeten hier geregeld zijn geweest voor hun regeringsdaden.[49] In 949 was er volgens de kronieken nog een Rijksdag.[50][noten 13][34]:242

Volgens een legende zou de latere keizer Otto III (samen met een tweelingzusje dat het niet overleefde) zijn geboren in het Ketelwoud nabij het huidige Groesbeek, terwijl zijn moeder — keizerin Theophanu — onderweg was van Aken naar de Valkhofpalts.[51][52] Hiervoor is echter geen enkel rechtstreeks ondersteunend bewijs; als voornaamste aanwijzing geldt een geschrift van de kronikeur Thietmar van Merseburg.[53] In 991 zou Theophanu zelf zijn overleden terwijl ze in de palts verbleef.[34]:243[noten 14]

Hoge en late middeleeuwen

[bewerken | brontekst bewerken]

11e-12e eeuw: uitgroeiing tot stad

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf 1002 bezocht Keizer Hendrik II de Heilige volgens de kronieken de palts.[50][34]:241 In 1018 zou er in de palts opnieuw een Rijksdag hebben plaatsgevonden, waarbij Otto van Hammerstein en diens vrouw Ermgard van Verdun werden geëxcommuniceerd.

De aan het Valkhof gebouwde Sint-Nicolaaskapel dateert, volgens de laatste inzichten, uit de eerste helft van de 11e eeuw.[50][54] Dit is het oudste Nijmeegse bouwwerk dat tot op heden bestaat.[noten 15] De palts moet in 1047 opnieuw zijn verwoest, en nu definitief, door toedoen van hertog van Lotharingen en Brabant Godfried II van Opper-Lotharingen. Hij kwam met zijn troepen in opstand tegen keizer Hendrik III.

Men tast in het duister over wat er in de eerste tijd daarna aan het Valkhof en de directe omgeving gebeurde; er zijn geen archeologische sporen of restanten van enige bouwwerken die specifiek in deze periode zijn gedateerd. Keizer Hendrik IV lijkt in 1075 het Valkhof nog wel te hebben aangedaan.[40]:11 De zieke Rooms-Duitse keizer Hendrik V deed volgens de overlevering in 1125 ook deze plek aan, op doorreis naar Utrecht.[34]:237-239[55] De plaats of nederzetting aan de Waal wordt in datzelfde jaar schriftelijk vermeld als Neumaia; de gelatiniseerde naam Noviomagus zou pas later weer in geschriften opduiken.[56] De plaats zou voorlopig nog bij het Heilige Roomse Rijk horen.

Op 17 mei 1151 onderhandelde de latere keizer Frederik I Barbarossa (op dat moment nog hertog van Zwaben) op het Valkhof over het ambt van de bisschop van Utrecht. In de akte hierover staat dat deze door koning Koenraad III werd opgemaakt en uitgegeven in palatio Noviomagi, "in het paleis van Noviomagus".[57] Als getuigen worden 17 bisschoppen, abten, graven en hoge heren genoemd.[58]

Barbarossa werd in 1155 zelf de nieuwe Rooms-Duitse keizer. Uit datzelfde jaar dateert de op Romeins marmer gebeitelde gedenktekst waaruit blijkt dat Barbarossa toen opdracht gaf tot de bouw van de Valkhofburcht (of tot de heropbouw van de palts).[59] (deze gedenktekst was tot 1670 ingemetseld in de muur van het Sint-Stevenskerkhof nabij de sacristie van de Stevenskerk[60]). Keizer Hendrik VI werd tien jaar later aan het Valkhof geboren.[40]:11 De burcht zou vooral gedurende de eerste paar eeuwen daarna zowel bestuurlijk als defensief van grote betekenis voor de stad zijn. Daarnaast zorgde het bouwwerk voor veel uitstraling; met name de Donjon ("Reuzentoren") was in hoge mate bepalend voor de skyline. Omdat er in de hiervoor genoemde gedenktekst onder meer wordt gerept over het "herstellen van het bolwerk van Julius Caesar", heeft gedurende meerdere eeuwen de mythe bestaan dat de burcht en bij uitbreiding heel Nijmegen door Caesar zelf gesticht waren (onder meer Van Berchen was een groot aanhanger van dit idee). Deze misvatting bleef tot in de 16e eeuw vrij algemeen verbreid.[20]:60-61

Duidelijke en rechtstreekse aanwijzingen dat er nabij de nieuwgebouwde burcht van Barbarossa weer een nederzetting van enige omvang was, zijn er pas vanaf het eind van de 12e eeuw. De nederzetting lag eerst ten oosten van de Grotestraat, maar moet zich in de loop van de 11e en 12e eeuw hebben verplaatst naar het westen. De burgers (cives) daarvan worden, voor zover bekend, voor het eerst daadwerkelijk genoemd in een oorkonde uit 1184, die handelt over de (heringevoerde) tol; vermoedelijk gaat het hier om kooplieden.[34]:246/251[61]

Barbarossa stelde te Nijmegen een burggraaf aan, die in zijn plaats bestuurde.[20]:39

Het noordwestelijk deel van het Heilige Roomse Rijk, ca. 1250
De verpanding, schilderij uit 1665 van Palamedes Palamedesz. (III)

Na 1200 was er sprake van een snel groeiende nederzetting die tegen de helling aan de Waal lag en zich in zuidwaartse richting verder uitbreidde.[62]:12 In de loop van de 13e eeuw zou de plaats uitgroeien tot een echte stad en stadsrechten krijgen.[20]:43

In 1202 is de plaats vermoedelijk ingenomen door de hertog van Brabant; deze bezetting duurde twee jaar. In 1203 liet Hendrik II van Cuijk er een oorkonde uitvaardigen. Mogelijk stond Nijmegen ook gedurende een paar jaar onder bestuur van Diederik VI van Kleef; van diens hand is een oorkonde uit 1208 bewaard gebleven, die was opgesteld in Nijmegen.[34]:246

Stadsrechten (1230)

[bewerken | brontekst bewerken]

"Nieumeghen" verkreeg op 31 augustus 1230 van Rooms-koning Hendrik VII de status van vrije rijksstad. Dit maakt men althans op uit de overgeleverde tekst van de oorkonde ( [...] quemadmodum Aquisgranum et aliae nostrae civitates et imperii [...] ).[50][63] De verlening van stadsrechten gebeurde dus op basis van de rechten van Aken, dat al eerder een rijksstad was geworden. Concreet gesproken hield het in dat Nijmegen een eigen stadsbestuur en eigen rechtspraak kreeg, en dat men ter hoofdvaart naar Aken ging. Er zijn verschillende verklaringen denkbaar waarom de Rooms-koning tot deze stap overging; het leverde hem veel financiële baten op (bijvoorbeeld meer winst uit tolheffingen) en ook militair bood het extra voordelen; de nieuwe rijksstad was bij wijze van wederdienst verplicht om ook de koning in geval van nood bij te staan.[34]:90-92 Omstreeks 1233 kreeg Nijmegen ook zijn eigen zegel; uit dat jaar dateert de oudst bekende afdruk daarvan.[34]:254 Uit datzelfde jaar dateert tevens de oudst bekende vermelding van een schepenencollege in de stad.[34]:248

Verpanding (1247)

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Verpanding van het Rijk van Nijmegen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De status van vrije rijksstad binnen het Heilige Roomse Rijk heeft voor Nijmegen slechts 17 jaar geduurd. Op 8 oktober 1247 werd het hele Rijk van Nijmegen – de stad zelf, de burcht en omstreken – door de nieuw gekozen Rooms-Duits koning Willem II (tevens de graaf van Holland) overgedragen aan graaf Otto II van Gelre, bij wijze van onderpand. In ruil ontving Willem II van Otto II financiële steun, aanvankelijk voor de verkiezingen, later ook bij het beleg van Aken. Willem II liet zelf enkele jaren later het leven en hij zou de lening dus nooit inlossen. Het Rijk van Nijmegen is bijgevolg sindsdien onderdeel gebleven van het graafschap Gelre (later het hertogdom).

Sommige Rooms-Duitse koningen en keizers, onder wie Rudolf I, deden in de eerste tijd hierna nog enkele pogingen om het gebied terug in handen te krijgen. In 1282 verklaarde Rudolf I de kwestie rond de verpanding in ieder geval voor de eerstkomende vijf jaar te zullen laten rusten. In 1290 wilde hij de stad Nijmegen en de burcht, samen met Deventer en Duisburg, alsnog formeel overdragen aan Dirk VIII van Kleef. In 1298 rakelde Albrecht I de zaak rond de verpanding opnieuw op. Wigbold I van Holte, de aartsbisschop van Keulen, zou deze keer de knoop hierover moeten doorhakken, maar dit lijkt nooit te zijn gebeurd.[64] Uiteindelijk is de kwestie doodgebloed.

Kort na 1250 lijkt, op last van Otto II, de Gertrudiskerk aan het Valkhof te zijn afgebroken. Dit zou vooral zijn gedaan uit strategische overwegingen; men had op deze plek meer ruimte nodig voor de versterkte en verder uitgebouwde burcht. Ervoor in de plaats verrees op de Hundisburg de nu nog altijd bestaande Grote of Sint-Stevenskerk. De grond hiervoor was door Willem II beschikbaar gesteld.[65] De Stevenskerk werd in 1272 of 1273 gewijd door Albertus Magnus, die tevens de Maria-Omdracht verordonneerde; een processie die voortaan elk jaar van de Stevenskerk naar het Valkhof zou plaatsvinden.[66] Deze traditie zou hierna meer dan zeven eeuwen lang bestaan.[noten 16][67] Aan het Valkhof werd ter vervanging van de vroegere kerk de Gertrudiskapel gebouwd; deze is in 1579 weer afgebroken.[68]

In 1255 keurde paus Alexander IV de belening van de burcht Nijmegen en de tol te Lobith aan Otto van Gelre goed. Alexander IV gaf tevens dat deze lenen bij ontstentenis van een mannelijke opvolger op een dochter konden overgaan, wat in 1292 door paus Nicolaas IV ten gunste van Reinald van Gelre werd herhaald. Nijmegen werd nu de hoofdstad van een van de kwartieren van het hertogdom Gelre, het Kwartier van Nijmegen.

De stad werd verder versterkt met een aarden wal. Deze liep vanaf de Valkhofburcht dwars door de stad tot aan de plek waar in dezelfde tijd de allereerste stadshaven werd aangelegd; in 1303 wordt hier voor het eerst schriftelijk melding van gedaan. Het centrum raakte dichter bebouwd en de stad begon zich uit te breiden in zuidelijke richting. De Burchtstraat en Broerstraat hebben vermoedelijk in deze tijd voor het eerst structurele bebouwing gekregen.[15] Drie belangrijke stadspoorten – de oorspronkelijke Hezelpoort, de Burchtpoort en de Windmolenpoort – zijn vermoedelijk ook allemaal in deze periode gebouwd, als onderdeel van de eerste omwalling; de oudst bekende vermelding van deze stadspoorten dateert van ongeveer een eeuw later.[34]:259

Begin 14e eeuw ontstond aan de voet van de Valkhofheuvel de nieuwe wijk Nyerstat. Ook de versterking en uitbreiding van de stad ging volop door. Uit stadsrekeningen valt af te leiden dat Nijmegen vóór 1375 het gebied waar nu de wijk Nije Veld is heeft verworven.

De Nijmegenaren hadden al rechten in het Nederrijkswald bezeten vóór de toekenning van de stadsrechten in 1230. Er kwam echter steeds meer gebied van het Ketelwald in handen van de graven van Kleef. In de 14e en 15e eeuw moest iedereen die in het woud iets wilde doen, daarvoor "waldcijns" betalen aan degene die het woud beheerde.[34]:78-79

In een oorkonde van 12 februari 1357, getekend door keizer Karel IV, worden voor Nijmegen precies dezelfde vrijheden, rechten en gewoontes nog eens bevestigd die ook voor Aken golden.[69]:74

Tijdens de eerste helft van de 14e eeuw had Nijmegen de belangrijkste Joodse gemeenschap in de Nederlanden. De pestepidemie van 1349 leidde echter tot grootschalige jodenvervolgingen, waarbij ook de Joodse gemeenschap in Nijmegen werd uitgeroeid.[70]

In 1375 werd er aan de Broerstraat een eerste extra kerk gebouwd, de Broederkerk. Het stadsbestuur was aan het eind van de 14e eeuw gevestigd in drie aangrenzende panden in de Burchtstraat.[20]:40-41

Kort voor 1400 werden te Nijmegen de Gebroeders Van Lymborch geboren. Zij worden gerekend tot de topkunstenaars uit hun tijd.

In 1402 werd Nijmegen een Hanzestad, tegelijk met Tielt en Zaltbommel. Het werd nu de regionale hoofdplaats binnen het Hanzekwartier Keulen. Ook veel andere Gelderse steden werden in deze tijd lid van de Hanze, of waren dat reeds.[71] Kooplieden en schippers waren de belangrijkste beroepsgoepen, zij verenigden zich in gilden. Het Sinter Claesgilde, dat in ieder geval al bestond in 1422, oefende zelf enige controle uit over het stadsbestuur.[20]:54-57

Op 13 november 1416 bracht de Rooms-Duitse koning Sigismund van Luxemburg een bezoek aan de stad, waarbij hij tien dagen lang in de Valkhofburcht verbleef. Hij ontving aldaar afgevaardigden uit Friesland en Mainz, en ook bisschop Frederik van Blankenheim werd door Sigismund op de burcht ontvangen. Hiermee had Nijmegen dus weer heel even de functie van bestuurlijke plaats voor het Duitse rijk, waar het oorspronkelijk bij had gehoord. Enkele jaren later raakte Sigismund echter in conflict met de hertog van Gelre (aanleiding was het verbreken van de personele unie tussen Gelre en Gulik). Sigismund sprak een rijksban over heel Gelre uit, maar Nijmegen wist zich hieraan te onttrekken dankzij een beroep op de status als vrije rijksstad die nog altijd gold.[64]:140-141

Groei en verdere versterking

[bewerken | brontekst bewerken]
De 8-jarige Karel van Egmond wordt gehuldigd in Nijmegen, 1473. Prent van Christiaan Lodewijk van Kesteren en Charles Rochussen

Vermoedelijk in het eerste kwart van de 15e eeuw werden er twee stenen muren om de oude stad heen gebouwd, ter vervanging van de aarden wal.[34]:259 Een van de muren begon dicht bij de Waalkade en liep tot aan de oever. In dezelfde tijd moet de Voerweg zijn aangelegd, om het transport vanaf het Valkhof naar het centrum te vergemakkelijken. De Valkhofburcht is wellicht in deze tijd binnen de stadsgrenzen komen te liggen.

Omstreeks 1436 kwam er rond de de tot dan toe onbeschermde buitenbebouwing een gracht. In datzelfde jaar is de Molenpoort gebouwd, als onderdeel van de nieuwe omwalling.[72] Rond 1450 waren er inmiddels twee voorsteden. Er werd nog een derde aarden omwalling aangelegd; deze liep op de plekken waar nu de Eerste, Tweede en Derde Walstraat liggen.[15] In 1459 raakte het Nijmeegse stadsbestuur gebrouilleerd met de geestelijkheid, toen die weigerde nog langer mee te betalen aan de stadsmuur. Het stadsbestuur dreigde met de bescherming van de kerkelijke instanties te stoppen.[34]:260-261

Omstreeks 1450 bedroeg het aantal Nijmegenaren tussen de 10.000 en 20.000. Nijmegen was hiermee een middelgrote stad; het inwonertal was vergelijkbaar met dat van Gouda, Den Bosch en Leuven, en met de Duitse steden Aken, Münster en Hamburg. In de tweede helft van de 15e eeuw liep het aantal Nijmegenaren echter weer wat terug, als gevolg van crises.[34]:41-42

In dezelfde tijd moeten de eerste stedelijke munten van Nijmegen zijn geslagen, de oudst bekende munt dateert uit 1462. Een bekende muntmeester uit deze tijd is Arnt van Ochten.[30]

Oorlogen (vanaf 1473)

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1473 werd Nijmegen na een beleg ingenomen door Karel de Stoute, die zich daarna vestigde in de Valkhofburcht. Karel de Stoute benoemde ook de gouverneur en het gerechtshof voor het Kwartier van Nijmegen. De stad stond hierna gedurende vier jaar onder Bourgondisch bestuur. Na de dood van Karel de Stoute in januari 1477 konden Nijmegen en de rest van Gelre zich hier weer even aan onttrekken. In 1481 moest de stad zich echter onderwerpen aan de latere keizer Keizer Maximiliaan I, die zich vrije toegang tot de burcht wist te verschaffen. Later verzwakte zijn positie in Gelre weer. Begin 1492 lukte het om Karel van Egmond, die gevangenzat aan het Franse hof, te bevrijden. Hij werd in heel Gelre als de nieuwe hertog onthaald en verbleef meerdere weken in de Valkhofburcht.[64]:144-145 [73][74]

In 1494 probeerde Maximiliaan I ook Nijmegen weer te belegeren, maar hij werd teruggedreven door de inwoners van de stad.[75]

Naam en literaire overleveringen

[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens de late middeleeuwen stond de stad nog bekend als "Nieumeghen". In de volksmond is dit door metathesis eerst Nimwegen geworden (wat nog altijd de Duitse naam van de stad is).

De eerdere naamvorm is bewaard gebleven in de titel van het bekende mirakelspel Mariken van Nieumeghen uit het begin van de 16e eeuw. Dit is tevens het enige overgeleverde werk in de canon van de Nederlandse letterkunde, waarin Nijmegen centraal staat en in de titel voorkomt. Het verhaal noemt onder meer de Maria-processie. Een ander bekend verhaal is de Zwaanridder-sage, die zich deels in een van de zalen van de Valkhofburcht afspeelt. Dit verhaal kent echter meerdere overgeleverde versies, waarin het in verschillende steden is gesitueerd.[76]

Uitzicht op de skyline van Nijmegen vanaf de overzijde van de Waal (Frans Hogenberg, 16e eeuw)
Het bezoek van keizer Karel V aan Nijmegen (prent uit 1837)
De Engelsen lijden bij Nijmegen een nederlaag tegen het leger van de hertog van Parma (prent van Frans Hogenberg, gedateerd 1585-1587
Nijmeegse muntstukken, gedateerd 1685-1691
Zicht op Nijmegen met de Valkhofburcht (Jan van Goyen, 1641)
Allegorie op de Vrede van Nijmegen, door Godfried Schalcken
Uitzicht op de stad vanuit het gebied bij de Postweg, omstreeks 1700 (illustratie door Mattheus Berkenboom)

De Benedenstad was in deze tijd het welvarendst. De centrale handelsplek was de Lage Markt.[62]:16/19

Omstreeks 1520 begon men met het verder versterken van de Nijmeegse voorsteden, door middel van een nieuwe stenen muur en een aantal extra torens. Deze muur werd uiteindelijk doorgetrokken tot aan de Kronenburgtoren, waar hij aansloot op de muur om de oude stad die er sinds 1425 was. De versterking werd nog uitgebreid met een nieuwe aarden wal die de vorige verving en met een gracht. Een knik in de stadsmuur werd weggewerkt en de alleroudste ommuringen werden grotendeels afgebroken. De nieuwe stadswal was omstreeks 1530-1531 voltooid en vormde vanaf dat moment de belangrijkste verdedigingslinie.[34]:286 Gedurende de eerste paar eeuwen daarna zou Nijmegen tussen deze stadsmuren ingeklemd blijven.[15]

In 1521 werd aan de Broerstraat de later heiligverklaarde Petrus Canisius (zoon van burgemeester Jacob Kanis) geboren. Hij woonde de eerste vijftien jaar van zijn leven in Nijmegen. De Canisiussingel en het latere ziekenhuis zijn naar hem vernoemd.[20]:70-73 Rond 1544 werd aan het Sint-Stevenskerkhof de Latijnse School opnieuw gebouwd. Een voorloper van deze school lijkt voordien op het Valkhofterrein te hebben gestaan.[77]

In deze tijd waren er nogal wat spanningen tussen enerzijds de stad Nijmegen en haar bewoners en anderzijds de hertogelijke macht van Gelre. Voor Nijmegen wilde men liever wat meer autonomie. Uiteindelijk kwam de Nijmeegse bevolking meerdere malen in opstand tegen Karel van Gelre, waarbij de Valkhofburcht herhaaldelijk is bestormd. In 1530 deed Karel van Gelre enkele toezeggingen. De Nijmegenaren moesten in ruil de Egmondstoren (een verdedigingstoren die de ingang van de burcht blokkeerde) weer afbreken. De hertog ging in 1537 uiteindelijk definitief overstag. Hij liet de sinds 1530 (op kosten van de stadsbevolking) aan de burcht aangebrachte versterkingen weer weghalen, maar dit gebeurde voor rekening van de stad.[64]:146-148

In 1543 kwam het hertogdom Gelre, inclusief Nijmegen, via het Traktaat van Venlo bij de Habsburgse Nederlanden.[78] De status van belangrijkste Gelderse stad was het inmiddels kwijtgeraakt onder hertog Karel van Gelre, die hiervoor de voorkeur had gegeven aan Arnhem.[79] Op 9 februari 1546 bracht keizer Karel V een bezoek van een week aan Nijmegen, om hier als hertog als Gelre te worden ingehuldigd. Karel V verbleef ook (als laatste keizer ooit) in de Valkhofburcht. Tevens schonk hij de stad drie handvesten, waarin onder andere de Nijmeegse tolvrijheden werden herbevestigd en vernieuwd. Bij zijn vertrek uit de stad zou Karel V hebben verklaard Nijmegen "een van de voornaamste steden in de Nederlanden" te vinden, vanwege de ouderdom en schoonheid van deze stad. Nog datzelfde jaar werd er in Nijmegen een eerste beeltenis van hem gemaakt. Het bezoek van Karel V aan Nijmegen is in 1890 nagespeeld door het Leidsch Studentencorps, in Leiden en in Nijmegen zelf.[69]:71-72[80]

De zoon van Karel V, Filips II van Spanje, was op dat moment regent en zou later heer der Nederlanden worden. Hij bracht in 1549 een bezoek aan Nijmegen in zijn hoedanigheid als nieuwe hertog van Gelre. Hij werd hier vrij sober ontvangen, omdat men in Nijmegen de centralisatiepolitiek van de keizer niet erg zag zitten. Wel werd met het oog op zijn bezoek de burcht opnieuw opgeknapt.[81]:153

In 1554 en 1555 werd aan de Burchtstraat het nieuwe stadhuis gebouwd, dat in zijn herbouwde vorm tot op heden bestaat en in gebruik is.

Na 1559 werd Nijmegen (als onderdeel van de Spaanse Nederlanden) als gevolg van een onder Filips II doorgevoerde nieuwe bisdomindeling losgemaakt van het bisdom Keulen waar het tot dan toe bij had gehoord, en bij het nieuw gestichte bisdom Roermond gevoegd. In eerste instantie toonde men vanuit dit bisdom geen belangstelling voor Nijmegen.[34]:5[82]:52

Katholieken vs. hervormden/protestanten

[bewerken | brontekst bewerken]

De Reformatie kreeg beperkte aanhang in de stad. De vernielingen tijdens de beeldenstorm bereikten op 24 september 1566 ook Nijmegen, maar bleven hoofdzakelijk beperkt tot de Stevenskerk. Wel kwam het tot gewelddadige confrontaties tussen katholieken en protestanten, in die mate dat de Gelderse stadhouder Karel van Brimeu zich op 19 oktober genoodzaakt zag om de stad met soldaten te bezetten teneinde de rust te herstellen. Gedurende de eerste tijd hierna bleven de katholieken aan de macht. De protestanten werden nu vervolgd en sommigen van hen moesten vluchten.

In 1574 rukten Lodewijk en Hendrik van Nassau, broers van Willem van Oranje, met een leger op vanuit de Duitse deelstaatjes naar Nijmegen. Zij werden echter in de slag op de Mookerheide verslagen.

In 1576 gingen de Spaanse soldaten muiten. Zij hielden vooral in Antwerpen vreselijk huis; de schok die dit teweegbracht, dreef de katholieken en protestanten in elkaars armen. Het leidde tot het sluiten van de Pacificatie van Gent, die ook door Nijmegen werd ondertekend. Daarmee bleef de stad op dat moment katholiek.

De Nijmeegse bestuurders vroegen in 1578 Willem van Oranje om stadhouder van Gelre te worden. Omdat dit echter onverenigbaar was met zijn stadhouderschap voor de protestants geworden gewesten Holland en Zeeland, droeg Willem van Oranje in plaats daarvan zijn broer Jan van Nassau aan voor deze positie; omdat Jan van Nassau beloofde de Pacificatie te eerbiedigen, nam de magistraat hem aan. Echter bleek al gauw dat hij uit was op de protestantisering van Gelre. Op 2 januari 1579 grepen de hervormden de macht in de Nijmeegse magistraat, waar de roomsen uit werden gezet. Het uitoefenen van de katholieke godsdienst werd nu verboden in Nijmegen.[83]:9 De op 23 januari gesloten Unie van Utrecht, waarin de opstandige steden en gewesten van de harde lijn zich militair verenigden, werd op 5 maart ook door het Nijmeegse stadsbestuur ondertekend.

Op 6 maart 1585, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, viel de stad weer in Spaanse handen; de katholieke meerderheid opende de stadspoorten voor het leger van Claudius van Berlaymont, de koningsgezinde stadhouder van Gelre. Op 16 maart van dat jaar zond men vanuit Nijmegen een gezant naar landvoogd Alexander Farnese (de hertog van Parma), om tot een overeenkomst te komen.[84] De hervormden en protestanten verloren hierdoor hun net verworven rechten alweer. De Nijmegenaren vroegen om geloofsvrijheid voor de protestanten, maar de hertog van Parma weigerde dit. De protestanten kregen echter wel twee jaar de tijd om ofwel de stad te verlaten, ofwel terug te keren tot het katholieke geloof.

De Staatse legerleider Maarten Schenk trachtte in 1589 met een aanslag Nijmegen in te nemen, wat mislukte. Schenk verdronk hierbij zelf in de Waal.[85]

1591: inname van de stad en protestantisering
[bewerken | brontekst bewerken]

In oktober 1591 lukte het prins Maurits alsnog om de stad te heroveren. Dit gebeurde tijdens een nieuw beleg dat een week duurde (de zogenoemde Reductie van Nijmegen). In de stad kwamen de protestanten nu voorlopig weer aan de macht. Zij eigenden zich nog datzelfde jaar de Stevenskerk toe, die tot dan toe altijd katholiek was geweest.[86] Hetzelfde gebeurde met de Broederkerk aan de Broerstraat.[62]:16 De katholieken verlieten nu massaal de stad. Omdat Nijmegen inmiddels ook sterk verarmd was, keerde van de protestanten die de stad eerder hadden verlaten slechts een deel nu terug.[83]:10

Nijmegen viel nu in Staatse handen en maakte voortaan deel uit van de Republiek. Hiermee verloren ook de stadswallen hun oude functie grotendeels; ze werden voortaan door de Staten-Generaal onderhouden, en dienden vooral nog om andere gewesten binnen de Republiek (zoals Holland en Zeeland) te beschermen.[20]:95 Omdat Nijmegen ook nog altijd een vestingstad was, kreeg de stad vanaf nu een vast garnizoen toegewezen. Er moest daarnaast flink geïnvesteerd worden in het onderhoud van de vestingwerken. Veel kloosters werden in deze tijd opgeheven, en de betreffende panden werden in plaats daarvan gebruikt om militairen te huisvesten.[87]:27

Een jaar na het beleg van 1591 werd aan de Molenstraat het protestantse Oud Burgeren Gasthuis opgericht, een samenvoeging van twee eerdere gasthuizen.

In 1602 kreeg Nijmegen voor het eerst een heel nieuwe stadshaven, binnen de stadwallen en op een iets andere plek aan de Waal dan de eerdere haven. Sinds deze haven uit 1602 eind 19e eeuw weer is gedempt, wordt deze zelf de Oude Haven genoemd.

In de vroege 17e eeuw had de stad last van economische teruggang. Een goede verbinding met het noorden moest soelaas bieden. Nijmegen nam het initiatief tot het graven van de Grift en betaalde 75 procent van de aanlegkosten, Arnhem de overige 25 procent. Het kanaal kwam gereed in 1611. Aan beide kanten van de Grift lagen brede dijken met jaagpaden, waarop ook het landverkeer zich kon verplaatsen. In 1634 brak echter door zware ijsgang de bandijk bij Lent door. Het water verwoestte onder andere de gemetselde sluizen van de Grift bij het dorp. De sluizen werden hierna niet meer herbouwd, waardoor alle goederen voor de trekschuitvaart hier voortaan overgeslagen moesten worden.

Tijdens het Twaalfjarig Bestand gaf Nijmegen blijk van een sterke remonstrantse inslag. In de jaren 1636-1637 werd de stad geteisterd door een zware pestepidemie, waardoor in 1635 ca. 6000 mensen het leven verloren..[2]:3[20]:79-81 De stad verloor hiermee ca. 40% van haar inwoners. In 1638 werd aan een groep Doopsgezinde vluchtelingen bij uitzondering het poorterschap verleend.[88]

In 1648 werd de Vrede van Münster gesloten (waarmee er een eind kwam aan de Tachtigjarige Oorlog). De banden die Nijmegen als voormalige rijksstad nog had met het Duitse Rijk werden hiermee definitief doorgeknipt.

In 1650 werd de St. Janskerk nabij de Korenmarkt, een plek die tot dan toe slechts een plein geweest was, afgebroken. De centrale markt verhuisde nu voorlopig vanaf de Lage Markt hierheen.[89]

In deze tijd werden er in het nu officieel protestantse Nijmegen in het geheim vier nieuwe katholieke ordes gesticht: de jezuïeten in 1616, de augustijnen in 1634, de franciscanen in 1643 en de dominicanen in 1674. Zij kwamen veelal bijeen in schuilkerken en werden vervolgd door het stadsbestuur.[82]:53

Dominee Johannes Smetius en Lambert Goris waren de initiatiefnemers van een Illustere school, waaruit de Kwartierlijke Academie van Nijmegen en een stadsbibliotheek zouden voortkomen. Deze academie werd op 3 mei 1655 geopend, en kreeg precies een jaar later de status van universiteit. De academie was aanvankelijk gevestigd in de Commanderie van Sint Jan (die voordien in gebruik was geweest als ziekenhuis en klooster), waar zich ook de bibliotheek bevond. Deze eerste universiteit van Nijmegen heeft echter maar kort bestaan, tot 1679.[90][20]:83-85

In 1657 kwam de eerste vaste verbinding met Lent over de Waal tot stand, de gierpont Zeldenrust.

Van 1672 tot 1674 kreeg Nijmegen te maken met een Franse bezetting. In de stad werd in 1678 de Vrede van Nijmegen tussen Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën gesloten, tezamen met andere vredesverdragen tussen Europese Staten. Daarmee kwam er een eind aan de Hollandse Oorlog. In dezelfde tijd werd onder leiding van Menno van Coehoorn de vesting rond de stad uitgebreid en versterkt.[2]:3

Op 11 juni 1702 probeerde de Franse koning Lodewijk XIV de stad middels een verrassingsaanval (geleid door maarschalk Louis-François de Boufflers) te veroveren, maar dit mislukte.[91][75]

Nijmegen was aan het begin van de 18e eeuw een van de brandhaarden van de Gelderse Plooierijen (1702-1708). Na de dood van Willem III van Oranje kwam de orangistische Oude Plooi aanvankelijk aan de macht. In januari 1703 lukte het de meer staatsgezinde Nieuwe Plooi om het stadhuis te bezetten. Op 7 augustus 1705 vond er een laatste confrontatie plaats. De Nieuwe Plooi wist uiteindelijk een knokploeg van de Oude Plooi weer uit het stadhuis te verdrijven, waarbij meerdere doden vielen. Willem Roukens, de leider van de Oude Plooi, werd de dag erna onthoofd.[20]:99-101

Stadhouder Willem V in november 1786 uit veiligheidsoverwegingen zijn intrek in de Valkhofburcht. Koning Frederik Willem II van Pruisen schoot de stadhouder (die ook zijn schoonbroer was) te hulp; hij viel op 11 september 1787 Nijmegen binnen en bezette met zijn troepen de burcht. De volgende dag vertrokken de Pruisische en de in Ooij, Persingen en Nijmegen gelegerde stadhouderlijke troepen om de rest van de Republiek te heroveren op de patriotten en de Oranjerestauratie door te voeren. Duizenden patriotten vluchtten hierna naar Frankrijk, waar twee jaar later de Franse Revolutie uitbrak.

Plattegrond van de stad tijdens het beleg van 1794
Zie Eerste Coalitieoorlog, Franse veldtocht in de Nederlanden en Beleg van Nijmegen (1794) voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

In 1794 veroverden de Franse revolutionaire troepen de Generaliteitslanden. Hun opmars werd echter gehinderd door de grote rivieren, waaronder in Gelderland de Maas en Waal. Op de Valkhofburcht werd onder de leiding van opperbevelhebber van het Staatse Leger Frederik van York vergaderd, waarbij men de vraag stelde of de stad verdedigd moest worden. Op 27 oktober begonnen de Fransen een aanval op de voorposten bij Neerbosch (destijds een dorp iets ten westen van Nijmegen). Op 2 november kwam de prins met zijn zoon langs. De bestuurders en magistraten verlieten de stad op 5 november, deels om bestuursredenen, deels uit lafheid. De Fransen beschoten vervolgens met groot geschut de stad, waarbij brand in de stad uitbrak. Op 8 november verliet ook het garnizoen de stad en nu trokken de Fransen binnen. De bevolking leek hiermee tevreden, omdat de verdedigers zelf degenen waren die zich hadden misdragen.

Het provinciebestuur van Gelre besloot het jaar daarop om de als gevolg van het beleg gehavende burcht te laten slopen, ondanks veel protest hiertegen vanuit vooral Nijmegen. De burcht werd uiteindelijk ter waarde van f 90.400,- geveild, en het burchtterrein werd in kavels verdeeld. Na veel vergaderen is de burcht in de twee jaar daarna gesloopt. De sloop had meerdere redenen. De burcht stond voor velen tevens symbool voor het stadhouderlijke ancien régime en het daarmee nauw verbonden feodalisme, en bovendien voor de protestantse overheersing sinds eind 16e eeuw van het van oudsher katholieke Nijmegen. Daarnaast had Nijmegen met name dankzij dit bouwwerk nog altijd een zekere allure als vroegere vrije rijksstad ten opzichte van de andere "gewone" Gelderse steden, wat afgunst kan hebben opgewekt.[92] Het bouwmateriaal (vooral de kostbare tufsteen) werd verkocht en bracht veel geld op, dus ook economisch had de sloop allerlei voordelen. Alleen de Sint-Nicolaaskapel en de Sint-Maartenskapel waarvan uiteindelijk alleen de apsis kon worden behouden (de huidige "Barbarossa-ruïne") werden door de gemeente Nijmegen opgekocht en bleven zodoende (voornamelijk dankzij Johannes in de Betouw) voor de sloop gespaard; dit zijn tegenwoordig rijksmonumenten.[93]

Na de overwinning van de Fransen kwam Nijmegen in 1798 onder het departement van de Dommel te vallen. In deze tijd werden er in de stad ca. 6000 Franse soldaten ingekwartierd (ongeveer de helft van de hele stadsbevolking in die tijd).[20]:107-109

Doorbraak van de Waaldijk bij Nijmegen, prent uit 1809
De Grote Markt nabij de Stevenskerk, ca. 1847 (tekening door Louis Chantal)

Op 24 juli 1808 bracht de door Napoleon Bonaparte benoemde koning Lodewijk Napoleon een bezoek aan Nijmegen. Een dag later verklaarde hij dat de status van Nijmegen als vestingstad niet langer gold. Hij droeg de vestingwerken officieel over aan de gemeente Nijmegen, die daarop meteen een begin maakte met het slopen van deze werken. Twee jaar later werd Nijmegen bij het Franse Keizerrijk gevoegd.

Eind oktober 1811 bezochten ook keizer Napoleon zelf en diens vrouw Marie Louise tijdens een rondreis door Nederland de stad. Kort daarvoor was er in het toen net nieuw opgeleverde Valkhofpark, tegen de achtergrond van de Barbarossa-ruïne, een eerst gipsen en daarna marmeren borstbeeld voor Napoleon onthuld, dat drie jaar later weer is weggehaald.[94][69]:22 Tijdens dit bezoek is Napoleon, volgens een overgeleverd verhaal, ternauwernood aan de verdrinkingsdood ontsnapt; de koets waarin hij zat belandde bijna in de Waal toen de paarden op hol sloegen, waarna een lijfwacht hem redde. Van het horloge dat de keizer hierna uit dankbaarheid aan deze man schonk is in een steen aan het Valkhof een beeltenis gemaakt.[95][69]:101-103

Op 5 januari 1814 hadden alle Fransen Nijmegen uiteindelijk verlaten.[20]:107-109 Het besluit van Lodewijk Napoleon om de status van Nijmegen als vestingstad op te heffen werd nog datzelfde jaar door koning Willem I weer teruggedraaid.[87]:31 Er moesten zelfs weer nieuwe buitenforten aan de Waalovergang worden bijgebouwd; dit werden het fort Sterreschans en het fort Krayenhoff (vernoemd naar Cornelis Rudolphus Theodorus Krayenhoff, die de leiding over deze werkzaamheden had).[69]:84[96]

Het grondgebied van het arrondissement Nijmegen werd in 1824 aangepast; de kantons Boxmeer, Grave en Ravenstein verdwenen, terwijl Bemmel en Elst er juist bij kwamen.[97] In 1825 kreeg Nijmegen een eerste eigen stoombootmaatschappij. De eerste stoomboot, "Willem de Eerste", onderhield vanaf de Waalkade de verbinding met Rotterdam en Den Haag.[20]:131[98]

In deze tijd zat het onderwijs zwaar in het slop, vooral doordat de stad als gevolg van de Franse bezetting sterk was verarmd. Omstreeks 1829 kwamen enkele zusters van de Sociëteit van Jezus, Maria en Jozef naar de stad en stichtten een eerste armenschool, speciaal voor katholieke meisjes. In 1843 kwamen vanuit Tilburg ook de Zusters van Liefde, die zich aan de Houtmarkt vestigden.[99][100]

Tijdens de strenge winter van 1844-1845 vroor de Waal meerdere keren dicht, waardoor er een tijdlang geen overtochten mogelijk waren. In april 1845 werd de binnenstad bovendien getroffen door zware overstromingen, doordat een dam het begaf.[97]

Het algemeen christelijk lager onderwijs werd in deze tijd belangrijker. In 1849 kwam, vooral door toedoen van Justinus van der Brugghen, de Normaalschool op den Klokkenberg tot stand (een voorloper van het Instituut Pabo Arnhem-Nijmegen).

Nieuwe ontwikkelingen (1850-1875)

[bewerken | brontekst bewerken]
Skyline van de stad in 1860; in het midden de klokkentoren van Bat-Ouwe-Zate, helemaal rechts de Stevenskerk
De stadsmuur omstreeks 1875, op de achtergrond de Kruittoren, het Rondeel de Roomse Voet en de Polmolen of Sint Jacobsmolen ("Sans Souci")

In 1850 werden er twee ziekenhuizen opgericht: het katholieke Canisiusziekenhuis aan de Pauwelstraat en het protestantse Wilhelminaziekenhuis aan de Jodenberg. Beide ziekenhuizen zijn later meerdere malen van locatie veranderd en steeds uitgebreid.[97] Uiteindelijk zijn ze ruim een eeuw later gefuseerd tot het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis.

In december 1853 werd de Waalhaven in gebruik genomen, deze verving de Oude Haven die werd gedempt.[97]

Aan de Molenstraat werd in 1853 de latere bisschop en martelaar Ferdinand Hamer geboren, naar wie een deel van deze straat later is vernoemd.

De zeer rijke Amsterdamse architect Franciscus Johannes Hallo liet in de Benedenstad omstreeks 1858 in slechts enkele maanden tijd Bat-Ouwe-Zate bouwen, waarvoor een deel van de Steenstraat, Strikstraat en Lindenberg werd ingenomen. Hallo nam hier zelf gedurende een paar maanden zijn intrek, waarna dit bouwcomplex alweer werd doorverkocht aan de geestelijken, om in 1954 uiteindelijk te worden gesloopt.[noten 17][101]

Vanaf 1864 werden er meerdere nieuwe stoombootmaatschappijen opgericht, waarmee zeilschepen nu geheel overbodig waren.[20]:131

De echte uitbreiding en ontwikkeling van Nijmegen, op het vlak van zowel economie als welvaart, bleef gedurende het eerste driekwart van de 19e eeuw nog erg beperkt. Dit had als hoofdreden dat Nijmegen vóór de Vestingwet van 1874 nog altijd officieel de status van vestingstad had. Zodoende mochten er van het ministerie van Oorlog rondom de vesting geen woningen gebouwd worden binnen het bereik van het geschut op de vesting. Het gevolg was dat de stad binnen de vestingwallen in deze tijd enorm overbevolkt raakte; omstreeks 1870 was het aantal Nijmegenaren toegenomen tot 23.000, terwijl dit er eind 18e eeuw nog 10.000 waren geweest.[15] Een ander gevolg was dat er in het stadscentrum in deze tijd veel armoede heerste. Het stadsbeeld bestond in deze tijd dan ook uit zeer veel nauwe en kleine straten en steegjes ("gassen"), naast de straten met veel meer aanzien.[97]

In 1852 stuurden zes Nijmegenaren een eerste verzoekschrift naar de koning om de oude vestingwallen rond hun stad te mogen afbreken.[97] Een van de ondertekenaars was de reeds genoemde Van der Brugghen, die toen president was van de Nijmeegse rechtbank.[69]:22 Ruim 20 jaar later, op 18 april 1874, kwam er dan inderdaad officieel toestemming van de regering om over te gaan tot deze afbraak.[noten 18]

De Windmolenpoort werd in 1860 afgebroken. De Burchtpoort, die al sinds de afbraak van de eerste stadswal zijn oorspronkelijke functie had verloren (maar wel nog onder meer in gebruik was als gevangenis), is ook in deze tijd gesloopt.[102] Van de wallen resteren vandaag de dag nog voornamelijk drie torens: de Kruittoren, de St. Jacobstoren en De Roomse Voet.

Komst van spoorwegverbindingen (vanaf 1865)

[bewerken | brontekst bewerken]

De infrastructuur werd nu sterk uitgebreid en verbeterd. De eerste spoorwegen in Nederland werden voornamelijk aangelegd door particulier initiatief. Om tot een samenhangend spoorwegnet te komen nam men in 1860 de Spoorwegwet aan. Een verbinding met Nijmegen was hierin toen echter nog niet voorzien; het bouwen van spoorbruggen over de grote rivieren zoals de Waal vormde namelijk een grote technische uitdaging voor die tijd. Een brug bij Nijmegen werd bij de toenmalige stand van de techniek als te risicovol beschouwd, vanwege de sterke stroming en het gevaar van kruiend ijs. Alleen bruggen over de Lek bij Culemborg en de Waal bij Zaltbommel vond men toen veilig genoeg.[103]

Het eerste station van Nijmegen. Dit tijdelijke gebouw is later verplaatst naar de Ooysedijk.

Dankzij een lobby vanuit de burgerij werd de Nijmeegsche Spoorwegmaatschappij opgericht, die in 1865 de eerste spoorwegverbinding van de stad tot stand bracht, met het Duitse Kleef. Vanuit Kleef was er een spoorverbinding via een spoorpont bij Elten naar Zevenaar. Voor deze spoorlijn kwam er een eerste, houten station ongeveer waar nu concertgebouw De Vereeniging staat.[10]:34}

In de Tweede en Derde Spoorwegwet van 1873 en 1875 waren wel spoorlijnen voorzien naar Nijmegen: de lijn Arnhem - Nijmegen en de lijn naar Venlo.[104] In 1879 kwamen de bruggen over de Rijn bij Arnhem en over de Waal bij Nijmegen gereed en werd Nijmegen verbonden met het Nederlandse spoorwegennet. Nijmegen was daarmee de laatste Nederlandse stad met meer dan 20.000 inwoners die op het spoorwegnet werd aangesloten. De lijn naar Venlo kwam gereed in 1883.[105] Twee jaar eerder, in 1881, werd er ook een spoorlijn geopend naar Den Bosch, door de Nederlandsche Zuid-Ooster Spoorweg-Maatschappij.

Voor deze spoorlijnen kwam er een gezamenlijk station. Dit werd in 1894 geopend op een nieuwe locatie aan de Stationsweg (de huidige Van Schaeck Mathonsingel), naar een ontwerp van Cornelis Peters. Na de Tweede Wereldoorlog is dit stationsgebouw vervangen door het huidige Centraal Station.[106]

Stadsuitbreidingen vanaf 1876

[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf 1876 kon vooral de Bovenstad dankzij de nieuw verkregen vrijheid alsnog echt gaan groeien en uitbreiden. De gemeente had met het oog hierop in 1874 een driekoppige commissie – het Driemanschap – aangesteld (bestaande uit Johannes Hendrikus Graadt van Roggen, Walraven Francken en Herman L.Terwindt[69]:20-24)[107]In 1877 kocht deze commissie het voormalige vestingterrein over van het Rijk. In ruil kreeg het Rijk het net ten zuiden van Nijmegen gelegen natuurgebied Heumensoord in handen, dat voordien een militair oefenterrein was geweest.[108]

In de eerste decennia na de ontmanteling van de wallen maakte de stad een nieuwe grote uitbreiding door. Het plan voor deze stadsuitleg werd voornamelijk uitgewerkt door stadsingenieur W.J. Brender à Brandis uit Maastricht en van architect en stedenbouwkundige Bert Brouwer. Stadsarchitect Frits van Gendt (van de Dienst der Domeinen) presenteerde ook een eigen plan van uitleg, waar echter veel kritiek op kwam.[15] Tot zijn dood in 1891 was Brouwer naast stedenbouwkundige een belangrijk figuur in de Nijmeegse woningbouw. Bij de gemeentelijke grondveilingen werden door hem aanzienlijke stukken grond opgekocht. Veelal verschenen op deze locaties herenhuizen. Daarnaast ontwierp Brouwer enkele villa's, waaronder de burgemeesterswoning Nassausingel 2.

Het gunstige bouwklimaat dat ontstond na de ontmanteling van de stadswallen trok in deze tijd ook nog verschillende andere architecten. Belangrijke namen onder hen zijn die van Derk Semmelink, Wilhelmus Johannes Maurits en Gerardus Buskens. In 1880 kwam het Keizer Karelplein gereed. Veel straten in het Nijmeegse stadscentrum hebben in deze tijd hun huidige naam gekregen.[97]

Nabij de plek waar de stadswallen hadden gelegen, kwam in 1882 het Kronenburgerpark gereed (naar een ontwerp van de broers Leopold en Liévin Rosseels). In ongeveer dezelfde tijd was ook het Hunnerpark klaar.

Stukken van het centrum die oorspronkelijk door het Rijk als permanent militair terrein waren gereserveerd, kwamen rond 1895 in handen van de gemeente.[108]

Stadsplattegrond uit 1888

Aan het eind van de 19e eeuw kreeg het centrum er in korte tijd drie markante kerkgebouwen bij, ter vervanging van eerdere, kleinere kerken op ongeveer dezelfde plek. Aan de Doddendaal (nu Kroonstraat) kwam in 1882 een Franciscuskerk gereed. De Augustinuskerk verrees in 1886 aan de eveneens nieuw aangelegde Augustijnenstraat. In 1896 kwam aan de Molenstraat ook nog de nieuwe Molenstraatkerk (nu de Canisiuskerk) gereed.

In de wijk Altrade werd in 1885 de eerste rooms-katholieke begraafplaats in de stad in gebruik genomen: de Begraafplaats Daalseweg. Een paar jaar later werd, aan de Postweg in Nijmegen-Oost, ook de protestantse begraafplaats Rustoord aangelegd.

De gemeente Nijmegen verkocht in 1893 voor 32.000 gulden het tiendrecht onder Heumen en Malden aan de betreffende twee gemeenten. In 1769 had Nijmegen de betreffende heerlijkheden voor 235.000 gulden aangekocht.[15][109]

Stadsopnamen uit de jaren 1920 (Polygoonjournaal, april 1924)
Skyline van de Nijmeegse Bovenstad vanaf de overkant van de Waal (bij Lent), 1935

Rond de eeuwwisseling werden de eerste industrieterreinen ontwikkeld in wat tegenwoordig het Nijmeegse haven- en industrieterrein is.

Omstreeks 1905 was het aantal inwoners van de stad de 50.000 gepasseerd, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 1876.[108] Aan de stadsranden werden er in deze tijd een aantal militaire kazernes gebouwd, waaronder de latere Krayenhoffkazerne op de hoek van de Groesbeekseweg en Gelderselaan in 1905, en een jaar later de hiernaast gelegen Snijderskazerne.[20]:127

In 1914 ging aan het Keizer Karelplein het Concertgebouw De Vereeniging open. De locatie was op de hoek van de Oranjesingel, waar voordien het allereerste station had gestaan.[15]

Op 1 januari 1915 werd een stukje van het noordelijke grondgebied van de gemeente Groesbeek overgenomen door Nijmegen, bij elkaar ging het om ca. 158 hectare.[110] De plannen voor deze annexatie waren er sinds eind 19e eeuw, en werden vanaf 1905 weer serieus opgepakt. Het grootste deel van het overgenomen gebied werd bebouwd met luxueuze villa's, dit is nu de wijk Kwakkenberg. De gemeentegrens van Nijmegen met Groesbeek werd hiermee verlegd van de Postweg naar de Sophiaweg. Vanuit Groesbeek zelf kwam hier het nodige protest tegen. Volgens de oorspronkelijke plannen had er nog wat meer grondgebied van Groesbeek bij Nijmegen moeten komen: de buurtschap Meerwijk, delen van Berg en Dal en het gebied waar het nieuwe kerkdorp Heilig Landstichting is gebouwd. Hier ging uiteindelijk een streep door.[111]

In het kader van de katholieke emancipatiebeweging kreeg Nijmegen in 1923 weer een eigen universiteit, met rooms-katholieke signatuur. Deze heeft lange tijd Katholieke Universiteit Nijmegen geheten, tegenwoordig is het de Radboud Universiteit Nijmegen (RU). Het oorspronkelijke hoofdgebouw stond aan het Keizer Karelplein.[112]

"Indisch" Nijmegen

[bewerken | brontekst bewerken]

Van 1890 tot 1940 was Nijmegen, na Den Haag, de belangrijkste 'Indische' stad (onder meer de Indische Buurt herinnert hier nog aan). De Europese tak van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), het Korps Koloniale Reserve, had sinds 1890 Nijmegen als standplaats. Vanaf 1911 betrokken ze de Prins Hendrikkazerne. De Koloniale Reserve stond ook aan de basis van de Nijmeegse Vierdaagse. In 1909 vond de eerste editie hiervan plaats, georganiseerd door de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding (NBvLO). Deze traditie wordt sindsdien tot op heden bijna elk jaar in de stad gehouden en trekt deelnemers vanuit de hele wereld aan. Sinds 1925 is Nijmegen de vaste plaats voor vertrek en aankomst.[20]:129

De stad met haar fraaie singels en woonhuizen trok in deze tijd oud-Indiëgangers aan zoals planters, bestuursambtenaren en industriëlen. Zij lieten kapitale villa's bouwen, vooral in de wijk Hunnerberg, in de nabijgelegen dorpen Hees en Hatert en langs de uitvalswegen (bijvoorbeeld de villa Padang op de Groesbeekseweg 181, en Villa Salatiga). Ook in Beek en Ubbergen verrezen landhuizen. Rond 1900 werd een villawijk vernoemd naar generaal Joannes Benedictus van Heutsz, die na de verovering van Atjeh als eerste Nijmegen aandeed.[113]

Komst van de Waalbrug

[bewerken | brontekst bewerken]
Polygoonjournaal uit 1935 over de bouw van de Waalbrug

Nadat in 1879 al een spoorbrug over de Waal was gerealiseerd, werd na herhaaldelijk uitstel in 1931 uiteindelijk begonnen met de bouw van de Waalbrug, een belangrijke nieuwe verkeersbrug die vijf jaar later gereed kwam. De pont Zeldenrust was daarmee na bijna drie eeuwen overbodig geworden.

De komst van de Waalbrug was niet onomstreden, omdat het weliswaar voor de verdere ontwikkeling van de Bovenstad zeer goed was, maar tegelijk een forse economische aderlating betekende voor de Benedenstad die tot dan toe eeuwenlang juist het welvarendst was geweest, vooral dankzij de veerpont. Veel winkeliers die tot die tijd in dit deel van de stad gevestigd waren, verhuisden nu vanwege de betere bereikbaarheid naar de Bovenstad.

Tweede Wereldoorlog

[bewerken | brontekst bewerken]

Aan het begin van de Duitse invasie in Nederland op 10 mei 1940, die voor Nederland vijf dagen duurde en waarmee ook hier de Tweede Wereldoorlog begon, werd de Waalbrug opgeblazen door Nederlandse ingenieurs, die hiermee de Duitse opmars hoopten te kunnen vertragen. Dit kon echter niet verhinderen dat Nijmegen al meteen op die eerste dag van de Duitse inval door de Wehrmacht werd ingenomen, als eerste belangrijke Nederlandse stad.[114] Tijdens de eerste paar jaar van de Duitse bezetting werd de Waalbrug weer hersteld, om in 1943 te worden heropend.

In februari 1943 werd de NSB'er Marius van Lokhorst burgemeester van Nijmegen.[34]:537

Bombardement op de binnenstad (22 februari 1944)

[bewerken | brontekst bewerken]
Luchtfoto van Nijmegen-Oost, 1944
Zie Bombardement op Nijmegen (22 februari 1944) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 22 februari 1944 voerden 16 Amerikaanse bommenwerpers van de United States Army Air Forces een zwaar bombardement uit boven de Nijmeegse binnenstad, waarbij ze eigenlijk het centraal station als doelwit hadden. Met name de Bovenstad werd hierbij zwaar getroffen en voor een aanzienlijk deel verwoest. Bij dit bombardement vonden waarschijnlijk circa 800 mensen de dood, vrijwel allemaal burgers.[noten 19] Daarmee is dit bombardement dodelijker geweest dan het algemeen bekendere bombardement op Rotterdam van mei 1940.[noten 20]

Lange tijd is aangenomen dat dit bombardement louter een vergissing van de Geallieerden betrof; zij zouden Nijmegen vanuit de lucht hebben aangewezen voor het nabijgelegen Duitse Kleef. Er zijn echter gaandeweg meer aanwijzingen opgedoken dat Nijmegen, of in ieder geval het station, op die dag bewust als doelwit werd gekozen. [115]

Vanaf september 1944

[bewerken | brontekst bewerken]
Gebouwen in het centrum verwoest tijdens de bevrijding in september 1944[116]

Vanaf september 1944 tot aan het eind van de oorlog werd de toch al zwaar beschadigde stad opnieuw hevig getroffen door het oorlogsgeweld. Op 17 september begon Operatie Market Garden. Er volgden drie dagen van hevige gevechten, waarbij meer dan 1000 burgerdoden vielen en vele duizenden gewonden. Het noordelijk bruggenhoofd van de Waalbrug werd op 20 september bij de Waaloversteek veroverd door de Amerikaanse 82e Luchtlandingsdivisie. Nijmegen werd hierdoor een echte frontstad. Een belangrijke rol in de verovering van de brug door de Geallieerden had de Nijmeegse student Jan van Hoof, die als lid van de Geheime Dienst Nederland informatie had verzameld over de brug. Op 18 september had Van Hoof de explosieven die door de Duitsers aan en onder de brug waren aangebracht onklaar gemaakt, zodat de brug twee dagen later nagenoeg ongeschonden door de Geallieerden kon worden ingenomen.[10]:38

Vanaf 26 september 1944 tot januari 1945 vonden de Duitse aanvallen op de Nijmeegse Waalbruggen plaats. Op 2 oktober werd Nijmegen door de Luftwaffe nog eens zwaar gebombardeerd, waarbij ook een schuilkelder werd geraakt. Er vielen ca. 100 doden.[117]

Uiteindelijk overleden in totaal 2200 Nijmegenaren rechtstreeks als gevolg van het geweld in de Tweede Wereldoorlog. In de stad vielen 10.000 gewonden, 5500 van hen waren blijvend invalide. Ongeveer 5000 woningen in de stad waren compleet verwoest, nog eens 13.000 waren zwaar beschadigd. 12.000 tot 16.000 mensen waren gedurende de eerste tijd na de oorlog dakloos.[34]:430[10]:40

Tweede helft 20e eeuw

[bewerken | brontekst bewerken]
Herstelwerkzaamheden aan de Burchtstraat, ca. 1948

Wederopbouw en renovatie na WOII

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie ook Wederopbouw

Charles Hustinx was de eerste naoorlogse burgemeester van Nijmegen, nadat hij in oktober 1944 al was aangesteld als waarnemend burgemeester.

De wederopbouw van de stad verliep in de eerste paar jaar na de oorlog erg moeizaam, onder meer vanwege geldgebrek. De Wet op de Materiële Oorlogsschade moest hier vanaf 1948 verandering in brengen.[34]:556-557 Het Rijk sprong vanaf 1952 financieel bij, op voorwaarde dat de bouwactiviteiten binnen vier jaar klaar zouden zijn.[118]

In het centrum zijn daarbij alleen de meest iconische gebouwen behouden en zo goed mogelijk gerestaureerd, zoals de Sint-Stevenskerk, het stadhuis en de Commanderie. De meeste andere gebouwen zijn in deze tijd gesloopt, vaak ook als ze niet of alleen licht beschadigd waren. Veel straten en gassen uit het vooroorlogse stadscentrum verdwenen helemaal, inclusief de namen. Andere straten werden ingekort. Veel straten die werden behouden kregen een nieuwe naam, bijvoorbeeld van een verdwenen straat die voordien hier in de buurt had gelegen. De straten die wel onder dezelfde naam zijn behouden, zijn doorgaans sterk van uiterlijk veranderd met overwegend nieuwbouw. Het Plein 1944 werd in de periode 1950-1955 volledig nieuw aangelegd, ter vervanging van een stuk van de Bovenstad dat geheel was verwoest door het bombardement van 22 februari 1944. Elders in de Bovenstad werden veel winkelstraten breder gemaakt en/of verlegd, zodat ze toegankelijk werden voor het sterk toegenomen autoverkeer.[119]

In het naoorlogse stadscentrum kwamen veel meer winkels met bovenwoningen in de plaats van bijvoorbeeld de vroegere fabriekjes, magazijnen en werkplaatsen. De nieuwe stadsschouwburg kwam in 1961 gereed aan het Keizer Karelplein, ter vervanging van de in 1935 afgebroken oude schouwburg aan de Oude Stadsgracht. Deze naoorlogse panden kenmerken zich veelal door verticaliteit en een plat dak.[120]

Vanaf ongeveer 1955 werd in Nijmegen-Zuid de nieuwe wijk Grootstal gerealiseerd. De laatste Nijmeegse wijk die nog volledig in het kader van de wederopbouw werd gerealiseerd was Neerbosch-Oost. Daarna zou de stad vooral ten westen van het Maas-Waalkanaal nog verder worden uitgebreid.

Mensen voor wie de binnenstad tijdens de oorlog onleefbaar was geworden, moesten in deze tijd elders worden gehuisvest. Daarom werden er in de periode 1945-1947 in de buitenwijken van de stad in snel tempo enkele geïmproviseerde wijken uit de grond gestampt, met primitieve noodwoningen. Bekend is vooral de Gouverneursbuurt aan de toenmalige Driehuizerweg. Ook aan de Hatertseweg en Muntweg en op de Kopse Hof verrezen dergelijke noodwijken.[121] In totaal kwamen er ca. 400 van dit soort noodwoningen verspreid over Nijmegen, waarvan ongeveer de helft in de Gouverneursbuurt stond.[122]

De meeste noodwoningen zijn tegen het eind van de jaren 60 weer allemaal afgebroken. Alleen het wijkje tussen Hatertseweg en Vossenlaan is nog aanwezig.

De Benedenstad

[bewerken | brontekst bewerken]

Door verwaarlozing en armoede was de Benedenstad na de Tweede Wereldoorlog in verval geraakt. De situatie voor dit deel van de stad was al in de 19e eeuw erg precair geworden; na de bouw van de Waalbrug en het verdwijnen van de traditionele gierpont in 1936, verdween hier ook de bedrijvigheid. Vóór het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog had het stadsbestuur al plannen gemaakt om delen van de Benedenstad te saneren of te slopen.

De Benedenstad had wat minder oorlogsschade geleden dan de Bovenstad. Echter, de naoorlogse toestand van dit stadsdeel door de vele reeds gesloopte panden in combinatie met slechte woonomstandigheden (verkrotte, onbewoonbaar verklaarde panden, huizen zonder sanitair e.d.) was zodanig, dat na jarenlange discussies en plannenmakerij in 1972 besloten werd om over te gaan tot grootschalige sloop en herbouw hiervan. Doel van dit laatste was het behoud van de volkshuisvesting (sociale huurwoningen), de bedrijvigheid verdween vrijwel geheel. Van 1978 tot 1983 werden er zo'n 650 nieuwe woningen gebouwd, waarbij althans het stratenpatroon van voor de sloop grotendeels gehandhaafd bleef.

In 1975 werd de Benedenstad uitgeroepen tot "beschermd stadsgezicht" (zie Rijksbeschermd gezicht Nijmegen), maar toen waren de meeste middeleeuwse panden al gesloopt. Alleen de Lage Markt, de Lange Hezelstraat, een deel van de Priemstraat en de Begijnenstraat zijn nog in hun oorspronkelijke staat gebleven.

Vanaf de jaren 50

[bewerken | brontekst bewerken]
De wijk Aldenhof in aanbouw, 1965
Aanzicht vanaf de Grote Markt, 1975

In de jaren 50 vestigden er zich 40 nieuwe bedrijven in de stad, waaronder Philips (dat het voormalige gebouw van de Twentsche Bank in Mariënburg betrok). Het vestigingsklimaat in het naoorlogse Nijmegen was onder meer vanwege de lage lonen, goedkope grond en verbeterde nieuwe infrastructuur erg aantrekkelijk. In 1960 werkten er in totaal 24.000 Nijmegenaren in de nijverheid, meer dan een verdubbeling ten opzichte van dertig jaar eerder.[20]:183

Nieuwe uitbreidingen vanaf de jaren 60
[bewerken | brontekst bewerken]

In de tweede helft van de 20e eeuw is de stad nogal eenzijdig in westelijke en vooral zuidwestelijke richting uitgebreid, als alternatief voor een plan om 17.000 nieuwe woningen in de Ooijpolder te bouwen dat omstreeks 1970 definitief van tafel ging. Bijgevolg ligt de oudste kern tegenwoordig bijna in het uiterste noorden van de stad, aan de zuidkant van de Waal. De nieuwe uitbreidingen en annexeringen liggen een aantal kilometer zuidwestelijker, in de richting van de gemeente Wijchen.

De tot dan toe zelfstandige dorpen Hatert, Hees en Neerbosch gingen in deze tijd op in Nijmeegse stadswijken met dezelfde naam. Van de bebouwing in de oorspronkelijke dorpen bleef slechts een deel behouden. De belangrijkste uitbreiding in deze tijd was de komst van de stadsdelen Dukenburg en Lindenholt vanaf 1966, inclusief de bijbehorende aanleg van Station Nijmegen Dukenburg (1973). Deze twee nieuwe stadsdelen verrezen ten westen van het Maas-Waalkanaal. Er werd in deze stadsdelen één extra kerk bijgebouwd, de Ontmoetingskerk. Vanwege de grote afstand tussen deze nieuwe stadsdelen en het echte centrum werd tevens het Winkelcentrum Dukenburg aangelegd.[20]:187-189 Het project Brabantse Poort is ook in het kader hiervan gerealiseerd.[123]:141

Vanaf eind jaren 90 begon de bouw van de nieuwe Vinex-locatie Waalsprong, ten noorden van de Waal. In het kader daarvan werd in 1998 ook het dorp Lent, dat sinds 1818 bij Elst hoorde, toegevoegd aan de gemeente Nijmegen. Tot dan toe was de Nijmeegse bebouwing in het noorden altijd tot aan de zuidzijde van de Waal geweest.

Maatschappelijke ontwikkelingen vanaf de jaren 60
[bewerken | brontekst bewerken]

Nijmegen staat sinds de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw bekend als rode stad. Er waren in die jaren veel marxisten te vinden die door de relatief grote populatie aan studenten erg opvielen. Nijmegen heeft dan ook enige tijd de bijnaam 'Havana aan de Waal' gehad.

Nadat het aantal inwoners van de stad gedurende de eerste 25 jaar na 1946 fors was toegenomen, stagneerde dit vanaf halverwege de jaren 70. Het aantal Nijmegenaren daalde hierna weer tot onder de 150.000, en dit bleef zo tot en met de jaren 90. Een belangrijke reden was dat veel mensen in de naburige dorpen gingen wonen. De meeste andere Gelderse steden maakten in deze tijd juist een bevolkingsgroei door. Ook de werkloosheid nam in deze periode toe; begin jaren 80 was ongeveer een kwart van de Nijmeegse beroepsbevolking werkloos.[124]:194-195

Op 28 augustus 1979 vond er ter hoogte van de Muntweg een zwaar treinongeluk plaats. Daarbij vielen 8 doden en 37 gewonden.

In februari 1981 vond er een gewelddadige confrontatie plaats tussen de linkse krakers en het Nijmeegse bestuur. Dit is de geschiedenis in gegaan als de Pierson-rellen.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1986 werd de PvdA in Nijmegen voor het eerst groter dan het CDA. Een jaar later werd Ien Dales burgemeester van de stad.[124]:195

De omgeving van Station Nijmegen, 2003

Omstreeks het jaar 2000 is in het oosten van de stad de nieuwe buurt Limos verrezen, als onderdeel van Hengstdal.

Eind 2003 kwamen de gemeente en de politie van Nijmegen in opspraak vanwege de honderden centrumverboden die werden verordonneerd voor mensen die zich schuldig zouden maken aan de in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen vergrijpen.

In 2004 haalde de gemeente de landelijke media na een besluit van de gemeenteraad om SUV's (grote terreinwagens) niet meer in het centrum te laten parkeren. Als argumenten werden vooral de milieuvervuiling en de onveiligheid van deze auto's naar voren gebracht. Het besluit leidde tot een kortstondige landelijke discussie over dit onderwerp. Het College van B&W besloot het besluit van de gemeenteraad naast zich neer te leggen, omdat Nederlandse en Europese regels uitvoering van het voorstel in de weg staan.

In het jaar 2005 werden het 2000-jarig bestaan van de stad en het 1900-jarig bezit van stadsrechten gevierd.

In november 2005 werd in het centrum van de stad de plaatselijk bekende activist Louis Sévèke om het leven gebracht. Dit haalde het landelijke nieuws.

In 2006 vielen er tijdens de jaarlijkse editie van de Vierdaagse op de eerste dag twee doden, waarna het evenement werd gestaakt.

In 2009 werd opnieuw een deel van Nijmegen aangemerkt als beschermd stadsgezicht, de "negentiende-eeuwse schil". Deze keer betrof het vooral delen van de bovenstad en Nijmegen-Oost.

Nieuwe stadsuitbreidingen

[bewerken | brontekst bewerken]
Wooncomplex in de wijk Hatert, 2021

De stad breidde zich verder uit in westelijke en alsnog ook wat in noordelijke richting. Er kwam vooral ook meer hoogbouw bij, zoals de in 2016 geopende Nimbustoren.[124]:195

In november 2013 werd de nieuwe brug De Oversteek geopend, een nieuwe oeververbinding over de Waal. Deze diende enerzijds ter ontlasting van het verkeer door een ouder deel van Nijmegen en het knelpunt dat het Keizer Karelplein inmiddels was gaan vormen. Anderzijds ontstonden verbindingen die de ontwikkeling van Veur-Lent en Waalsprong mogelijk maakten. De rond dezelfde tijd aangelegde S100 voorzag in verbeterde bereikbaarheid binnen Nijmegen en daarbuiten, alsmede naar gemeente Beuningen en verderop gelegen plaatsen in het Land van Maas en Waal.

De bouw van het Waalfront, met zo'n 2000 woningen, stond vanaf 2010 gepland. De eerste woningen hiervan werden in december 2015 opgeleverd in de nieuwe wijk Batavia. Ook kwam de wijk Handelskade tot stand. Nieuw waren ook de paviljoens van Park Fort Krayenhoff en een stukje skyline tegenover de haven, Havenkade. De nieuwste toevoeging op de locatie van het huidige oude havengebied in de Biezen is de wijk Iris.

Maatschappelijke ontwikkelingen

[bewerken | brontekst bewerken]

Nieuw onderzoek uit 2020 wees uit dat een derde van de Nijmegenaren (ca. 54.000 personen) zichzelf nog als katholiek beschouwde, de helft minder ten opzichte van 1960. Het aantal protestanten bedroeg toen ongeveer 6.500.[124]:55

[bewerken | brontekst bewerken]